Posts tonen met het label Heraclitus. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Heraclitus. Alle posts tonen

vrijdag 9 april 2021

Kortjes over kortjes*

Een van de oudste literaire genres is dat van de kortjes: aforismen, spreuken, bon mots, puntdichten, anekdotes, karakterschetsen: van Prediker tot Cioran, van Heraclitus tot Dorothy Parker, van Seneca tot Nietzsche.

 Godfried Bomans onderbreekt in Buitelingen zijn cursiefjes door af en toe een bladzijde ‘Invallen’ tussen te voegen. Elke bundel van Karel van het Reve eindigt met een reeks ‘Fragmenten’. Joe Brainard heeft zijn boekje I Remember, Jo Komkommer heeft zijn blogrubriek ‘Ik herinner mij’ en Padgett Powell heeft zijn eindeloze reeks vragen in The Interrogative Mood.

 Dan dan had je de 17de,  18de en 19de eeuw met Pascal, La Rochefoucauld, Vauvenargues, La Bruyère, Lichtenberg, Schopenhauer, Chamfort, Bloy. Soms lijkt het of de Faust van Goethe alleen geschreven is om de krachtige aforismen een plaats te geven**.

 En vandaag doet iederéén mee, dankzij Twitter en Facebook.

 Die kortjes hebben het voordeel dat je een leuke inval niet homeopathisch moet verdunnen zoals Addison deed in zijn Spectator***. Maar dat aanlengen met water is niet altijd zinloos. Je moet dan wel goed schudden. Karel van het Reve had ooit een kortje geschreven over de evolutieleer van Darwin. Later schreef hij een langer stuk, dat ongeveer hetzelfde zei, maar dat ik toch niet zou willen missen. Het voordeel van een langer stuk is dat de ene inval de andere meebrengt.

 Een ander voordeel van kortjes zal vooral de luie medemens aanspreken. Ik ben zo’n medemens. Nu noteer ik vaak een inval, met het vaste voornemen om die later uit te werken. En dan komt het er niet van.

 Enkele voorbeelden?

 Al heel mijn leven ken ik de Lettres van Mme de Sévigné. Het boek nam een opvallende plaats in in de boekenkast van van mijn vader. Pas onlangs heb ik een deel van die correspondentie gelezen****. – Al heel mijn leven weet ik dat Camus omgekomen is bij een auto-ongeluk. Pas sinds eergisteren weet ik dat hij bij dat ongeluk niet aan het stuur zat, en dat zijn uitgever bij hetzelfde ongeluk de dood vond. – Al heel mijn leven ken ik de muziek van Les parapluies de Cherbourg. Pas gisteren heb ik de film gezien. –  – Wat valt daaraan uit te werken?

 Of kijk. Ik heb geen zin om een recensie te schrijven over Les parapluies, maar ik wil toch graag iets kwijt over de interieurs. Wat was me dat allemaal? Die meubels? Dat behang? Die kleuren? Hebben die echt bestaan? Mensen die zo woonden, na hoeveel maanden werden ze opgenomen in een instelling? Wij hebben laatst bijna een appartement aan zee gekocht, en de slaapkamer was precies in dezelfde ‘style bonbonnière’ ingericht als in de film. ‘Alles gaat eruit,’ zei mijn vrouw.

 En tussen haakjes. Catherine Deneuve was 21 in die film. Julie Christie was 22 in The Fast Lady. Zouden er nog veel vrouwen zijn die na die leeftijd móóier worden?

 

* Ik herinner mij een ruzie met een professor in de taalkunde over de morfologische mogelijkheid van het Nederlands om verkleinwoorden te maken van bijvoeglijke naamwoorden. Ik had ongelijk.

**  Over de Maximes van La Rochefoucauld: zie ook hier.  Voorbeelden van kortjes bij Chamfort vind je hier, hier en hier. Van Dorothy Parker: hier. Over die aforismen in Faust: zie ook hier. Over Schopenhauer en Nietzsche, zie ook hier, met name ook over het gebruik van aforisme door die laatste. 

*** Een ander voordeel is dat je niet hoeft te argumenteren, zie ook hier.

**** Over Madame de Sévigné: zie ook hier.


zaterdag 20 mei 2017

Ik ben 62 nu*

     Ik ben niet altijd tweeënzestig geweest. Gisteren bijvoorbeeld was ik nog eenenzestig, en daarvoor ben ik nóg veel jonger geweest. Hoe moet dat geweest zijn, vraag ik mij af. Slapen zonder last van mijn schouder, opstaan zonder een beetje pijn in de rug, een trap oplopen zonder te hijgen, in staat zijn om een sprintje te trekken op het natte zand naast de zeelijn. En wat speelde zich af in het hoofd van die jongeman? Heb ik iets met hem gemeen?
     De jonge man sterft in de oudere, en de oudere in de nog oudere, zegt Heraclitus.** ’t Is zelfs niet altijd een kwestie van jaren. Vóór ik het water induik, kan ik mij moeilijk voorstellen dat die zwemmer van straks dezelfde persoon is als de aarzelende man op de plank. Als ik gisteren boos was op mijn vrouw, en vandaag zijn we verzoend, dan kan ik mij die wrokkige zeikerd van gisteren amper herinneren.
     De Argentijnse auteur Jorge Luis Borges vertelt hoe in februari 1969 zijn eigen jongere zelf naast hem komt zitten op een bankje. ’t Was in de buurt van Boston. De oude Borges is dan zeventig en de jonge Borges is negentien. Ze maken ruzie over literatuur. De jonge Borges gelooft dat Walt Whitman een oprechte schrijver is en dat metaforen origineel horen te zijn. De oude Borges vertelt de jongeman dat hij blind zal worden. Als het geleidelijk gebeurt, is dat niet erg, zegt hij. Het is als het langzaam invallen van een zomeravond. Ze spreken af om elkaar de volgende dag weer te ontmoeten bij hetzelfde bankje, maar als het zover is blijft de oude man thuis. Hij gelooft dat de jongeman hetzelfde heeft gedaan.
     Ik heb onlangs wat zitten snuisteren in meer dan dertig jaar oude papieren uit mijn politieke verleden. Daar zijn merkwaardige teksten bij. De PVDA en de crisis in de revolutionaire beweging, Structuur en werking van de communistische cel, Houding aan te nemen bij identiteitscontrole door het repressie-apparaat.*** Dat laatste hangt van de ‘concrete omstandigheden’ af, lees ik. **** Als je in groep bent en de rijkswachter is jong, dan kan een ‘turbulente propagandist’ die laatste zover brengen dat hij ‘zijn eigen notaboekje oppeuzelt’.
     Eén stuk trok mijn aandacht. Voor een betere verspreiding van ons weekblad, heet het. Het gaat over de ‘gigantische taak om het partijwerk op een hoger niveau te brengen’ waarbij het weekblad een ‘centrale schakel’ moet zijn. Zulke dingen las ik dus vroeger. Maar dan stoot ik op een eigenaardige zin. ‘Partij-journalisten die vinden dat de lezer best een inspanning mag doen, zouden die redenering beter op zichzelf toepassen.’ Dat doet mij vaag aan Schopenhauer denken. Ergens anders gaat het over de moeilijkheidsgraad van de geschreven pers. ‘Er zijn weinig volksvrouwen die wetenschappelijke tijdschriften lezen; daarentegen zijn er heel wat vrouwen met een wetenschappelijke opleiding die gretig populaire damesbladen en zelfs damesromans lezen.’ ‘Damesroman’ is natuurlijk een courant woord, maar ik ken het van Karel van het Reve. Nog wat verder lees ik: ‘Op welk niveau moeten wij ons richten? Het niveau dat zich bevindt op de grens van de lezers die ons weekblad net blijven lezen, en degenen die het net niet blijven lezen.’ Hè?
     Ik lees het stuk nu helemaal door. De conclusie is onvermijdelijk: ik heb het, meer dan dertig jaar geleden, niet alleen gelezen maar ook zelf geschreven. Als ik de steller ervan tegenkwam op een bankje, dan zouden we over heel veel zaken ruzie maken. Ik zou hem niet erg aardig vinden, vrees ik, en hij mij ook niet. Op dat punt ben ik niet veel veranderd.

* Zie ook hier en hier.

** Of althans Plutarchus: φθείρεται μὲν μὲν γὰρ ὁ ἀκμάζων γενομένου γέροντος, ἐφθάρη δ᾽᾽ ὁ νέος εἰς τὸν ἀκμάζοντα

*** Ik heb de spelling wat aangepast, want misschien leest ergens een leerling mee en blijft het woordbeeld ‘kommunisties’ en ‘konkreet’ dan hangen.

**** ‘Concreet’ was een erg populair woord in de communistische beweging. Omstandigheden bijvoorbeeld waren altijd ‘concreet’.