Posts tonen met het label Tom Lanoye. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Tom Lanoye. Alle posts tonen

dinsdag 23 maart 2021

Reynebeau en Mohammed in Dantes Hel

 


     Ik had mij nog zo voorgenomen om de eerstkomende maanden te zwijgen over Marc Reynebeau*, en schrijft hij daar nu weer geen stuk over de nieuwe Dante-vertaling, die waarin de Mohammed-passage is geschrapt. Aangezien ik die passage in mijn lessen gebruikte, voel ik mij aangesproken. En aangezien Reynebeau de geschrapte passage niet citeert, doe ik het maar:

Als ‘t vat een middenstuk of bodemduig verliest
Vertoont het nooit een scheur als ik toen zag
Bij een die openspleet van kin tot gat.

Tussen zijn benen hing zijn ingewand
Hart, lever, long en ook die nare zak
Die alle voedsel weer in drek verandert.

Terwijl ik hem met aandacht gadesloeg
Keek hij naar mij, en trok met eigen hand
Zijn borst uiteen. ‘Kijk hoe ik mij verscheur.’

‘Kijk toe wat hier gebeurt met Mohammed.
Degene die daar huilend voor mij loopt,
Is Ali, zijn gezicht gekliefd van kin tot kuif. 

’t Is een van de vele sadistische passages uit de Hel.     
     Ik heb op het stuk van Reynebeau eigenlijk niet veel aan te merken. Hij houdt zijn mening voor zichzelf en geeft de woorden weer van vertaalster Lies Lavrijsen en uitgeefster Spiteri, die uitleggen waaróm de passage is geschrapt. Men wilde voor ‘jongeren uit andere culturen’ het muurtje afbreken dat hen zou tegenhouden kennis te  nemen van de ‘humanistische boodschap’ van Dante. ‘Het zou jammer zijn als die lezers door die passage op de tekst zouden afknappen.’
     Reynebeau schrijft alweer wat slordig. ‘Corrupte ... pausen boeten bij Dante, met immer brandende voeten bijeengepropt in een soort koker, voor het onheil dat ze hebben aangericht. Net als, onder zeer veel anderen, Judas, de moordenaars van Julius Caesar of homoseksuelen.’ Je zou hieruit kunnen besluiten dat ook Judas, de moordenaars van Julius Caesar en de homoseksuelen door Dante met brandende voeten  in een koker worden gepropt. Dat is niet zo: ze krijgen elk hun eigen soort straf, anders was de Hel een dun boekje geworden. Ook zou je kunnen denken dat die pausen allemaal samen in één koker ‘bijeengepropt’ zijn. Dat is alweer niet zo. Ze zijn elk in hun eigen koker begraven, het hoofd naar beneden, en met alleen de brandende voeten die boven de grond uitkomen. Het zorgt zelfs voor een grapje. Als Dante eraan komt, denkt een van de pausen, die niets kan zien, dat hij met een collega van doen heeft en roept uit: ‘Ben jij dat Bonifatius?’
     Eén zinnetje heeft Reynebeau erg knullig geformuleerd. ‘Dante blijft tenslotte, zoals een studie het samenvatte, een middeleeuwse gelovige met een beperkte culturele horizon.’ Spreken van de ‘beperkte culturele horizon’ van een zo universele geleerde als Dante, heeft iets potsierlijks, en spreken van ‘een’ studie, als men de oceaan van Dante-publicaties voor ogen houdt, heeft iets komisch. Maar als je het genereus interpreteert, is het waar wat Reynebeau schrijft: Dante wist allerlei belangwekkende zaken niet – over aardrijkskunde, sterrenkunde, geschiedenis en vreemde culturen – zaken die wij wel weten. En hij wist allerlei middeleeuwse zaken over godgeleerdheid die wij niet zo belangwekkend vinden. Onze culturele horizon verschilt inderdaad van de zijne.
     Voor een keer had ik van Reynebeau trouwens liever een commentaarstuk gehad, in plaats van een neutraal bericht waarin hij de meningen van anderen citeert. Wat vindt hijzelf van het schrappen van zulke passages? Karel van het Reve haalt de Mohammed-passage aan als voorbeeld om censuur en blasfemieverbod te hekelen. Als we zo beginnen, redeneert hij, moeten we op de duur nog een cultureel monument als Dante gaan censureren. Helaas, wat bij Karel van het Reve nog een reductio ad absurdum was, is ondertussen werkelijkheid.
    Reynebeau citeert verder een Italiaanse actiegroep die in 2012 vond dat Dante geen plaats had in het middelbaar onderwijs, ‘omdat hij racistisch, homofoob**, islamofoob en antisemitisch zou zijn’. Ook hier had ik graag de mening van Reynebeau gekend. Zelf ga ik niet akkoord met die actiegroep. Ik vind net als Lies Lavrijsen en Spiteri dat Dante de moeite waard blijft om aan jongere lezers aan te bieden. En ik vind zeker dat men daarbij de islamofobe, homofobe en anderszins verdachte passages niet uit de weg moet gaan. Die passages bieden juist een gelegenheid om het verschil te verduidelijken tussen de middeleeuwse ‘culturele horizon’ en de onze.
     Neem die homoseksualiteit. Kerk en staat beschouwden dat als een doodzonde en een misdaad, maar uit de Comedia blijkt dat er in Dantes tijd ook notoire homoseksuelen waren die blijkbaar hun straf pas kregen in het hiernamaals. Interessant hierbij is dat Dante de homoseksuelen in dezelfde hellekring plaatst als de bankiers. Die twee soorten mensen doen binnen zijn ‘culturele horizon’ iets tegennatuurlijks: seksuele betrekkingen hebben met iemand van hetzelfde geslacht, en interest aanrekenen terwijl iedereen weet dat geld niet vanzelf toeneemt en ‘geen jongen legt’ zoals Thomas van Aquino dat verwoordde. Dat is een mooie gelegenheid om die middeleeuwse inzichten te vergelijken met die van de hedendaagse biologie en economie.
     En kijk eens hoe Dante zijn homoseksuelen beschrijft:

Toen zag ik daar drie schimmen van een groep
Zich losmaken, al lopend naar ons toe
Beregend door de woeste martelvlammen

En ze begonnen weer, zodra wij stonden,
Hun oude klacht, en toen ze bij ons kwamen,
Gedrieën vormden ze een kring.

Als worstelaars geolied, naakt en glimmend
Die ‘t voordeel van hun eerste greep beloeren
Voordat het vechten echt begonnen is.

Zo draaiend, richtte ieder zijn gezicht
Naar mij toe; en in d’ omgekeerde richting
Bewogen steeds hun nekken en hun voeten …

‘k Begon: ‘Geen afkeer is ‘t, maar droefenis
Die ’k voel bij ‘t overschouwen van uw lot
Zo erg, dat ik die moeilijk kwijt zal raken …

      Is het niet enig hoe Dante de homo-erotische sfeer oproept, met die geoliede, naakte worstelaars in contrapost die elkaars lichamen beloeren? En is het mededogen dat hun straf bij hem oproept, niet ontroerend? Vertaalster Lies Lavrijsen spreekt van de ‘moderne humanistische boodschap’ van Dante. Dat gaat mij te ver. Ik wil niet zoals de vroegere Sovjetautoriteiten elke klassieke auteur annexeren als een ‘groot humanist’ en een ‘vooruitstrevend kunstenaar’. En of in de dertiende eeuw nu de Ghibellijnen dan wel de Zwarte Welfen, of misschien zelfs de Witte, waar Dante toe behoorde,  aan de goede kant van de geschiedenis stonden, dat weet ik niet. Ik ben in die twist strikt neutraal. Maar elke vorm van mededogen, waar die ook opduikt, is de moeite waard om even onder de aandacht te brengen van jongeren, tot welke cultuur ze ook behoren.


* Over Reynebeau schreef ik dus al enkele stukjes: hier, hier en hier

** Die beschuldiging van homofobie hoor je ook bij anderen. Op het Radio 1-programma ‘Nieuwe Feiten’ zei Tom Lanoye vlakaf: ‘Dante was een homofoob’. Ik ben geen Dante-kenner, maar dat lijkt mij fout. Dante plaatst homoseksuelen in de hel waar ze zich volgens de theologie van die tijd ook echt bevonden. In zijn ogen was dat een feitelijkheid. Maar als je Canto XVI leest, merk je dat hij de verdoemde homoseksuelen met heel veel sympathie tegemoet treedt. Hij wil hen voortdurend omhelzen. Die sympathie heeft hij ook voor sommige andere verdoemden, zoals voor overspelige minnaars, en hij wordt daarvoor vaak bekritiseerd door zijn reisgenoot Vergilius, die vindt dat zo’n mededogen een rebellie inhoudt tegen de wil van God. Maar bij de homoseksuelen is zelfs Vergilius blijkbaar niet erg verguld met het Godsbesluit. ‘Tegenover die mensen moet je hoffelijk zijn,’ zegt hij.
Lanoye vindt overigens dat de naam ‘Mohammed’ niet had moeten worden geschrapt. Hij noemt het zelfs een 
verminking. Hij wil er wel geen ‘cultuuroorlog’ voor opstarten, want uiteindelijk gaat het niet om een ‘officiële vertaling’ maar een ‘schoolproject’ en dat heeft hem ‘gerustgesteld’. Zulke fijne nuances vind je bij Lanoye, geloof ik, niet elke dag.

maandag 14 december 2020

Klerikale en atheïstische humor

      ‘Hoe noem je een non die drankjes bestelt aan de toog?’ – ‘Een ba(a)rmoeder’. Ik hoorde het mopje ooit van een pater die soms bij ons aan huis kwam, en het heeft mijn vooroordeel vorm gegeven dat clerici van de laatste drie generaties een erg flauw gevoel voor humor hebben. Heeft het iets met hun maagdelijke staat te maken? Ik weet het niet.
     Het rare is dat je de flauwe humor van beroepsgelovigen ook vaak vindt bij hun tegenhangers, de  beroepsóngelovigen, en speciaal als ze het over godsdienst hebben.* Maarten Boudry brengt in zijn boek Illusies voor gevorderden de transsubstantieleer van de katholieke kerk ter sprake: het geloof dat een hostie – Maarten spreekt van een ‘koekje’ – verandert in het lichaam en bloed van Jezus, en dat niet symbolisch maar letterlijk. Iemand die dat niet gelooft, zoals de meerderheid van de hedendaagse katholieken, vindt die transsubstantiatie te belachelijk voor woorden, en dat is, vind ik, al reden genoeg om er niet te hard mee te lachen.**
 
     Maarten vindt dat niet. Hij haalt een Amerikaanse professor biologie aan die een geconsacreerde hostie doorboorde met een roestige nagel en het fotografisch ‘bewijsmateriaal’ op zijn website publiceerde met de wetenschappelijke conclusie: ‘It’s just a fucking cracker’. Dolle pret! Op één of andere manier doet die professor mij denken aan de pastoor in La regenta –  het Spaanse Madame Bovary –  die zich vanop de kansel week na week vrolijk maakt over het geloof van de oude Egyptenaren die katten als goden vereerden. Risum teneatis amici, riep hij uit. Vandaag zou hij misschien zeggen: ‘It’s just a fucking cat!’. Zeker, zeker, een kat.
     Maarten heeft ook zijn eigen hostie-mopje. Er bestonden voor de hostie indertijd allerlei regels. Je mocht die als leek niet met de handen aanraken, maar hij werd door de priester rechtstreeks op de tong gelegd. Je mocht niet op die hostie bijten. Op school hoorde ik het verhaal van een kind dat dat ooit gedaan had, en toen werd zijn mond gevuld met bloed. En je begrijpt ook dat het een drama was als een hostie op de grond viel; en dat je niet-gebruikte hosties moeilijk in de vuilnisbak kon gooien. Er bestonden allerlei procedures om, in Maartens woorden, ‘je van dergelijk klein gevaarlijk afval te ontdoen.’ ‘Klein gevaarlijk afval’. In de marge van mijn exemplaar heb ik genoteerd: ‘Erg flauw.’
    Als Steven Pinker over godsdienst spreekt, zie je die flauwe, licht vulgaire humor ook soms opduiken. In zijn ‘impressionistische’ eerste hoofdstuk van Our Better Angels schetst hij het geweld van vroeger tijden aan de hand van literaire bronnen zoals de Illias, de Odyssee, het Oude Testament, het Nieuwe Testament, de Lancelot-en-prose, Shakespeare, de Grimm-sprookjes en oude kinderversjes. Bij het Oude Testament hangt hij een negatief beeld op van de Bijbelse personages, wat niet zo moeilijk is. Van de God Yaweh zegt hij dat Hij de stad Sodom vernietigde met een ‘goddelijke napalmaanval’. Napalmaanval - wij herkennen hier een variant van het ‘klein gevaarlijk afval’-mopje.*** 
     Het kan erger. Van koning Salomon zegt Pinker dat hij herinnerd wordt voor het bouwen van de tempel en voor het schrijven van de boeken Spreuken en Prediker, en van het Hooglied, ‘hoewel,’ voegt Pinker eraan toe, ‘hij met een harem van zevenhonderd prinsessen en driehonderd bijvrouwen duidelijk niet al zijn tijd aan schrijven besteedde.’ Welnee, niet al zijn tijd aan schrijven besteed, hij heeft daarnaast, stel je voor, seks gehad. Dat doet mij denken aan een verhaal dat Tom Lanoye ooit in een interview vertelde. Een hoogzwangere docente gaf les over Guido Gezelle en besprak de platonische homo-erotiek in ‘Die avond en die roze’. Een student stond op en zei: ‘Die baby in uw buik is er ook platonisch gekomen zeker?’ Lanoye vond dat grappig.
     Mooi is dan weer als zo’n flauwe ongelovige te maken krijgt met een geestelijke van de oude stempel, een erfgenaam van de spirituele salon-abbés van de 17de en 18de eeuw. Pauselijk nuntius Pecci, later zelf paus onder de naam Leo XIII, werd ooit benaderd door een diplomaat die hem een tabaksdoos voorhield waarop een naakte vrouw was afgebeeld. ‘Vous aimez les objets d’art, monseigneur. Regardez cela,’ zei hij. ‘Oh, c’est très beau,’ antwoordde de nuntius. ‘C’est Madame sans doute?’

 

* Er zijn natuurlijk ook erg geestige atheïstische uitspraken van nu en vroeger, zoals de beroemde repliek van Laplace toen Napoleon zijn boek over het ontstaan van het zonnestelsel had aangevallen. Napoleon was boos omdat de geleerde geen enkele maal iets over God had gezegd. ‘Sire,’ antwoordde Laplace, ‘je n’avais pas besoin de cette hypothèse.’

 ** Als voorbeeld past de transsubstantiatieleer overigens goed in het betoog van Maarten. We mogen inderdaad niet vergeten hoe ernstig allerlei opvattingen genomen werden in het katholicisme van amper vijftig jaar geleden.

 *** Karel van het Reve heeft er trouwens ook zo eentje als hij God van het Oude Testament vergelijkt met Idi Amin. Maar bij hem is het mooi verwoord.

dinsdag 25 februari 2020

Hoe rijker thuistaal, hoe beter 't Nederlands

Meuleman (Groen): Hoe rijker thuistaal, hoe beter 't Nederlands
Hendrik V: The fewer men, the greater share of honor
     Laatst had ik weer een discussie. Een vriendin beweerde dat er in ons onderwijs meer ruimte moest komen voor de thuistaal van Marokkaanse, Turkse of Poolse kinderen. Die hebben het in ons onderwijs moeilijk omdat ze tegelijk Nederlands moeten leren én een reeks andere vakken - vakken die bovendien in het hen vreemde Nederlands worden gegeven. En vaak beheersen die kinderen niet eens goed hun thuistaal. Nochtans, zei mijn vriendin, betekent een rijke thuistaal dat ze ook sneller het Nederlands zullen beheersen.
     Die laatste stelling is natuurlijk juist. Als je goed je eigen thuistaal kent, de grammatica ervan beheerst, er veel in leest, veel verschillende woorden begrijpt en kunt gebruiken, dan zul je ook gemakkelijker een nieuwe taal leren zoals het Nederlands. Maar als argument voor meer  thuistaal in het onderwijs is het, geloof ik, een drogreden.
     Hoe kan dat nu: ’t is een juiste stelling en toch een drogreden?
     Welja, en het is een drogreden met koninklijke allures. Hendrik V gebruikte hem voor zijn redevoering in Azincourt in 1415.  Het Engelse leger stond toen, zoals wij in 1302, tegenover een Franse overmacht. Het zou fijn zijn als we nu tienduizend man meer zouden hebben, verzucht een Engelse edelman. Maar de koning legt uit dat het net goed is dat hun leger zo klein is.

If we are marked to die, we are enough
To do our country loss; and if to live,
The fewer men, the greater share of honor.
God’s will, I pray thee wish not one man more.

    Of in de wijdlopige, maar goed in de mond liggende vertaling van Tom Lanoye

Indien wij voorbeschikt zijn om te sterven
Is ons getal al meer dan groot genoeg
Om ’t vaderland te ruineren. Maar
Als ’t lot beslist ons lijf te sparen, en
Het zelfs te kronen met een overwinning,
Dan is voor elk van ons, hoe kleiner ons
Getal, het aandeel des te groter in
De eer. Dus wens, bij God, niet één man meer.

 De koning zegt terecht dat het eervoller is te winnen met een klein leger tegen een groot leger dan omgekeerd. De stelling is juist. Maar de koning vergeet iets. De kans om te winnen als je een klein leger hebt, is heel wat kleiner dan als je over een groot leger beschikt.
     De thuistaaladepten zeggen terecht dat je gemakkelijker Nederlands leert als je ook investeert in beter Turks, Pools of Arabisch. De stelling is juist. Maar de thuistaaladepten vergeten iets. Je leert nóg gemakkelijker Nederlands als je alles investeert in beter Nederlands in plaats van daarnaast nog eens in beter Turks, Pools of Arabisch.
     En als je in allebei, thuistaal en Nederlands, evenveel investeert? Having the cake and eating it too? Ja, dat kan. Als je je wat de kennis van het Nederlands betreft tevreden stelt met een halve taart.

zondag 12 januari 2020

Tom en Jan

     De boeken en toneelstukken van Tom Lanoye heb ik altijd graag gelezen en gezien, maar de schrijver zelf mocht ik niet zo. Hij had van die rare brillen op. Ook sprak hij erg plat als hij op de televisie kwam. Dat een gevelschilder als Louis-Paul Boon plat praatte, dat vond ik normaal. Maar als zo’n afgestudeerde germanist dat doet, moet ik aan die Humphrey Bogart-film denken, met die Mexicaanse bandiet die zegt:  ‘We don’t need no stinking badges’. Bij Lanoye is het: ‘We don’t need no stinking ABN.’
     Die bril en dat platte praten wekten dus mijn ergernis. Later is daar de politiek bijgekomen. Dat is niet de schuld van Tom, maar van mij, omdat ik van extreemlinks naar rechts-liberaal geëvolueerd ben en Tom is links gebleven.
     Meestal heb ik van Tom geen last, hij zit vaak in Kaapstad, maar een linkse vriend vestigde mijn aandacht op een stuk van Tom in Humo van 7 januari. ’t Is een scherp stuk tegen Jan Jambon, over wie Tom opmerkt ‘dat de wonderen der plastische chirurgie aan zijn neus zijn voorbijgegaan.’ Zijn neus, snap je ’m? Ik vind dat zoiets moet kunnen in een polemiek. Een opmerking over het uiterlijk of de geaardheid van je opponent, kan grappig zijn. Maar, zoals Karel van het Reve opmerkt, je moet er dan ‘iets leuks mee doen.’ Naar mijn smaak is dat hier niet gebeurd.
     In zijn stuk formuleert Tom het verwijt dat Jambon in de vorige regering een ‘keihard besparingsbeleid jegens álle Belgen heeft gevoerd.’ Dat is ongeveer het enige zinnetje met inhoudelijke kritiek. Zou dat eigenlijk erg zijn, vraag ik mij af, zo’n ‘keihard besparingsbeleid’? En tegen álle Belgen nog wel? Voor mij is het in elk geval nog meegevallen, al ben ik een van die Belgen. Mijn inkomen is omhoog gegaan en aan het einde van de maand hield ik, ondanks alle prijsstijgingen, meer centen over. En ik ben de enige niet. Volgens economen zijn de ‘reële’ inkomens voor álle werkende Belgen gestegen, en voor de kleinverdieners nog het meest. Als keihard besparen betekent dat iedereen die werkt, een hoger inkomen krijgt, én dat er meer werk is, dan vind ik dat zo slecht nog niet. Tom mag daar gerust anders over denken.
     Tom heeft trouwens nog meer te vertellen over besparingen, maar dan in het minder ernstige register. Hij vindt het erg belangrijk dat Jambon, als hoofd van een Vlaamse regering die op allerlei posten zes procent bespaart, zelf ook zes procent zou besparen op zijn brutojaarwedde van 253 000 euro. Die wedde komt, geloof ik, neer op 11 000 euro netto per maand en dat is nogal veel. Misschien verdiende Jambon als bedrijfsleider nog meer, maar ondertussen is het  meer dan het dubbele van wat ik en mijn vrouw samen verdienen. Het is geloof ik zelfs meer dan wat de meeste slagers en slagerszonen verdienenIk begrijp dus de woede en misschien zelfs de afgunst van Tom. Dat alles heeft echter niet veel met Jambon zelf te maken, want een Groene of Rode minister-president zou hetzelfde hebben verdiend. Maar als Tom vindt dat het inkomen van Jan met zes procent naar beneden moet, is dat voor mij in orde. Zolang hij, of Jambon, met zijn vuile vingers maar van mijn inkomen blijft (1).
    Behalve door de centenkwestie is Tom ook erg geboeid door een aantal uitspraken van de minister-president. Het zijn dezelfde uitspraken die je op Wikipedia becommentarieerd vindt – de dansende moslims, het kindergeldhuis – en eentje dat Tom zelf uit de oude doos haalt: de Atoma-schriftjes. Jambon had op een bijeenkomst van KVHV gezegd dat er bij de regeringsvorming van 2014 bindende afspraken waren gemaakt om na 2019 een grote staatshervorming mogelijk te maken. Verwijzend naar het bekende schandaal van Leo Delcroix had hij er grappend bij gezegd dat die afspraken genoteerd stonden in ‘geheime Atoma-schriftjes die in de kluizen liggen van alle meerderheidspartijen’.
    Nu zaten er in het KVHV-publiek undercoverjournalisten die die woorden opschreven en ze de dag erna in de krant plaatsten. Jambon gaf onmiddellijk toe dat hij dat van die Atoma-schriftjes niet letterlijk bedoeld had. Je moest dat in de context zien. Je moest een onderscheid maken tussen wát hij wilde zeggen en het cynisme, de beeldspraak en de humor waarméé hij het gezegd had. De journalisten hadden hem ‘te letterlijk geciteerd.’
    ‘Te letterlijk geciteerd’ … Tom vindt dat belachelijk. Ik niet. Ik maak het bij elk schriftelijk examen weer mee. In de klas zeg ik in het vuur van mijn betoog, dat er rond 1830 een oorlog woedde tussen de classicisten en de romantici, en op een examen lees ik dat ‘in 1830 de oorlog uitbrak tussen classicisten en romantici’. Of ik zeg dat Shakespeare in dat of dat fragment de oorlog beschrijft als het leukste wat je kunt doen zonder er je broek voor uit te trekken, en op het examen lees ik dan over Shakespeare en over die broek. Dan voel ik mij ook ‘te letterlijk geciteerd.’ Gelukkig zitten er bij mij geen undercoverjournalisten in de klas, en moet ik het de volgende dag niet gaan uitleggen op een persconferentie.
     Over het kindergeldhuis zegt Tom nog iets interessants. ‘Jambon legitimeert extreemrechtse leugenpropaganda door ze als topminister keer op keer klakkeloos na te kwekken. In de hoop zodoende zijn politieke concurrenten te counteren, overhandigt hij hun de leidsels van zijn kiesvee. Gratis en voor niets.’ Als we de scheldwoorden en de hyperbolen weglaten, krijgen we de volgende analyse: Jan Jambon maakte veel ophef over het kindergeld om op die manier Vlaams Belang voor te zijn, terwijl juist Vlaams Belang het meeste electorale baat heeft bij de rel.
     Dat laatste is juist. Het Vlaams Belang is hier de winnaar want het verhaal van de ‘profiterende vreemdeling’ is vooral hún verhaal, niet dat van N-VA. Dat is ook de analyse van Bart Eeckhout. Het eerste deel van de analyse is echter fout. Het was niet Jan die ophef maakte rond het kindergeld. Hij had alleen één zinnetje gezegd, ter illustratie van het regeringsbeleid, en nog wel in een zaal waar hij niet bepaald de hete adem van Vlaams Belang in de nek voelde. Het waren de vijanden van Jan – o.a. de krant van Bart Eeckhout – die er dagenlang honderden zinnen over produceerden, waarbij de ene foute factcheck op de andere volgde, totdat uiteindelijk de ware cijfers naar boven kwamen, tot vermaak van Vlaams Belang (2). Het is de linkerzijde, en enkele journalisten,  die met hun dagenlang kabaal ‘de leidsels van het kiesvee’ hebben overhandigd.
     Het is eigenlijk merkwaardig dat de anti-N-VA-linkerzijde blind is voor de rol die ze zelf speelt bij het succes van Vlaams Belang. Toen doodzwijgen niet hielp, schakelde ze over op het soort sensationele berichtgeving dat Dries Van Langenhove groot heeft gemaakt. Toen Vlaams Belang in de touwen lag, stelde zij N-VA voor als het nieuwe extreem-rechts. Een aantal kiezers heeft daaruit onthouden dat ze, of ze nu voor de ene of de andere partij stemmen, in elk geval het foute DNA bezitten. En nu Vlaams Belang weer groot is, blijft de linkerzijde vooral op N-VA schieten, uit gewoonte (3).
     Ik hoop dat de anti-N-VA-linkerzijde mij niet verkeerd begrijpt. Zij moet blijven schrijven wat ze zelf gelooft. Als ze gelooft dat Jan liegt, moet ze schrijven dat Jan liegt. Als ze vindt dat dat dagelijks moet worden herhaald, moet ze dat dagelijks herhalen. Als ze vindt dat N-VA voor hetzelfde staat als Vlaams Belang, dan moet ze daar geen doekjes om doen. En als met name Tom nog veel stukken in Humo wil schrijven over N-VA als de verpersoonlijking van extreem-rechts, mag hij dat blijven doen tot hij er evenveel geld mee verzameld heeft als de minister-president verdient op een jaar. Misschien wordt Tom Van Grieken dan opnieuw ‘politicus van het jaar’ in Humo’s Pop Poll. 

(1) Mijn mening over hoge lonen voor politici heb ik hier neergeschreven.

(2) Dat is wellicht de reden dat bijvoorbeeld Het Nieuwsblad met die cijfers uiteindelijk zo discreet omging

(3)Toen Filip De Winter twitterde:  Vreemdelingen hebben twee rechten: recht op niks en recht op terugkeer, is daar in de pers weinig stennis rond gemaakt. Mij goed. En veronderstel nu dat Theo Francken iets zou twitteren dat een héél, héél klein beetje in de buurt komt van die tweet … Zie hier.