Posts tonen met het label De Morgen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label De Morgen. Alle posts tonen

donderdag 12 januari 2023

De artsenlonen - waar bemoeit Frank Vandenbroucke zich mee?

 


   Laatst was er een kleine ruzie tussen Frank Vandenbroucke en de artsen over de zogenaamde ereloonsupplementen. Dat zit zo. In een liberaal of ‘neoliberaal’ systeem is het ereloon een kwestie tussen arts en patiënt. In een socialistisch systeem wordt het ereloon vastgelegd door de staat. In België hebben we een compromis à la Belge: er wordt een vrijwillige richtprijs afgesproken. Een arts die zich daaraan houdt, is ‘geconventioneerd’. 87 procent van de artsen – huisartsen iets meer, specialisten iets minder –  zijn in dat geval*. De anderen, een minderheid, zijn geheel of gedeeltelijk ‘gedeconventioneerd’ en vragen, bovenop de richtprijs, een supplement, dat niet terug wordt betaald door de sociale zekerheid, en waar Vandenbroucke als minister van Sociale Zaken dus eigenlijk niets mee te maken heeft.
     Maar ja, een vrijwillige regeling! Daar krijg je een autoritair man als Vandenbroucke niet warm voor. En zo’n socialist vindt natuurlijk dat de erelonen van artsen nu al meer dan hoog genoeg zijn. Je hoort het hem zeggen: ‘Natuurlijk mogen de artsen van mij een goede boterham verdienden, maar …’ En na die ‘maar’ gaat hij op zoek naar redenen om in te grijpen als de boterham te goed wordt: de verschillen in erelonen tussen huisartsen en specialisten, tussen de verschillende specialisaties, tussen de specialisten binnen dezelfde specialisatie, tussen de geconventioneerden en gedegeconventioneerden.
     Wat moet ik daar nu van denken – ik die noch socialist ben, noch arts, en weliswaar liberaal, maar altijd bereid om mijn principes af te wegen tegen de realiteit? Verdienen artsen te veel? Tja, wat is te veel? Huisartsen worden, geloof ik, vandaag niet meer beschouwd als echte grootverdieners. Velen van hen sluiten zich aan bij groepspraktijken waar ze kiezen om minder uren te werken, minder patiënten te behandelen, en minder te verdienen dan hun collega’s vroeger. Als het mediaan (bruto!) inkomen van de Vlaming rond de 40.000 euro schommelt, zal dat van de nieuwe generatie huisartsen, schat ik, ongeveer het dubbele zijn. Of vergis ik mij?
     Specialisten worden meestal wel nog beschouwd als grootverdieners. Volgens een onderzoek van 2018 door de krant De Morgen verdienen specialisten gemiddeld rond de 230.000 euro**. Ik liet de tabel van De Morgen zien aan mijn zoon, die hoopt binnen enkele jaren zelf specialist te zijn. Hij keek sip, want hij begrijpt al een tijdje dat je zulke brutobedragen minstens al door twee moest delen. Ik probeerde hem te troosten met de boodschap dat die cijfers alleen betrekking hebben op wat men in de ziekenhuizen verdient, zonder de privépraktijken erbij te rekenen, en dat de gemiddelde specialist nog altijd netto 5 keer zoveel verdient als de gemiddelde Vlaming en meer dan 8 keer zoveel als het minimumloon. Ja, nee, dat begreep hij ook wel. Klagen was niet aan de orde. 
     Er zijn verschillende redenen waarom de erelonen van artsen en specialisten vrij hoog zijn. Maar déze reden lijkt mij de belangrijkste en ze weerspiegelt bovendien een gezonde marktwerking: wij als patiënt zijn bereid om veel geld uit te geven om bij gezondheidsproblemen een zo goed mogelijke dokter of specialist te krijgen. We willen ook een goede loodgieter, een goede schilder en een goede schoonmaakster, maar we vinden onze gezondheid belangrijker dan een lekkende kraan, een frisse muur of een nette woonkamer. 
    Als een slechte loodgieter een leiding verknoeit, neem ik een andere die de schade herstelt. Bij een diagnose of een operatie heb ik echter liever dat er niets wordt verknoeid, en ik ben bereid daar extra voor te betalen. Stel: mijn vrouw moet haar ogen laten opereren en gaat op consultatie bij een topdokter. Die laat haar de keuze tussen een operatie die hij zelf uitvoert, of een die uitgevoerd wordt door een assistent in opleiding. Als hij de operatie zelf uitvoert, verdubbelt de factuur. Ik zou, na controle van onze bankrekening, mijn vrouw aanraden om de operatie toch maar door de dure topdokter zelf te laten uitvoeren.
     Eigenlijk werkt het zo: met het vooruitzicht van hoge erelonen lokken we de knapste koppen van een generatie naar een beroep dat wijzelf erg belangrijk vinden. Dat betekent niet dat artsen meer door geldzucht gedreven worden dan beoefenaars van andere beroepen. De meeste artsen werken én voor het geld, én voor het prestige, én voor het welzijn van hun patiënten, én voor de voldoening van een moeilijke taak tot een goed einde te hebben gebracht. Al naargelang de arts, weegt de ene motivatie wat zwaarder door dan de andere, maar als ik naar mijn zoon kijk, is het duidelijk dat de zogenaamde ‘intrinsieke’ motivatie heel hoog is, zij het dan weer niet hoog genoeg om alle geldelijke overwegingen aan de kant te schuiven. 
     Een tweede reden voor de hoge erelonen van artsen is ons ziekteverzekeringsysteem. We kunnen ons geen moderne geneeskunde voorstellen zonder een verzekeringssysteem, hetzij met privé-stelsels, hetzij met een door de staat georganiseerde verzekering. Die verzekering is in de eerste plaats nodig bij kleine en grote catastrofen: longontsteking, gebroken been, gesprongen appendicitis, kanker. Hier is weinig ‘prijselasticiteit’. Je wilt als patiënt dat de behandeling plaatsvindt, wat ook de prijs ervan is. En om zeker te zijn dat je de behandeling kunt betalen, neem je een verzekering. De prijs van de behandeling zal door die verzekering niet gevoelig stijgen: die zou zonder verzekering ook hoog geweest, aangezien je die ook dan had willen betalen, desnoods met een lening of met crowd funding.
     Anders ligt het bij het onze RIZIV-regeling, die een soort omnium verzekering is, die ook minder noodzakelijke behandelingen dekt. Bij zo’n omnium krijg je een stijging van zowel de vraag als van de prijzen. Veronderstel dat ik last heb van een frozen shoulder. Dat ongemak kan meer dan een jaar duren, maar gaat daarna over. Ik kan mij laten behandelen door een orthopedist – die kan bijvoorbeeld het het schouderkapsel scheuren – maar zo’n ingreep kost misschien 500 euro. 500 euro, denk ik dan, dat is meer iets voor rijke mensen. Daar begin ik niet aan. Ik ben hoogstens bereid om voor een enigszins versnelde genezing 200 euro te betalen, en dan moet de orthopedist zich tevreden stellen met een heel wat lager ereloon. Maar wacht! Ik ben omnium verzekerd. De behandeling is voor mij bijna gratis. Voor een symbolisch remgeld laat ik mijn schouderkapsel graag scheuren en de orthopodist mag aanrekenen wat hij wil. Zo krijg je rijke orthopedisten***.
     Een derde reden waarom erelonen hoog zijn, is de monopoliepositie van artsen. Het aantal artsen wordt kunstmatig laag gehouden door ingangsexamens, diplomavereisten en begrenzing van het aantal RIZIV-vergunningen dat jaarlijks wordt toegekend. Het aantal artsen dat wordt toegelaten tot specialisaties wordt door de universiteiten beperkt, en het aantal dat in ziekenhuizen aan de slag kan, wordt laag gehouden, zodat de bestaande specialisten geen vermindering van hun inkomen moeten vrezen. Kortom, er wordt een tekort aan artsen georganiseerd waardoor die laatsten in een goede onderhandelingspositie komen tegenover de patiënten en tegenover de verzekeraar.
    Er zijn dus minstens drie redenen voor de hoge erelonen van artsen****: de relatieve schaarste aan artsen, het ‘omnium’ verzekeringssysteem, en de hoge prijs die wij als patiënt willen betalen voor de allerbeste gezondheidszorg. Die redenen maken ook duidelijk dat je die erelonen niet naar beneden krijgt zonder grote nadelen. Wil je minder betalen voor goede artsen, dan krijg je ook minder goede artsen. Wil je de omnium verzekering afschaffen en vervangen door een basisverzekering die alleen bijschiet bij kleine en grote catastrofen, dan krijg je een geneeskunde met twee kwaliteitsniveaus. De bescheiden inkomens gaan dan minder snel en minder vaak geneeskundige hulp zoeken, ook als ze die eigenlijk nodig hebben.
     En tegen de schaarste aan artsen kun je ook niet veel beginnen, want door meer artsen toe te laten zou het inkomen per arts misschien dalen, maar zou de algemene kost van de gezondheidszorg stijgen. Artsen en specialisten zouden zich voor hun verminderde inkomen proberen schadeloos te stellen door patiënten nutteloze onderzoeken, behandelingen en ingrepen aan te smeren, waarvan de patiënt nut of nutteloosheid niet kan evalueren. Gezondheidszorg is nu eenmaal een domein met een ernstige informatiekloof: de arts weet veel beter dan de patiënt wat die laatste nodig heeft en kan hem, als hij dat wil, zelfs in tijden van dr. Google, alles wijsmaken.
     Het meeste van wat ik hier schrijf, weet Vandenbroucke even goed als ik. Ik verwacht dus niet dat hij, om de hoge erelonen te drukken, iets aan de onderliggende oorzaken zal doen. Hij zal de omnium verzekering niet afschaffen. Hij zal het aantal artsen en specialisten niet merkelijk verhogen. Hij zal ons niet opvoeden om wat minder waarde aan gezondheid en geneeskunde toe te kennen*****. Wel zal hij, zoals laatst, proberen in te grijpen op het vlak van de gevolgen, en kibbelen over tarieven, supplementen en betalingsmechanismen, met als vermoedelijke gevolg iets minder hoge erelonen, iets minder gemiddelde kwaliteit en, zoals dat vaak gaat, een flink stuk meer controle, administratie en bureaucratie. 

 

* Vandenbroucke wil de gedeconventioneerde tarieven onmogelijk maken bij patiënten met lage inkomens, een ‘sociaal’ argument waarmee hij in de huidige tijdsgeest de discussie moeilijk kan verliezen. Ik las her en der in de pers dat het aantal geconventioneerde artsen zou dalen, maar ik vind daar nergens cijfers over. Toegegeven: in sommige sectoren is de volledige conventionering lager: 36 procent bij dermatologen en 51 procent bij oogartsen.


** Uit de studie van De Morgen blijkt dat er grote verschillen zijn tussen de verschillende specialisaties: met nefrologen, neurochirurgen en radiologen die meer dan 300.000 euro verdienen, en met psychiaters, pediaters en plastisch chrirurgen die eerder rond 150.000 euro blijven hangen. Daar kunnen allerlei oorzaken voor zijn: moeilijkheidsgraad, investering in apparatuur, regelmatige of onregelmatige werkuren, mogelijkheid tot time management, dringende aard van de medische problematiek. Uiteraard zijn er nog grote verschillen binnen de specialisaties zelf, van arts tot arts. Ik zou het niet anders willen. Als de beste artsen het meest verdienen, zullen de meeste artsen proberen bij de besten te horen.


*** Ook onrechtstreeks zorgt omnium verzekering voor een opwaartse druk op erelonen door de verhoogde vraag naar ingrepen. Mochten implantaten door de ziekteverzekering gedekt zijn, dan maakte ik morgen al afspraak met de tandarts. Omgekeerd, als we bij gebroken benen geen terugbetaling mogen verwachten, zouden we met zijn allen misschien minder snel op skivakantie gaan.


**** De lange opleiding kan hoogstens een indirecte reden zijn voor hoge erelonen. Door hoge verdiensten in het vooruitzicht te stellen, kun je twijfelaars overhalen een langere opleiding voor lief te nemen.


***** Misschien kan de overheid de vraag naar geneeskunde – en dus indirect ook de hoogte van de erelonen – doen dalen door een betere gezondheidspreventie.

woensdag 10 februari 2021

#MeToo, Clinton en Anselmus


      Als er een #MeToo- of andere zedenzaak in de krant komt, heb je altijd gelovers en niet-gelovers. Aangezien het vaak om handelingen gaat die zich zonder getuigen voltrekken, is ‘geloven’ hier de juiste term.  Het is bij zulke zaken immers het ene woord tegen het andere, en dan wordt het moeilijk.
     Ik hou mij dan op de vlakte. In de jaren 80 had je de zaak van notaris X. In Humo en De Morgen verschenen jarenlang stukken over een notaris die zijn zoontjes van drie en van zes seksueel zou hebben misbruikt. Dat werd onder andere verklaard door zijn ex-vrouw. Ook werden de zoontjes ondervraagd door psychiaters, en hadden ze geloof ik tekeningen gemaakt van de feiten.
     Over dat alles had ik geen mening. Incest bestond nu eenmaal, en, zoals men zegt, ook in de beste families. Er waren wel drie dingen die mij deden twijfelen aan de beschuldiging. Humo en De Morgen haalden er de politieke – naar verluidt extreemrechtse – overtuiging van de notaris bij. Wat had dat ermee te maken? Ook is een echtgenote na een vechtscheiding niet noodzakelijk een onbevooroordeelde bron. En kinderen van drie en zes jaar vertellen en tekenen zo veel. Ik las toen een interview met een of andere deskundige die met zekerheid wíst dat kinderen op die leeftijd niet kónden liegen. Ik was razend op die deskundige, en ben dat nu nog altijd. Maar voor de rest bleef ik twijfelen, tot ik een discussie op de televisie zag tussen Paul Coeck en Guy Mortier. Toen dacht ik meteen: Paul spreekt de waarheid sprak, Guy probeert er zich uit te lullen en die notaris is onschuldig.
     Je kunt om veel redenen geloof hechten aan een beschuldiging. Neem de Lewinski-Clinton affaire indertijd. Did Bill have sex with that woman? Wie sprak de waarheid: Bill die zei dat er niets gebeurd was of Monica die beweerde dat er wél iets gebeurd was? Uiteindelijk is de waarheid aan het licht gekomen door een ongewassen jurk met zaadsporen, maar daarvóór moesten we ons laten leiden door toevallige krantenstukken, politieke overtuiging, sympathie of antipathie voor de betrokken personen, eigen ervaringen in dezelfde sfeer, en echte of vermeende mensenkennis. Een cijferaar kon zelfs een kleine kansberekening uitvoeren om de waarschijnlijkheid van de beschuldiging te achterhalen.
     Ik wil hier echter nog een ander element aanraken dat onze inschatting mee kan bepalen: hoe zwaarder men aan de feiten tilt, hoe eerder men bereid is om te geloven dat die feiten ook echt gebeurd zijn. Het wonderlijke daarbij is dat men hierbij springt van de beoordeling van de feiten naar het bestaan van de feiten. Het is heel erg, dus het heeft plaatsgevonden. Of: het is zó erg dat het wel moet hebben plaatsgevonden. Het doet heel in de verte denken aan het ontologisch godsbewijs van Anselmus van Canterbury. (a) God is het volmaakste wezen dat denkbaar is. (b) Iets wat niet bestaat is minder volmaakt dan iets wat wel bestaat. (c) God moet dus bestaan.
    Laten we die redenering eens toepassen op een fictieve Maarten, die door een fictieve Katrien van date rape wordt beschuldigd. Een feministe, die van de zaak niets meer afweet dan een ander, kan redeneren: (a) Date rape is de ergste misdaad die denkbaar is. (b) Iets wat alleen gefantaseerd is, kan nooit zo erg zijn als iets wat heeft plaatsgevonden. (c) De date rape heeft dus plaatsgevonden. Katrien spreekt de waarheid en Maarten liegt*.
     Er is overigens een verschil tussen de redenering van Anselmus en die van de feministe. De eerste berust op logica: vanuit de analyse van het begrip ‘volmaaktheid’ wordt het ‘bestaan’ afgeleid. De redenering van de feministe daarentegen is psychologisch (en onbewust): de mogelijkheid van het kwaad wekt zoveel verontwaardiging op dat die de loutere mogelijkheid optilt tot de hoogte van het werkelijk bestaan*.
     Je ziet iets vergelijkbaars in Amerikaanse rechtbankfilms. Zack wordt beschuldigd van moord maar pleit onschuldig. De openbare aanklager doet er alles aan om elke verminking van het slachtoffer te illustreren met gruwelijke foto’s. Maar door die foto’s kan hij eigenlijk alleen bewijzen dat die verminkingen gruwelijk zijn, niet dat ze zijn toegebracht door Zack. Ze kunnen even goed zijn toegebracht door X, Y of Z. Maar X, Y en Z zitten niet in de rechtszaal. In zekere zin bestaan ze niet.
     Dat is een oncomfortabele toestand. De gruwel moet zich vasthaken aan iets tastbaars, aan een schuldige van vlees en bloed, die voor iedereen zichtbaar is, en dat is Zack. Hoe gruwelijker de moord, hoe meer de jury gaat geloven in de schuld van Zack. Zonder Zack, die ze daar in de beklaagdenbank zien zitten, is de moord minder reëel. En ook: zonder tastbare dader lijkt de moord minder erg. Het is alsof een jurylid dat gelooft in de onschuld van Zack meteen de moord zelf wil goedpraten. 

 

* De antifeminist zal hier niet ontologisch reageren. Hij zal zoals Bill Clinton over semantiek beginnen. Sex with that woman? Definieer ‘sex’, ‘that’ en ‘woman’. Of in ons geval: definieer date rape. Ook kan de antifeminist grijpen naar de goede, oude, vertrouwde kettle logic: die date rape heeft niet plaatsgevonden én was bovendien helemaal niet zo erg. Anselmus zou zo’n logica niet hebben aanvaard, maar eigenlijk is er niets mis mee: De antifeminist denkt gewoon dat date rape én minder erg is én minder frequent voorkomt. Dat kan een morele en feitelijke fout zijn, maar is daarom nog geen logische fout. Door een handiger verwoording kun je de meeste drogredenen omzetten in een aanvaardbare uitspraak.

** Naast verontwaardiging zijn er nog andere mechanismen die een denkbeeld kunnen optillen tot bijna de hoogte van het werkelijke bestaan: vrees, hoop, wens (wishful thinking), en het aanvoelen dat iets té mooi is om níet waar te zijn.

zaterdag 20 april 2019

Scholierenkoepel wil punten afschaffen

     Zelf zou ik noch het klimaatbeleid, noch het onderwijsbeleid laten afhangen van wat ‘de scholieren’ vragen. ‘Scholen moeten punten afschaffen en vervangen door meer feedback,’ zegt een zekere Johan Xhonneux, voorzitter van de Vlaamse scholierenkoepel. En: ‘Op smartschool komen die punten meteen online, zodat de ouders ze kunnen zien. Maar daar staat geen enkele commentaar bij. Een vijf op tien op een toets duidt niet aan welke evolutie een leerling heeft gemaakt.’
     Ook als je smartschool niet kent, begrijp je dat die uitspraak fout is. Smartschool is niets anders dan een digitaal platform waar het rapport wordt bijgehouden. Leerlingen en ouders zien er dus niet alleen het laatste punt – de vijf op tien – maar ook de voorgaande punten. Ik leg het even uit voor Johan. Als het voorgaande punt een vier op tien was, heeft de leerling met een vijf een positieve evolutie gemaakt. Was het voorgaande punt een zes, dan heeft hij een negatieve evolutie gemaakt.
     Als je smartschool wél kent, zie je nog een andere fout. Het programma laat juist wél toe om naast dat cijfer ook een commentaar te plaatsen. Veel collega’s doen dat ook enthousiast. Een oude zak zoals ik is daar rustiger in, maar ook naast mijn punten staat wel eens een verduidelijking. Iets als: ‘De leerling heeft het boek niet gelezen’ of ‘De leerling heeft geen taak ingediend’ of, om de evolutie te verduidelijken, ‘De leerling heeft alweer geen taak ingediend.’
     Johan van de scholierenkoepel heeft nog een derde argument voor zijn geen-puntenstandpunt: ‘Omdat leerlingen nu te veel gefocust zijn op punten, leidt dat bij velen tot faalangst.’ Dat is waar natuurlijk. Toen ik naar school ging, had ik vóór een examen ook faalangst, vooral als het om een wiskunde-examen ging en ik onvoldoende gestudeerd had. Ik verwachtte – meestal terecht – slechte punten, en dat was geen fijn gevoel. Was het een examen zónder punten geweest, had ik echter nog minder gestudeerd. Ik had er misschien een fijner gevoel bij gehad, maar mijn wiskundekennis zou nog slechter geweest zijn dan ze al was. En verder moet Johan mij eens uitleggen hoe je van iemand anders iets bij kunt leren zónder faalangst te hebben. Als ik donderdagavond naar de pianoles trek, verga ik van faalangst, ook al krijg ik van de lieve, geduldige lerares geen punten, maar alleen bemoedigende commentaar.
          Zo’n standpunt als dat van Johan is niet nieuw. Het inspectieteam dat onze school vijftien jaar geleden bezocht, vond ook dat we ‘teveel met toetsen en met punten bezig waren’. Je las zulke standpunten bij wijze van spreken dagelijks in de krant. Maar dat is een beetje aan het veranderen. De Morgen publiceerde een stuk over de stellingname van de scholierenkoepel. Enkele jaren geleden zouden ze, geloof ik, drie pedagogen gevonden hebben die het met Johan eens waren. Nu hebben ze drie deskundigen die het er, elk met hun eigen nuances, niet mee eens zijn. Het duidelijkst is Wouter Duyck: ‘Zonder punten gaat er veel informatie verloren. Ik pleit ervoor om de recepten te gebruiken waarvan we weten dat ze werken.’
     De recepten waarvan we weten dat ze werken … ik kan het niet korter zeggen. Langer wel. Dat heb ik al eens geprobeerd, zoals hier.

zondag 20 januari 2019

De humanitaire visa van Theo Francken

     Je kunt van de politieke vijanden van Francken en N-VA niet verwachten dat ze nu zwijgen over de humanitaire visa-zaak. Die visa werden uitgereikt door zijn kabinet en, naar het zich laat aanzien, door een Syrische christen, tevens N-VA-lid, verkocht aan andere Syrische christenen die bloot stonden aan vervolging door fanatieke moslims. Francken had met andere woorden goede bedoelingen maar is naïef geweest en heeft zich laten misbruiken door een gewetenloze schurk met een partijkaart. Naïviteit is een fout, in de politiek is het een zware fout, en voor een staatssecretaris is het een heel zware fout.
     De goede kant van de zaak, dat zal iedereen toegeven, is dat die Syrische christenen gered zijn; de slechte kant is dat die redding gepaard ging met misdadige corruptie. Die is nu gelukkig aan het licht gekomen. Hopelijk wordt de dader, indien schuldig bevonden, streng gestraft en kunnen de slachtoffers nog enigszins schadeloos gesteld worden. Francken en N-VA moeten nu even de ‘‘walk of shame’ lopen, maar we weten uit Game of Thrones dat daarmee het spel niet is uitgespeeld.

     Zelf til ik niet zwaar aan onbedoelde fouten van anderen of van mezelf. Ik ben van het principe dat we ervan moeten leren. Het mag een geluk heten dat ik leraar ben, en geen chirurg. Ik kan een dt-fout op het bord schrijven en als een leerling mij daarop betrapt, zeg ik dat ik mij diep schaam, maar in werkelijkheid is dat niet zo. Over fouten van naïviteit kan ik mij al helemaal niet druk maken, hoeveel details men er ook bijsleurt. Zo’n Frank Van den Broucke die als SP-voorzitter illegaal verworven geld in de partijkas aantreft, en dat laat verbranden … Zo’n Kris Peeters die een niet helemaal koosjere Jood op zijn kieslijst plaatst … ik word er niet warm of koud van. Ook ben ik niet fanatiek als het over de ‘ministeriële verantwoordelijkheid’ gaat. Toen Dutroux ontsnapte, of toen het Heizelstadion instortte, hoorde ik bij degenen die níet vonden dat de minister van Justitie of van Binnenlandse Zaken ontslag moest nemen. Het verbaasde mij dat anderen daar oprecht anders over dachten.
     Wat mij dan weer niet verbaast, is dat gemaakte fouten rijkelijk worden benut om een politieke vijand te schaden. De partijen van centrumlinks (Groen en Sp.a) en centrumcentrum (CD&V, Open Vld) weten ook wel dat ze bij het N-VA-publiek weinig stemmen kunnen terugwinnen, visa of geen visa. Maar als zo’n zaak een paar procenten van de centrumrechtse N-VA-kiezers kan doen verschuiven naar het radicaalrechtse Vlaams Belang is dat prima voor hen. Als N-VA wat kleiner wordt, worden zij relatief gesproken wat groter. Ook hier zit ik anders in elkaar. Ik hou noch van de Sp.a noch van de PS, en ik zie die partijen graag zo klein mogelijk. Maar ik zou nooit inzetten op een strategie om kiezers van die centrumlinkse partijen te laten overlopen naar het radicaallinkse PVDA-PTB.
     Waar ik eigenlijk het meeste bang voor ben, is dat de zaak zal worden aangegrepen om de huidige visum-procedure en visum-filosofie in vraag te stellen.* In het verrassend leesbare boek Continent zonder grens van Theo Francken en Joren Vermeersch, staat een interessant stuk over de rol van het visum bij de asielkwestie. Francken ziet het zo: je kunt maar Europees asiel aanvragen als je met een humanitair visum naar Europa reist, en dat visum wordt uitgereikt als ‘een niet afdwingbare gunst’**. De regering reikt een visum uit in de stijl van de Franse koningen: ‘car tel est son bon plaisir’. Ik ben het daar helemaal mee eens. Maar een nadeel van een gunsten-systeem is dat je ook een mogelijkheid schept om gunsten te verkópen. Het gevaar van corruptie loert om de hoek. Voor mij is dat een reden om iedereen die bij het uitreiken van visa betrokken is, goed in de gaten te houden. Dat is van toepassing op ambtenaren, maar nog meer op bereidwillige medewerkers ter plaatse. Francken zal die les nu ook wel geleerd hebben.
    Zoals ik het zie moet Europees asiel in de toekomst weer een uitzondering worden, bedoeld voor heel specifieke individuen of groepen die om ideologische of etnische redenen gevangengenomen of gedood kunnen worden in de landen waar ze wonen.*** Ik denk hierbij aan de Russische anarchisten van de negentiende eeuw, de Joden van de jaren 30, de Chileense communisten van de jaren 70, de Iraanse dissidenten van de jaren 90, en in het algemeen ‘verbrande’ opposanten in dictatoriale landen. Nu is er in de wereld veel dictatuur, maar veel minder oppositie, en een groot deel van die oppositie wil ter plaatse blijven om … euh … oppositie te voeren. Toch kan iedereen die vanuit een arm Afrikaans, Arabisch of Centraal-Aziatisch gebied naar Europa wil emigreren zich voor een opposant uitgeven.**** In zo’n situatie zal slechts één op de duizend asielaanvragers behoren tot de specifieke individuen of groepen die ik hierboven aanhaalde, maar het zal ook bijzonder moeilijk zijn om die ene te onderscheiden van die 999 andere.
     Sommigen denken dat je dan vooral moet zoeken naar een sluitende, transparante procedure met objectieve criteria die zullen toelaten om dat onderscheid wel te maken. Maar dat zal nooit werken. Als je de criteria zo streng maakt dat je de meerderheid van de schijnopposanten tegenhoudt, is de kans groot dat je ook die ene échte opposant niet binnenlaat. En als je criteria zo toeschietelijk zijn dat die ene echte opposant níet wordt tegengehouden – wat geloof ik vooral de Groenen willen – moet je er ook tientallen of honderden andere erbij nemen. Een zekere willekeur is dan nog het beste. Je zoekt actief uit welke individuen of groepen de grootste kans op vervolging lopen, en je stelt die discreet in de mogelijkheid om een visum en asiel aan te vragen.  Dat af en toe een schurk van die werkwijze misbruik maakt, is geen reden om de werkwijze zelf te verwerpen.
     Willekeur bij beslissingen roept vanzelfsprekend ook weerstand op, want ze schept, zoals gezegd, mogelijkheden voor corruptie. We hebben daarom openbare aanbestedingen bedacht, en vergelijkende examens om promotie te maken binnen de ambtenarij, en eindeloze wetteksten onderverdeeld in artikels, leden en paragrafen. En zo hoort het. Maar we kunnen die mate van objectieve en voorspelbare criteria, bedoeld om de burgers van een land te beschermen tegen willekeur van de staat niet toepassen op elk domein en op elke schaal.***** Ik geloof dat je er op dit moment niet ver mee komt in de migratieproblematiek.

       In het Marrakesh-pact wordt nochtans op zulke objectieve en transparante criteria aangedrongen. In punt 23 (‘Objective 7’) lezen we dat irreguliere immigranten individueel geëvalueerd moeten worden om een reguliere status te verkrijgen, en dat op basis van ‘clear and transparent criteria’. Het is een van de passages die ik driftig onderstreept heb. Maar als de regels dan toch ‘clear and transparent’ moeten zijn, dan zou ik er één voorstellen, namelijk dat er in Europa géén asielzoekers meer worden toegelaten. Géén. De tweede regel die ik voorstel is dat een regering om humanitaire redenen uitzonderingen kan maken op die regel, en wel ‘selon son bon plaisir’. Maar die uitzonderingen zullen dan helaas niet voldoen aan de Marrakesh-vereisten van duidelijkheid en transparantie. Je kunt niet alles willen.

 
* Dat is waar onder andere Bart Eeckhout in De Morgen op aanstuurt. Zijn argument is dat de huidige procedure tot misbruik  kan leiden. Dat is waar en het is nu ook bewezen. Maar ik zou niet elke procedure afschaffen alleen omdat die tot misbruik kán leiden. Je moet ook de voordelen van de procedure in rekening brengen, en de nadelen van het alternatief. Bovendien komen de misbruiken in een democratie uiteindelijk aan het licht, zodat ze in de tijd beperkt blijven. Ook dat is nu bewezen.
De essentiële willekeur bij het uitreiken van visa betekent overigens niet dat een kabinet of administratie geen interne richtlijnen of werkwijzen kan afspreken, of zich moet onttrekken aan alle externe controle. Maar de verantwoordelijkheid doorschuiven naar ngo’s of de VN is niet noodzakelijk een betere garantie voor een efficiënte en billijke afhandeling dan een zogenaamd ‘eigengereid’ optreden. Interessant daarover is de getuigenis van ex-ambassadeur Mark Geleyn. (hier)


** Uit de 94ste voetnoot van het boek heb ik begrepen dat de huidige Europese Visumcode van 13 juli 2009 weliswaar toelaat dat een visumweigering kan aangevochten worden voor een rechter, maar dat die de beslissing enkel kan vernietigen en het dossier terugsturen naar de administratie voor een nieuwe en beter gemotiveerde beslissing.                                                              
*** Voor grote vluchtelingenstromen – zoals in oorlogssituaties – moeten plaatselijke oplossingen gevonden worden met Europese steun.
 
**** Zouden die mensen dan líegen alleen om een visum te krijgen? Dat denk ik wel. Toen ik begin de jaren 90 voor het eerst naar de VS reisde, moest ik om een visum te krijgen eerst een vragenlijst invullen. Een van de vragen luidde:  ‘Are you or have you ever been a member of the communist party?’ Ik wou heel graag naar de VS en heb toen zonder aarzelen  ‘No’ geantwoord, terwijl ik in het dagelijkse leven niet zo vaak lieg.
 
***** Je kunt ook in een gezin, school, bedrijf of ziekenhuis met enig succes een beroep doen op duidelijke krijtlijnen en transparante criteria. Maar je merkt al snel dat die aanpak op zekere grenzen botst.

woensdag 24 januari 2018

Professorale belevenissen van Boudewijn Bouckaert

     Het gedenkschrift van Boudewijn Bouckaert, Professorale belevenissen, is maar een dun boekje geworden. Niet meer dan 250 bladzijden. Dat is niet zo’n groot nadeel als de lezer misschien zou denken. Bouckaert bezit de gave om iets kort en duidelijk onder woorden te brengen. Hij vat ergens Hayeks Law, Legislation and Liberty samen op een halve bladzijde, en ’t is een verdomd goede samenvatting. Hij besteedt enkele bladzijden aan het jaar dat hij aan Harvard les heeft gegeven. ’t Is vooral zijn persoonlijk verhaal, maar toen ik die bladzijden gelezen had, wist ik over die Amerikaanse law schools ongeveer alles wat ik wilde weten. Eerder in het boek wijdt hij enkele zinnen aan de overleden maoïstenleider Ludo Martens. Door die zinnen lijkt het alsof ik Ludo nu heel wat beter ken, terwijl ik hem vaker gezien en gesproken moet hebben dan Bouckaert. Als mijn zoon iets zou willen weten over de studenterevoltes van de jaren zestig – die nieuwsgierigheid zou hem sieren – zou ik hem de eerste vijftig bladzijden van Bouckaert aanraden. Alles wat ik er zelf van weet – alles wat de moeite is bedoel ik – staat erin. Dat de trotskisten bijvoorbeeld hippe vestjes droegen, en leninbaardjes en trotskibrilletjes, of er in ieder geval speciaal uitzagen. Ja, daarvoor waren het ook trotskisten!
     Bouckaert is onmiddellijk na zijn afstuderen en zijn legerdienst terwerkgesteld geweest aan de Rijksuniversiteit van Gent: tijdelijk assistent, eerst aanwezend assistent, docent, hoogleraar en gewoon hoogleraar. De laatste stap is ‘dóód gewoon hoogleraar’ voegt Bouckaert eraan toe en hij hoopt dat die laatste benoeming nog even op zich laat wachten. De weg van assistent naar hoogleraar is er een bezaaid met voetangels en wolfksklemmen, en benoemingen hangen evenzeer af van kantoorgekonkel als van academische verwezenlijkingen. De hoofdstukken daarover lezen als een vermakelijke campus novel.
     Inzake politieke overtuiging dan is Bouckaert meer dan één keer van kamp veranderd. Begonnen als rechts-katholiek werd hij aan de universiteit links-katholiek, dan radicaalsocialist, dan sociaaldemocraat om ten slotte rust te vinden bij het libertarisme – ook klassiek liberalisme genoemd. Die laatste overtuiging is hij trouw gebleven, al was hij achtereenvolgens lid van VLD, N-VA, LDD en dan weer N-VA. Wel stelde hij zich pragmatisch op en begreep hij dat in de politiek de beste én de tweedebeste keuze meestal ‘niet haalbaar’ zijn. Vaak gaat het erom de vierdebeste keuze te laten zegevieren over de vijfdebeste, en als dat gelukt is, kun je met recht en reden verzuchten: autant de gagné sur l’ennemi.
     Een van de aantrekkelijke eigenschappen van Bouckaert is zijn eerlijkheid. Hij komt er rond voor uit dat hij met grote tegenzin examens afneemt, trucjes verzint om het aantal mondelinge examens te beperken en dat hij op het einde van een examendag humeurig kan uitvallen tegen studenten. Als hij dan ziet dat ze schrikken, schrikt hijzelf ook en biedt zijn excuses aan. Toen hij assistent was van professor Calewaert, een hevige socialist, en bij hem doctoreerde, zorgde hij ervoor dat zijn eigen libertarische overtuiging wat onderbelicht bleef. Ook dat erkent hij achteraf. En die keer dat hij in De Morgen werd aangevallen door Yves Desmet antwoordde hij met een nogal onhandig satirisch stuk. In zijn boek geeft hij toe dat hij toen uit verbittering handelde. Dat is het soort toegeving dat je niet elke dag in gedenkschriften tegenkomt.
     Vooral in het eerste deel van het boek, verwerkt Bouckaert enkele aardige anekdotes. Zo moest hij tijdens zijn legerdienst het militair reglement uit het hoofd leren. Een van de regels luidde: ‘De soldaat heeft recht op zijn brood.’ Daar hoorde dan de examenvraag bij: ‘Wat heeft de soldaat op zijn brood?’ Het juiste antwoord was: ‘Recht.’
     In zijn studententijd werd Bouckaert ooit gearresteerd bij een betoging aangaande Vietnam. Hij werd ervan beschuldigd dat hij een politieagent met een ‘pancarte’ had bedreigd. Zo’n ‘pancarte’ waar een slogan op geschilderd is, kan inderdaad een gevaarlijk wapen zijn, afhankelijk van het materiaal waaruit het is gemaakt. Een stuk karton is vrij onschuldig, maar een bord uit stevig betonplex van dertig op vijftig centimer, vastgemaakt aan een stevige stok, dat is een andere zaak, vooral als je dat bord met de scherpe kant laat neerkomen op het hoofd van je slachtoffer. Bouckaert verscheen dus voor de rechtbank en een politieman kwam getuigen dat de student hem had bedreigd met een … met een … pamflet. Bij die verspreking, schrijft Bouckaert nogal droog, veerde advocaat Piet van Eeckhaut recht en wees erop hoe gevaarlijk zo’n papieren ding wel kon zijn.
     Misschien was meester Van Eeckhaut die dag ook kort en droog. Maar wie hem ooit aan het werk geeft gezien, op televisie of in het echt, stelt zich de scène anders voor. ‘Een pamflet! Edelachtbare, een pamflet! Ziedaar het wapen van de crimineel. Ziedaar het wapen van de terrorist! Ziedaar het moordwapen … (grist een blad uit zijn boekentas). Een onschuldig blad papier, edelachtbare, een onschuldig blad papier waarmee je geen geen mus in de tuin, waarmee je geen vlieg op het raam kunt verwonden, laat staan doden! Een blad papier dat een boodschap bevat van vrede en hoop en solidariteit met dat moedige volk in dat verre deel van Azië, dat volk dat alleen in alle rust en vrede zijn rijst wil verbouwen op zijn vruchtbare akkers. En nu wil men ons doen geloven, edelachtbare, dat deze zwaarbewapende agent, opgeleid en gedrild om gangsters en criminelen te bestrijden, dat deze zwaarbewapende agent, zeg ik u, zich bedreigd voelde door dit … (dramatische stilte, toont weer zijn papier) … pamflet? Ik vraag de vrijspraak voor mijn cliënt!’
     Meester Van Eeckhaut is rood aangelopen. Het is niet helemaal duidelijk of hij zo geboren is, teveel gedronken heeft in zijn leven, zo hard zijn best moet doen om niet in de lach te schieten, of dat hij het dramatische talent bezit om naar believen rood te kleuren als hij verontwaardiging wil veinzen.

zaterdag 25 november 2017

Tom Meeuws vs. Bart De Wever

     Bart De Wever heeft dus ‘emotioneel gereageerd’ op het stuk van Tom Meeuws in De Morgen. Zelf heb ik uit dat stuk van Meeuws vooral veel bijgeleerd wat ik eerder niet wist, en met name over stedenbouw. Als ik ooit een wolkenkrabber wil laten neerzetten in Antwerpen, dan zal ik – weet ik nu – een hele procedure moeten doorlopen. Ik zal moeten kijken wat de bouwkundige voorschriften zijn. Mijn bouwplan zal worden beschouwd als schade aan de omgeving die ik moet compenseren door een speciale taks te betalen – de zogenaamde stedenbouwkundige lasten –waarmee dan turnzalen en parken worden gebouwd en aangelegd. En dan zal ik nog een gunstig advies moeten krijgen van de administratie. Als ik dat gunstig advies niet krijg, kan ik nog hopen dat het stadsbestuur een andere beslissing neemt. En als ik dat gunstig advies wél krijg, kunnen bewoners van de omgeving beroep aantekenen bij de provincie.
     ’t Is wat omslachtig, maar de principes zijn redelijk. Schade moet worden gecompenseerd. Verkozenen kunnen ambtelijke beslissingen ongedaan maken. En ook tegen de beslissing van de verkozenen is beroep mogelijk. Wat wil je nog meer? Als het er zo toegaat in Antwerpen, en in andere steden, vind ik dat een prima systeem.
     En Meeuws vindt dat blijkbaar ook, want hij noemt de bovenstaande regeling ‘op zich … een goede zaak’. Maar, zegt hij, het systeem wordt verkeerd toegepast.  Hij gebruikt daarvoor een reeks woorden die veel insinueren zonder iets te bewijzen: ‘perfide systeem’, ‘wie het spel meespeelt, mag meer dan een ander’, ‘geen regels’, ‘willekeur’, ‘wie geld heeft … wordt bediend’.  Meeuws zegt nog net niet dat De Wever en zijn collega’s zich laten omkopen om bouwvergunningen toe te kennen, maar misschien hoopt hij dat precies die gedachte bij de onaandachtige lezer zal blijven hangen.* Of heb ik mij met die laatste opmerking zelf schuldig gemaakt aan insinuatie?

     Meeuws ondersteunt zijn dossier met twee voorbeelden van omstreden bouwplannen: een woontoren in Hoboken en een reeks appartementsgebouwen in Borgerhout. Ik zal daar niets over zeggen. De Wever heeft beloofd dat die bouwdossiers openbaar zullen worden gemaakt en ik heb daar geen probleem mee, zolang ik ze niet moet lezen. Maar dat bouwplannen altijd omstreden zijn, dat wist ik al als kind. Mijn grootouders wilden twee slaapkamers laten bijbouwen, en de buren dienden een dossier in wegens ‘derving van licht en lucht’. In de buurt waar we nu wonen zouden twee percelen worden samengevoegd en op zo’n manier bebouwd dat niet veel meer over zou blijven van onze bosomgeving. Wij hebben daartegen verzet aangetekend en de samenvoeging heeft niet plaatsgevonden. En toen onze vroegere buren een scheidingsmuurtje optrokken van afgedankte pallets heeft het niet veel gescheeld of we hadden de politie erbij gehaald. Dat er dus ook in Antwerpen over bouwplannen geredekaveld wordt, hoeft ons niet te verwonderen.
     Verder schijnt Meeuws bezwaren te hebben tegen hoogbouw in het algemeen, want de bouwprojecten die hij vermeldt gaan over respectievelijk zestien en negen verdiepingen. Dat is een kwestie van smaak. Voor mij kan er niet hoog genoeg gebouwd worden. Ik vind Manhattan de mooiste plek ter wereld. Ik denk nog vaak terug aan die zondagochtend dat ik met mijn toen veertienjarige zoon de grote Avenues van de stad affietste. Een heerlijk gevoel was dat. En ik lees met plezier dat Christian Rapp, stadsbouwmeester van Antwerpen, ook graag in de hoogte denkt. Maar ik woon niet in Antwerpen – ik mag er met mijn oude dieselwagen zelfs niet binnen – en ik maak mij daar dus niet druk over.
     Waar ik mij ondertussen wel druk over maak is de zoveelste onnadenkende en onsamenhangende commentaar in mijn Nieuwsblad. Peter Mijlemans vat de opinie van Meeuws als volgt samen: ‘Het huidige bestuur verkoopt de stad uit aan de hoogste bieder.’ Hij vindt dat ‘gechargeerd’ en ‘niet altijd correct’. Maar de reactie van Bart De Wever vindt Peter ook ‘gechargeerd’ want: ‘Niemand heeft zijn integriteit in vraag gesteld. Een schijn van partijdigheid wel.’ Wat is dat nu voor een zin, die laatste zin? Heeft die ‘schijn van partijdigheid’ nu iets in vraag gesteld, of werd ze zélf in vraag gesteld? Eén ding is zeker: ze was niet het onderwerp van Meeuws zijn stuk.** Dàt, tenminste, zou duidelijk moeten zijn.

     Zó. Nu heb ik ook eens emotioneel gereageerd.

_______________

 * Mocht de onaandachtige lezer nog twijfelen, dan is Meeuws ook bereid om het duidelijker te formuleren zoals hier: “Wie met een zak geld het bureau van schepen Rob Van de Velde binnenwandelt, kan in Antwerpen alles gedaan krijgen.” Over de banden die Tom Meeuws zelf onderhoudt met de bouwsector, zie hier.
 
** De ‘schijn van partijdigheid’ kwam wél ter sprake in de eerdere klacht van Groen tegen het stadbestuur. Maar die ging over een heel andere vraag, namelijk, of leden van het stadsbestuur naar bepaalde feestjes mochten gaan. Of is dat voor Mijlemans allemaal zo ongeveer een beetje hetzelfde?

zaterdag 18 november 2017

Bart Eeckhout over de 'relletjes'

      Met het kopje hierboven heb ik u, beste lezer, bij de neus genomen. Bart Eeckhout heeft van de week in De Morgen twee stukjes (hier en hier) geschreven over het Brusselse straatgeweld en hij heeft daarbij niet, zoals De Standaard de week ervoor (hier), het vergoelijkende woord ‘relletjes’ gebruikt. Bart Eeckhout gebruikt net heel flinke taal: de gewelddadige jongeren zijn ‘idioten’, ‘asociale onruststokers’ en ‘crapuultjes’. Hij gebruikt nog net niet de ruwe term ‘kutmarokkanen’ die in de kolommen van Het Laatste Nieuws verscheen. Eeckhout heeft de gouden regel begrepen: als je slappe praatjes in de aanbieding hebt, kun je beter sterke woorden gebruiken.
     Eeckhout behandelt in zijn twee stukjes de vraag wat de overheid moet doen om het straatgeweld te bestrijden. Politieoptreden en gevangenisstraf zijn volgens hem niet voldoende. ‘Die overheid,’ schrijft Eeckhout ‘kan niet garanderen dat jongeren zich gedragen … Maar ze kan bijvoorbeeld wel het recht op degelijk onderwijs garanderen.’
     Ordehandhaving en onderwijs, ’t is een oude kwestie en ik kom er nog op terug. Maar zoals Eeckhout ze formuleert, haalt hij beleid en garantie op succes door elkaar. De overheid kan wel politie op straat sturen, maar ze kan niet garanderen dat de crapuultjes zich daardoor laten afschrikken, en de overheid kan ook wel onderwijs aanbieden, maar ze kan evenmin garanderen dat dat onderwijs degelijk is.
     Eeckhout schrijft dat in veel Brusselse scholen ‘deplorabele’ toestanden heersen. Kinderen worden naar een school gestuurd waar ‘het onderbemande en onderbetaalde onderwijspersoneel … dweilt met de kraan open’. Daar klopt niets van, behalve dat van de dweil en de kraan. Kinderen worden niet naar zo’n school ‘gestuurd’ want ons land heeft gelukkig vrije schoolkeuze.* Onderbetaald en onderbemand? Er zullen heus wel financieringsproblemen zijn maar het onderwijspersoneel wordt in die scholen geloof ik hetzelfde betaald als in andere scholen en er zullen ook wel evenveel leraren zijn per aantal leerlingen.
     U hebt mij niet horen zeggen dat die ‘deplorabele’  toestanden in de Brusselse scholen niet bestaan. Die bestaan juist wel. En de oorzaak ligt, vrees ik, bij dezelfde crapuultjes die de straat onveilig maken. Zelf zou ik in zo’n school geen les willen geven, al bood men mij een miljoen en al plaatste men, om ook het probleem van de onderbemanning op te lossen, een co-teacher naast mij. Mocht men in zo’n school een ijzeren tucht willen en kunnen afdwingen, dan wil ik het overwegen, maar daar zal meer voor nodig zijn dan extra financiële middelen.

     Eeckhout schrijft dat gepast repressief optreden tegenover de jonge geweldenaars het ‘gemakkelijke deel’ van de opdracht is. Waar haalt hij dat toch vandaan? De laatste weken hebben net laten zien dat dat ‘deel’ helemáál niet gemakkelijk is. Snel ter plaatse zijn met voldoende politiemensen, ter plaatse oppakken van minderjarige geweldplegers, snelle en efficiënte straffen uitspreken– het stelt allemaal ernstige problemen op het bestuurlijke, juridische en menselijke vlak. Wetgeving moet worden aangepast. Strafinstellingen moeten worden bijgebouwd of omgevormd en vernieuwd. En dan moet de PS-burgermeester mee willen werken en dient er ook nog eens een politieke consensus te worden gevonden met oppositiepartijen als CD&V.
     Ik wil Eeckhout zijn standpunt niet verkeerd voorstellen. De man pleit niet tégen politieoptreden en uitsluitend vóór meer geld naar de scholen. Politieoptreden en welvarende scholen zijn allebei belangrijk, schrijft hij. ‘Laten we niet in de luie redenering trappen dat de ene beleidskeuze de andere uitsluit.’ Maar ook hier is weer van alles fout. Je kunt ten eerste niet in een redenering ‘trappen’.** Er is ten tweede niemand die de redenering aanhangt. En ten slotte, mocht al iemand die redenering aanhangen: zij is zeker niet ‘lui’. Het is net ‘lui’ om géén keuzes te maken en géén rangorde vast te leggen.
     Ik weet niet of Eeckhout lui is. Hij heeft in elk geval op het vlak van geweldbestrijding zíjn rangorde uitgekiend. Bij die rangorde is  repressie noodzakelijk, maar krijgt onderwijs de voorrang. Degelijk onderwijs staat voor preventie, betekent winst op de lange termijn en is de kerntaak van de overheid. Dat zijn goede argumenten, maar onvoldoende om de vraag van de voorrang te beslechten. Tegen alle drie valt immers wel iets in te brengen. Misdaadpreventie door onderwijs –  akkoord, maar een streng strafbeleid heeft ook al menig aankomend straatboefje afgeschrikt. Onderwijs efficiënter op de lange termijn – misschien, maar die lange termijn is nogal speculatief nu blijkt dat integratieproblemen met allochtonen generatie na generatie erger worden. Onderwijs als kerntaak van de overheid – mja, maar er zijn lange periodes in de geschiedenis geweest dat onderwijs werd verstrekt door private of kerkelijke organisaties. Dat is voor repressieve ordehandhaving slechts uitzonderlijk het geval geweest.

     De twist over het beste middel tot misdaadbestrijding is al lang aan de gang. In 1834 bijvoorbeeld zei Victor Hugo dat Frankrijk de lonen van zijn tachtig  beulen beter zou gebruiken om zeshonderd leraren te betalen.*** Dat zou het beste middel zijn om misdaad en prostitutie te voorkomen. Wie weet? Ik ben zelf erg blij dat we in een land leven met meer leraren dan politiemannen. We besteden gelukkig veel meer middelen aan onderwijs dan aan ordehandhaving. Maar als het op ordehandhaving aankomt, geloof ik dat het zwaartepunt toch het beste ligt ... bij ordehandhaving.

 _____________
 
* Als bijna alle Franstalige scholen in Brussel ‘deplorabel’ zijn, en dat kan best, dan blijft er in de praktijk van die vrije schoolkeuze niets meer over. Dàt is natuurlijk wél waar.

** Ook elders gaat Eeckhout creatief om met de taal. ‘Natuurlijk treffen leerkrachten geen schuld,’ schrijft Eeckhout. Is de opiniërende hoofdredacteur van mening dat die leerkrachten het onderwerp van de zin uitmaken in plaats van het lijdend voorwerp? Of wil hij Mia Doornaert jennen die laatst voor die fout waarschuwde op de televisie en daarna nog eens in De Standaard? ’t Is mogelijk. Maar verder schrijft hij ook: ‘Natuurlijk treffen scholen daar geen verantwoordelijkheid.’ Welja: ik tref geen verantwoordelijkheid, jij treft geen verantwoordelijkheid, wij treffen geen verantwoordelijkheid ... Onze taal is in voortdurend in beweging. (Met dank overigens aan Herman Jacobs die mij wees op enkele taalfoutjes in míjn stukje.)


*** Tachtig … zeshonderd … dat is een behoorlijke loonkloof.


Dit stukje werd ook geplaatst op Doorbraak.

zondag 25 juni 2017

De samenzwering van Yves Desmet


     Je bent een brave linkse jongen of een brave linkse meid. Militairen ‘in het straatbeeld’ doen je aan rechtse dictaturen denken. Je wil ze zo snel mogelijk weg. Je vindt ook dat het gevaar voor islamistische aanslagen erg wordt overdreven, zeker vergeleken met de onveiligheid in het verkeer. En dan gebeurt er tóch weer een aanslag, dit keer in Brussel-Centraal. Die mislukt weliswaar, maar ’t is toch een aanslag. En de terreurzaaier wordt ter plekke doodgeschoten door een aanwezige militair.
Wat nu?
      Yves Desmet, de vroegere hoofdredacteur van De Morgen, laat zien hoe je de zaak in zeven ‘tweets’ naar je hand kunt zetten. Ik citeer ze even.

  1. Militair heeft vrij duidelijk uit wettige zelfverdediging gehandeld.
  2. Er zijn weinig momenten dat er minder volk in Brussel Centraal aanwezig is dan op het moment van de aanslag.
  3. De ontsteker ontplofte, de bom niet. Omdat de dader een prutser is, of net niet?
  4. De militairen hebben de ontploffing niet verijdeld, die was al gebeurd vóór hun ingrijpen.
  5. De dader loopt na de mislukte ontploffing, blijkbaar toen ongewapend, op de militairen af.
  6. De dader is bekend voor zedenfeiten, niet voor radicalisering. Gefrustreerd dus.
  7. Maakt dat alles de hypothese van ‘suicide by cop’ niet minstens het onderzoeken waard?
     Punten 1, 4, 5 en 6 zijn niks speciaals. Wettige zelfverdediging –  ja natuurlijk. Aanslag niet verijdeld – nee, eigenlijk niet. Dader liep ongewapend op de militairen af – ja, zo staat het in de krant. Dader niet bekend om zijn radicalisering – nee, toch niet vóór de aanslag. Dat staat allemaal min of meer vast. Daar hebben we Desmet niet voor nodig.
     Bij punt 3 wordt uit een ander vaatje getapt. Waarom is de bom niet ontploft? Het maken van een goede TATP-bom schijnt nogal moeilijk te zijn en onze terreurzaaier heeft het verprutst. Dat is wat we in gewone kranten lezen. En Desmet lijkt hierin mee te gaan. Een prutser – zeker dat kan, maar dan voegt hij er, na een dramatische komma, aan toe: ‘Of net niet?’ Het doet denken aan een populair Amerikaanse tv-programma over de Vierde Dimensie, waar om de zoveel minuten een voice-over zegt: just a coincidence – or is it? Waardoor we ook weer met andere ogen kijken naar het tijdstip van de aanslag (punt 2) –  een moment dat er weinig volk in het station aanwezig was. Alweer: just a coincidence – or is it?
     Desmet werkt toe naar zijn uiteindelijke vraag: ging het hier niet om een ‘suicide by cop’? Moet dat niet eens onderzocht worden? In één betekenis is die veronderstelling meer dan redelijk. De terreurzaaier had inderdaad verwacht als eerste dood te zijn. Daarom noemen we zulke mensen ook zelfmoordterroristen. En toen dat niet lukte moest het maar anders: op de politie afstormen om zich te laten neerschieten en zo alsnog als martelaar naar de moslimhemel te gaan.
    Maar Desmet suggereert meer. Door zijn suicide-by-cop vast te haken zowel aan het verkeerde tijdstip als aan de niet- ontploffing van de bom, lijkt Desmet te zeggen dat de dader helemaal geen aanslag wou plegen. Dat de reiskoffer en de springstof en de dodelijke spijkers en het ontstekingsmechanisme en de kreet Allahu Akbar niets meer dan een vertoning waren, een onderdeel van een ingewikkeld plan om zichzelf te laten neerschieten door een militair. Omdat de brave man niet wilde dat er ook andere slachtoffers vielen, zorgde hij ervoor dat de bom niet ontplofte. En om helemaal zeker te zijn koos hij een tijdstip dat er weinig volk was in het station. Het was allemaal één grote samenzwering met deze bijzonderheid: dat er maar één samenzweerder was.*
     Dat schrijft Desmet allemaal niet. Dat heb je met samenzweringstheorieën. Het blijft bij vragen, suggesties, verdachte omstandigheden, toevalligheden die geen toeval kunnen zijn, ‘niets is wat het lijkt’ … En dat maakt het ook zo vermoeiend om die theorieën te lezen.** Je weet nooit waar men eigenlijk naartoe wil, terwijl duidelijk maken waar je naartoe wil een van de eerste regels van helder schrijven is.
     Mooier zou zijn als de opstellers van samenzweringstheorieën te werk zouden gaan volgens de bekende wetenschappelijk methode: beginnen met een zo eenduidig mogelijke werkhypothese. Desmet bijvoorbeeld had in zijn ‘tweet’-reeks kunnen schrijven: ‘De man in Brussel-Centraal wou geen aanslag plegen. Zijn enige doel was zich te laten neerschieten door een militair.’ Dan had het parket ten minste geweten wat het moest onderzoeken.

* Op de sociale media vind je in verband met Brussel-Centraal ook uitgebreider samenzweringstheorieën. Zo lees je dat Oussama Zariouh werd doodgeschoten omdat hij anders misschien de Waarheid aan het licht zou brengen.
** Behalve natuurlijk in de spionageromans van John le Carré

zaterdag 26 december 2015

200 000 keer dodelijker dan terreur

De immer rationele Mr. Spock van Star Trek
     Wat lezen we nu weer op DeMorgen.be? ‘In België – en elders in de wereld – is de kans dat je door een auto van de weg wordt gemaaid zo’n 200 000 keer groter dan dat je sterft in een zelfmoordaanslag. Zou het kunnen dat we ons van vijand vergissen?’ Aan het woord is Tine Hens, columniste van MO. Tine kiest, net als Flaubert, haar woorden erg zorgvuldig: verkeersslachtoffers worden ‘weggemaaid’ en terreurslachtoffers ‘sterven’. Zo is dat.
     Ik vind het eerlijk gezegd een beetje raar dat de verhouding tussen de twee soorten slachtoffers ‘in België’ en ‘elders in de wereld’ dezelfde is. Maar waarschijnlijk heeft Tine een soliede statistische berekening uitgevoerd op grond van soliede cijfers. Aangezien ik zelf niets afweet van chi kwadraat, stochastische variabelen en de binomiale verdeling zal ik mijn cijfers simpel houden. In Frankrijk zijn dit jaar zo’n 3000 mensen in het verkeer omgekomen en, als ik juist geteld heb, 150 mensen bij terroristische aanslagen. Het aantal slachtoffers door het verkeer is dus 20 keer groter dan het aantal slachtoffers door terreur. Dat was in 2015, in Frankrijk, dat ook ‘elders in de wereld’ ligt.* Voor alle duidelijkheid, ik durf die ‘200 000 keer groter’ van Tine niet zomaar in twijfel trekken. Misschien is het cijfer ‘elders in de wereld’ wel juist. Maar mijn bescheidener ‘20 keer groter’ is in elk geval ook juist. Ik heb het een paar keer nagerekend om zeker te zijn.    
     Onbegrijpelijk is dat Tine na die ‘200 000 keer groter’ afdaalt naar andere vergelijkingen die heel wat minder opzien baren. De kans dat een haai je verscheurt is 5 keer groter, dat een meteoriet op je hoofd valt 80 keer groter en dat je wordt neergebliksemd 147 keer groter, dan dat je ‘sterft’ bij een aanslag**. Ook maagkanker wordt vermeld, maar daar geeft Tine geen precieze cijfers van.
     Zou Tine echt zo’n Mrs. Spock zijn met puntige oren, die alle mogelijke rampen berekent die het mensdom in België en ‘elders in de wereld’ bedreigen, en ze daarna koel tegenover elkaar afweegt? Zelf heb ik meer een reptielenbrein dat alarm slaat bij de minste gedachte aan agressie – ik ben vooral bang van mannen met messen. Andere vormen van gevaar echter – verdrinken in een zwembad, een botsing met overstekend wild – neem ik heel wat stoïcijnser op. Maar laat ik voor één keer proberen mijn reptielenbrein te bedwingen en mij, zoals Tine, op het zuiver rationele vlak begeven.
     Tine stelt eigenlijk de al bij al redelijke vraag of we niet meer mensenlevens kunnen redden als we de inspanningen die we nu leveren om terreur te bestrijden zouden stopzetten en de daardoor vrijgekomen middelen zouden besteden aan veiliger verkeer. Ik ben daar nog niet zo zeker van.
     Ten eerste is er voor het verkeer al heel veel gebeurd. Je kunt allerlei maatregelen nemen om de verkeersveiligheid te verhogen: bredere straten, smallere straten, verlichting aan, verlichting uit, meer verkeersborden, minder verkeersborden, opvallende affiches langs de weg, geen opvallende affiches langs de weg, snelheidsbeperking, meer verkeersboetes, hogere verkeersboetes, snellere verkeersboetes, gevangenisstraffen, verkeerslessen op de scholen, veiliger auto’s, verplichte veiligheidsgordels, rijbewijs met punten, rijverbod voor jongeren, rijverbod voor bejaarden, rijverbod voor verstrooide chauffeurs ... en veel van die maatregelen zijn al genomen. Daardoor is, bijvoorbeeld in ons land het aantal verkeersdoden teruggebracht tot één vijfde van wat het was in 1972***. Het is best mogelijk om dat getal nog verder te laten dalen, maar het zal vanaf nu toch behoorlijk moeilijk worden en heel veel middelen vergen. Tine stelt voor om het aantal dodelijke verkeersslachtoffers in ons land van 640 per jaar naar nul per jaar terug te brengen. Ze verwijst daarbij naar een boek van Thomas More (1478-1535) over een verzonnen land, Utopia, hoewel in dat land, als ik mij niet bedrieg, geen auto’s voorkwamen. Als we echt nul verkeersslachtoffers willen, blijven we beter met ons allen thuis. Dan zijn er geen middelen meer nodig voor de verkeersveiligheid. En dan zullen de terroristen ook geen grote aanslagen meer kunnen plegen. Dat is mooi meegenomen.
     Er is een tweede argument. Bij terreur lijkt mij het aantal werkelijke slachtoffers minder belangrijk dan het aantal mogelijke slachtoffers. Als een aanslag verijdeld wordt, weet je niet hoeveel slachtoffers hadden kunnen vallen. En ook dat is niet het belangrijkste. Belangrijker nog zijn al die aanslagen die de terroristen niet eens hebben kunnen plannen – door gebrek aan beweegruimte.  Het gaat om al die vliegtuigen die niet gekaapt werden en nergens op invlogen. Daarvoor waren nodig: pascontroles, bagagecontroles, metaaldetectoren, lijsten van verdachte personen maar ook camera’s, afluisterapparatuur, check points, bewakingsopdrachten, infiltratie, spionage, enzovoort.
     Bekijk het zo. Wat zou er gebeuren in een stad als Parijs als elke terrorist, ongehinderd door politieagenten of andere ordehandhavers, zich vrij zou kunnen bewegen op straat, met zijn bommengordel goed zichtbaar boven zijn jas?  Hoeveel aanslagen zouden er dan plaatsvinden? Hoeveel slachtoffers zouden er dan vallen? Vijfhonderd? Duizend? Tienduizend? Wat zou er bijvoorbeeld gebeuren als inspecties op de luchthavens werden afgeschaft om de controleurs en controleuses in te zetten bij de zebrapaden****? Zouden daardoor meer mensenlevens gered worden dan er verloren gaan? Ik zou in elk geval niet vaak het vliegtuig nog nemen.


* Ondertussen heb ik de cijfers voor ‘elders in de wereld’ wel. In 2015 was de wereldwijde kans van om te komen in een auto-ongeluk 30 keer groter dan die van te sterven door een terroristische aanslag. Zie Pinker (2018), Enlightenment Now, p. 192-193.
** Ik wil niet aan intentieproces doen, maar het lijkt wel of die vergelijkingen met mensenverscheurende haaien en neervallende meteorieten alleen dienen om de terreurdreiging als sterk overdreven voor te stellen. Ook al omdat volgens het stuk de aanstichters van die dreiging ‘uit vuilnisbakken, kasten en van achter struiken’ moeten worden getild. Daarmee wordt de hele kwestie als een wel erg denkbeeldig gevaar voorgesteld.
*** Gedaald van 3.101 in 1972 tot 640 in 2016. Het Nieuwsblad, 21 maart 2017.
**** Tine brengt – in alle ernst? – die bewaking van zebrapanden tot twee keer toe ter sprake.




 

zaterdag 21 november 2015

An en Liesbeth en de terroristen

U = universele verzameling; L = ledige verzameling;
V = vluchtelingen; M = meereizenden ; T = terroristen
Met dank aan Marc Vanfraechem
 
    Ik zou niet graag, in het kader van een opinieonderzoek, moeten antwoorden op de vraag of er, naar mijn mening, een verband bestaat tussen de vluchtelingenstroom uit het Midden-Oosten aan de ene kant en de terreurdreiging in Europa aan de andere kant.
     ’t Is ook zo’n moeilijke vraag. Ik zag een paar keer op de sociale media de boodschap opduiken: ‘Do you not realise these terrorist acts are what the refugees are trying to run away from?’ Dat is een heldere redenering. De mensen die uit het Midden-Oosten naar hier komen, zijn op de vlucht voor het terrorisme. Ergo – dat is Latijn voor ‘dus’ – het zijn zelf geen terroristen. Met de joden die vluchtten uit nazi-Duitsland was het net zo: daar waren ook weinig nazi’s bij. De regel lijkt wel algemeen toepasbaar.
     Daartegenover staat dat een klein aantal uitzonderingen op de algemene regel meteen dramatische gevolgen kan hebben. Als op een vluchtelingenstroom van één miljoen – en dat is toch de orde van grootte waarover we spreken – als dus op een vluchtelingenstroom van één miljoen een tiende procent wel terreurzaaiers zijn, dan hebben we er onmiddellijk duizend bommengordeldragers en Kalasjnikovschutters bij. En de negenennegentig komma negen procent brave vluchtelingen die bij aankomst geen terrorist zijn, daarvan kunnen enkelen dat later nog altijd worden. Wie weet zijn zij na enige tijd in Europa niet meer tevreden met de manier waarop zij hier ‘worden opgevangen’. Misschien raken ze het noorden kwijt door al die mooie vrouwen op straat, met loshangende haren en korte rokjes. Misschien lezen ze in de kranten of horen ze op de televisie dat ze hier ‘onvoldoende kansen krijgen’. Zowel onvoldoende kansen krijgen als voortdurend moeten horen dat je onvoldoende kansen krijgt, zijn geen van de twee goed voor een evenwichtig gevoelsleven. En ten slotte: misschien gaan onze brave vluchtelingen in Molenbeek wonen, krijgen ze ongure of al te vrome vrienden en komen ze op het slechte pad.
     Ja, de vraag naar het verband tussen vluchtelingen en terrorisme is een moeilijke vraag.
     Goddank hebben we onze landelijke pers om zulke moeilijke vragen te ‘duiden’. In De Morgen van 16 november bijvoorbeeld schreven de twee hoofdredactrices An Goovaerts en Liesbeth Imbo samen een  lang hoofdartikel waar, tussen alle goede raad aan de bewindvoerders door, een heuse parel verborgen ligt. Mijn dank gaat uit naar Marc Vanfraechem die op Facebook de aandacht trok op het stukje dat ik hier even woordelijk aanhaal1. Zet uw bril nu maar eens op, want het is waarachtig de moeite waard.

“Het hele Midden-Oosten wordt dagelijks opgeschrikt door terroristische aanslagen en oorlogsmisdaden. Honderd procent van de vluchtelingen ontvlucht dit geweld. Terroristen die met hen meereizen zijn geen vluchtelingen. Vluchtelingen zijn dan ook geen terroristen.”
      
     Is dat niet heerlijk? Het hele Midden-Oosten. Dat gaat dus om Bahrein, Egypte, Irak, Iran, Israël, Jemen, Jordanië, Koeweit, Libanon, Oman, Palestina, Quatar, Saoedi-Arabië, Syrië, Turkije en de Verenigde Arabische Emiraten. En in die landen worden de inwoners dagelijks opgeschrikt door terroristische aanslagen en oorlogsmisdaden. Ik denk dat een krant als De Morgen daar niet dagelijks over bericht, en ik denk vooral dat de An en Liesbeth een beetje overdrijven om hun boodschap duidelijk te maken: het is daar in die verre, vreemde landen niet pluis. Als je de hyperbool erbij neemt, dan kun je hen eigenlijk niet eens ongelijk geven. En wie zich niet kan verzoenen met hyperbolen als stijlfiguur, leest beter geen hoofdartikels in De Morgen.
      Dan het volgende zinnetje. Honderd procent van de vluchtelingen ontvlucht dit geweld.’ Kijk, dat vind ik prijzenswaardig. Je hoort en leest zo vaak stiekeme veralgemeningen waarbij je vanzelf de honderd-procentvraag stelt. Hollanders zijn gierig! Honderd procent van de Hollanders? Gallië werd veroverd door Caesar! Heel Gallië? Moslims zijn onverdraagzaam! Alle moslims? Nu krijgen we voor één keer een veralgemening die er rond voor uitkomt. Honderd procent van de vluchtelingen? Jawel hoor, honderd procent! Daarmee is de vraag beslecht of zich onder de vluchtelingen ook niet een paar economische exemplaren bevinden. Neen dus. Helemaal niemand? Helemaal niemand! Toch hadden An en Liesbeth de zaken nog scherper kunnen stellen om ook onze laatste onzekerheden weg te nemen. Wat had je gedacht van: ‘Honderd procent van de vluchtelingen komt naar hier om redenen die honderd procent met oorlogsgeweld te maken hebben.’ De zin is een beetje zwaar, maar daarmee is nu zonneklaar dat alle economische, sociale of juridische overwegingen bij dat vluchten zijn uitgesloten.
    De daaropvolgende zin van An en Liesbeth luidt: ‘Terroristen die met hen meereizen, zijn geen vluchtelingen.’ Dat is een aanvaardbare theoretische stelling, uitgaande van een aanvaardbare definitie van ‘vluchteling’ (op de vlucht voor geweld) en ‘terrorist’ (op zoek naar geweld). Maar helaas, met definities win je geen oorlog. Als je de praktische vraag stelt: ‘Zijn er onder de vluchtelingen ook terroristen?’, dan word je met een cirkelredenering en een kluitje in het riet gestuurd. Er zijn geen terroristen onder de vluchtelingen, want de terroristen onder de vluchtelingen zijn geen vluchtelingen2.  Tja ... Een van de terreurzaaiers in Parijs is onder de vermoedelijk valse naam Ahmad Almuhammad vanuit Syrië, over Griekeland, Frankrijk binnengekomen. Ja, maar dat is geen echte vluchteling, zeggen An en Liesbeth. ’t Is waar hoor!
     Alles wat we tot hiertoe hebben opgesomd –  een overdrijving, een veralgemening, een cirkelredenering – niets daarvan verklaart het onmiskenbare plezier dat u, lezer, en ikzelf hebben beleefd toen we het aangehaalde stukje van An en Liesbeth lazen. Het is het laatste zinnetje dat het geheel afmaakt. De kers op de taart. ‘Terroristen zijn … geen vluchtelingen. Vluchtelingen zijn dan ook geen terroristen’. Het verrukkelijke dan óók moet hier onderscheiden worden van het minder interessante dán ook.  Veronderstel dat ik zeg: ‘Als ik met pensioen ga, haal ik mijn boekbindmateriaal weer boven. Ik zal dán ook wat vaker de hoofdartikels in De Morgen lezen.’ Ik heb tussen dat boekbinden en die hoofdartikels geen enkel oorzakelijk verband gelegd. Maar wanneer ik zeg: ‘Als gepensioneerde zal ik wat vaker de hoofdartikels in De Morgen lezen. Ik zal dan óók een plezierige oude dag beleven,’ dan leg ik zo’n oorzakelijk verband wel. An en Liesbeth leggen met hun dan óók een oorzakelijk verband tussen de stelling ‘dat terroristen geen vluchtelingen zijn’ en ‘dat vluchtelingen geen terroristen zijn’. Het is alsof je zegt: ‘Honden zijn geen katten; katten zijn dan ook geen honden.’ ‘Journalisten zijn geen ezels; ezels zijn dan ook geen journalisten.’. ‘Rechthoeken zijn geen vierkanten; vierkanten zijn dan ook geen rechthoeken.’ Sommige van die mededelingen zijn juist en andere zijn fout, maar dat heeft er allemaal niets mee te maken. Bij dat dan ook  moet ik  onwillekeurig glimlachen. Telkens weer.
      
1 Voor een meer wiskundige benadering van het stukje van An en Liesbeth, verwijs ik naar het Facebookbericht van de immer scherpe Marc Vanfraechem die met een keurig Venndiagram klaarheid heeft geschapen in de materie. De 'draad' die erop volgt laat zien dat de duizelingwekkende paradoxen van An en Liesbeth de specialisten nog lange tijd hoofdbrekens zullen bezorgen.
2 Het ware overigens beter geweest als de terroristen onder de vluchtelingen geen terroristen waren geweest.