Posts tonen met het label Elsschot. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Elsschot. Alle posts tonen

zondag 6 december 2020

Hemdsmouwen


       Behalve als het erg koud was, gaf ik les in hemdsmouwen. De eerste jaren hoorde daar zelfs een ritueel bij. De leerlingen bleven naast de bank staan, uit respect voor de leraar. Dan zei ik dat ze mochten gaan zitten. En dan pas deed ik mijn jasje uit en werden mijn hemdsmouwen zichtbaar – mijn hele overhemd eigenlijk, maar ik geloof dat men ook dan van hemdsmouwen spreekt.
     Helemaal fatsoenlijk is het niet, die hemdsmouwen, zelfs als je hemd hagelwit is en je er een deftige das bij draagt (zie ook hier), maar vandaag luistert het niet zo nauw meer, zelfs niet als er vrouwen in de buurt zijn. Dat is ooit anders geweest. In Huis Clos van Sartre zegt Garcin dat hij houdt van redactielokalen waar alle mannen er in hemdsmouwen bij lopen. Dat is niet naar de zin van Estelle. ‘Eh bien, nous n’avons pas les mêmes gouts,’ antwoordt ze vinnig. Met Estelle in het achterhoofd heb ik wel eens aan een vrouw de toestemming gevraagd vooraleer mijn jasje uit te doen.
     Eén voordeel van fatsoensnormen is dat je ze niet helemaal ernstig moet nemen. Een collega van mij heeft les gehad van een professor – hij gaf Duits – die een college altijd opende met het zinnetje: ‘Gestatten sie dass ich meine Joppe ausziehe?’ Op die vraag, verwachtte hij, geloof ik, niet echt een antwoord. George in Who’s Afraid of Virginia Woolf trekt een gebreid vest aan (zie ook hier) als Nick en Honey binnenkomen. Toch begint hij meteen zijn uiterste best te doen om zijn gasten op hun ongemak te stellen.
     Fatsoensnormen kunnen ook gebruikt worden om machtsverhoudingen te verduidelijken. In Lijmen (zie ook hier) wachten Boorman en Laarmans op Van Ganzen, de beddenfabrikant. Eerst heeft die enkele ondergeschikten gestuurd, en dan verschijnt ‘een ventje in zijn hemdsmouwen en zijn handen in zijn broekzakken.’ Boorman begrijpt onmiddellijk dat dit de baas in eigen persoon is. ‘Alleen mijnheer mag hier zijn jas en zelfs zijn broek uittrekken.’
     Dezelfde hiërarchische verhoudingen zag ik onlangs geïllustreerd in The Marvelous Mrs. Maisel. Dat is een magnifieke reeks van Amazon Prime die zich afspeelt in de laten jaren vijftig, in een geïdealiseerd New-York. Iedereen spreekt alsof hij meespeelt in een Broadway-stuk van Neil Simon. Er komen bekende en minder bekende liedjes van vroeger in voor. De vrouwen, behalve eentje, dragen prachtige kleren. Het is het soort kleren dat je ook zag in The Queen’s Gambit, het soort kleren dat in de kast van mijn moeder hing toen ik een kind was. Dragen deed ze die niet meer, want de jaren zestig waren begonnen en mijn moeder volgde de mode op de voet.  
     Welnu, in die magnifieke reeks is er op zeker ogenblik een bestuursvergadering van een klein bedrijfje aan de gang. Het is meteen duidelijk – zoals je ziet op de foto hierboven – wie de baas is. Hij alleen mag zijn jas, en zelfs zijn broek, uittrekken.

zaterdag 14 november 2020

Goed en kort

  


    In een weinig gelezen stukje over barokmuziek (zie hiervertel ik van mijn ervaring bij het beluisteren van Händels King Salomon. Daar komt een motiefje in voor dat heel erg ontroerend is, maar het is bijzonder kort, enkele noten, en het wordt niet herhaald en gevarieerd, in tegenstelling tot andere motieven die eraan voorafgaan en volgen, en die minder mooi zijn.  Bij het beluisteren vind ik dat jammer. Maar zou een langere uitwerking het effect niet bedorven hebben? Beethoven kan eindeloos po-po-po-póóóm herhalen, maar met Händels motiefje zou het niet hebben gewerkt.
     Of neem de voorlaatste alinea van Elsschots Tsjip. Professor Van Bendegem en Jan Manievski konden die niet luidop voorlezen zonder tranen in de ogen te krijgen. Ik ook niet. Maar je zou niet willen dat het hele boek in dezelfde lyrische stijl is geschreven. Het fragment is voorbereid, er is naar toe gewerkt, het geeft contrast, en het is kort.
   In de film heb je zoiets ook. Ik keek gisteren naar de verfilming van  Nine, een muzikale bewerking van Felini’s 8 ½ Er spelen allemaal beroemde acteurs in die niet zo goed kunnen zingen. Dat is anders wanneer Fergie het nummer ‘Italia’ zingt (zie hier, vanaf 1:19). De sfeer en de montage doen soms aan het Roxanne-nummer denken in Moulin Rouge (zie hier) en verder aan Fosse natuurlijk*. Een reeks vrouwen in ondergoed zingen en dansen op een podium. Dan komt er een opzwepend intermezzo waarbij ze wild met hun hoofd en haren zwaaien en zichzelf slaan met tamboerijnen. En dan wordt de zang hernomen met een erg mooie choreografie. De vrouwen hebben zich min of meer in een horizontale rij opgesteld** en komen dreigend naar voren gestapt, een stoel achter zich aan slepend. Dat wordt eerst frontaal gefilmd, dan van rechts, dan van links en dan alleen de benen, telkens van dichterbij. Het duurt minder dan 10 seconden. Je zou willen dat de scène herhaald wordt, zoals in Potemkin  gebeurt met die stappende soldaten, maar het is, geloof ik, beter zo, zonder herhaling, kort.


* De oorspronkelijke Broadway-choreografie verwijst meer naar de tarantella-dans die in Het poppenhuis van Ibsen zon centrale rol speelt. 
** In een moderne choreografie vermijdt men al te grote symmetrie, zoals blijkt uit de vergelijking tussen de benenshot in Nine, en die in Potemkin.





zondag 19 januari 2020

De man die nooit een maagd deed blozen

     Omdat ik volgend jaar 65 word, en op pensioen ga, is elke les die ik nu over een onderwerp geef meteen de laatste die ik over dat onderwerp geef. Vorige week heb ik dus voor de laatste keer les gegeven over Hendrik Conscience en Blinde Roza. Ik geef die les al 15 jaar aan gemiddeld drie klassen van het zesde jaar en mijn draaiboek verandert niet veel. De pathetische uitroepen van Lange Jan declameer ik altijd op dezelfde manier. Ik leg uit dat latere realisten die pathetiek in hún boeken afzwakten door het gebruik van de vrije indirecte rede. Bij het stukje over de jonge reizigers die uit de koets springen en daarbij ‘hunne armen bewogen als ontsnapte vogelen die hunne vlerken weer in volle vrijheid beproeven’ maak ik een sprongetje en beweeg ik mijn armen op een zo’n manier dat de ongelukkige keuze van de beeldspraak duidelijk wordt. Verder leg ik Rousseaus begrip van ‘noble sauvage’ uit. James Fenimore Cooper, zeg ik dan, vond zijn wilden in de bossen en de prairies van de Frontier. Maar waar moest Conscience die vandaan halen? Wij hier in Vlaanderen hadden daarvoor alleen Limburg, en bij uitbreiding de Kempen. Als ik alleen ‘de Kempen’ zeg, zonder Limburg, komt er geen gelach. Dat Limburg moet erbij, al is het als we over Conscience spreken niet helemaal correct.
     Ook zeg ik een woord over de kritiek van Louis-Paul Boon. Die vond dat Conscience de armoede had geromantiseerd. De Kempense landlui zoals Conscience ze tekende, waren ‘arm maar proper’. Ik ga daar in de klas niet dieper op in, terwijl er wel iets over zeggen valt. Boon maakt het verwijt dat Conscience niet schrijft over ‘de bittere strijd om ontvoogding … en de eerste manifesterende arbeidersrangen waarop geschoten wordt.’ Dat is flauw. Een schrijver schrijft waarover hij kán schrijven. Je verwijt Van Gogh niet dat hij zonnebloemen schilderde, en Proust niet dat hij over koekjes schreef, om twee van Boons eigen helden aan te halen. In werkelijkheid gaat het Boon niet om de onderwerpen die Conscience koos, maar om de brave en tevreden toon waarop hij ze behandelt. Elsschot schreef ook niet over de mijnstakingen in de Borinage, en toch ziet Boon in hem een verwante ziel. De reden is dat je in bijna elke zin van Elsschot de ontevredenheid voelt over de stand van zaken, over welke stand van zaken het ook gaat. Om één of andere reden vindt Boon die ontevredenheid en opstandigheid merkelijk superieur aan braafheid en berusting. Ik vond dat vroeger ook. Nu zie ik voordelen in allebei de houdingen.
     Omdat het afscheid van de vertrouwde Conscience-les mij zwaar viel, heb ik zojuist nog een biografie over de man gelezen. Hij was, zo blijkt, in zijn tijd een hele meneer. Er werd van hem gezegd dat hij zijn volk leerde lezen en nooit een maagd heeft doen blozen. Je weet niet wat het meeste lof verdient, want het analfabetisme in Vlaanderen was wijdverspreid en de maagden bloosden er gemakkelijk. Maar Conscience speelde het klaar. Hij werd gelezen in het buitenland, vertaald in het Duits en het Frans, en geplagieerd door Alexandre Dumas. In zijn geboortestad Antwerpen kreeg hij bij zijn leven een standbeeld. Een straat en een plein werden naar hem genoemd. Jammer dat hij niet zelf in die straat woonde, want dan had men hem brieven kunnen sturen naar ‘Henri Conscience, en sa rue, à Anvers’, zoals men brieven stuurde naar ‘Victor Hugo, en son avenue, à Paris.’
     Hier en daar heb ik in de rand van mijn biografie in potlood een kruisje gezet. Op bladzijde 89 staat iets over de cholera-epidemie die in 1866 heel West-Vlaanderen teisterde. Ik geloof dat de grootmoeder van mijn grootmoeder in de epidemie is omgekomen. Op bladzijde 104 wordt verteld dat Cyriel Buysse in 1912 een kleine steekproef deed naar de populariteit van Conscience: ‘De ouden van dagen kenden hem, de jeugd had op school van hem gehoord en de jonge volwassenen lazen hem niet meer.’
     Zulke kleine steekproeven doe ik ook soms onder mijn leerlingen, en ze bevestigen mij altijd in mijn mening. Misschien is het met Buysse ook zo gegaan. Maar het kan ook de zuivere waarheid zijn geweest. Dat de jeugd van 1912 op school van Conscience had gehoord, klopt in elk geval. Mijn grootmoeder had van hem gehoord en ze zat op school rond 1912. Over de jonge volwassenen van 1912 weet ik niets, dus misschien lazen die wel liever iets van Buysse. Dat kan.
     Waar ik wél iets over weet, dat is de jeugd van 1966. Ik zat toen in het zesde leerjaar en we hadden een kleine bibliotheek in de klas. Die bevatte sciencefictionverhalen voor de jeugd, De Witte van Ernest Claes en een vijftal boeken van Conscience in gele banden. Sommige van mijn vriendjes kwamen uit een flamingant gezin, en ze raadden mij aan om De leeuw van Vlaanderen te lezen. Ik kwam niet uit een flamingant gezin, maar heb het boek toch gelezen. Ik herinner mij nog de uitroep van de maagd Machteld: ‘Is mijn lieve moei dood? O God wat droefheid!’ Ook herinner ik mij nog dat het om een misverstand ging. De lieve moei was niet dood. Ik wist overigens niet wat een ‘moei’ precies was, en dat weet ik nog altijd niet. Verder herinner ik mij nog het historisch nawoord waarin het Vlaanderen minder goed verging dan op het Groeningeveld. Dat was een hele ontgoocheling.
     Het is mogelijk dat ik in dat zesde leerjaar ook de Kerels van Vlaanderen en Jacob van Artevelde gelezen heb. Ik denk het, maar ik kan er mij niets meer van voor de geest halen. Misschien kwam er in die boeken geen moei voor. Wel herinner ik mij dat ik het jaar daarna, ik zat toen al in de Latijnse klas, nog twee deeltjes Conscience gelezen heb. Het ene was De Boerenkrijg. Daarvan herinner ik mij een jonge idealistische revolutionair die met de Fransen sympathiseerde. Het andere deeltje was een verzameling van langere en kortere verhalen: Baas Ganzendonck, De loteling, De arme edelman, Een 0 te veel en Blinde Roza.
     Blinde Roza vond ik het mooiste.



Ik weet niet zeker of ik dit boek gelezen heb. Zo ja, dan was het in deze uitgave.

dinsdag 28 augustus 2018

Orde in de boekenkast

      Onlangs volgde ik een discussie onder vrienden over hun boeken en hun boekenkasten. ’t Is inderdaad een hele kwestie. Als je eens meer dan duizend, tweeduizend of zelfs drieduizend boeken hebt, kan het moeilijk worden om juist dát werkje terug te vinden dat je nodig heb. De ene vriend zwoer bij een alfabetische klassering, een tweede zag het thematisch en een derde had een databestand op zijn computer waarin elk boek een uniek nummer had gekregen.
     Maar waarom maakt men het altijd zo moeilijk? Ik doe het zo. In de woonkamer komen de mooie bandjes. Dan hebben we er plezier aan terwijl we aan het eten zijn.* In de studeerkamer komen de boeken die ik soms nodig heb als ik iets uitwerk voor mijn lessen, en ook de grotere boeken omdat daar een kast staat met verstelbare leggers. In de gang komen de boeken die te groot zijn voor de kast in de woonkamer, maar te klein om daarvoor de verstelbare leggers in te schakelen. Op de verdieping komen de boeken van Jan.
     Natuurlijk moet ook rekening worden gehouden met de taal van het boek: Nederlands, of een of andere vreemde taal, of geschreven in een vreemde taal maar vertaald naar het Nederlands. Dat kunnen we niet zomaar door elkaar gooien. We moeten redelijk blijven. Ook heb ik graag een scheiding tussen poëzie, fictie en non-fictie. De weinige toneelstukken die we bezitten moeten daartussen maar ergens een plaatsje vinden, al naar gelang ze een mooi bandje hebben, groot of klein zijn, bruikbaar zijn voor mijn schoolwerk, of aan Jan toebehoren.
     Omdat mijn vrouw en ik het goed met elkaar kunnen vinden, is er geen bezwaar tegen dat onze boeken door elkaar staan, althans wat fictie betreft. Voor non-fictie gaat dat niet, dat begrijp je wel. Non-fictie moet trouwens ook wat verder worden opgedeeld: politiek, geschiedenis, filosofie, koken – waardoor je al snel een kleine onderafdeling hebt die gewijd is aan de politiek-filosofische geschiedenis van het koken. En biografie komt natuurlijk apart want ik lees dat graag. Maar biografieën van politieke persoonlijkheden komen onder politiek, dat spreekt. En als het om levende politieke persoonlijkheden gaat, zet ik ze bij actualiteit.
     Als het enigszins kan is het beter de boeken van dezelfde auteur wat te groeperen, maar heel strikt ben ik daarin niet. Ik heb een mooi anderhalf plankje Elsschotiana, maar sommige werkjes moeten omwille van het formaat, het lelijke omslag, of de onzin die erin staat ergens anders een onderkomen vinden.
     Je hebt gemerkt dat ik nog niets over de kleur van het omslag heb gezegd. Ik ben daar breed in. Ruggetjes in zwart, groen of bruin leer mogen gerust naast elkaar op de plank. Met rood leer heb ik het wat moeilijker. Die hou ik liever wat afgezonderd. Voor materialen ben ik nog verdraagzamer. Waarom zouden linnen, leer en fatsoenlijk kunstleer gescheiden moeten worden als de kleuren samengaan? Apartheid is niet meer van deze tijd. Alhoewel ik nu ook weer geen papieren ruggen tussen die andere ga flikkeren.
     Er is eigenlijk maar één regel waar ik streng in ben, twee eigenlijk. De eerste is dat ik geen ronde en platte ruggen door elkaar wil. Ik begrijp eigenlijk helemaal niet dat iemand op het idee gekomen is om boeken met platte ruggen uit te geven. Een boek met een platte rug ziet er uit als een stuk plank. Vroeger was dat een tijdelijke staat waarin een boek verkeerde voor het door een bekwame boekbinder onder handen werd genomen.
     En mijn tweede strenge regel betreft de richting van de rugopdruk. Die richting is anders bij Nederlandse en Engelse boeken enerzijds, en Franse, Duitse en Spaanse anderzijds. Een Nederlands of Engels boek moet je op tafel met de bovenkant naar boven leggen om rugtitel te kunnen lezen. Bij een Frans, Duits of Spaans boek moet je de onderkant van het boek naar boven leggen om hetzelfde resultaat te krijgen. Je zou nu kunnen zeggen: dat probleem lost zich vanzelf op als je de boeken per taal groepeert. Was dat maar waar. Er bstaan immers Nederlandse, Engelse, Franse, Duitse en Spaanse uitgevers die niet op de hoogte zijn van hun eigen druktradities. Ik heb een alleraardigste reeks van Jane Austen-boekjes, maar de rugopdruk is volgt de Franse regel. Moet ik nu die door-en-door Engelse Tante Jane bij mijn Franse boeken onderbrengen?
     Die hele opdrukkwestie is des te pijnlijker omdat ze zo verdomd onnodig is. Waarom plaatst men die opdruk niet gewoon dwars, zoals men dat in vroeger en beschaafder tijden deed, zodat de titel leesbaar is als het boek rechtstaat. Dan is er geen probleem meer van Nederlands en Frans en Duits. En dan kun je de titels in een boekenkast lezen zonder je hals krom te trekken. Bij sommige hele dunne poëzieboekjes begrijp ik nog dat de rug geen plaats heeft voor een mooie dwarse titel. Zo’n titel moet dan wel evenwijdig met het boekplat worden gedrukt. Maar ik heb in mijn kast een boek van Borges van wel acht centimeter dik. Zo ergens dan toch daar had men die titel dwars en in grote letters op de rug kunnen plaatsen. Maar neen, ’t boek heeft een Spaanse opdrukrichting, terwijl een boek van Unamuno, dat nog niet half zo dik  is, een mooie dwarse opdruk heeft. Kan ik die twee boeken dan naast elkaar zetten op de plank?
     Maar ik dwaal af. Wat ik zeggen wou, was dat een boekenklasseersysteem helemaal niet zo ingewikkeld hoeft te zijn. Laatst had ik Het proces van Kafka nodig. Eerst dacht ik even aan de studeerkamer omdat ik het boekje in mijn lessen ter sprake breng. Maar mijn dwaling was van korte duur. Vertaald, fictie – hoop ik –, mooi bandje, donkerblauw, rond rugje, klein formaat, dwarse opdruk … dat moet in de woonkamerkast te vinden zijn, bovenste plank links, naast een paar bleekblauwe bandjes van P.G. Wodehouse.
     En jawel hoor.


* Je kunt ook kiezen voor behangpapier dat een boekenkast voorstelt, zoals op het plaatje hierboven.

zaterdag 10 juni 2017

Lerarentekort - Is meer pedagogie de oplossing?

     Wat ook veel te vaak wordt hervormd en vernieuwd is de lerarenopleiding. We lazen van de week in de krant dat het wiskundeniveau daalt en dat er te weinig wiskundeleraren zijn. En wat lees ik in Het Nieuwsblad?* ‘Onderwijsminister Hilde Crevits (CD&V) wil het probleem tackelen door de lerarenopleiding te hervormen.’ Ik betwijfel of dat de oplossing is. Als het aan mij lag zou ik juist al die hervormingen van de laatste veertig jaar weer afschaffen. Of ik daardoor meer wiskundeleerkrachten zou krijgen, weet ik niet, maar meer of minder, ik zou het tóch doen.
     Er moet een Gouden Tijd bestaan hebben toen universitaire diploma’s van wiskunde, fysica en germanistiek directe toegang verleenden tot het lerarenberoep. Je moest er nog twee of drie pedagogische vakjes bij nemen, je moest een paar stagelessen geven, en de zaak was beklonken. Die Gouden Tijd heb ik niet meer meegemaakt. Toen ik afstudeerde waren die vakjes al zodanig uitgedijd dat ik er een heel jaar mee bezig was. 
     Dat was niet altijd even aangenaam. Mijn ergernis was meteen gewekt toen ik in  ‘Algemene pedagogie’ op de eerste bladzijde een definitie van ‘leren’ kreeg die nergens op sloeg. Uit die definitie volgde dat we als leraren niet aan ‘kennisoverdracht’ mochten doen.* Ook moest ik op geregelde tijden met medeleerlingen, en onder begeleiding, ‘reflecteren over de onderwijspraktijk’. Maar laat ik mild zijn: niet alles in het programma was onzin. Ik heb er enkele inzichten in leerprocessen aan overgehouden, en een paar nuttige adviezen. Als je echter alles wat interessant of nuttig was bij mekaar harkte, had je toch voor niet meer dan twee of drie kleine vakjes, zoals vroeger. 
     Goed, je wilt lesgeven en je moet erdoor. Je denkt dat je dat lesgeven wel al doende zult leren en je hebt een paar oud-leraren voor ogen die je graag wil nabootsen, maar je zet die gedachten tijdelijk uit je hoofd en je verstand op nul – wat een uitstekend uitgangspunt is om pedagogie te studeren. Wat is nou een extra jaar? Un mauvais quart d’heure à passer, meer niet.
     Helaas is er de laatste tijd iets nieuws aan de hand. De nieuwigheid bestaat erin dat de pedagogische opleiding niet alleen wordt uitgebreid – wat al erg genoeg is – maar dat ze wordt uitbreid ten koste van de wetenschappelijke vakopleiding. Hoe zal Crevits voor meer wiskundeleerkrachten zorgen? ‘Ze wil,’ zo schrijft Het Nieuwsblad, ‘dat jongeren na het middelbaar ook aan de unief meteen voor een lerarenopleiding kunnen kiezen, met de zogenaamde educatieve master.’ Wie geen bezwaar heeft tegen slecht proza kan over die educatieve master lezen in Crevits haar conceptnota ‘Wervende en kwalitatieve lerarenopleidingen’ – alinea 3.2.7.
     Ik weet hoe het zal eindigen met die educatieve master. We komen ten langen leste uit op twee universitaire opleidingen: de echte wiskunde en de onderwijswiskunde, de echte fysica en de onderwijsfysica, de echte taal-en-letterkunde en de onderwijstaal-en-letterkunde. En de onderwijsvariant wordt de light versie. Universitaire wiskunde light! Tja. Ik weet ook hoe men dat zal ontkennen: ‘de bacheloropleiding blijft gemeenschappelijk’, ‘we zullen de instroom versterken via een verplichte, niet-bindende toelatingsproef’*, ‘we gaan zowel de vakinhoudelijke als de educatieve inhoud versterken’.
     Dat zijn praatjes, vooral dat laatste.  In alinea 3.2.4 van de Conceptnota worden de terreinen van de versterkte lerarenopleiding opgesomd:
  • Vakinhoudelijke kennis
  • Didactische vaardigheden
  • Klasmanagement
  • Praxisonderzoek
  • Toenemende diversiteit in een grootstedelijke context.
     In zo’n opvatting is ‘vakinhoudelijke kennis’ maar één van de vijf ingrediënten –  ingrediënten waar ik er gemakkelijk nog enkele bij kan van verzinnen. En in elk geval voorziet de educatieve master 120 studiepunten ‘waarvan 60 studiepunten aan de component leraar worden besteed.’ De helft gaat dus naar het lerarengedoe en de helft gaat naar de vakinhoud. Dan wordt die vakinhoud toch wel aardig uitgekleed, vind ik.
     De reden die Crevits voor de educatieve master aangeeft is kletskoek. ‘We willen dat jongeren op 18 al een bewuste keuze kunnen maken voor leraar.’ Maar die bewuste keuze hebben achttienjaren altijd al kunnen maken. Toen ik aan mijn opleiding Romanistiek begon, had ik niet de minste twijfel dat ik leraar wou worden, net zoals tachtig procent van mijn medestudenten. Daarvoor moest er echt geen educatieve master Romanistiek worden opgericht. Wel waren er sommigen die in de loop van hun studies veranderden van mening en vooralsnog een andere loopbaan kozen. Dat is uitstekend. We leven in een vrij land. Wij willen alleen échte leraren en leraressen in ons beroep. De rest doet maar iets anders.
     Crevits heeft daarbij wel gelijk als ze denkt met universitaire opleidingen light meer kandidaten aan te trekken. Dat zullen dan kandidaten zijn die wetenschappelijk wat minder aanleg hebben.* Natuurlijk betwist ik niet dat er daar bij zullen zijn die goed les kunnen geven. Het zijn niet altijd de beste wetenschappers die de beste lesgevers zijn. En dan: is al die wetenschap wel nodig? Is het wel nodig dat eenvoudige leraren Nederlands, om in mijn vakgebied te blijven, noties hebben van Indo-Germaans, Gotisch, principes van klankverschuiving, fonologische en morfologische analyse, structuralistische en generatieve grammatica, allemaal zaken waar zij in hun lessen toch niets mee aanvangen Waarom die arme studenten lastig vallen met de poëzie van Willem Bilderdijk, Jacob Da Costa en P.A. de Génestet als ze die aan hun leerlingen toch niet verkocht krijgen, gesteld dat zij dat zouden willen?
     Ja, dat heb je met universitaire studies. Veel is niet direct nuttig. De fictie wordt in stand gehouden dat al die studenten eigenlijk toekomstige wetenschappers zijn die hun verdere leven aan de studie van klankverschuivingen en dergelijke zullen wijden. Maar die fictie heeft zijn charme. Het is, om met Plato te spreken, een ‘nobele fictie’. Dat elk jaar tienduizenden jongeren een instituut bezoeken waar niet ‘nut’ maar ‘waarheid’ centraal staat, trekt een versterkte muur op rond onze beschaving. Het is goed dat die jongeren gedurende enkele jaren worden aangewaaid door de tegendraadse gedachte ‘Fiat veritas, pereat mundus’. Het is eveneens goed dat een flink deel van die jongeren in het onderwijs terecht komen waar ze hopelijk de vlam van de wetenschap, zij het op een laag pitje, levend houden.
    In de vroege jaren zeventig gaf op het Sint-Aloysiuscollege te Menen, dat nu SAM heet, de jonge Antoon Vandendriessche les in de vakken Nederlands, Engels, Duits en Geschiedenis. Hij vertelde over Paul Lebeau, aan wie hij zijn scriptie had gewijd, en over George Bernard Shaw, ‘der Alte Fritz’,  Barbarossa, en ook over die andere keizer die in zijn onderhemd en op zijn blote knieën naar Canossa trok. Als hij op dreef was schreef hij een Indo-Europese stam op het bord, tekende hij een Hegeliaanse triade, stelde het werk van Elsschot voor op een x- en y-as, of lichtte het begrip ‘chaosmos’ toe tegen de achtergrond van Finnegan’s Wake.
     Wij waren een beetje trots op onze leraar. Antoon Vandendriessche kwam net van de universiteit. Hij was aangeraakt door de wetenschap. Maar ik geloof niet dat hij veel lerarenopleiding had meegemaakt. Hij deed aan kennisoverdracht.

* Alle aanhalingen uit Het Nieuwsblad, 8 juni 2017 – Het Laatste Nieuws 26 maart 2016 (hier) en de conceptnota Lerarenopleidingen versterken – Wervende en kwalitatieve lerarenopleiding als basispijler voor hoogstaand onderwijs (hier). De titel van de conceptnota geeft een stilistisch voorproefje van het hele opstel.

** Van Popper heb ik geleerd dat je uit een definitie héél weinig kunt afleiden.

*** ‘Verplicht, maar niet bindend’. Heerlijk is dat.

**** De educatieve master kan de opleidingstermijn natuurlijk verkorten omdat er dan na de vakinhoudelijke master geen aparte lerarenopleiding moet worden gevolgd. Ook dat kan nieuwe studenten opleveren. Maar door de pedagogische kant van de opleiding drastisch te verminderen, zoals ik voorstel, krijg je dezelfde uitkomst.

woensdag 7 oktober 2015

Poenig schrijven

  Twee boekjes die in de jaren zestig de verplichte leeslijsten aanvoerden waren Pieter Bas van Godfried Bomans (†22 december 1971) en Het gevaar van Jos Vandeloo (†5 oktober 2015). Pieter Bas sla ik nog vaak eens open als ik me wat bedroefd voel. Na enkele zinnen voel ik me dan al wat vrolijker. Maar tussen mij en Jos Vandeloo heeft het nooit geboterd.
     Het begint al bij de eerste zin, of liever het eerste woord, van Het gevaar: ‘Hij zocht zorgvuldig een hoekplaats bij het raam’.  Hoezo hij? Wie hij? Wat hij? Twee bladzijden verder heet die hij plots Alfred Benting. Zeg dat dan meteen. ‘Alfred Benting zocht zorgvuldig een hoekplaats bij het raam.’ Dat kan ermee door. Eerst een eigennaam, en daarna kun je rustig verdergaan met hij-hij-hij, zolang er maar geen dubbelzinnigheid ontstaat, want dan moet je weer even de eigennaam gebruiken.
    Een schrijver die begint met hij is, naar mijn smaak althans, een opschepper. Hij weet wel over wie het gaat, en hij zal het straks ook vertellen, maar jij, lezer, moet nog wat wachten, want de schrijver is de baas. Natuurlijk is hij de baas – ’t is zijn boek – maar waarom het ons ook nog eens inwrijven?
    Zouden er nog zulke schrijvers zijn –macho’s die een cool gezicht opzetten en met de spieren rollen vooraleer ze beginnen te schrijven? Men denkt meteen aan Hemingway. Eens nakijken hoe The Old Man and the Sea begint: ‘Hij was een oude man die alleen in een sloep ging vissen in de Golfstroom.’ Weer hij! ‘t Is natuurlijk een veel betere zin dan die van Vandeloo, en de auteur stapt ook niet zelf over van hij naar Santiago – want zo heet de visser – maar we vernemen die naam omdat de visser een bladzijde verder zo wordt aangesproken door een jongen, en dan kan het nog net. Maar het blijft poenig.
    Hoe moet het dan wel? Zo ongeveer:
       - De Keyzer was sigarenfabrikant.
       - Statig kwam de dikke Buck Mulligan uit het trapgat.
       - De kaak van Sam Spade was lang en benig.
       - Achilles, de zoon van Peleus, was boos.
    Het moet natuurlijk niet elke dag Elsschot, Joyce, Hammett of Homerus zijn.  Je kunt ook beginnen zoals Bomans zijn Pieter Bas begint: ‘U allen die dit boek in handen neemt, groet ik recht hartelijk.’ - En van mijn kant: ‘U allen die mijn blog geopend hebt, groet ik recht hartelijk.’



Naschrift van 14 oktober 2017

 In Het Nieuwsblad staat een lijstje van ‘mooiste zinnen’ waar een Nederlands boek of een gedicht mee opent of sluit.
  • Mijn ouders zijn nooit pilaarbijters geweest. (Jeroen Olyslaegers)
  • Hoeveel mensen werden ‘s morgens wakkers met de gedachte: ik heb zin om iemand te vermoorden. (Pieter Aspe)
  • Eddy Borremans weet uiteraard wat seks is / Dat wil zeggen heeft er ooit al van gehoord / ‘t Is een bron van rare ziektes en infecties / Van diefstal, afgunst, haat en broedermoord. (Hugo Matthysen)
  • Ik wil bloot zijn en beginnen. (Paul van Ostaijen)
  • Geef mij nu eindelijk wat ik altijd al had. (Herman de Coninck)
  • Jongen waren we – maar aardige jongens. Al zeg ik ‘t zelf. (Nescio)
  • Wanneer Aloysius ons hart verontrust, hangen we in de werkelijkheid ondersteboven als betoverde apen. (Maurice Gilliams)
  • Ge ziet vanuit uw open zolderraam hoe het niemandsbos in het rood wordt geverfd door de zakkende zon, en hoort hu het droefgeestig schaap van mossieu colson van tministerie nog een laatste keer blaat: en dan schuift ge uw pampierderij opzij en stapt de trappen af. (Louis-Paul Boon).
De zinnen zijn gekozen door zes Vlaamse topauteurs, respectievelijk: Jeroen Olyslaegers, Pieter Aspe, Marnix Peeters, Griet Op de Beeck, Kristien Hemmerechts, Herman Brusselmans, Stefan Hertmans en Jeroen Olyslaegers. Sommige van die zinnen zouden mijn lijstje niet halen.