Posts tonen met het label Las Cases. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Las Cases. Alle posts tonen

zondag 22 juli 2018

21 juli 1831 - België krijgt een mooooie koning

     De huidige Saksen-Coburgs die zich op en rond de Belgische koningstroon bevinden, maken bij hun publieke optreden niet altijd een goede indruk. Op de televisie hoorde ik Filip laatst iets zeggen over het voetbal. We konden iets leren van de Rode Duivels, zei hij, dan zou alles goed komen. ‘Omdat we er samen voor gaan en daarbij onze individuele talenten en tekortkomingen met elkaar verzoenen.’
     Ik wil hier graag mild zijn. Die talenten en tekortkomingen die ‘verzoend’ moeten worden, het is een beetje kreupel geformuleerd, maar je voelt aan wat Filip of zijn tekstschrijver bedoelt en ’t is ook een moeilijke gedachte om te verwoorden.  Maar ‘er samen voor gaan’, dat kan ik niet billijken. Als mijn leerlingen zo iets schrijven, noteer ik in de marge: ‘modieus-familiair taalgebruik’. Ik trek daar een punt voor af.
     Kort daarvoor was de broer van Filip, prins Laurent ook op de televisie geweest. Laurent ligt in ruzie met de Belgische staat vanwege die 15 % die als straf van zijn jaarloon was afgehouden, zonder dat hij zich eerst had kunnen verdedigen. ‘Ge weet, ik ben niet erg slim,’ zei hij, ‘ik begrijp dat niet.’ Iemand moet Laurent eens uitleggen dat ironie een erg delicate stijlfiguur is. Zeggen dat je niet erg slim bent, kun je ironiegewijs alleen tot een goed einde brengen als je er minstens bijzonder slim uitziet of door een meerderheid van je publiek voor slim wordt gehouden. Dat is geen van de twee het geval.
     Het was nochtans goed begonnen in 1831 met de eerste Saksen-Coburg*. De Duitse prins Leopold was geliefd in heel Europa. Als knappe jongen en later als knappe man werd hij naar verluidt begeerd door vrouwen én door mannen. De Grieken wilden hem in elk geval als koning. Napoleon, die hem de mooiste man vond die hij ooit had gezien, zoals hij zijn eigen zuster Pauline de mooiste vrouw vond die hij ooit had gezien, wou Leopold geloof ik als vleugeladjudant. In het Memoriaal **noteert Las Cases de versie van l’Empereur:  dat prins Leopold zelf het vleugeladjudantschap had aangevraagd, en dat het zaakje om een of andere reden niet was doorgegaan. Ik geloof er niets van. Tot twee keer toe spreekt  l’Empereur met spijt van ‘ce prince qui aurait dû être mon aide de camp’. Hij was het die Leopold gewild had, en niet omgekeerd.
     Later, in Engeland, werd kroonprinses Charlotte heel erg verliefd op Leopold, enigszins tegen de zin van haar vader, George – ‘he’s grown as fat as a pig’ – IV***. Ze trouwden, tot grote tevredenheid van de natie, die graag Charlotte als koningin had gewild. En vice versa. ‘Ik ben de troonopvolgster,’ zei Charlotte. ‘Het is niet omdat ik met Leopold trouw, dat ik ooit mevrouw Coburg word.’ Het heeft met andere woorden niet veel gescheeld – was Charlotte niet kort daarna in het kraambed gestorven – of Leopold was in plaats van een Belgische koning, een Engelse prins-gemaal geworden.
     Om het volk voor te voor te bereiden op die Duitse prins als gemaal van de Engelse koningin, wou men zelfs de toen heel matig bekende Jane Austen inschakelen. Dat hou je toch niet voor mogelijk. De bibliothecaris van de koning, zekere James Clarke, riep tante Jane bij zich in de koninklijke bibliotheek om haar te vragen een ‘romance’ te schrijven over het huis van de Saksen-Coburgs. Jane weigerde tactvol door erop te wijzen dat ze maar een ‘ongeschoolde vrouw was, zonder kennis van wetenschap, filosofie, klassieke en vreemde talen’.
     Er is dus allemaal niets van gekomen. Leopold is géén vleugeladjudant van l’Empereur geworden, geen Engelse prins-gemaal, geen romanheld in een Jane Austen-boek, geen koning van Griekenland. Hij werd wel de stamvader van een geslacht met Filip en Laurent als illustere loten. ‘Qu’on vienne nous dire, zei Napoleon, ce qui est heur ou malheur ici-bas dans la vie des hommes.’


* Leopold kwam België binnen op 17 juli 1831 in De Panne. Er is voor die gelegenheid een prachtig standbeeld opgericht op het strand. Als kind trok ik elk jaar met broertjes en ouders of grootouders naar die badplaats. Als we elkaar kwijtraakten, liepen we naar het standbeeld en daar vonden we elkaar terug. De koning was onze gids.
** 10 november 1816.

***Toen nog prins-regent. Zie ook hier.

zaterdag 1 oktober 2016

Echte woede

      Volgens Las Cases was Napoleon een brave man omdat hij zijn bedienden nooit sloeg. Ja, die ene keer – toen heeft hij een stalknecht geslagen omdat die weigerde zijn paard af te staan voor het vervoer van gewonde soldaten. Alle soldaten hadden dat gezien. Maar, voegt Las Cases eraan toe, dat was niet omdat Napoleon zich liet meeslepen door woede. Het was een berekend stukje komedie om de omstanders te laten merken hoe goed Napoleon het met de gewonde soldaten voorhad.
     Hetzelfde geldt voor Napoleons woede-uitbarstingen tegen zijn falende medewerkers. Allemaal berekening, volgens Las Cases. Napoleon was helemaal niet écht boos. Hij wou alleen zijn andere medewerkers, die getuige waren van de uitbarsting, aanzetten tot grotere vlijt. Het was hem om het resultaat te doen.
     Dat alles maakt Napoleon, in de ogen van Las Cases, tot een fidele kerel. Ik zie dat anders. Mij doet Napoleon hier denken aan twee onaangename figuren, Adolf Hitler en Simon Carter. Als Hitler met zijn vrienden gezellig aan het tafelen was, en men kondigde aan dat een Franse of Engelse ambassadeur hem wilde spreken, alles vóór de oorlog natuurlijk, dan verklaarde hij guitig dat hij een paar minuten voorbereiding nodig had. Hij begon dan luider en luider te praten en te snauwen tegen zijn disgenoten, tot elke gelaatstrek en elke beweging grote woede uitstraalde. Als ook de blik helemaal goed zat en de ogen bloeddoorlopen waren, stond hij op om de arme ambassadeur de volle laag te gaan geven.
     Simon Carter is een zo mogelijk nog walgelijker man. Gelukkig heeft hij niet echt bestaan en is hij maar een figuur uit het verhaal Thus I Refute Beelzy van John Collier. Die Simon Carter is een sadistische tandarts die zijn zoon opvoedt volgens de moderne principes. Hij mag geen ‘papa’ zeggen, maar moet zijn vader aanspreken met ‘Simon’, of liever nog met ‘Grote Simon’, want de zoon heet zelf ook Simon. De tandarts wil zijn zoon altijd overtuigen, in plaats van hem met een ferm ‘waarom-daarom’ aan te geven wat hij moet doen. Als dat overtuigen niet lukt – kinderen zijn koppig – dan maakt hij met kleine Simon een afspraak om hem ’s avonds een pak rammel te geven*. Dat is dan niet uit woede – het is hem om het opvoedkundig resultaat te doen.
     Toen ik les begon te geven, werd mij door een oudere collega ook aangeraden om af en toe een flinke woedeaanval te veinzen, vooral met nieuwe leerlingen bij het begin van een schooljaar. De kunst was, zo werd me gezegd, om een heel brave leerling als slachtoffer te kiezen en die dan de huid vol te schelden. Dat had twee voordelen. Je moest niet bang zijn dat die brave leerling zou durven antwoorden, en, ten tweede, de ondeugende leerlingen zouden bij zichzelf denken: ‘Als hij zo buldert tegen die brave ziel, hoe zal hij dan tegen ons tekeergaan als wij écht iets mispeuteren?’

     Ik heb, geloof ik, één keer al roepend en tierend een leerling uit de klas gezet. Ik ben blij te kunnen zeggen dat ik toen écht kwaad was. En als ik Jan ooit een klap heb gegeven – ik zeg wel áls, want ik ben niet goed op de hoogte van de nieuwste wetgeving ter zake en ken ook de verjaringstermijn voor zulke misdrijven niet – dus áls dat ooit gebeurd is, dan was ik zeker echt héél, héél kwaad.

*Het verhaal loopt overigens goed af, vind ik, maar het precieze einde zal ik niet verklappen.

zaterdag 6 augustus 2016

Positieve discriminatie

     In het leger van Napoleon kon je makkelijk vooruitkomen. Het was niet uitzonderlijk dat een gewone soldaat die van wanten wist het tot generaal bracht. Dat was het voordeel van voortdurend oorlogvoeren. Je had geen evaluatiegesprek nodig om te zien wat iemand in zijn mars had. Het gedrag op het slagveld zei genoeg.
     Toch waren die bevorderingen niet zonder problemen. Om onderofficier te worden, bijvoorbeeld, moest je kunnen lezen en schrijven. Soms was er eens een periode dat men niet zo nauw keek, maar dat bleef niet duren. Dan werd het reglement weer bovengehaald en de ongeletterde kon zijn felbegeerde bevordering uit zijn hoofd zetten. ‘Et voilà le tic revenu’, mopperde de grognard* dan, wat zoveel betekent als: ‘Ze zijn daar weer met hun bezopen beslissingen’. – Tja, ik mompel dat ook wel eens.
     Napoleon zag het probleem en bedacht, misschien wel als eerste in de geschiedenis, een maatregel van positieve discriminatie. Hij riep een nieuwe rang in het leven, ‘le garde de l’aigle’, en die rang kon je slechts krijgen als je bewees dat je noch lezen noch schrijven kon. Elk regiment kreeg twee wachters van die nieuwe rang en die hadden als taak het vaandel te beschermen. Dat was een heel belangrijke taak. Het vaandel stond voor de eer van het regiment. Een regiment dat zijn vaandel verloor, verloor zijn eer.
    Om zeker te zijn dat de vaandelbewakers alleen het vaandel zouden bewaken, en zich niet zouden laten meeslepen door het algemene krijgsgewoel – want eenmaal als het vechten begonnen is, hou je dan maar eens in – om dus zeker te zijn dat ze niet zouden meevechten, kregen ze geen sabel of zwaard, maar alleen een paar pistolen. ‘Hun enige taak,’ vertelde Napoleon aan Las Cases, ‘was om iedereen die het vaandel naderde koudweg een kogel door de hersens te jagen’ – ‘de veiller froidement à brûler la cervelle de celui qui avancerait la main pour saisir l’aigle’. Dat is duidelijke taal.
   Maar waarom, wilde Las Cases weten, moesten die vaandelwachters ongeletterd zijn? Waarom die positieve discriminatie? ‘Nigaud,’ antwoordde Napoleon, ‘idioot. Iedereen die kon lezen en schrijven en die een cent waard was, was allang bevorderd.’

* ‘Les grognards’ was de bijnaam van Napoleons veteranen. Het betekent ‘de mopperaars’.

zaterdag 9 juli 2016

Ik zou nooit het woord ‘geitenneuker’ gebruiken, behalve ...*

     Napoleon Bonaparte (1769-1821) was zijn leven lang een bezig baasje geweest die amper de tijd nam om fatsoenlijk te eten – meestal een stukje kip met een glaasje wijn. Maar na de rampspoed in Rusland, het drama van Leipzig en de catastrofe van Waterloo kwam er een einde aan de drukte. Op het eiland Sint-Helena, waar hij met enkele vrienden naartoe verbannen was, had de man van de daad niets meer om handen, en dat was erger dan het bekrompen onderkomen, het ongezonde klimaat en de vernederende bewaking door Engelse soldaten.
     Het moeilijkste waren de avonden. Napoleon hield niet van kaartspel of van drinkgelagen, en de televisie was nog niet uitgevonden. Wat hij wél graag deed was aan zijn vrienden toneelstukken voorlezen van Corneille, Racine en Voltaire. Hij deed dat met krachtige stem en na elk stuk kreeg je er ook gratis een bespreking bij. ‘Corneille beschrijft de mensen zoals ze moeten zijn en Racine beschrijft ze zoals ze werkelijk zijn’. ‘Voltaire is oppervlakkig en geeft het karakter van zijn personages niet juist weer.’  Napoleons vriend en biograaf Las Cases (1766-1842) – spreek uit laskaz – vond die oordelen diepzinnig en oorspronkelijk.
    Ook werden op die avonden leerrijke anekdotes uitgewisseld. Napoleon vertelde het verhaal van Lodewijk de Vijftiende die de gewoonte had om aan een van zijn hovelingen altijd maar dezelfde vraag te stellen: ‘Meneer huppeldepup, hoeveel kinderen hebt u?’ De man antwoordde telkens: ‘Vier, Sire’. Dat gebeurde soms verschillende keren per dag. Zekere keer had de hoveling er genoeg van en toen de koning weer eens vroeg hoeveel kinderen hij had, antwoordde hij: ‘Sire, zes’. ‘Dat had de koning niet verwacht. ‘U had de vorige keer toch “vier” gezegd had.’ ‘Tja,’ antwoordde de ander, ‘ik dacht dat u graag eens wat anders wilde horen als afwisseling.’ Voor Napoleon liet het verhaal  zien dat Fransen gemakkelijk vervallen van vleierij in onbeschaamdheid. Wij onthouden vooral dat je zelfs een absolute monarch kunt beledigen als je die belediging maar subtiel genoeg inkleedt.
     Een van de vrienden van Napoleon vertelde een vergelijkbare, maar toch ook heel verschillende geschiedenis over een Engelse burger. Die burger was om een of andere reden boos op de prins-regent. Hij hoorde dat de prins een mondaine bijeenkomst zou bezoeken, ging er naartoe en stelde zich  op naast de gastvrouw. Onmiddellijk nadat de prins de gastvrouw had begroet, richtte de burger zich tot de gastvrouw en vroeg zo luid mogelijk: ‘Wie is die dikke vriend van jou?’ (Who is your fat friend?) De dame werd rood  van schaamte en fluisterde: ‘Zie je dan niet dat het de prins is?’ Waarop de burger, nog luider dan eerst: ‘Hoezo de prins? … Eerlijk gezegd, hij is zo vet geworden als een varken.’ (How, the prince? … But upon my word, he’s  grown as fat as a pig).
     Napoleon en zijn vrienden hebben nog een poosje geredetwist over de het verschil tussen de twee beledigingen. Wij onthouden vooral dat er in een vrije maatschappij – zoals de constitutionele monarchie er een is – geen verplichting bestaat om een belediging aan de machthebbers subtiel in te kleden. Degene die de belediging uitspreekt heeft niets te vrezen. Het grof beledigen van machthebbers is er een recht. 

* ... als voorbeeld om een algemeen beginsel te verduidelijken.