Posts tonen met het label Georges Brassens. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Georges Brassens. Alle posts tonen

zondag 27 november 2022

Over amoraliteit in kunst literatuur


Waarschuwing


     Ik kreeg laatst van de website ‘Blogger’ de vervelende boodschap dat een oude post van mij verwijderd is omdat die in strijd is met de Community-richtlijnen. Als ik die opnieuw wil publiceren, moet ik hem updaten zodat die voldoet aan de richtlijnen. Goed. Dan doe ik die update door middel van deze inleiding:

 

     Wie mijn post leest, en daar een verdediging van seksueel kindermisbruik in ziet, is een idioot. 


Ik veracht seksueel kindermisbruik. Seksueel kindermisbruik moet wettelijk verboden zijn en gestraft worden. En de community-richtlijnen van Blogger en Google in dit verband zijn redelijk, en juridisch noodzakelijk. Dat heeft allemaal met mijn stuk niets te maken. 
     Ik schrijf in mijn stuk dat men ‘pedofilie en efebofilie in verschillende tijden verschillend heeft beoordeeld.’ Dat betekent niet dat ikzelf  in die kwestie een ‘relativistisch standpunt’ inneem. De relativerende uitspraken die ik citeer van Philippe Sollers, Jacques Lanzmann en Josyane Savigneau vind ik om meer dan één reden verwerpelijk, ook al hebben ze misschien niet strikt met pedofilie te maken. Ik verdedig hier ook het boek van Matzneff niet want ik heb het niet gelezen. Bij het kopen van een boek, zegt Schopenhauer, zou men ook de tijd moeten kunnen kopen om het te lezen.


Over moraliteit in kunst en literatuur


      De Fransen zijn al enige tijd aan het discussiëren over de affaire Matzneff. Gabriel Matzneff (83) is een redelijk bekende schrijver die een seksuele voorkeur heeft voor jongens en meisjes tussen tien en zestien jaar en daar uitgebreid over geschreven heeft in veel van zijn boeken. Maar nu heeft een van die meisjes waar hij 34 jaar geleden een relatie mee had, zelf een boek geschreven. Ze was toen veertien. Ze vertelt in dat boek ongeveer hetzelfde als wat Matzneff 25 jaar eerder in ander boek heeft verteld. Toen werd Matzneff niet vervolgd, maar nu is wel een gerechtelijk onderzoek gestart. 
     Pedofilie en efebofilie hebben, geloof ik, altijd bestaan. Maar men heeft die dingen verschillend beoordeeld in verschillende tijden. Je hoort wel eens dat mei ’68 een periode van algemene seksuele permissiviteit inluidde, maar het moet vroeger begonnen zijn. Het Amerikaanse gerecht besliste in 1959 al dat Lady Chatterley’s Lover mocht worden verkocht en het Engelse gerecht volgde in 1960. ‘I’ve got a hobby,’ zong Tom Lehrer, ‘rereading Lady Chatterley.’ Maar na mei 68 kwam er vaart in de zaak. De bekendste Parijse studentenleider, Daniel Cohn-Bendit, opende in 1973 een kindercrèche waar kinderseksualiteit werd aangemoedigd en pedoseksualiteit getolereerd, dat alles in een ‘open sfeer’.
      Die ‘open sfeer’ kwam Matzneff goed uit. Weinigen zagen een probleem in zijn pedofiele boeken. Toen hij in 1990 in het culturele programma Apostrophes werd aangevallen door de Canadese schrijfster Denise Bombardier, vielen haast alle culturo’s van die tijd over haar heen . ‘Ga terug naar je ijsschots,’ schreef men in de bekende stijl van verdraagzaamheid en ruimdenkendheid. Bombardier werd vergeleken met de Spaanse ketterverbrander Torquemada. Philippe Sollers noemde haar een ‘connasse’ en, ook mooi, een ‘mal baisée’. Jacques Lanzmann had gewild dat Matzneff de schrijfster meteen vóór de tv-camera een klap in het gezicht had gegeven. ‘Meisjes van vijftien die vrijen met een man van dertig, la belle affaire!’ besloot Josyane Savigneau als vrouw van de wereld.
     Maar ondertussen was een en ander aan het veranderen, door aids, door de internationale weerklank van de affaire Dutroux, door de pedofilieschandalen in de kerk, door de vierde feministische golf. Vandaag moet Matzneff het dus ontgelden, zoveel jaar na de feiten, die in elk billijk rechtssysteem al lang zouden zijn verjaard. Hij wordt aangeklaagd voor daden die hij niet heeft gepleegd – verkrachting met geweld – en voor woorden die niet strafbaar zouden mogen zijn – het ‘goedpraten van pedofilie’.
     Je kunt je bij die evolutie veel vragen stellen. De meest voor de hand liggende is of we met het feminisme van de vierde golf en MeToo niet van het ene uiterste in het andere vervallen zijn. Een vraag die mij meer interesseert is deze. Vinden die evoluties alleen plaats bij de culturele elite, of wordt ook het ‘gesundes Volksempfinden’ erdoor beïnvloed? Dat laatste sluit ik niet uit. In 1971, drie jaar na mei ’68, draaide in onze dorpsbioscoop de film Le souffle au coeur van Louis Malle. In die film kwam een ontroerende scène voor waarin twee jongens het gedicht ‘Der Erlkönig’ voordragen, in het Frans, bij een kampvuur. Er kwam ook een scène in voor waarin een veertienjarige jongen seks had met zijn moeder, de wulpse Lea Massari. Ik vond het een mooie film, mijn vader vond het een mooie film, en mijn moeder vond het een mooie film. Wel wat ‘speciaal’, dat moesten ze toegeven.
     Dat betekent natuurlijk niet dat mijn ouders bevlogen voorvechters waren van seksuele permissiviteit. Helemaal niet. Maar in film en in kunst, vonden ze, moest wat meer kunnen dan wat in het echte leven toelaatbaar werd geacht, op voorwaarde dat de toon juist zat, en vulgariteit werd vermeden. Le souffle au coeur trof de schuldeloze, amorele toon van Boons pedofiele boeken, maar zonder de vulgariteit ervan. Ook belangrijk was dat er een zweempje normbesef bleef hangen. ‘We moeten geen spijt hebben van wat we hebben gedaan,’ zei Lea Massari tegen haar zoon, ‘maar het blijft wel bij die ene keer, hé.’
     Een aanvaardbare amoraliteit vinden we ook in het lied ‘Minderjarig’ van Madou. Een rijpere vrouw heeft betrekkingen met een jongen, en zingt dat alles is zoals het hoort. Maar aan de stem van Vera Coomans hoor je dat het we met de duistere kant van het leven te maken krijgen, waar ook alcoholmisbruik, slapen overdag en te veel roken deel van uitmaken.
     Veel mooier nog is het lied van Georges Brassens ‘La princesse et le croque-notes’. In pedofiele literatuur heb je vaak een verdorven verleider of verleidster aan de ene kant en een slachtoffer aan de andere. Humbert Humbert is de verdorvene en Lolita is het slachtoffer. Of omgekeerd, dat wil ik kwijt zijn. Maar bij Brassens zijn de personages zuiver. Het dertienjarige meisje is een schuchtere prinses die nu eenmaal verliefd is, daar kan ze niets aan doen, en de zanger is een verstandige vent die op de gevaarlijke avances niet ingaat. Hij is zó niet, zegt hij tegen het meisje. En dat hij twintig jaar later berouw heeft omdat hij de zonde niet heeft begaan, wie kan het hem kwalijk nemen?

 

Minderjarig 

                  

had het nog nooit gedaan

en bovendien

nog nooit gezien

zijn handen in de war

nog net geen man

smal waar hij smal mocht zijn

sterk waar hij sterk mocht zijn

zijn haren in de war

en in mijn mond

zacht waar hij zacht mocht zijn

hard waar hij hard mocht zijn

 

La princesse et le croque-notes 

 

Jadis, au lieu du jardin que voici,

C’était la zone et tout ce qui s’ensuit,

Des masures, des taudis insolites,

Des ruines pas romaines pour un sou.

Quant à la faune habitant là-dessous

C’était la fine fleur, c’était l’élite.

 

La fine fleur, l’élite du pavé.

Des besogneux, des gueux, des réprouvés,

Des mendiants rivalisant de tares,

Des chevaux de retour, des propre à rien,

Ainsi qu’un croque-notes, un musicien,

Une épave accrochée à sa guitare.

 

Adoptée par ce beau monde attendri,

Une petite fée avait fleuri

Au milieu de toute cette bassesse.

Comme on l’avait trouvé près du ruisseau,

Abandonnée en un somptueux berceau,

A tout hasard on l’appelait “princesse”.

 

Or, un soir, Dieu du ciel, protégez-nous!

La voila qui monte sur les genoux

Du croque-notes et doucement soupire,

En rougissant quand-même un petit peu:

“C’est toi que j’aime et, si tu veux, tu peux

M’embrasser sur la bouche et même pire ...”

 

“Tout beau, princesse arrête un peu ton tir,

J’ai pas tellement l’étoffe du satyre.

Tu as treize ans, j’en ai trente qui sonnent,

Grosse différence et je ne suis pas chaud

Pour tâter de la paille humide du cachot ...”

“Mais, croque-notes, j’dirai rien à personne ...”

 

“N’insiste pas, fit-il d’un ton railleur,

D’abord, tu n’es pas mon genre, et d’ailleurs

Mon cœur est déjà pris par une grande ...”

Alors princesse est partie en courant,

Alors princesse est partie en pleurant,

Chagrine qu’on ait boudé son offrande.

 

Y’a pas eu détournement de mineure,

Le croque-notes au matin, de bonne heure,

A l’anglaise a filé dans la charrette

Des chiffonniers, en grattant sa guitare.

Passant par là quelques vingt ans plus tard,
Il a le sentiment qu’il le regrette. 

dinsdag 20 april 2021

Afgunst, privileges en het 'geen schade'-beginsel


      Bouchez, die altijd over vrijheid spreekt, heeft dat begrip niet helemaal begrepen, toch niet als het op vaccinaties aankomt. In een interview met De Standaard (11 april) zegt hij: ‘Vrijheid is er voor iedereen of voor niemand … Mag mijn grootmoeder naar een nachtclub en ik niet omdat zij wel een prik gekregen heeft, en ik niet?’ Het is een retorische vraag en het geïmpliceerde antwoord is: nee, het is ofwel iedereen naar de nachtclub ofwel niemand. Ik zie daarin een perversie van de oude liberale stelling dat vrijheid ondeelbaar is. Bij Bouchez wordt het de ónvrijheid die ondeelbaar is.
     Die Bouchez-uitspraak heeft geloof ik weinig met vrijheid, en veel met afgunst te maken, de afgunst van één die niet naar de nachtclub kan, en het niet verdragen kan dat anderen dat wel mogen. Ignaas Devisch in dezelfde Standaard ziet dat anders: ‘‘Kritiek op vaccinprivileges kun je niet zomaar wegzetten als afgunst … Niet mogen doen wat anderen wel is toegestaan, heeft wel degelijk tot gevolg dat je er zelf slechter aan toe bent ... als [je] pas later [mocht] aanschuiven in de rij.’
     Hier haalt Devisch twee zaken door elkaar: het in de rij staan om gevaccineerd te worden en de ‘privileges’ die je zou genieten als je een keer gevaccineerd bent. Dat in de rij staan is een moeilijke kwestie. Je moet nu eenmaal íemand de voorrang geven. Zelfs geharde libertairen zoals ik zullen niet voorstellen om bij schaarste de reddingssloepen toe te kennen aan de hoogste bieder. Op de Titanic volgde men de traditionele regel van vrouwen en kinderen eerst. Georges Brassens zou de overspelige vrouwen eerst geplaatst hebben (en zichzelf in hun kielzog – om het zo maar eens te zeggen – of achter hun rokken aan, dat kan ook) (hier). Die regels van wie voorrang krijgt of niet, zijn niet noodzakelijk eerlijk. Het is al heel wat als je er op een eerlijke manier mee omgaat: geen mannen die zich als vrouwen verkleden, of die zeggen dat ze zich vrouw vóelen, of voorbeeldige Penelopes die een overspelig palmares verzinnen om met Brassens … euh … scheep te kunnen gaan.
     Dat opstellen van de rij is iets wat mij verder niet erg interesseert*. Ik ben al lang blij dat de meeste rijen overbodig zijn dankzij de goeie ouwe vrije markt. Zelfs voor populaire attracties in Disneyland kun je nu met een kleine meerkost, of door een reservatiesysteem, het in de rij staan vermijden. Ik vind dat best, maar bij vaccins zou ik het niet aanvaarden. In de meeste landen heeft men gekozen voor het beginsel ‘oudjes eerst’. Dat is prima voor mij, en aangezien ik een oudje ben, kijk ik nu elke dag in de brievenbus – ook al gebeurt de postbedeling maar twee keer per week – om te zien of de uitnodiging er al ligt. Maar had men een andere rangorde gekozen, actieve leraren eerst bijvoorbeeld, dan had ik niet geprotesteerd, ook al omdat ik geen ruzie zoek met mijn oud-collega’s.
     De vraag van de privileges houdt mij wel bezig. Krijgen de gevaccineerden hun vrijheid weer op een vroeger tijdstip dan de nog niet gevaccineerden? En we veronderstellen voor het gemak dat het vaccin niet alleen de ziekte, maar ook de besmettelijkheid onderdrukt. Mijn antwoord is dan een radicaal ja. Als tien gevaccineerde tachtigjarigen samenkomen om kersentaart te eten, en biljart te spelen, en oude wandelliederen te zingen, dan ondervind ik daar geen schade van, zeker als ze uit mijn buurt blijven. Ik zou ook kersentaart willen eten met mijn vrienden, en biljart spelen, en wandelliederen zingen, maar het kan niet, want ik ben misschien nog besmettelijk. Wat de bejaarden doen, verandert daar niets aan.
     Maar Bouchez en Devisch en schrijvers van lezersbrieven in de krant redeneren anders. Zij stellen zich principieel op: samen uit, samen thuis, no man left behind, iedereen in hetzelfde schuitje. Zij roepen luid van ‘privilege’, en ik roep luid van ‘afgunst’**. En dan raken we opgewonden en roepen we almaar luider.
     Omdat luid roepen mijn stembanden belast, zal ik het eens anders proberen. Wat zijn de argumenten? Ik heb, vind ik, het rationeel-utilitaire argument aan mijn kant. Als zowel ik als de tachtigjarigen zich onthouden van gezamenlijk kersentaart eten en biljart spelen is dat slecht voor ons totale welzijn. Het beste voor ons welzijn was als wel allebei kersentaart konden eten en biljart spelen, maar dat gaat niet om rationele redenen: mijn mogelijke besmettelijkheid. Dan is het tweede beste dat de tachtigjarigen wel hun gang kunnen gaan. Er komt meer welzijn bij langs hun kant, bij mij gaat er niets af, de totale hoeveelheid welzijn stijgt dus.
     Wat kunnen de principiëlen hier tegen in brengen? Dit. Je kunt je gedrag niet geval per geval laten afhangen van een nutsafweging. Natuurlijk zijn er aparte gevallen waarin het folteren van een gevangen terrorist kan helpen om mensenlevens te redden. Maar we willen niet terug naar de Middeleeuwen waar men bij diefstal van een appel de foltertuigen bovenhaalde. We houden foltertuigen vandaag achter slot als gevolg van een algeméne nutsafweging. We stellen een algeméne regel op: niet folteren. Nooit. Jamais. En als we het toch doen, dan liefst in het verborgene, zodat geen slecht voorbeeld wordt gegeven, geen precedent wordt geschapen, geen hellend vlak in het leven wordt geroepen, geen taboe openlijk in vraag wordt gesteld.
     Het is hetzelfde met stoplichten. De regel van Louis Tobback was: altijd stoppen als het licht op rood springt, ook op middernacht, op een verlaten weg, middenin de woestijn. Wet is wet en reglement is reglement. Dat stoppen is voor één keer totaal nutteloos, maar het helpt om de algeméne toepassing van een nuttige regel af te dwingen. Je moet je niet telkens afvragen of de regel in dat concrete geval wél nuttig is of niet. Als je op dieet gaat, is het beter om nooit taart te eten, en plaats van taart per taart de calorieën te berekenen. Als je met een patrouille in een hinderlaag valt, is het beter je gewonden op je rug mee te dragen. In sommige gevallen riskeer je daardoor àlle mannen te verliezen, maar voor het algeméne moreel van het leger is het beter als elke soldaat weet dat hij bij verwonding niet wordt achtergelaten.
     Maar als we toch met algemene principes werken, moeten die wel gezond zijn, zoals : niet folteren, stoppen voor rood licht, geen taart eten als je op dieet gaat, geen gewonde strijdmakkers achterlaten. En wat zou dan het algemene principe zijn dat Bouchez en Devisch kunnen inroepen? Iedereen gelijk voor de wet? Maar juist de wet garandeert dat we taart kunnen eten, en biljart spelen, en zingen met wie we maar willen, dat wij iedereen in ons huis kunnen uitnodigen die we graag om ons heen hebben en dat we onze ouders, grootouders, kinderen en kleinkinderen op elk moment in de armen kunnen sluiten als dat tot de familietradities behoort. De ministeriële besluiten hebben een uitzonderingstoestand doen ontstaan en roepen daarbij een rationeel argument in – besmettingsgevaar. Als dat rationeel argument ontbreekt, vervalt ook de rationale voor de uitzonderingstoestand.
     Eigenlijk gaat het principe van Bouchez en Devisch terug op het beginsel: voor iedereen hetzelfde. Dat is echter een beginsel met een beperkte radius. Als je een verjaardagstaart – alweer taart, wat heb ik vandaag? – aansnijdt, is het wel zo makkelijk om iedereen een gelijk stuk te geven, behalve aan wie uitdrukkelijk om een kleiner stuk vraagt. Als je een school bestuurt, kan het zo wel zo makkelijk zijn om alle leerlingen eenzelfde uniform te laten dragen. En ik neem aan dat de holenmensen die een mammoet verschalkt hadden, aan alle jagers een gelijk stuk vlees en vacht toekenden. Maar er zijn zoveel gevallen waar het ‘iedereen gelijk’-beginsel niet werkt. Je kunt niet aan alle leerlingen evenveel punten geven. Je kunt fashionistas en slonzen niet dezelfde kleren laten dragen. En je kunt niet iedereen evenveel laten verdienen – zelfs de communisten hebben nooit iets in die zin geprobeerd.
     Veel beter lijkt mij dan het ‘geen schade’-beginsel te gebruiken als kompas. Je kunt dat beginsel zelfs nog scherpere stellen en eisen, à la Rawls, dat zelfs de allerzwakten geen schade ondervinden van een voordeel dat iemand anders te beurt valt. Hoe je ook hangt en wurgt, de gevaccineerde, besmettingsvrije tachtigjarigen doen niemand kwaad met hun taart eten, hun biljartspel en hun gezang (als ze uit mijn buurt blijven).
     Is het makkelijker om de coronaregels te laten respecteren als iedereen ze volgt, ook degenen voor wie de rationale ontbreekt? Devisch schijnt hier een argument uit te willen puren? Ik hoop dat hij ongelijk heeft, maar helemáál ongelijk zal hij wel niet hebben. Er bestaan ongetwijfeld mensen die een regel maar willen volgen als ze zien dat iedereen die volgt. Maar veel anderen leven volgens het beginsel ‘doe wel en zie niet om’. Nog anderen, veel anderen hoop ik, bekijken de regel rationeel. En ten slotte zijn er nog de tachtigjarigen zelf die al zo lang niet meer gezongen en gebiljart hebben en die zich van de afgunst van Bouchez, Devisch en de 65-jarigen weinig aantrekken.
     Waarbij zich dan weer de vraag stelt of het redelijk is Bouchez en Devisch als afgunstig weg te zetten. Ik vind van wel, maar dan moet ik een onderscheid maken tussen de vuige, gemene, groene afgunst van de nijdige buurman en de onpersoonlijke ‘veredelde’, tot principe verheven, afgunst van de politicus en de moraalfilosoof. En dan heb ik het woord in de laatste betekenis gebruikt.
     Heb ik met dat laatste onderscheid het dispuut gewonnen? Dat weet ik niet zeker. ’t Is anders een handig onderscheid dat ook mijn vijanden kunnen gebruiken. Zij kunnen mij geen vuige hebzucht  verwijten, want zo ben ik niet, maar als ze willen kunnen zij mijn verachtelijke neoliberalisme gerust als een ‘onpersoonlijke, veredelde, tot principe verheven’ hebzucht omschrijven. Als ik dáár dan op moet antwoorden, ben ik weer voor een poosje zoet.

* Behalve als het om schoolpoortkamperen gaat: zie hier en hier.     
** Over afgunst het ik vroeger al een stukje geschreven: hier.

zaterdag 21 december 2019

Examens verbeteren

     Laatst vroeg de kassierster in de supermarkt mij of ik nog veel examens te verbeteren had. Dat viel eigenlijk mee. Collega’s van biologie of aardrijkskunde moeten soms tweehonderd of driehonderd examens verbeteren, maar ik geef Nederlands, wat een vieruursvak is. Daardoor heb ik nooit veel meer dan honderd leerlingen en dus ook nooit veel meer dan honderd examens.
      Ook heb ik in de loop der jaren veel meerkeuzevragen bedacht die ik telkens opnieuw gebruik. De helft van mijn verbeterwerk bestaat erin om lange lijsten letters te overlopen die ik dan vergelijk met mijn eigen lijst. Ik moet alleen een beetje opletten dat ik een M niet lees als een H, of een U als een V.
     Als dat klaar is, kan ik aan de zogenaamde ‘open vragen’ beginnen, waar de leerlingen in korte opstelletjes moeten weergeven wat ze van de leerstof begrepen hebben. Soms staat daar iets grappigs bij, maar meestal niet. Dit jaar heb ik twee keer gelachen. Een leerling van het zesde jaar had bij een vraag over de Drie Musketiers iets geschreven over de Franse ‘Hunegoten’. ’t Is een leuk woord als je het uitspreekt. Bij een andere vraag mocht men zelf een auteur uitkiezen om te bespreken. Een leerling had de auteur van Oliver Twist uitgekozen en schreef: ‘Charles Dickens was een Engelsman die boeken schreef en heel rijk werd.’ Dat was de zuivere waarheid.
     Het lastige aan verbeteren, zoals aan veel lerarenwerk, is dat het mij vooral veel inspanning kost om eraan te beginnen. Ik geloof zelfs dat díe inspanning groter is dan die van het verbeteren zelf.* Ik leg de examens in stapels in mijn werkkamer, op de vloer, klas per klas, en ga dan in de woonkamer een appeltje schillen, mijn lesje op de piano spelen of wat tv kijken. Ik zou eigenlijk een stukje willen schrijven, maar dat kan niet, want dan moet ik in de werkkamer komen en van die kamer ben ik bang geworden, meer dan van de examens die er liggen. Meestal los ik mijn probleem op door mijn examens naar de woonkamer te verhuizen en het verbeterwerk daar te doen.
     Wat ook helpt is, als je jezelf beloont tijdens het werk. Ik zou, als ik wilde, een muziekje kunnen opzetten, af en toe van een glaasje wijn nippen, of om de zoveel bladen een chocolaatje te eten. Ik doe niets van dat alles. Wel heb ik mij jarenlang beloond door mijn verbeterinstrument met zorg uit te kiezen. Ik had een Scheaffer vulpen – Connoisseur 1920 – die ik vulde met een mengsel van rode en bruine inkt. Die lag goed in de hand en ik voelde mij een beetje alsof ik de beroemde advocaat Thierry Claeys was, mijn vroegere baas, die ook zo’n pen en zo’n inkt gebruikte. Toen ik die pen wat beu was, ben ik overgeschakeld op dikke rode potloden met een vettige schrijfpunt. Ik moet dan wat harder drukken, maar ik kan er mooi, dikke strepen mee trekken. Dan voel ik mij een beetje alsof ik Stalin ben die op namenlijsten met strepen en kruisen aanduidt wie er moet worden doodgeschoten.
     Een van de beloningen die ik mij gun, is wat eigenaardig. De open vragen, moet je weten, verbeter je niet examen per examen, maar vraag per vraag, zodat je beter onthoudt hoeveel punten je voor welke stommiteit precies aftrekt. Dat betekent dat dezelfde examens, met dezelfde namen van leerlingen, verschillende keren terugkomen. Sommige van die namen – niet allemaal – zeg ik dan als beloning luidop. Het eerste jaar dat ik les gaf, had ik een leerlinge die Carolien de Caboter heette. ‘Carolien de Caboter’, zei ik dan luid, telkens als ik een toets van haar verbeterde. Mijn vrouw werd dan boos.
     Ik heb ondertussen mijn systeem verfijnd en bij de meeste namen heb ik iets toegevoegd: een Philippe wordt ‘Philippe le Bon’; een Hannah wordt ‘Hannah and her sisters’, een Saartje wordt ‘Saartje en haar kaartje’ en een Zita wordt ‘de mooie Zita’, omdat mijn gedachten dan uitgaan naar de laatste keizerin van Oostenrijk. Bij Franse namen, Jacqueline of Pénélope bijvoorbeeld, gebeurt het dat ik een stuk van een liedje zing: ‘Jacqueline, jolie Jacqueline, belle fille’ of ‘Combien de Pénélopes passeront illico pour des fieffées salopes’. Soms doe ik alleen iets met de uitspraak van een naam. Alexander spreek ik op zijn Engels uit: ‘àlikgzànder’; en Willem wordt ‘wullum’.
     Het stelt allemaal niet veel voor, maar je wordt er niet dik van, zoals van chocolaatjes. 



* Ik had hier graag geschreven dat zoiets een klassiek geval van ‘egodepletie’ was, maar die theorie schijnt voort te bouwen op niet-redupliceerbare experimenten.  Jammer eigenlijk.


De Schaeffer Connoisseur 1920 met bijhorende balpen

zondag 9 april 2017

Tom Lehrer

     Eer-eergisteren schreef ik een stukje over de regel van drie. Ik eindigde dat stukje met een terloopse verwijzing naar een lied van de Amerikaanse cabaretier Tom Lehrer. Dat was link van mij. Het gaf de indruk dat ik die Tom Lehrer al heel mijn leven ken. Dat ik, bij wijze van spreken, eind de jaren vijftig wel eens een optreden van hem heb bijgewoond in een Bostonse nachtclub. Niets is minder waar.
     Ik vernam het bestaan van Tom Lehrer eerst op 26 december 2010. Op 25 december kreeg ik van mijn vrouw Deel 5 van het Verzameld Werk van Karel van het Reve cadeau en op 26 december las ik daaruit in één ruk de afdeling ‘Ongebundeld Werk’, want de rest kende ik al. Die afdeling bevatte een transcriptie van een radio-uitzending waarin Karel zijn lievelingsmuziek voorstelde. Daar stonden, tussen nummertjes van Mozart, Schubert en Haydn, twee liederen van Tom Lehrer. Hé, dacht ik, Tom Lehrer? Karel had die in Amerika leren kennen. Wij denken bij Karel altijd aan dat jaar dat hij in Rusland heeft gewoond en wij vergeten dat hij ook een jaar in Amerika verbleef waar hij misschien nog meer heeft opgestoken dan in Rusland.
     Wat later ontdekte ik de blog Victa causa van Marc Vanfraechem. Daar stonden honderden stukjes op. Als het over muziek ging, was het vaak Georges Brassens die ter sprake werd gebracht. Maar in vijf van die stukjes ging het over Tom Lehrer. Hé dacht ik, Tom Lehrer! Marc beweerde dat hij alle nummers van Lehrer uit het hoofd kende.
     Het mooiste moest nog komen. Dat jaar kwam een leerling voor de klas het boek Lady Chatterley’s Lover voorstellen. Wie die leerling was, weet ik niet meer, maar het was een jongen. Ik geef D.H. Lawrence altijd op aan jongens, zoals ik Jane Austen altijd opgeef aan meisjes. Een jongen dus. En die jongen vertelde over de controverse rond het boek, en over de rechtszaken in Groot-Brittannië en Amerika, en langs zijn neus weg, zei hij ook nog dat Tom Lehrer het boek vermelde in zijn liedje Smut. Hé, dacht ik, dat heeft hij van Wikipedia. En ik zocht diezelfde avond nog op wat Wikipedia mij over Tom Lehrer kon vertellen en welke van zijn liedjes op YouTube te vinden waren. Ze bleken er allemaal op te staan.
     Eerst Wikipedia. Thomas Andrew (Tom) Lehrer was een slimme New-Yorkse jongen die op zijn vijftiende al naar Harvard trok om er wiskunde te studeren – later te doceren – en er piano te spelen op feestjes. Op die feestjes baarde hij opzien. In 1953 bracht hij zijn eerste plaat uit in eigen beheer, maar door campusoptredens en mond-aan-mondreclame werd hij na enige tijd beroemd in heel Amerika. Vanaf midden de jaren zestig werd zijn succes minder. Hij is een poosje bij het leger geweest en heeft een poosje op Los Alamos gewerkt, waar nucleair tuig ontwikkeld werd. Zijn doctoraat heeft hij nooit afgewerkt.
     Dan YouTube. Wat kwam ik daar te weten? Het genre van Tom Lehrer bleek de parodie en de satire. Hij gebruikt daarvoor brave muziek met stoute teksten, teksten die clichés op hun kop zetten en op een luchtige manier taboeonderwerpen behandelen. Lehrer pasticheert de muziek van een romantische musical en bezingt daarbij een verliefd paartje dat elke zondag naar het park trekt om duiven te vergiftigen. Of hij zingt over Agnes, Jim, Louise, Harry en Marie die elkaar om beurten ‘iets’ doorgeven. Wat dat ‘iets’ is, zegt Tom niet, maar een luisteraar die de wereld kent, begrijpt dat het om een geslachtsziekte gaat.
     Soms zijn de teksten meer ‘kritisch’ dan stout. Dan zingt Tom over de vervuiling van lucht en water, over de commercialisering van Kerstmis, over het leger en uiteraard over De Bom. Wij zijn tenslotte in de jaren zestig en eigenlijk heeft Tom in zijn Los Alamos-tijd een heel klein beetje meegewerkt aan die Bom. Dan is het maar gepast dat hij er liedjes over zingt.
     Een kunstgreep die Tom vaak toepast is die van grappige rijmwoorden.  Merry rijmt op disentery, li’l ol’ me rijmt op Robert E. Lee,  try an’ hide rijmt op cyanide en Oedipus Rex rijmt op Freud’s index. En misschien de mooiste: Harvard laat Tom rijmen op discovered. Hij spreekt daartoe de woorden uit als Hahvard en discahvered. Ook schrikt hij er niet voor terug om sombrero te laten rijmen op a pair o’ waarbij de volgende regel dan verdergaat met Levis.
     Op zijn optredens praatte Lehrer zijn liedjes aan elkaar met cynische teksten waarbij hij beurtelings zichzelf en zijn publiek op de hak nam. Dat levert mooie oneliners op. Ze doen soms denken aan Woody Allen.
  • Ik heb niet graag dat mensen denken dat ik moet zingen om mijn brood te verdienen. Ik ben een wiskundige. Als ik wilde verdiende ik misschien wel 3 000 dollar per jaar, alleen door les te geven.
  • De charme van een folksong zoals ik er nu een zal brengen, is dat iedereen mee kan zingen. Dus als er iemand mee wil zingen, hoepel op.
  • Natuurlijk kom ik op voor de goede zaak. Mijn goede zaak is smeerpijperij.
  • Door mensen als Mahler, Gropius en Werfel besef je hoe weinig je bereikt hebt in het leven. En Mozart. Toen Mozart mijn leeftijd had, was hij al twee jaar dood.
  • In die moderne toneelstukken zeuren de personages aan één stuk door over de moeilijkheid om met elkaar te communiceren. Ik vind, iemand die moeilijk kan communiceren, het minste wat hij kan doen is zijn mond houden.
  • We moeten onze naaste liefhebben. Ik weet dat er mensen zijn die hun naaste niet liefhebben  - ik haat zulke mensen.
  • Weet je nog de burgeroorlog tegen Franco? Hij won alle veldslagen, maar wij hadden alle goede liedjes.
     Vandaag is het veel te mooi weer, maar als je op een regenachtige zondag niks beters te doen hebt, dan kun je die liedjes van Tom Lehrer eens op YouTube gaan beluisteren. De mooiste zijn die van de eerste plaat ‘Songs by Tom Lehrer’. De tweede plaat, ‘More by Tom Lehrer’ is minder. Op de derde plaat ‘That Was The Year That Was’ staan weer een aantal onmisbare nummers.  
     Hiermee, beste lezer, hebt u al een mooie afspeellijst in handen*. Een handige link is die van Alexander Shektman waar bijna alle liedjes na elkaar kunnen worden afgespeeld terwijl de tekst op het scherm van je computer of mobiele telefoon verschijnt. Dat is erg handig voor als je wat hardhorig bent, of niet zo goed Engels kent, want Tom zingt soms erg snel, gebruikt rare woorden, of spreekt die op een rare manier uit. Als je als student of van beroepswege met scheikunde bezig bent, mag je zeker het liedje The Elements niet missen. Het bevat een onfeilbaar mnemotechnisch middeltje om nooit meer het periodiek stelsel te vergeten.

 
* Songs by Tom Lehrer: Fight Fiercely, Harvard - The Old Dope Peddler - Be Prepared - The Wild West Is Where I Want to Be - I Wanna Go Back to Dixie - Lobachevsky - The Irish Ballad - The Hunting Song - My Home Town - When You Are Old and Gray - I Hold Your Hand in Mine - The Wiener Schnitzel Waltz. More by Tom Lehrer: The Elements. That Was The Year That Was: National Brotherhood Week - The Folk Song Army - Smut - New Math - Wernher Von Braun - The Vatican Rag.

zaterdag 31 oktober 2015

Muziek bij het eten

Saki - Meester van de Edwardiaanse satire
Händel - Meester van de Georgiaanse barok
  Als we ergens op visite gaan, kan ik me achteraf meestal niet meer herinneren wat we gegeten hebben. Ik ben niet zoals die held bij Saki – Comus Bassington denk ik, of Clovis Sangrail – die zich geen gezichten, maar wel elk ontbijt, herinnerde. Wat ik vaak wel nog weet, is welke muziek op de achtergrond speelde: bij Filip en Katrien - Brell en Brassens, bij Karel en Hilde - de dubbelconcerten van Bach, bij Geert en Maaj - een selectie van Bachcantates en later Louis Amstrong en Stan Getz, bij Dirk, die toen nog niet getrouwd was - de Concerti Grossi van Händel.
     Je kunt voor zulke achtergrondmuziek beter niet iets vocaals nemen, vind ik, en ook geen solo-instrument. Dat kan de aandacht afleiden van het tafelgesprek. Concerti grossi zijn het beste, en liefst, zoals bij Dirk, die van Händel. Die van Vivaldi zijn natuurlijk ook fijn, en er is zeker niets mis met de Brandenburgse, maar je denkt toch telkens weer: aha Vivaldi, aha de Brandenburgse. Met Händel heb ik dat niet. Zijn concerti grossi zijn zo onopvallend, zo discreet - onpersoonlijk bijna. Ze dringen zich niet op. Je begroet ze vanuit de verte, zoals je een oude bekende groet, zonder de straat over te steken.

     Het mogen trouwens ook de orgelconcerten van Händel zijn. In mijn ouderlijk huis hadden we een heel beperkte platencollectie – lichte klassiek en jazz light, en dat zijn niet mijn genres. Er was maar één plaat waar ik van hield. We hadden die van een pater gekregen die soms bij ons kwam tafelen, en dan breng je een cadeautje mee. Om die plaat zat geen hoes – misschien had de pater de plaat zelf ooit cadeau gekregen en was hij de hoes later kwijtgeraakt. Maar op die plaat stonden Händels orgelconcerten. Ik moet die honderden keren beluisterd hebben.