Posts tonen met het label John Locke. Alle posts tonen
Posts tonen met het label John Locke. Alle posts tonen

woensdag 24 oktober 2018

Verlichting nu. Niet seffens, niet subiet, maar nu, maintenant, tout de suite, heute nog godverdomme

Het boek van Pinker is eindelijk in het Nederlands vertaald
  De boeken van Steven Pinker lees ik met een mengeling van ergernis en fascinatie en dat geldt ook voor dit boek, dat een pleidooi is voor de waarden van de Verlichting. Pinker laat zien hoe die waarden zich verhouden tot de grote problemen van onze tijd: welvaart, levenskwaliteit, milieu, oorlog, islam, terrorisme, democratie …
     Pinker drijft zijn lezer in de hoek met cijfers en logica. Die cijfers vormen het beste deel van het boek. Het zijn geen zorgvuldig uitgekozen spectaculaire getallen over de 0,004 % rijksten ter wereld, de   productiviteitswinsten van 9000 miljard dollar, en de armoede die in Vleteren gestegen is met 566 procent in één jaar. Pinkers cijfers hebben goede bronnen, laten vergelijking toe, overspannen grote periodes, doen ter zake, worden niet lichtvaardig gebruikt om oorzakelijke verbanden te leggen, en gaan vergezeld van een duidelijke omschrijving van de meetmethodes.
     Ook de logica van Pinker is solide, alhoewel niet altijd subtiel. Hij formuleert scherp, waardoor je altijd wel iets vindt om op af te dingen, maar elk argument dat hij aandraagt is het overwegen waard. Wel gaat hij niet altijd diep in op mogelijke tegenargumenten.

     In Amerika is Pinker een man van het centrum. In Europese termen zou hij een gematigde, een zéér gematigde, sociaaldemocraat zijn. Hij is redelijk goed op de hoogte van sommige andere denkstromingen: klassiek liberalisme, rechts populisme, links radicalisme, emotioneel ecologisme en die krijgen om beurten een veeg uit de pan, vooral de laatste drie. De denkwereld van het conservatisme lijkt hem echter totaal vreemd. Die doet hij af met een woord: ‘cultuurpessimisme’.
     Je vindt in de bibliografie achteraan weinig boeken van de grote Verlichtingsauteurs. Dat is niet Pinkers specialiteit. Pinker beperkt zijn Verlichting tot rationalisme, positivisme en (atheïstisch) humanisme. Daarin leunt hij naar mijn smaak te veel aan bij de radicale Franse traditie en te weinig bij de sociaal gematigde Engels-Schotse denkers als John Locke, David Hume en Adam Smith, wier leer meer aanknopingspunten heeft met het conservatieve denken.
     Het boek bevat een reeks fundamentele cijfers waarzonder een ernstige discussie over de problemen van deze tijd onmogelijk is. De conclusies zullen geloof ik in de smaak vallen van de zéér gematigde sociaaldemocraat en van de zéér rationeel ingestelde ecologist. Anderen zullen ze lezen met gevoelens die van bladzijde tot bladzijde of van hoofdstuk tot hoofdstuk variëren. Het is immers lang niet altijd leuk om meningen te lezen die botsen met je eigen wereldbeeld. Maar je wordt er wel groot en sterk van.

donderdag 2 augustus 2018

De grijns van Voltaire en de neus van Locke*

     Twee dingen vooral wilde ik in Sint-Petersburg niet missen: het Winterpaleis, dat tijdens de ‘rode oktober’ van 1917 door de bolsjevieken was ‘bestormd’, en de Hermitage, dat één van de grootste kunstmusea ter wereld is. Ter plekke bleek dat het niet om twee dingen ging, maar om één, want de Hermitagecollectie is ondergebracht ín het Winterpaleis. Als je niet veel weet en je bereidt je reis slecht voor, rol je van de ene verbazing in de andere.
     Wat ik dan wel weer wist, is dat je in de Hermitage de beeltenissen vindt van twee grote Verlichtingsdenkers: een marmeren beeld van Voltaire en een portret van John Locke. Die werken werden besteld door Catharina II die zelf ook heel verlicht was, al heeft zij in haar rijk de lijfeigenschap niet afgeschaft, maar juist uitgebreid naar de gebieden waar ze nog niet bestond. Op de ene plaats in haar rijk wél lijfeigenen en op de andere plaats níet, dat vond Catharina slecht stroken met het methodische rationaliteit van de nieuwe tijden.
     Van het marmeren Voltairebeeld heeft Ruslandreiziger Joseph de Maistre (1753-1821) een beroemde beschrijving gegeven: ‘Ga het maar eens bekijken in het Hermitagepaleis. Bekijk dat afstotelijke gezicht dat nooit kleurde van schaamte, die twee uitgedoofde kraters waarin wellust en haat nog altijd lijken te koken. Die mond - ik spreek nu misschien kwaad, maar ’t is mijn schuld niet – die afschuwelijke grijns die loopt van het ene oor tot het andere, die lippen die opgespannen zijn door wrede boosaardigheid, als een veer die klaar is om zich te ontspannen en een sarcastische godslastering uit te stoten.’
     Ik heb de raad van Maistre gevolgd en heb het beeld eens goed bekeken. Het voorhoofd en de ogen vallen best mee vind ik, maar die lippen en dat lachje, daar is inderdaad iets mee. Mijn vader citeerde af en toe de verzen die Alfred de Musset had gericht tot de overleden wijsgeer:

     Dors-tu content, Voltaire, et ton hideux sourire -
     Voltige-t-il encore sur tes os décharnés ?

’t Is een halve alexandrijn die blijft hangen – ‘et ton hideux sourire’.
     Goed, dat hadden we dus gehad: grote trap van Rastrelli, Raphaël loggia, Rembrandt, Rubens, Greco, impressionisten, Van Gogh, vijf Kuise Suzannes van verschillende meesters, en ten slotte – het beeld van Voltaire. We konden ons nu wel naar de cafetaria begeven voor koffie met gebak en daarna naar het hotel, want van slenteren raak je uitgeput.
     Maar bij de koffie viel mij plots te binnen: ik had het portret van Locke gemist! Er volgde een gezinsconclaaf waarop werd beslist dat mijn vrouw in de cafetaria zou blijven vanwege haar slechte knie en dat Jan en ik op zoek zouden gaan naar het portret. ‘Ik ga met je mee,’ zei Jan, ‘ want met die gebrekkige hippocampus van jou, vind je je weg nooit terug.’
     Jan en ik hebben dus het museum met versnelde pas doorgelopen met een welomschreven doel voor ogen: het portret van Locke, en niets anders. En kijk, plots werd alles wat niet tot dat welomschreven doel behoorde veel interessanter. Daar, nóg een Kuise Suzanne. En God, wat is die Bacchus dik. Aha, de luitspeler van Caravaggio, die had ik zo-even niet gezien – mooi. En wat is dat nu? Een hele gang Vlaamse primitieven die we daarnet zijn voorbijgelopen? Hugo van de Goes, Rogier van der Weyden, Gerard David. En dat daar? Is dat nu Bosch of Breughel? Bosch, blijkbaar. En nog een Bosch – één van die schilderijen waardoor Lennaert Nijgh en Boudewijn de Groot zich lieten inspireren voor hun psychedelische liederen.**
     Uiteindelijk, na veel verdwalen, heen en weer lopen, twee of drie keer dezelfde zalen doorkruisen,  maar telkens andere stukken opmerken, vonden we het portret van Locke. Het beeldt een ernstige man af die niet naar, maar naast ons kijkt. Op zijn lippen valt niets aan te merken, maar zijn neus is abnormaal groot. Jan heeft een van mij genomen waarop ik poseer naast de grote empirist en kampioen van de vrijheid. 


*Mijn andere stukjes over Sint-Petersburg vind je 
hier1, hier2, hier3 en hier5.
** ‘Eva’, ‘Tuin der lusten’ en ‘Megaton’ op het album Picknick   

zondag 23 oktober 2016

Noam Chomsky en CETA

     Toen ik voor de vijftiende keer op Facebook het clipje zag verschijnen met de boodschap ‘Noam Chomsky maakt in twee minuten CETA gelijk met de grond’ heb ik het toch maar eens bekeken (hier).
     Ik heb die Chomsky nog de hand geschud.
     Ik had over hem geleerd aan de universiteit. Hoe hij de taalkunde veranderd had door niet meer als een gek op zoek te gaan naar duizenden taalkundige feitjes en rare zinnetjes, en die dan in een min of meer samenhangende theorie onder te brengen. In de plaats daarvan stelde Chomsky eerst een geraffineerde theorie op, en ging dan zoeken welke zinnetjes er wel en niet mogelijk waren binnen die theorie. Die konden dan, ter controle, vergeleken worden met wat ons moedertaalgevoel ons ingaf en zo konden we zien of de theorie juist was of niet. Het leek een beetje op de werkwijze die Karl Popper aanbeval.
     Later las ik ook wat politieke boekjes van Chomsky, en daar ging hij anders te werk. Hij ging als een gek op zoek naar duizenden feitjes en rare persknipsels, die dan een erg grove theorie moesten ondersteunen – multinationals deugen niet, Amerika verknecht de wereld. Het leek een beetje op de werkwijze die Chomsky verweet aan de taalkundigen vóór hem. Ik vond die boekjes erg vermoeiende lectuur.
     Een aantal van die boekjes werd in het Nederlands vertaald en mijn vrouw verzorgde de promotie ervan. Zij haalde Chomsky naar België om te spreken op een conferentie aan de Brusselse universiteit. Ik ben toen gaan luisteren en dat viel best mee. De beroemde linguïst zag er erg vriendelijk uit. Terwijl de zaal zich vulde, maakte hij een praatje met de tolk en de concierge. En toen hij begon te spreken, liet hij zijn persknipsels in de map en hield een keurig toespraakje waarin hij zijn anarcho-syndicalistische kijk op de maatschappij ontvouwde. Hij had het daarbij vaak over Dzjân Lâk, waar hij erg tegen was, en het duurde even voor ik doorhad dat hij over de Engelse arts en filosoof John Locke (1632 – 1704) sprak.
    En na afloop heb ik Chomsky dus de hand geschud.
    Dan het clipje. Eigenlijk spreekt Chomsky daarin niet over het handelsakkoord tussen Europa en Canada (CETA) maar over dat tussen Europa en de Verenigde Staten (TTIP) en over dat tussen de Verenigde Staten, Canada en Mexico (NAFTA). Sommige argumenten zijn daardoor fout als ze worden toegepast op het Europees-Canadese akkoord. Die argumenten zijn dat het akkoord (1) niets met vrijhandel te maken heeft; (2) geheim gehouden wordt; (3) bedrijven toelaat om staten gerechtelijk te vervolgen als hun winst bedreigd wordt; en (4) staten het recht ontneemt om uitheemse bedrijven buiten beschermde natuurgebieden te houden.
     Dat klopt allemaal niet voor CETA, geloof ik.
     (1) Het akkoord dat nu moet worden goedgekeurd, heeft alles met vrijhandel te maken. Chomsky beweert dat vrijhandel bij de vermelde akkoorden maar een voorwendsel is omdat de handelstarieven nu al laag zijn. Maar ook een ‘laag’ tarief van 10 % betekent een ernstige rem op de handel. Men verwacht dat de Europees-Canadese handelsstroom door het afschaffen van de tarieven met een vijfde zou stijgen, dus met 12 miljard euro.
     (2) Het akkoord is niet geheim. Het is al twee jaar openbaar, namelijk sinds 26 september 2014. Dat de onderhandelingen daarvóór discreet verliepen, komt geloof ik niet omdat men ‘het volk’ niet wil inlichten. Vanaf 26 september 2014 kon ‘het volk’, en ook elke recalcitrante actiegroep, de tekst lezen. Ook Magnette had twee jaar de tijd om de tekst te lezen.
      (3) CETA staat niet toe dat bedrijven een staat vervolgen vanwege een winstbedreigende wetgeving (hier). Ik heb begrepen dat eenzijdige acties, zoals het van staatswege onteigenen van buitenlandse bedrijven, wel voor een arbitragehof kunnen worden gebracht. Maar als het eens op onteigenen aankomt, vrees ik dat arbitrage niet veel meer zal helpen.
     (4) Zoals ik het inzie, zullen de nationale staten nog altijd het recht hebben om uitheemse bedrijven buiten beschermde natuurzones te houden, zolang daarbij niet gediscrimineerd wordt en binnenlandse bedrijven daar ook niet binnen mogen. Dat beginsel geldt voor alles. Zo kan Frankrijk de Canadezen niet verplichten op hun sigaretten, Dunhill bijvoorbeeld, in vette zwarte letters de boodschap af te drukken ‘Fumer peut nuire à votre santé’, terwijl aan de andere kant de Franse Gitanes van die verplichting worden vrijgesteld, zelfs al zijn ze misschien nog veel schadelijker.
     Chomsky maakt ook een aantal algemene opmerkingen. (5) Dat het subsidiëren van de Amerikaanse landbouw strijdig is met de vrijhandelsgedachte. Dat ben ik helemaal met hem eens. (6) Dat intellectueel eigendomsrecht niet te rijmen valt met vrijhandel. Dat is een erg moeilijk probleem*. En (7) dat je geen gelijkheid kunt eisen in de behandeling van binnenlandse en buitenlandse bedrijven als je niet gelijk ook aan alle vreemdelingen die illegaal het land binnenkomen dezelfde rechten toekent als aan de eigen burgers.
     Dat is een erg verwarde vergelijking. Hoe kun je nu buitenlandse bedrijven met immigranten vergelijken? Dan moet je de motieven meerekenen waarom je die bedrijven of immigranten aantrekt of buitensluit. Een nationale staat laat buitenlandse bedrijven toe – trekt ze zelfs aan –, omdat hij hoopt dat daar voordeel van komt voor de eigen burgers, bijvoorbeeld in de vorm van tewerkstelling. Als een staat beslist om inwijkelingen aan te trekken, ongelimiteerd toe te laten, gecontroleerd toe te laten, of niet toe te laten, doet hij dat ook, hopelijk, met het welzijn van zijn burgers voor ogen. En het is bij die immigranten zeker niet a priori duidelijk welke van de vier handelswijzen het meeste voordeel oplevert. Terwijl zelfs de meeste tegenstanders van de multinationals die toch liever zien komen dan vertrekken, zoals ik uit de recente beroering rond Catterpillar heb geleerd.

* Uitvindingen en merknamen in eigen bezit houden en niet toelaten dat anderen die gebruiken, remt zeker de vrije handel af. Maar het lijkt redelijk de oorspronkelijke uitvinder of ondernemer toch een periode te gunnen waarin hij door zijn exclusieve winsten de investering terugwint die voor de uitvinding of voor de ontwikkeling van het merk noodzakelijk waren. Ook heb ik begrepen dat de bakkers van Geraardbergse mattentaarten hun streekproduct willen beschermen en dat die dus graag bepaalde vormen van intellectuele eigendom in de handelsakkoorden behouden willen zien.