Posts tonen met het label Charles Murray. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Charles Murray. Alle posts tonen

vrijdag 14 mei 2021

Eurocentrisme in de geschiedenisles

 


     Geschiedenisleraar Benjamin Verdru* (zie ook hier) prijst het nieuwe geschiedenisonderwijs omdat het ‘het eurocentrisme heeft losgelaten.’  Daarmee plaatst hij zich aan de goede kant van, welja, de geschiedenis, maar zijn woordkeus is niet heel gelukkig. Hij wil minder aandacht besteden aan ‘het rurale West-Europa van de vroege middeleeuwen’ omdat er op dat ogenblik ‘complexere beschavingen’ bestonden. Zal Verdru hier geen last mee krijgen van de antidiscriminatiepolitie? Mogen minder complexe beschavingen achtergesteld worden tegenover de complexere? Zijn hier privileges in het spel? En zal hij geen last krijgen met de antropologen die beweren dat die meerdere of mindere complexiteit een illusie is die alleen een meerdere of mindere feitenkennis verraadt? Allemaal heel gevaarlijk. Ontvlambare materie.
     ’t Is anders ook echt een moeilijke discussie. Verdru beweert dat geschiedenisonderwijs die vooral westerse feitenkennis aanreikt leidt tot een superioriteitsgevoel. Dat is niet onmogelijk. Een interessante vraag hierbij is in welke mate dat superioriteitsgevoel, met betrekking tot het verleden, terecht of onterecht is. Charles Murray scheef indertijd een dik boek waarin hij die superioriteit probeerde aan te tonen met objectieve, statistische methodes. Woke-achtigen kunnen zich daarover wel boos maken en elke idee van een superieure (of complexere?) beschaving verwerpen. Maar vaak zijn ze dan de eersten om bijvoorbeeld de superioriteit te benadrukken van de Arabische cultuur tijdens onze vroege middeleeuwen. Als men zo begint, is men niet zover meer verwijderd van de Europese ‘zelfhaat’ waar Verdru, naar eigen zeggen, niet aan mee wil doen.
     Theoretisch bestaan er goede redenen om het geschiedenisonderwijs verder open te trekken naar andere delen van de wereld. Iedereen die wat in geschiedenis geïnteresseerd is, betreurt het dat er zoveel is dat in de geschiedenisles niet aan bod kwam. Ik kijk graag Chinese historische films: spannende politieke intriges, mooie dilemma’s van ambitie en trouw, prachtige duels, epische veldslagen. Maar verder ken ik alleen de namen van enkele dynastieën die op een ng-klank eindigen: Tang, Song, Ming, Qing. Ik zou geen enkele ervan op een tijdlijn kunnen plaatsen, al mocht ik er 500 jaar naast zitten. Dat is jammer, want ik ben er, dankzij Simon Leys, van overtuigd geraakt dat de Chinese beschaving en geschiedenis minstens even interessant is als de onze. Maar ’t is te laat. Ik had zoiets op de schoolbanken moeten leren. Als ik er nu nog aan begin is het ten koste van mijn pianospel en mijn blogstukjes.
     Mocht het aantal uren geschiedenis nu worden opgetrokken tot 4 uur per week, dan zag het er anders uit. Dan mochten van mij 2 uur worden besteed aan de Westerse highligts en de andere 2 uur aan de Chinese highlights. Maar als het aantal uren geschiedenis níet wordt opgetrokken, zou ik het voornamelijk bij het Westen houden*. Het is de Westerse geschiedenis die ons gemaakt heeft tot wat we zijn, met de Griekse filosofen en de Romeinse advocaten, de kerstening van de Germanen, de feodaliteit en de kloosters, de riddercultuur en de machtsstrijd tussen kerk en staat, de stedelijke nijverheid en de handelscentra in Vlaanderen, Duitsland en Italië, de ontdekkingsreizen en de kolonisatie, de Reformatie en de godsdienstoorlogen, het absolutisme en de Verlichting, het Engelse parlementarisme en de Amerikaanse en Franse revolutie, de industrialisatie en het sociale vraagstuk, het nationalisme en de Eerste Wereldoorlog, met daarnaast de kunststromingen van gotiek, renaissance, barok, classicisme, romantiek en modernisme. Dat zijn de highlights die ik verkies voor ónze geschiedenislessen. En als ik in China woonde, zou ik kiezen voor de Chinese highlights.
     Is die beperking echt nodig? Zouden we ook bij slechts 2 uur geschiedenis geen eerlijke verdeling kunnen doorvoeren: één uur Westers en één uur Chinees? Dat zou ten koste gaan van de diepgang vrees ik. Iedereen die iets over geschiedenisonderwijs zegt, begint na twee zinnen al op de noodzaak te hameren om de leerlingen ‘verbanden’ te laten zien. Men overdrijft daar zelfs in. Ik kan mij nogal vinden in de uitspraak van mijn facebookvriend Michel Berger die historische verbanden als volgt samenvatte: ‘Eerst deed men iets, en daarna deed men iets anders, en toen deed men weer iets en daarna deed men weer iets anders.’ 
     Maar we zijn vandaag allemaal, of we willen of niet, kinderen van Hegel. We zien overal thesen, antithesen en synthesen, en of die er nu in werkelijkheid geweest zijn of niet, ze zijn in elk geval een uitstekend middeltje om een en ander te onthouden. Ze geven ons de illusie dat we er toch iets van begrijpen. Maar die thesen, antithesen en synthesen tekenen zich maar af als er voldoende materiaal is aangeleverd waaruit ze kunnen worden afgeleid: voldoende feiten, anekdotes, verhalen, motieven, verklaringen die met elkaar samenhangen in ruimte en tijd, en waarvan we om ons heen vaak nog de materiële sporen zien. 

* Mijn andere stukjes over Benjamin Verdru staan hierhier en hier.
 ** In die traditie komen vreemde beschavingen zijdelings aan bod als ze op een betekenisvolle manier met de Westerse verstrengeld raken: de Arabische beschaving tijdens de kruistochten, de Azteekse beschaving tijdens de ontdekkingsreizen, en verder de hele wereld tijdens de geglobaliseerde twintigste eeuw.  Wil men dat wat uitbreiden tot de Barbarijse zeeroverij, de Afrikaanse samenlevingen tijdens de slavenhandel, en de Ottomaanse beschaving die het Westen eeuwenlang bevochten heeft, dan is dat voor mij geen probleem. Ook heb ik er geen probleem mee dat de zaken zowel van ons standpunt als vanuit het andere standpunt bekeken en besproken worden.

vrijdag 22 januari 2021

De socialisten en hun Marx


      Kennen de socialisten van vandaag hun Marx nog? Misschien beter dan we denken. Frank Vandenbroucke zei onlangs dat we dankzij de vaccins het ‘Rijk der Vrijheid’ zouden binnentreden.  Dat verwijst naar een uitspraak van Karl Marx in deel III van Het Kapitaal. Onder het kapitalisme is de arbeider ‘vervreemd van zijn arbeid. In de eerste fase van het socialisme wordt dat opgelost. De kapitalisten worden onteigend en de bedrijven worden overgenomen door de ‘gemeenschap’, waardoor de arbeider zich bevrijd weet van de maatschappelijke uitbuiting. Maar helemaal vrij is hij nog niet. Hij is vrij van de kapitalist, maar nog niet vrij van de wrede natuur die oplegt dat hij eet en drinkt en zich verwarmt om niet om te komen van honger, dorst of kou. Daarom is het noodzakelijk dat hij blijft werken.
    Als ideaal is dat minnetjes. Maar na het socialisme komt het communisme, en dan is de mens écht vrij. Hij eet en drinkt nog wel, en verwarmt zich, en werkt, maar hij doet dat niet uit noodzaak, maar uit vrije keuze. Onder het communisme ‘beginnt […] das wahre Reich der Freiheit’ dat opbloeit op de fundamenten van het oude ‘Reich der Notwendigheit’ (Kapital III, MEW 25, 828).
     De lezer denkt nu: ja, dat is Frank Vandenbroucke, een bolleboos, een studax, een oud-Trotskist, natuurlijk kent die de communisme-theorie van Marx. Goed. Dan nemen we Conner Rousseau van wie niemand gelooft dat hij een bolleboos of een studax is, of weet wie Trotski was. Een jaar geleden schreef hij op zijn Facebookpagina het volgende: ‘Solidariteit, dat is uw deel doen, maar ook uw deel krijgen. Dat is bijdragen naar vermogen, maar ook krijgen naar noden. Die slagzin komt van een van de grondleggers van het communisme: Louis Blanc: ‘De chacun selon ses capacités, à chacun selon ses besoins.’ Marx nam die formule over. Loon naar werken vond hij burgerlijk. In het ‘Rijk der Vrijheid’ zou het anders toegaan: ‘Von jedem nach seinen Fähigkeiten, zu jedem nach seinen Bedürfnissen,’ scheef hij in zijn bekende Kritik des Gothaer Programms.
      Zelf ben ik voorstander van een universeel basisinkomen, als vervanging van de sociale zekerheid. Dat basisinkomen moet laag zijn, en moet een ziekteverzekering inhouden. De kapitalistische automatisering en robotisering maken zoiets in de toekomst misschien mogelijk. Zo’n basisinkomen kun je evengoed zien als een soort ‘Rijk der Vrijheid’. Charles Murray geeft een voorbeeld (hier). Vier vrienden die alleen in golfsurfen geïnteresseerd zijn, kunnen samen een goedkoop appartementje huren en de rest van hun dagen doorbrengen op de plank, zonder zich verder om iets druk te maken. Ze kunnen naar het woord van Jezus leven als de vogelen in de lucht en de leliën des velds.
     Maar als ideaal blijft het minnetjes. Willen de vrienden een extraatje, een breedbeeldscherm en een abonnement op Netflix bijvoorbeeld, dan zullen ze een bijbaantje moeten nemen, waarmee ze toch weer terecht komen in het ‘Rijk der Noodzaak’. Ook vrees ik dat ze zelfs met die bijbaantjes niet aan ál hun ‘Bedürfnisse’ zullen kunnen voldoen. Maar ’t stelsel is tenminste concreter dan de utopie van Marx. En er is een mooie film over gemaakt met Keanu Reeves en Patrick Swayze. Al ging die meer over het bijbaantje van de vrienden-surfers.

dinsdag 13 november 2018

Schoolmeester met kop van Rockster

Die van links heeft ondertussen zijn haar bij laten knippen
   Over Pinkers boek Verlichting nu bestaan twee vooroordelen die ik meteen van de baan wil. Het eerste is dat het boek over de Verlichting zou gaan. Dat is niet het geval. Pinker heeft niet in oude boeken zitten snuffelen om na te gaan wat Voltaire nu weer juist gezegd heeft, en in welke mate dat verschilt van wat Diderot, Rousseau of Beccaria beweerd hebben. Die namen komen een paar keer in het boek voor, maar ontbreken in de literatuurlijst. Je vindt in die lijst wel de namen van Kant en Adam Smith, en van Nietzsche, als anti-Verlichtingsdenker, maar veel verder gaat het niet. Je merkt aan alles dat Pinker zijn tijd liever besteedt aan recente vakliteratuur over feiten, meer dan aan boeken met overpeinzingen uit een erudiet verleden. Een mens kan niet alles doen. Dat is overigens geen groot nadeel. De grondgedachte van Pinkers boek is dat we in een altijd maar betere wereld leven en dat dat komt door de wetenschap, de rede en het humanisme. Je moet al van kwade wil zijn om te ontkennen dat wetenschap, rede en humanisme wel degelijk iets, en wellicht veel, met de Verlichting te maken hebben. Zo fout is de boektitel dus niet.
     Het tweede vooroordeel, gevoed door een aantal recensies, is dat het boek een saaie en vermoeiende opsomming zou zijn van statistieken. Dat is niet het geval. Er komen wel veel statistieken in voor – 75 – maar het boek wordt daardoor niet saai, zelfs als je niet van die dingen houdt. Dat komt omdat Pinker, binnen zijn genre, een heel goede schrijver is. Ook als hij over statistieken schrijft, blijft hij boeiend en levendig. Bij elk cijfer gaat hij op zoek naar een originele invalshoek, een treffende vergelijking, een leuke anekdote, een onverwachte interpretatie, een aardige omschrijving van de onderzoeksmethode … En het sterkst is hij in zijn boutades. Pinker heeft daar een talent voor, zowel om die zelf te verzinnen als om die te verzamelen bij andere auteurs. Van Steven Radelet leent hij een fraaie uitspraak over de held van mijn jeugd: ‘In 1976 heeft Mao in zijn eentje de aanzet gegeven tot een dramatische daling van de wereldarmoedecijfers: door te sterven.’ Bij Morgan Housel vindt hij een treffende samenvatting van zijn eigen probleem als prediker van de vooruitgang: ‘Pessimisten geven de indruk dat ze je willen helpen, optimisten dat ze je iets willen verkopen.’ En voor wie ontevreden blijft zolang de diepste zin van het bestaan niet achterhaald is, heeft hij enkele phrases assassines van eigen makelij. ‘Een lang leven, een goede gezondheid, begrip, schoonheid, vrijheid, liefde … Ja, er moet toch iets meer zijn!’ Of deze: ‘De eerste stap naar wijsheid is het besef dat de wetten van het universum zich van jou niets aantrekken.’ Ook regelneven krijgen ervan langs: ‘Een regering die de macht heeft om pottenbakkerij te verbieden, zal nog wel enkele andere dingen verbieden ook.’

   Het nadeel van Pinkers levendige stijl is dat hij zich soms laat meeslepen door zijn voorbeelden en dan schrijft hij wel eens iets dat hij niet zo precies meer weet of nooit zo precies geweten heeft. ‘Schopenhauer was een ‘cultuurpessimist’. Dat woordje ‘cultuur’ is er geloof ik teveel aan. ‘Heidegger en Carl Schmitt waren “gung-ho nazis”.’ Gung-ho – dat heb ik opgezocht – betekent enthousiast en overijverig, en dat lijkt mij niet de juiste nuance voor de voornoemde geleerden. ‘Hitler was een “deïst” die meende Gods werk uit te voeren door de Joden uit te roeien.’ Mja … neen, eigenlijk niet. ‘Hayek heeft in Road to Serfdom voorspeld dat sociale zekerheid naar dictatuur zou leiden, en dat is niet gebeurd’.  Als ik mij goed herinner had Hayek het over de planeconomie die naar dictatuur zou leiden. Die dictatuur is er niet gekomen, maar die planeconomie ook niet. ‘Anna Karenina zou géén zelfmoord hebben gepleegd indien ze in een verlicht en kosmopolitisch milieu had geleefd.’ We kunnen het haar niet vragen natuurlijk, maar haar milieu was in elk geval behoorlijk kosmopolitisch en verlicht, en die zelfmoord zat er al aan te komen na dat ongeluk met die spoorwegarbeider in het achttiende hoofdstuk van deel I. Toch doen al die onnauwkeurigheden weinig af aan de boodschap die Pinker wil meegeven. Er bestáán cultuurpessimisten. Veel intellectuelen hébben meegeheuld met de tirannen van de twintigste eeuw. Sociale zekerheid ís verenigbaar met democratie.  En in de negentiende eeuw wáren er onafhankelijke vrouwen die leden onder de verstikkende normen van hun milieu, en we kunnen dat inderdaad afleiden uit romans van die tijd.
    Eén enkele keer strekt de levendige stijl van Pinker zich ook uit tot de titel van een hoofdstuk. In het begin van het boek, krijgt de lezer een beknopte samenvatting van de huidige stand van zaken in het heelal, onder de aanstekelijke titel: ‘Entro, evo, info’, wat staat voor entropie, evolutie en informatie. De materiële wereld valt uit elkaar (entro), binnen dat verval ontstaat en evolueert het leven (evo), en een van die levensvormen, de mens, verzamelt en verwerkt informatie (info) om zijn omgeving, in weerwil van de entropie, naar zijn hand te zetten. Het is een meeslepend stuk voor wie daar weinig van afweet, want Pinker is erg knap in het vulgariseren. En het plaatst de Verlichting tegen een heldhaftige achtergrond. De strijd gaat niet alleen tegen enkele achterlijke opvattingen of praktijken uit de middeleeuwen, nee, de strijd gaat tegen niets minder dan de almachtige entropie zelf. Dat is enthousiasmerend. Zo konden marxisten indertijd een staking in een textielfabriekje voorstellen tegen de achtergrond van een klassenstrijd die al begonnen was bij Spartacus. Bij Pinker is alles al begonnen, niet tweeduizend jaar geleden, maar 13 miljard jaar geleden.
     Pinker gebruikt een groot deel van zijn boek om te bewijzen dat het met de mensheid de goede kant op gaat. De wereld waarin we nu leven, is een betere dan die van vroeger. Om te beginnen leven we langer dan vroeger. De gemiddelde Europeaan werd in 1870 niet ouder dan 35 jaar. Nu wordt de gemiddelde Europeaan 80, de gemiddelde Aziaat 70 en de gemiddelde Afrikaan bijna 60. Met zulke cijfers krijgt de zwartkijker het moeilijk. Hij zal iets mompelen over luchtvervuiling, ongezonde levensstijl, stijgende misdaad, discriminatie, kinderarbeid, terrorisme, en over al die landen waar oorlog woedt en dictatuur heerst. Dat is nu juist iets wat je niet moet zeggen als Pinker in de buurt is en hij je kan horen, want dan komt hij pas goed op dreef. Voor al die zaken diept hij cijfers en statistieken op die laten zien dat de luchtvervuiling daalt, de gezondheid verbetert, de discriminatie afneemt, het met de misdaad de goede kant op gaat, kinderen overal langer naar school gaan in plaats van vroeger te gaan werken, en dat er nu minder – en minder grote – oorlogen zijn dan vroeger, en meer democratie. Over IS-terrorisme valt natuurlijk niets positiefs te zeggen, behalve dat het in het Westen minder doden vallen dan we soms denken*, en dat aan vroegere terreurgolven van anarchisten, nihilisten, marxisten en nationalisten ook een einde is gekomen.
     Bij die cijfers kun je je verschillende vragen stellen. Vooreerst, zijn ze betrouwbaar? Mark Twain vond statistieken de overtreffende trap van leugens, en Churchill beweerde alleen díe statistieken te geloven die hij zelf had vervalst. Maar in tijden van Google, Wikipedia en fact checking worden geloof ik weinig cijfers en statistieken nog echt vervalst. Wel zie je vaak spectaculaire getallen die speciaal worden uitgekozen om een boodschap te ondersteunen: over de 0,004 % rijksten ter wereld, over productiviteitswinsten van 9000 miljard dollar, en over de armoede die in Vleteren gestegen is met 566 procent in één jaar. Daar kun je Pinker niet op betrappen. Zijn cijfers hebben goede bronnen, laten vergelijking toe, overspannen grote periodes, doen ter zake, worden niet lichtvaardig gebruikt om oorzakelijke verbanden te leggen, en gaan vergezeld van een duidelijke omschrijving van de meetmethodes. De vijanden van Pinker (Taleb, John Gray) hebben een aantal scherpe bedenkingen geformuleerd bij zijn cijfers en zijn interpretaties, maar ik geloof niet dat ze even goede cijfers en statistieken kunnen voorleggen die het tegenovergestelde van wat Pinker beweert ondersteunen. Het zou fijn zijn als die tegenstanders eerst toegaven dat Pinker in grote lijnen gelijk heeft, voor ze aan detailkritiek beginnen.
     Toch zal menige lezer net vanwege de cijfers het boek boos dichtklappen, zeker als die cijfers niet overeenkomen met het beeld van de werkelijkheid dat die lezer koestert. Het zal de godsdienstleraar veel verdriet doen, als hij verneemt dat de armoede in de wereld afneemt, want als het zo verder gaat zijn er straks geen armen meer om solidair mee te zijn. Menig groene jongen of meisje zal humeurig worden bij cijfers over een grondstoffenvoorraad die toeneemt, over uitlaatgassen die afnemen, over een tropisch regenwoud dat minder ontbost wordt, over tankers die minder olie in zee lozen. En voor de herverdelende socialist is er ook slecht nieuws: de armen worden niet armer en de ongelijkheid neemt op wereldschaal niet toe. Ik heb in een vorige stukje heb ik de ‘olifantengrafiek’ besproken die Pinker overneemt en die laat zien dat er in de wereld twee groepen spectaculair vooruitgaan: de grote groep werkende mensen in Azië en de kleine groep grootverdieners overál. Maar de armen in Afrika gaan óók vooruit, net als de kleinverdieners in de rijke landen. De lezer vindt het hier onderaan terug als appendix.
     Feiten, cijfers en statistieken zijn lastig als ze niet ondersteunen wat je graag gelooft. Maar er is nog iets anders dat sommigen vervelend vinden. Feiten, cijfers en statistieken vertonen geen emoties; ze zijn harteloos. Daarom zal de gevoelsmens vaak afhaken. Pinker wijst erop dat de extreme armoede (momenteel vastgelegd op een dagelijks inkomen van 1,9 $) sinds 1970 gedaald is van 50 % van de wereldbevolking, naar 10 % van de wereldbevolking. Als hij zich daarover verheugt, dan lijkt het alsof hij die 10 % allerarmsten van vandaag niet zo erg vindt. ‘Verlichting nu, empathie later,’ schrijft één van de tegenstanders van Pinker.
     Je komt die reflex vaak tegen bij de tegenstanders van Pinker. Ja, er is vooruitgang, minder armoede, meer veiligheid, betere gezondheid, geeft men toe, maar niet overal!!!. Dat klopt evenwel niet. Die vooruitgang is er juist wél overal. Of je nu in Europa, Azië, of Afrika geboren wordt, overal heb je vandaag statistisch meer kans op een langer leven, een betere gezondheid, en een veiliger omgeving. Maar de gevoelsmens maalt niet om statistiek. Wat heb je eraan dat de extreme armoede gedaald is tot 10 %, zo denkt hij, als je zélf tot die 10 % behoort? Wat heb je eraan dat er minder oorlog is in de wereld, als jóuw ziekenhuis gebombardeerd wordt? Wat heb je eraan dat het aantal verkeersslachtoffers daalt, als jóuw kind door een auto wordt meegesleurd? Zolang er één iemand in extreme armoede leeft, zolang er één bom valt op één ziekenhuis of school, zolang er één kind door één auto wordt meegesleurd, is er geen reden om te juichen. De meeste van die gevoelsmensen die zich aan Pinker storen behoren overigens niet tot die tien procent allerarmsten, komen in ziekenhuizen die niet gebombardeerd worden, en hun kinderen komen dagelijks veilig op school aan. Zij lijden, zou je kunnen zeggen, aan een ‘borrowed suffering’-syndroom. Pinker noemt het de illusie van ‘I’m OK, They’re Not’.

    Nu, er zijn onder de cijferaars en de statistici ongetwijfeld harteloze mensen, zoals er onder hen die het wereldleed torsen ongetwijfeld schijnheiligen zijn. Die verwijten van harteloosheid en van schijnheiligheid brengen ons niet veel vooruit. Het is interessanter om ons af te vragen wat we we uit die cijfers van Pinker kunnen besluiten. Pinker gelooft dat de wereld in toenemende mate in de ban is van Verlichting en liberalisme en gereguleerd kapitalisme. Dat is volgens hem de verklaring van het goede wereldrapport voor levensverwachting, gezondheid, enzovoort. De linkerzijde kan daar vier dingen tegen inbrengen: (a) de cijfers zijn fout, (b) die cijfers zijn niet het gevolg van dat gereguleerde kapitalisme, (c) die cijfers zouden onder een socialistisch systeem nog beter zijn en (d) Pinker is een ploert. Ik heb in de anti-Pinkerstukken die ik las weinig overtuigende pogingen gezien om (a),  (b) of (c) hard te maken.
     Het eerste deel van Pinkers boek ondergraaft dus vooral de zekerheden van links. Iets over de helft komt Pinker op het terrein van rechts. Wat betekent al die materiële vooruitgang voor de morele vooruitgang en voor het menselijk geluk? En: is het menselijk geluk het opperste ideaal? Moeten we niet eerder streven naar een deugdzaam, misschien zelfs religieus leven? En: moet een samenleving niet steunen op gemeenschappelijke waarden in plaats van op altijd maar meer consumptie? Over dat geluk kan Pinker nog terugvallen op statistieken, maar ze bieden minder vaste grond. De trendlijnen zijn minder steil, de begrippen zijn minder afgebakend, de factoren die meespelen zijn talrijker? Wat is geluk? Is er een verschil tussen een gelukkig en een zinvol bestaan? Zíjn we eenzaam of vóelen we ons eenzaam of zéggen we dat we ons eenzaam voelen? Bieden de sociale media écht menselijk contact? Voel je je door stress gelukkiger of ongelukkiger? Zijn cijfers over zelfmoord en depressie betrouwbaar?

     Pinker probeert zo goed en zo kwaad als hij kan, tussen de moeilijkheden door te laveren. Ja, geluk stijgt met toenemende rijkdom, maar veel trager dan die rijkdom zelf. En ja, je moet met veel dingen rekening houden. Als je met dezelfde rijkdom in Costa-Rica geboren bent dan wel in Rusland, zul je in dat eerste land gelukkiger zijn dan in het dat tweede. In de VS is er de laatste tijd een daling in het aangegeven geluk, ondanks de toegenomen welvaart. Het onderzoek naar geluk is nog nieuw en de conclusies gaan niet altijd in dezelfde richting. Dat neemt niet weg dat volgens het recentste onderzoek, de relatie tussen rijkdom en geluk eigenlijk nauwer is dan men eerst had gedacht. Ook zou het geluk, in tegenstelling tot wat Gentse onderzoekers onlangs beweerden (hier), blijven stijgen zelfs als men al veel rijkdom heeft. Als het over geluk gaat, schrijft Pinker, had Wallis Simpson half gelijk toen ze zei: “You can’t be too rich or too thin.”
     Ook is het moeilijk om het geluk over de eeuwen heen te meten. Het gedachte-experiment met de teletijdmachine helpt ons niet veel verder. In de romantische komedie Kate & Leopold kiest Meg Ryan ervoor om haar geliefde te volgen naar het Victoriaanse tijdperk. Maar misschien heeft ze een voorraadje anticonceptiemiddelen meegenomen en iets tegen de hoofdpijn. Zelf wil ik niet terug naar de tandartsen en de sanitaire voorzieningen van mijn jeugd. Maar was ik daardoor ongelukkiger? Ik weet het niet. Misschien zou de discussie wat makkelijker verlopen als Pinker af en toe erkende dat er naast vooruitgang ook achteruitgang kán zijn. Ik heb de school meegemaakt van de jaren 60-70 en ik ken de school van nu. Veel is gelijk gebleven, sommige dingen zijn verbeterd, andere zijn slechter geworden. Ik betrouw mijn geheugen onvoldoende om die dingen af te wegen –  we are wired for nostalgia, schrijft Pinker – maar dat er én verbeteringen én verslechteringen zijn, dat weet ik wel zeker. Om maar iets te noemen, de leerlingen spreken beter voor de klas, en ze kennen minder Frans. Ze kennen meer films, en minder boeken.

     Over deugd en deugdzaamheid is Pinker nog voorzichtiger. Hij beseft de valkuilen van de Kantiaanse plichtsmoraal, net zo goed als die van de utilitaristische leus ‘zoveel mogelijk geluk voor zoveel mogelijk mensen en zo weinig mogelijk leed voor zo weinig mogelijk mensen’. Maar hij heeft een voorkeur voor de tweede benadering. ‘Humanisme komt met een utilitaristisch smaakje,’ schrijft hij voorzichtig. Zijn sterkste argument heeft Pinker beet als hij het utilitarisme als gemeenschappelijke grond aanduidt voor mensen met verschillende morele overtuigingen. ‘Wanneer mensen met een verschillende culturele achtergrond met elkaar overeen moeten komen over een morele code, grijpen ze terug naar het utilitarisme.’ Pinker illustreert dat met een uitspraak van Jacques Maritain die samen met andere intellectuelen – christenen, atheïsten, moslims, confucianisten – een lijst van mensenrechten moest opstellen. Het opstellen van die lijst verliep vlot ondanks de hevige ideologische meningsverschillen. ‘We gaan akkoord over die mensenrechten,’ zeiden de opstellers, ‘maar alleen op voorwaarde dat niemand ons vraagt naar het “waarom” ervan.’ Misschien was er ook een verzwegen voorwaarde dat niemand mocht vragen naar het “hoe”, denk je dan.
     Minder voorzichtig is Pinker als hij schrijft over godsdienst. Hij verwerpt, helemaal in de lijn van Richard Dawkins, élke vorm van godsdienst die hij voor een wat achterlijke en niet helemaal eerlijke concurrent van het wetenschappelijke denken houdt. Maar zijn zwaarste kritiek geldt de Islam. ‘Alle oorlogen die woedden in 2016 vonden plaats in landen met een moslimmeerderheid of hadden te maken met islamistische groepen, en die groepen waren verantwoordelijk voor de grote meerderheid van de terreuraanslagen.’
Pinker wijst daarbij streng naar de fundamenten zelf van de Islam. ‘Het probleem begint met het feit dat veel voorschriften van de Islamitische leer, letterlijk genomen, uitbundig anti-humanistisch zijn. De Koran bevat tientallen passages die oproepen tot haat tegen ongelovigen, tot martelaarschap en tot een heilige oorlog onder de vorm van gewapende strijd.’ En het ergste vindt hij dat de moslims hun godsdienst, ook mét die ingebouwde haatboodschappen, zo letterlijk en zo serieus nemen. ‘De Islam heeft ook zijn versie van ‘culturele joden’, ‘cafetaria katholieken’ en ‘CINO’s’ (Christians in Name Only),’ schrijft Pinker. ‘Het probleem is dat die goedaardige hypocrisie zo onderontwikkeld is in de hedendaagse moslimwereld.’ Pinkers enige hoop is dat de moslimjeugd, althans in de moslimlanden, zich in versneld tempo aanpast aan de Verlichtingswaarden, waarbij hij, misschien wat optimistisch, verwijst naar de Arabische lente. Pinker heeft ook weinig geduld met berichten over islamofobie en geweld tegen moslims in de VS. ‘Die komen van organisaties,’ schrijft hij, ‘die voor hun financiering afhankelijk zijn van paniek en overdrijving, eerder dan van objectieve registratie.’ Zouden wij in Vlaanderen ook zoiets hebben?
     In sociaal-economische aangelegenheden is Pinker een centrist, een Obama-bewonderaar, een Ikea-socialist als je wil, die probeert gelijke afstand te bewaren van conservatisme, marxisme en libertarisme. Links en rechts vindt hij achterhaald, omdat ze problemen willen oplossen die in de samenleving van vandaag al grotendeels zíjn opgelost. Zo’n centristische positie is verduiveld comfortabel. Je kunt naar believen kritiek geven op de twee ‘extreme’ standpunten zonder zelf te moeten aanduiden waar precies het juiste midden ligt. Pinker verwijt links dat het de voordelen ontkent van de vrije markt, en rechts dat het de voordelen niet ziet van ‘herverdelende’ maatregelen. Zelf zegt hij dat vrijemarktkapitalisme verenigbaar is met “any amount of social spending”. Any – om het even welk – dat is behoorlijk veel, vooral omdat hij op andere plaatsen wel degelijk schrijft over ‘too much social spending” dat ‘perverse incentives’ in het leven roept. Pinker lost het probleem nogal gemakkelijk op door zowel van rechts als van links een karikatuur te maken. Zo verwijt hij de Amerikaanse republikeinen dat ze tegen élke vorm van sociale uitgaven zijn, en de Bernie Sanders-mensen dat ze tegen élke vorm van vrije markt is. Geen van beide is waar, geloof ik.
     Dat centrisme van Pinker zie je ook als het over immigratie gaat. In een interview met De Volkskrant zei hij het volgende: ‘De Verlichting kan geschaad worden door overhaaste immigratie. In 2015 rees in Europa het beeld van een grote instroom van mensen die niet of moeilijk geïntegreerd kunnen worden. Dat kan een deel van de Verlichting, het vrije verkeer van mensen, in gevaar brengen …  Neem mijn eigen land, Canada. Canada heeft een doordacht en gecontroleerd immigratiebeleid. Geen open grenzen, maar elk jaar wordt een quotum aan legale arbeidsmigranten en vluchtelingen toegelaten.’ Wij krijgen hier een rationeel principe aangereikt: een land bepaalt hoeveel immigranten het toelaat in functie van zijn eigen noden en draagkracht. Maar dat principe kan worden gebruikt om een heel restrictief of juist een heel permissief beleid te voeren. Hoe hoog moet dat quotum zijn? Welke instroom kunnen we ons als land permitteren? Spreken we van 1000 per jaar of van 30 000 per jaar? Ik ben geen specialist, maar ik geloof dat dat laatste cijfer voor ons land de realiteit van de laatste 20 jaar best goed benadert als we arbeidsimmigranten, erkende vluchtelingen, illegalen en gezinsherenigers samentellen.
      Er is één politieke kwestie waarin Pinker allesbehalve centristisch en dat is die van het populisme. Verlichting nu! Is Pinkers ‘war effort’ tegen Trump. Dat Trump door verkiezingen aan de macht is gekomen, is niet iets wat Pinker gunstig stemt tegenover verkiezingen.  ‘Ondanks het wijdverspreide geloof dat verkiezingen de essentie van een democratie uitmaken, zijn ze slechts één mechanisme waarmee de regering ter verantwoording kan worden geroepen door het volk, en dan nog niet altijd een erg constructief mechanisme.’
     Koenraad Elst heeft op Doorbraak ooit geschreven dat antipopulisten in werkelijkheid antidemocraten zijn (hier). In het geval van Pinker zit daar veel waarheid in. In zijn hoofdstuk ‘Democratie’ geeft hij verschillende definities van het begrip, maar de omschrijving als een staat waarin de meerderheid van het volk de beslissingen stuurt, is daar niet bij. Pinker gebruikt het begrip ‘democratie’ om te verwijzen naar een vrije maatschappij die ‘het midden houdt tussen tirannie en anarchie’. Burgers die meebeslissen over het algemeen belang en vertegenwoordigers kiezen om hun wensen te realiseren, dat heeft volgens hem weinig met de werkelijkheid te maken. Het is een idealisering die geschikt is voor de ‘civics-class’***. De werkelijkheid is anders. Het aantal democratieën dat werkt volgens het civics-class-boekje, schrijft Pinker, ‘was nul in het verleden, is nul in het heden, en zal hoogstwaarschijnlijk nul zijn in de toekomst.’ De burgers kúnnen bij verkiezingen niet duidelijk maken wat ze willen, want zij wéten niet wat ze willen – of ze willen de meest tegenstrijdige en onmogelijke dingen. Beter is het dus, suggereert Pinker in bedekte termen, als de burgers door een goed geïnformeerde en verlichte elite in de juiste richting worden geleid. ‘Nudging’ heet dat nu. In de Verlichtingstijd heette het: ‘Alles voor het volk, niets door het volk’. Het was de slagzin van verlichte despoten die een Romeins cijfers twee bij hun naam hadden staan: Jozef, Catherina en Frederik.
     Nu vertellen geschiedschrijvers ons veel kwaads van Jozef, en nog meer van Catherina en Frederik. Dat neemt niet weg dat de kerngedachte van het verlicht despotisme zich moeilijk laat weerleggen. De burgers zijn inderdaad niet goed geïnformeerd over politiek, weten niet altijd goed wat ze willen, en vaak wíllen ze inderdaad tegenstrijdige en onmogelijke dingen. Ook kan een meerderheid kiezen voor minder vrijheid. Als ik moest kiezen tussen vrijheid enerzijds en een verkiezingsdemocratie anderzijds, zou ik zonder lang te aarzelen kiezen voor het eerste****. Toch zijn er argumenten om niet al te cynisch te doen over de verkiezingsdemocratie en niet al te gretig toe te geven aan de elitaire verleiding. Burgers informeren zich beter in tijden van verkiezingen en volksraadpleging. Leden van de verlichte elite zijn buiten hun specialisatie vaak even slecht geïnformeerd als anderen, ze zijn moreel niet superieur aan de eenvoudige dorpers*****, ze zijn zoals iedereen onderhevig aan vooroordelen. En, verkiezingen leiden tot een periodieke afwisseling van de wacht waarbij de stommiteiten van het ene kamp na enkele jaren in evenwicht worden gebracht door de stommiteiten van het andere kamp.

     Ik neem aan dat Pinker díe argumenten vóór de verkiezingsdemocratie kent, en overwogen en verworpen heeft. Maar het schijnt mij toe dat er één argument is dat hij niet opmerkt, en dat is het volgende. In de westerse landen, en in de VS in het bijzonder, is er iets aan dat hand dat mijn professor Europese literatuur Marcel Janssens in een andere context de ‘aristocratische secessie’ noemde. Charles Murray spreekt van ‘the new segregation’. De samenleving raakt opgesplitst in twee groepen, de 5 % en de 95 %. Die groepen hebben een verschillend gemiddeld IQ, een verschillende opleiding, een verschillend inkomen, wonen in verschillende buurten, lezen andere kranten, kijken naar andere films, vinden andere dingen in het leven belangrijk, en trouwen binnen de eigen groep.
     Die groepen zou je nieuwe klassen, of nieuwe standen kunnen noemen. Ze leven in hun eigen ‘bubbel’. Ze hebben allebei hun eigen bekommernissen, maar kennen slecht de bekommernissen van de andere groep. Hier stelt zich dus in alle scherpte de democratievraag: is het wijs om de elite van 5 % over allerlei zaken te laten beslissen waarvan de gevolgen niet door hen, maar door de 95 % wordt gedragen? Moeten beslissingen over migratie, zware beroepen, armoedebestrijding eigenmachtig genomen worden door lui die in een buurt wonen zonder migranten en wier kinderen naar homogeen blanke scholen gaan, die op het einde van een werkdag geen pijn hebben voelen aan armen, schouders of rug, en die armoede alleen kennen van horen zien zeggen? Die vragen ziet Pinker niet. Het is zijn blinde vlek. Hij behandelt alle mogelijke maatschappelijke problemen, van armoede en ongelijkheid tot geluk en eenzaamheid. Hij heeft daarover de beste statistieken bij elkaar gezocht. Maar het probleem van de ‘new segregation’ laat hij onbehandeld, ook al had hij kunnen putten uit de tientallen statistieken die Charles Murray verzameld heeft in zijn boek Coming Apart. En Pinker hield toch zo van statistieken?
     Een hele reeks mensen zich zal zich in mindere of meerdere mate ergeren aan Steven Pinkers boek: geboren zwartkijkers, cijferhaters, gevoelsmensen, en iedereen met een uitgesproken linkse of rechtse overtuiging. Ook zullen sommigen zich ergeren aan de directe toon waarop de auteur zijn lezer (Pinker zou schrijven: lezeres) aanspreekt. Pinker treedt niet in dialoog, danst niet om een onderwerp heen, komt meteen ter zake en laat zijn twijfels niet blijken – zoals minder rechtlijnige schrijvers dat soms wél doen: Hume, Burke, Maistre, Nozick, Karel van het Reve. Pinker is een wat autoritaire schoolmeester die van bij het begin zegt waar het op staat.
     Zelf  vind ik dat zo’n directe manier van spreken en schrijven grote voordelen heeft, en al zeker in mijn vak: het onderwijs. Het is dan ook jammer dat Pinker die voordelen net dáár niet ziet, en ze zelfs ontkent. Het is altijd pijnlijk als je met een auteur van mening moet verschillen over een onderwerp dat je zelf een beetje kent en waar je bij betrokken bent. Eerst wil Pinker een nieuw schoolvak invoeren dat kritisch denken moet aanleren. Ik ben daar al geen voorstander van (hier) en het verbaast me niet dat experimenten met zo’n vak tot flauwe resultaten hebben geleid. De leerlingen zagen er een nieuwe ‘civics class’ in, denk ik dan. Daarna maakt Pinker de zaken nog erger door die flauwe resultaten toe te schrijven aan de onderwijskundige aanpak. ‘Elk vak zal pedagogisch inefficiënt zijn als het bestaat uit een docent die voor het bord staat de drenzen en een cursus die leerlingen moeten bewerken met een gele stift.’ Pinker schrijft dat de leerlingen op die manier nooit kritisch zullen leren denken. Ik weet dat nog zo niet. Als leraar sta ik heel vaak te drenzen voor het bord, en stop ik mijn leerlingen een cursus in de hand die ze moeten bewerken met een gele stift. En ook als leerling heb ik vaak geluisterd naar leraren die stonden te drenzen voor het bord, en heb ik cursussen bewerkt met een gele stift. En toch hebben dat gedrens en die stift mij, geloof ik, geholpen om over Pinkers boek kritisch na te denken.


 * Ik had bij het schrijven van dit stuk de Nederlandse vertaling van Pinkers boek niet bij de hand. Mijn eigen ‘vertalingen’ zijn, geef ik toe, vaak meer een verkorte parafrase dan een letterlijke weergave van de tekst.

** Pinker merkt, zoals velen vóór hem, op dat het aantal slachtoffers van het terrorisme weinig voorstelt vergeleken met de verkeersslachtoffers, ongeveer 3 %. Hij maakt echter dezelfde vergelijking in verband met de schietpartijen in Amerikaanse scholen en die hoor je minder vaak. Ook merkt hij op dat er emotionele en rationele redenen zijn waarom mensen anders reageren op tragedies van kwaad opzet dan die van ongeluk en toeval. We maken ons terecht grote zorgen over enkele dissidenten die door dictatoriale regimes worden gedood, ook al zijn die véél minder talrijk dan verkeersslachtoffers.

*** De civics-class is een bijzonder saai vak dat aan Amerikaanse scholen gedoceerd wordt en dat binnenkort ook bij ons zijn intrede doet onder de naam ‘Burgerschap’.


**** Er bestaat een andere mogelijkheid om de nadelen van een verkiezingsdemocratie te temperen. Pinker wijst erop dat mensen bij politieke vraagstukken sterk door vooroordelen en groepsgevoel geleid worden, maar dat ze in zaken waar hun persoonlijk belang direct van een persoonlijke beslissing afhangt veel redelijker te werk gaan. Alles verandert als men ‘skin in the game’ heeft. Dat lijkt mij een argument om de sfeer van de politieke beslissingen te verminderen en de sfeer van markt te vergroten.
 
***** Pinker beroept zich voor zijn democratie-interpretatie op Popper, maar juist Popper wijst die morele superioriteit van de elite af. Ik heb daar indertijd iets over geschreven naar aanleiding van de Brexit. (hier)

Appendix: Pinker over de stijgende ongelijkheid in de wereld

     Als je de hele wereld overschouwt is er volgens de statistieken* een duidelijke daling van de ongelijkheid. Die wereldongelijkheid was geleidelijk gestegen tot 1960, bleef dan even op dezelfde hoogte, en is dan beginnen dalen vanaf de jaren 1980. Je kunt dat op verschillende manieren uitrekenen. Je kunt de landen onder elkaar vergelijken, of de individuele wereldburgers, je kunt het inkomen als uitgangspunt nemen of de consumptie, telkens kom je weer uit op een daling van de wereldongelijkheid vanaf 1980. Ik hoop dat veel godsdienstleraren en derdewereldactivisten blij zullen zijn met dat nieuws, nadat ze de kleine teleurstelling te boven zijn gekomen dat hun wereldbeeld wat achterliep op de feiten. 
     Die daling van de wereldwijde ongelijkheid kun je ook weergeven met een sprekende  grafiek. In de grafiek is een kameelrug verborgen – de grijze lijn met twee bulten – die de toestand van de wereld weergeeft in 1975.  In dat jaar bevinden heel wat mensen zich in de eerste bult van de halve-tot-één-dollar-per-dagverdieners. Dan is er een ‘kloof’ en daarna komt er een tweede bult van de 10-tot-20-dollarverdieners. Hogere inkomens van 50 dollar zijn zeldzaam en komen alleen in de Westerse landen voor. Heel anders is de toestand in 2015. De ‘kloof’ is weg. Er is nu een dromedarisrug met één bult in de plaats gekomen. Wiskundigen zouden het een normaalverdeling noemen. Wereldwijd zitten de meeste mensen in die ene bult van 5-tot-20 dollarinkomens, en inkomens van 50 dollar zijn géén Westerse uitzondering meer. 
     Goed. De ongelijkheid is wereldwijd is afgenomen. Maar hoe zit dat als je onze westerse wereld uit dat geheel licht? Daar, moet Pinker toegeven, heeft zich een omgekeerde ontwikkeling voltrokken. De auteur illustreert dat vooral met cijfers voor de Verenigde Staten. De ongelijkheid is daar in de 19de eeuw gestegen, in de twintigste eeuw gedaald, na 1940 lange tijd gelijk gebleven, en dan vanaf 1980 geleidelijk weer gestegen. In de 19de eeuw bedroeg de Gini-coëfficiënt 0,5, in 1940 was hij gedaald tot 0,35, en sinds 1980 is hij gestegen tot het huidige niveau van 0,4. (In België is de Gini-coëfficiënt na 1980 gestegen van 0,22 naar 0,25 maar de laatste tien jaar blijft hij stabiel).**
     Er zijn dus twee tegengestelde tendensen sinds 1980. In de hele wereld daalt de ongelijkheid, maar in de Westerse wereld – en vooral in de Verenigde Staten – neemt de ongelijkheid toe. Dat komt niet omdat de ene armer wordt, en de andere rijker, maar omdat de ene sneller rijker wordt dan de andere. Als men zegt dat de wereldwijde economie winnaars en verliezers voortbrengt, drukt men de stand van zaken dus niet helemaal correct uit. De wereldwijde economie heeft overal winnaars voortgebracht, maar de ene wint veel  en de andere heel wat minder. Ook die tendens kan worden voorgesteld in een grafiek waar een aardig dier in verborgen is.
     Let op. De grafiek geeft geen inkomens weer, maar de stíjging van de inkomens, over 30 jaar, en die stijging is overal positief en nergens gelijk aan nul. Aan de linkerkant van de grafiek, de staart van de olifant, zitten de 10 procent armsten ter wereld, veelal Afrikanen. Die zijn er 20% op vooruitgegaan. Daarna wordt het interessant. Het hele lichaam en de kop van de olifant stellen de inkomens voor van de mensen wier inkomen met 40 tot 60 procent gestegen is. Veel van die mensen zijn hardwerkende Aziaten, dus die hebben dat verdiend. Vervolgens komt het minst leuke deel van de grafiek: de krul van de slurf, waar zich de arbeidersklasse van de Westerse wereld bevinden. Die zijn er slechts 10 procent op vooruitgegaan. Wie in een autofabriek of bij een staalreus is blijven werken, is er natuurlijk veel meer op vooruit gegaan, maar het aantal van zulke arbeidsplaatsen is verminderd en er zijn er andere in de plaats gekomen bij koeriersdiensten, schoonmaakbedrijven en hamburgerrestaurants. Die nieuwe, minder betalende arbeidsplaatsen halen het gemiddelde loon van de arbeidersklasse naar beneden. Waar de slurf ten slotte weer steil de hoogte in gaat, vanaf de 4 procent rijkste wereldburgers, is de inkomensstijging weer interessant. Ik geloof dat ik daar als Vlaamse leraar nog net bij hoor. ’t Is ook het verhaal dat mijn loonbriefjes mij vertellen.
     Zal ik dat allemaal kunnen onthouden. Ik denk het wel. 1980. Daling van wereldwijde ongelijkheid. Stijging van ongelijkheid in het Westen. Kameel, dromedaris, olifant.  Amerikaanse Gini-coëfficiënt van 0,35 naar 0,4. Belgische van 0,22 naar 0,25. Loon Vlaamse leraren in stijgende lijn.

* Sommige statistieken hebben, dat moet ik toegeven, een vrije verhouding met de werkelijkheid. In veel derdewereldlanden lees je aan het bruto binnenlands product maar een klein deel van de economische werkelijkheid af. Toch blijft dat product een redelijke graadmeter om te vergelijken met soortgelijke landen, of om tendensen van stijging of daling te onderkennen. 
 De cijfers in dit stuk komen uit de primaire bronnen van Pinker en enkele andere internetpublicaties. 
- Moatsos, M. e.a. 2014. Income inequality since 1820. In J. van Zanden e.a. (red) How was life? Global well-being since 1820. Paris: OECD. (Voor de niet gewogen Gini-index vergelijking tussen verschillende landen tussen 1820-2000) 
 - Milanovic, B. 2012. Global income inequality by the numbers: In history and now – an overview. Washington: World Bank Development Research Group. (voor de gewogen Gini-index vergelijking tussen verschillende landen 1945-2012)
- Milanovic, B. 2016. Global inequality: A new approach for the age of globalization. Cambridge, MA: Harvard University Press. (Gini-index vergelijking tussen wereldburgers op basis van inkomen (1825-1890 en op basis van inkomen en consumptie tussen 1980-2015, daling en stijging van Gini-index in de Verenigde Staten 1775-2013, olifantgrafiek).
- Gapminder, via Ola Rosling, http://www.gapminder.org/tools/mountain. (voor de kameel- en dromedarisgrafiek)
- United Nations Development Program. 2004 [via https://nl.wikipedia.org/wiki/Lijst_van_landen_naar_inkomensverschillen]. (voor de Gini-index van Europese landen)
- De Ivoren Toren, http://www.ivorentoren.be/2017/08/07/dertig-jaar-inkomensverdeling-in-belgie/ (voor de evolutie van de Gini-index in België)

 ** De Gini-coëfficiënt geeft de mate van ongelijkheid weer. Een coëfficiënt van 0 betekent dat iedereen precies hetzelfde verdient. Een coëfficiënt van 1 betekent dat één iemand zich alle inkomen toe-eigent, en al de rest niets krijgt. De Gini-coëfficiënt in Europa schommelt tussen 0,25 (België, Finland, Zweden) en 0,33 (Frankrijk, Nederland, Zwitserland).

zaterdag 15 april 2017

Terreur - de expert en de gewone burger

     Wij zullen in de komende jaren, helaas, nog vaak stukken lezen waarin een socioloog of een politicoloog iets zegt over het erg kleine risico op terreuraanvallen en het erg grote risico op obesitas en verkeersongelukken. Zo’n professor of docent zal dan laten verstaan – maar zal het niet met zoveel woorden zeggen – dat we minder middelen moeten besteden aan terreurbestrijding en meer aan die andere bedreigingen die zoveel gevaarlijker zijn. Voor mijzelf weet ik het niet. Over obesitas bijvoorbeeld maak ik mij de laatste tijd weinig zorgen aangezien ik enkele jaren geleden flink vermagerd ben.
     Nu geloof ik niet dat de stukjesschrijvende socioloog of politicoloog veel expertise heeft in risicoanalyse en risicobeheersing. Hij deelt gewoon het aantal terreurslachtoffers in een land door het aantal inwoners en houdt dan een cijfer over met een kleine teller en een grote noemer. Dat noemt hij het risico. Maar hij is niet goed op de hoogte van indirecte gevolgen. Hij weet niet welke factoren het risico doen toenemen of afnemen. Hij kent de budgetten van terreur- en obesitasbestrijding amper. Hij kan de economische impact niet berekenen van twee kort na elkaar ontplofte vliegtuigen.
     Daar tegenover staat de echte expert. Dat is de man die al die dingen wel weet. Die moet toch ook bestaan. Waar zou zo’n échte expert de middelen aan besteden: obesitas of terreur? Het antwoord is wellicht … obesitas. Een zekere Paul Slovic heeft dat onderzocht en Daniel Kahneman brengt verslag uit van dat onderzoek in zijn wondermooie boek Ons feilbare denken. Slovic meent dat experts in hun oordelen en voorkeuren aangaande risico’s vaak afwijken van die van andere mensen. Hij wijst erop

“dat experts de risico’s vaak meten aan de hand van het aantal verloren mensenlevens (of levensjaren), terwijl het grote publiek een fijner onderscheid maakt, bijvoorbeeld tussen een ‘goede’ en ‘slechte’ dood of tussen willekeurig, toevallig overlijden en overlijden door vrijwillig uitgevoerde activiteiten (zoals skiën). Dergelijke legitieme vormen van onderscheid worden in de statistieken meestal genegeerd. Slovic concludeert op basis van zijn observaties dat het grote publiek zich een rijker beeld van riscico’s kan vormen dan de experts.”*
[Aan die fijne onderscheiden van het grote publiek zou ik nog het verschil toevoegen tussen ‘passieve’ en ‘boosaardige’ bedreigingen. Misdaad en terreur horen bij die laatste categorie.**]

     Naar wie moet een verstandig bewindsman nu luisteren: naar de expert die een ‘juistere’ kijk heeft op de cijfers of naar de gewone burger die een ‘rijker’ beeld heeft van de risico’s? Slovic bepleit een tussenoplossing waarbij ‘beide partijen de inzichten en kennis van de andere partij respecteren’. Dat is redelijk. Maar in elk geval moet een verstandig beleid ten minste rekening houden met het grote publiek, ook als het irrationeel reageert.
     Ikzelf behoor tot dat grote publiek. Veronderstel dat morgen moslimterroristen erin slagen om, door betere organisatie van hun kant of door verslapte waakzaamheid van onze kant, jaarlijks tien vliegtuigen vanop Zaventem op te blazen. Een expert kan dan netjes uitrekenen dat de kans om opgeblazen te worden niet meer is dan 1 op 16 000, dus vergelijkbaar met de kans die ik jaarlijks loop om om te komen in een verkeersongeval. Toch krijg je mij dan met geen stokken meer in een vliegmachine. Ik ben nu al niet erg op mijn gemak als ik vlieg.
     Een beleid moet daarenboven niet alleen verstandig zijn maar ook een klein beetje democratisch. Het is misschien best mogelijk om iets te doen aan het onveilig skiën. In een slecht jaar vallen tot 100 dodelijke slachtoffers in de Alpen. Daar kan iets aan gedaan worden door meer voorlichting, betere en verplichte opleiding, meer controle, grote infrastructuurwerken. Dat kan aardig wat kosten. Is het dan billijk om de niet-skiënde belastingbetaler mee te laten betalen in de kosten? Het mooiste is dat er in zo’n geval een nieuwe partij opkomt voor Veilig Skiën. Dan kunnen de stemmen worden geteld. Zo kunnen de sociologen en politicologen zich ook verenigen in de partij Minder Geld Voor Terreurbestrijding. Heel veel stemmen zullen ze niet halen, geloof ik.  

*  De samenvatting is van Kahneman, hoofdstuk 13. – Het boek verscheen eerst in het Engels onder de titel  Thinking, Fast and Slow.
** Zie Charles Murray, In Pursuit of Happiness, hoofdstuk 5. Murray spreekt van ‘passive threats’ en ‘predatory threats’.

woensdag 9 november 2016

Trump en ik en Napoleon

      Ik ben vannacht niet, zoals sommigen, opgebleven om de Amerikaanse verkiezingsuitslagen te volgen, want ik kende de winnaar al met wiskundige zekerheid. Het zou iemand worden waar ik niet veel om gaf. Trump of Hillary, het maakte mij niet veel uit. Ik ben op tijd gaan slapen en had een vage voorspellende droom dat Hillary de verkiezingen won. Ook Kennedy kwam er om een of andere reden in voor.
      Bij het ontbijt bekeek ik de voorpagina van Het Nieuwsblad: ‘Mevrouw de president’. Op bladzijde twee en drie stond een andere kop, voor het geval dat ‘het ondenkbare gebeurde’. En wat later zag ik op mijn mobieltje dat het ondenkbare gebeurd was.

     Tijdens de voorverkiezingen heb ik op elk moment geloofd dat Trump op het punt stond om te verliezen. Ik las naarstig de stukken van de Never Trump-Republikeinen: Charles Krauthammer, Jonah Goldberg, George Will, Thomas Sowell, Charles Murray – al zullen die twee laatsten zich wel niet als Republikeinen omschrijven. En nu heeft Trump niet alleen de voorverkiezingen gewonnen, maar zelfs de échte verkiezingen, waar ook zwarten en latino’s aan meededen.
     Ik heb op de televisie beelden gezien van de winnaar en zijn gezin. Ik voelde dat ik mijn best begon te doen om hem sympathiek te vinden en het hielp dat hij dit keer geen vuile taal uitsloeg, niet agressief werd, en zijn woorden over internationale handel zo algemeen hield dat ze niet noodzakelijk als protectionisme moesten worden opgevat.
     Een van de programmapunten van Trump die ik altijd verachtelijk heb gevonden, was zijn belofte om 20 miljard extra te investeren in het onderwijs. Waar haalt hij het? Het Amerikaanse onderwijs kost nu al, geloof ik, 50 % meer per leerling dan het Vlaamse, en de resultaten zijn heel wat slechter. Er is dus met dat onderwijs wel wat anders mis dan geldtekort. Domme Trump.
     Maar nu hij toch president wordt, heb ik eens opgezocht wat Trump écht over het onderwijs zegt – en dat is heel wat anders. Hij wil geen 20 miljard extra aan het onderwijs geven, hij wil 20 miljard van de centrale overheid verplaatsen naar de plaatselijke overheden. Hij wil de ouders en de leerlingen meer kansen geven om zelf hun school te kiezen. Dat is in Vlaanderen de normaalste zaak ter wereld, maar in veel andere landen, zoals de Verenigde Staten, ligt dat anders. En Trump zegt over het onderwijs wel meer dingen die mij bevallen.
     Ben ik aan het omgaan?
     Er bestaat een leuk verhaal* over de fameuze ‘Honderd Dagen’ van Napoleon.  De keizer was uit zijn verbanningsoord op Elba ontsnapt en was geland op Franse bodem. Hij rukt met een klein legertje op naar Parijs. Er worden troepen op dat legertje afgestuurd maar die weigeren op de Keizer te schieten en sluiten zich liever bij hem aan. Napoleons legertje groeit op enkele dagen tijd uit tot een vervaarlijke krijgsmacht. Die groei valt af te lezen aan de opeenvolgende krantenkoppen van de Moniteur universel.

(1)      De menseneter is uit zijn hol gekropen.
(2)      De wildeman van Corsica is geland in de golf van Juan.
(3)      De tijger is in Gap aangekomen.
(4)      Het monster heeft overnacht in Grenoble.
(5)      De tyran heeft Lyon doorkruist.
(6)      De usurpator is gezien op zestig mijl van de hoofdstad.
(7)      Bonaparte nadert met rasse schreden, maar hij zal Parijs nooit binnenkomen.
(8)     Napoleon zal morgen in ons midden zijn.
(9)      De keizer is aangekomen in Fontainebleau.
(10)  Zijne Keizerlijke Majesteit heeft gisteren zijn intrede gedaan in het Kasteel der
         Tuilerieën, temidden van zijn trouwe onderdanen.

Ik ben ongeveer aanbeland bij puntje (7): ‘Bonaparte nadert met rasse schreden.’

_____________ 

* Met dank aan Luc van Braekel die mij vandaag het verhaal in herinnering bracht op zijn facebookpagina. Het verhaal van de krantenkoppen wordt verteld door Alexandre Dumas in Une année en Florence. Of het waar is, heb ik niet kunnen achterhalen, want Dumas was een schrijver met een grote fantasie, ook als hij over geschiedenis schreef.

maandag 9 november 2015

Atrofie

Links: atrofie - Rechts: gezonde spieren
      De deliberaties zijn achter de rug [schreef ik dus op 4 juli] en bijna alle leerlingen waar ik les aan geef zijn geslaagd – proficiat! 
     Leerlingen vragen soms hoe het bij zulke deliberaties toegaat. Als ze dat écht willen weten, verwijs ik naar de Algemene Pedagogische Reglementering nr. 3 – kortweg APR3 – die te vinden is op de site www.vvkso.be. De reglementering is 23 bladzijden lang en telt 13 404 woorden. Je leest er over discretionaire bevoegdheid, externe certificering, studiebekrachtiging en bloedverwantschap tot in de vierde graad. Zucht.
     Er zijn, om het maar eens duidelijk te zeggen, te veel reglementen vandaag de dag. In één en dezelfde krant lees ik over een Europese richtlijn voor het publiceren van selfies op Facebook –  mag niet als ze genomen zijn vóór kunstwerken of beroemde bouwwerken –, over de energieprestatiecertificaten van gebouwen – er moeten meer controles komen volgens … de controleurs –, over de bergen papierwerk om één zomerkamp te organiseren – jeugdbewegingen vragen zich af of ze er niet beter mee stoppen –  en over de hygiëneregels voor frituren – die behelzen onder andere de verplichte etikettering van artisanale producten.
     Het is ook overal hetzelfde liedje. In de Verenigde Staten, schrijft Charles Murray in zijn nieuwste boek, moeten leuningen op de werkplaats een hoogte hebben van 106,68 cm. Murray heeft nageteld dat de verzameling van Amerikaanse reglementen ondertussen meer dan 175 000 bladzijden beslaat, een stijging met 660 % sinds 1960. Dat is veel te veel, vindt hij, en hij stelt voor om met zijn allen de onzinnigste van die reglementen aan onze laars te lappen. Dat de staat maar eens probeert ons allemáál een proces aan te doen.
Het boek van Murray heet: By the People – Rebuilding Liberty Without Permission.
     Ik durf het bijna niet schrijven, maar ik vind het voorstel van Murray zo gek nog niet. Het is bekend dat spieren die niet gebruikt worden gaan afsterven. Dat heet, geloof ik, atrofie. Met onze geestelijke vermogens zou wel eens hetzelfde kunnen gebeuren. Als we ons gedrag in alles en nog wat laten beregelen, zonder ooit zelf ons gezond verstand, onze scherpzinnigheid en ons oordeelsvermogen te gebruiken, is dat gezond verstand, die scherpzinnigheid en dat oordeelsvermogen dan ook niet, net als onze spieren, met afsterven bedreigd?

Oorspronkelijk geplaatst op 4 juli 2015