Posts tonen met het label Nixon. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Nixon. Alle posts tonen

maandag 9 mei 2022

Poetin: rationeel of madman?

 


      Vandaag lees ik in Het Nieuwsblad een stuk over Abbas Gallyamov, een ex-speechschrijver van Poetin. De man voorspelt dat Poetin vandaag een nucleair ultimatum zal stellen. Ik ben benieuwd of die voorspelling zal uitkomen.
    Ik hou wel van die ex-speechschrijvers. Ik heb indertijd veel geleerd van de memoires van Peggy Noonan, een ex-speechschrijfster van Ronald Reagan. Ik haalde haar altijd aan in de klas, als ik over ‘de redevoering’ sprak. Noonan had de gewoonte om tijdens het schrijven van een speech – een karwei dat weken kan duren – urenlang jambische verzen te lezen. Dat leek mij erg slim. Een goede, moderne redevoering moet een jambisch karakter hebben. Vergelijk maar eens bij Shakespeare de redevoering van Brutus, naar het klassieke voorbeeld van Cicero, met de moderne aanpak van Marcus Antonius, die van de hak op de tak springt, maar alles mooi aan elkaar lijmt door het meeslepend metrum.
     Toch overheerste een gevoel van spijt toen ik het stuk in Het Nieuwsblad las. Het stelt de vraag in hoeverre we Poetins dreigementen als een madman strategy moeten bekijken. Ik had daar gisteren nog van alles over opgezocht om daar een stukje over te schrijven en nu is de auteur van Het Nieuwsblad, Peter Mijlemans nota bene, mij voor. Hij legt correct uit hoe Nixon tijdens de Vietnamese oorlog met opzet de indruk gaf van irrationeel en impulsief te reageren, zodat de communistische vijand zich verzoenend zou opstellen om een nucleair conflict te vermijden. Nixon verklaarde aan zijn stafchef Haldeman: ‘I call it the Madman Theory, Bob. I want the North Vietnamese to believe I've reached the point where I might do anything to stop the war. We'll just slip the word to them that, "for God's sake, you know Nixon is obsessed about communism. We can't restrain him when he's angry—and he has his hand on the nuclear button" and Ho Chi Minh himself will be in Paris in two days begging for peace.’
    Anti-Amerikaans links schreef toen gretig dat Nixon de wereld ‘op de rand van een kernoorlog’ bracht, en het was precies die indruk die de president wilden wekken. In werkelijkheid dácht hij er niet aan om een nucleaire escalatie op gang te brengen waar hij zelf het slachtoffer van kon worden. Tussen twee haakjes: Mao kon er ook iets van. Die liet herhaaldelijk optekenen dat hij niet bang was van een kernoorlog. Er waren toch – in die tijd – 600 miljoen Chinezen. Als er daarvan 300 miljoen omkwamen bleven er nog 300 miljoen over om zegevierend het socialisme op te bouwen.
     Er is aan die historische parallel één nadeel.  Terwijl we van Nixon ongeveer weten wat zich indertijd in zijn hoofd afspeelde, weten we dat niet van Poetin nu. Zijn extravagante praatjes over ‘Oekraïne bevrijden van de neonazi’s’ en zijn bespottelijk lange onderhandelingstafel lijken inderdaad die van een madman? Maar is die indruk juist? Is Poetin gek, of speelt hij voor gek, zoals Hamlet doet in dat toneelstuk en zoals Macchiavelli als wijs beleid aanprijst in de Discorsi? Er is een groot verschil tussen een kernoorlog beginnen – wat irrationeel en waanzinnig zou zijn – en een kernoorlog in het vooruitzicht te stellen – wat weliswaar gevaarlijk, maar helemaal niet waanzinnig of irrationeel hoeft te zijn.
     Professor Goddeeris, die anders wel ‘begrip’ wil opbrengen voor het Russische standpunt, heeft Poetin al verschillende keren ‘irrationeel’ genoemd. In De Standaard van 3 maart schreef hij: ‘Moskou is onverwachte dingen aan het doen … Poetin waagt zich aan een oorlog die hij niet kan winnen. Bij zoveel irrationaliteit moeten we escalatie vermijden.’
     Nou ja, onverwachte dingen… Goddeeris had de brutale agressie niet voorspeld, dat geef ik toe, maar gewezen schaakkampioen en politiek opposant Gari Kasparov voorspelde zo’n evolutie al in 2015 in zijn boek Winter is Coming. Ook is niet duidelijk waarom Poetin de oorlog niet kan – of kon – winnen. Door de westerse militaire steun aan Oekraïne is dat nù misschien zo, maar juist die substantiële westerse steun kwam nogal ‘onverwacht’. Van Amerika weet je nooit op voorhand welke reflex zal overheersen: de imperiale of de isolationistische. En wat kon Poetin van het slappe Europa verwachten? Veel geblaat en weinig wol? Ook Goddeeris had verwacht dat de ‘progressieve krachten’ – sociaaldemocraten en groenen – zich tegen wapenleveringen zouden verzetten en ze dus onmogelijk zouden maken.
     Wat Europa betreft heeft Poetin zich misrekend. Hij heeft zowel het humanitarisme als de folie des grandeurs van de Europese leiders onderschat. Dat humanitarisme, zul je zeggen, is faciel en hypocriet en die folie des grandeurs belachelijk en stuitend. ’t Is waar. Maar ondertussen doen de Oekraïense strijdkrachten er hun voordeel mee en moet Poetin op zoek naar een oplossing. Misschien kan hij zich spiegelen aan Nixon’s ‘peace with honor’, wat geloof ik, uiteindelijk op een algehele terugtrekking van zijn troepen neerkwam. ’t Is een te volgen voorbeeld.

woensdag 28 maart 2018

Onverdraagzaam links, verdraagzaam rechts?

Links stelde een petitie op tegen de Peruaanse econoom De Soto
     In de politiek van vandaag is links, geloof ik,  onverdraagzamer dan rechts. Ach, zo heeft iedereen wel wat. Misschien is rechts wel banger, of ongevoeliger, of hoogmoediger. Maar die onverdraagzaamheid, die zit meer aan de linkerkant. Thomas Sowell vertelt in zijn memoires dat een linkse vriend met hem brak omdat hij zelf, Sowell dus, rechtse opvattingen ontwikkelde. Zelf had Sowell nooit zo’n breuk overwogen. In Duitsland rijst protest als een rechtse uitgever een boekenstandje neerzet op de beurs van Leipzig of Frankfurt. Over linkse boekenkramen maakt niemand zich druk. Op universitaire campussen in Amerika bestormt radicaallinks de podia om rechtse sprekers te verjagen. Zelf kunnen ze met hun vriendjes zogenaamde safe-spaces inrichten zonder dat iemand die onnozele vrijetijdsbesteding komt verstoren.
     Of neem een voorbeeld van bij ons. Laatst was een en ander te doen rond de eredoctoraten van de Gentse universiteit. De faculteit Recht en Criminologie had de Peruaanse econoom Hernando de Soto voorgedragen als kandidaat, een man die al jaren ijvert voor meer eigendomsrechten voor de allerarmsten in zijn land en in de wereld. Die allerarmsten kunnen wel overleven, zegt De Soto, dankzij een halflegale economie, maar ze bezitten geen wettelijke bewijzen dat hun grond, hun hut, hun werktuigen, hun brommer of hun vierdehandse auto wel degelijk van hen zijn. Daardoor hebben ze geen zekerheid, kunnen ze niet lenen, kunnen ze niet investeren en kunnen ze niet vooruitkomen. Als ze die wettelijke bewijzen willen verkrijgen, moeten zij een jarenlange tocht ondernemen door slecht verlichte bureaucratische gangen met meer achterpoortjes dan voordeuren. De Soto adviseert regeringen om daar verandering in te brengen.
      Toen het voorgestelde eredoctoraat van De Soto bekend raakte, stelden een aantal linkse studenten en academici een petitie op om de intrekking van die kandidatuur te verkrijgen. Hoezo? Mocht de econoom dan niet opkomen voor de arme mensen in de Derde Wereld? Dat wel, maar zijn oplossingen waren rechts en verkeerd. Hij kwam op voor individuele eigendomsrechten, in plaats van collectieve, zijn recepten werkten niet altijd en op alle plaatsen even goed, en, als je eenmaal eigendom had, kon je die ook weer verliezen als je te veel schulden maakte. Ook hield De Soto te weinig rekening met duurzaamheid en milieu.* Goed, dacht ik, ik heb het begrepen. Die linksen denken over al die zaken anders dan De Soto. Maar moeten volgens hen dan alleen linkse ontwikkelingseconomen een eredoctoraat krijgen? Ik vond dat erg bekrompen. En waar ik ondertussen niets over hoorde was het eredoctoraat dat  dezelfde universiteit op dezelfde dag zou uitreiken aan de Zweedse klimaatalarmist Johan Rockström. Ik heb van mijn rechtse en minder rechtse klimaatsceptische vrienden niet de kleinste petitie voorgelegd gekregen tegen die kandidatuur. Ik zou ze ook niet ondertekend hebben.
     Ik geef toe, een verbroken vriendschap, een aangevochten boekenstandje, enkele groepen radicaallinkse studenten, een bekrompen petitie tegen een eredoctoraat, het bewijst allemaal niet veel. Misschien hebben rechtse mensen wel andere onverdraagzame praktijken. Misschien hebben zij minder vrienden. Misschien zweren ze samen met de grote uitgevers om linkse boeken van de markt te houden. Misschien proberen ze universiteitsrectoren tussen een hap kaviaar en een slok champagne te overtuigen om linkse docenten en studenten de laan uit te sturen. Dat is allemaal moeilijk in te schatten, vooral als die pogingen niet succesvol zijn.
     Om de onverdraagzaamheid ernstig te onderzoeken is het niet genoeg om te tellen hoe vaak de kreet ‘achterlijke socialist’ of ‘extreemrechtse N-VA’er’ op Facebook voorkomt. Je zou eigenlijk een groep van, zeg, duizend mensen een vragenlijst moeten voorleggen. Die groep zou mensen moeten bevatten van alle leeftijden en niveaus van opleiding, en van alle soorten herkomst en afkomst. En ze zouden van een hele reeks uitspraken moeten aangeven, op een schaal van 1 tot 5, of ze ermee akkoord gaan of niet. Zo zou je te weten komen wie rechts is en wie links,  en wie een beetje rechts is en wie een beetje links** – op voorwaarde natuurlijk dat je als onderzoeker zelf eerst weet wat die begrippen betekenen. En daarna zouden dezelfde mensen met een tweede reeks vragen, met alweer geschaalde antwoordmogelijkheden, over hun verdraagzaamheid aan de tand worden gevoeld. Ik zou aan zo’n onderzoek niet willen deelnemen, en ik zou het ook niet willen uitvoeren. En mocht het al gedaan zijn, ik zou het misschien niet eens lezen. Je zou er niet uit leren wie gelijk heeft, links of rechts, en dat verdraagzaamheid beter is dan onverdraagzaamheid weten we ook zonder onderzoek.
     Leuker vind ik het om de zaak a priori te bekijken. Even afgezien van de feitelijke toestand, stel ik mij de vraag: zijn er redenen waarom linkse mensen gemiddeld onverdraagzamer moeten zijn dan rechtse mensen? Ik geloof het wel. Ten eerste is links idealistischer en meer geïnteresseerd in de wereld zoals hij zou moeten zijn, en rechts realistischer en meer geïnteresseerd in de wereld zoals hij is. Het ligt in de natuur der dingen dat een realist minachtend het hoofd schudt over de dromer, terwijl de idealist boos wordt op de hufter die de mooie droom verstoort. Boosheid zal, geloof ik, sneller tot onverdraagzaamheid leiden dan minachting.
     Daarmee verwant is de linkse neiging om politiek met moraal gelijk te stellen. Politiek zonder morele basis en zonder morele doelstellingen is waardeloos, maar linksen gaan een stapje verder. Ze geloven dat een politiek beleid moet worden afgestemd op goede bedoelingen, hun goede bedoelingen, en als tegenstanders bezwaren maken tegen dat beleid, verdenken ze die tegenstanders dan maar meteen van het tegenovergestelde, dat wil zeggen van kwade bedoelingen. Tegen lieden met kwade bedoelingen, zo redeneren ze verder, is verdraagzaamheid ongepast.***
     Vervolgens leven linksen meer, of iets meer, in een opiniebubbel dan rechtsen. Opiniemakers zijn in het huidige tijdsgewricht eerder links, zoals ordehandhavers wellicht eerder rechts zijn. Die linkse opiniemakers creëren een kunstmatige consensus, een blue pill-wereld waarin afwijkende stemmen – rechtse stemmen dus – als onaangename, vreemde, dissonante klanken worden waargenomen.  Het is het soort wereld waarin de filmcritica Pauline Kael woonde, die ‘niemand kende die voor Nixon gestemd had’. Een rechtse ziel vindt van zijn kant de linkse stemmen in de media ook onaangenaam, erg onaangenaam zelfs, maar ze zijn ten minste niet onbekend of vreemd of dissonant.
     Ten slotte, en hier zou ik zelf nooit zijn opgekomen, blijken rechtse mensen, of althans conservatieven, met meer verschillende morele waarden rekening te houden dan linksen. Jonathan Haidt heeft ontdekt dat linksen geneigd zijn alle morele waarden herleiden tot één waarde: het zorgzaam omspringen met elkaar.**** Dat is de waarde die Jezus van Nazareth heeft samengevat in de slagzin ‘gij zult uw naaste beminnen als uzelf’ en Schopenhauer in het minder ambitieuze ‘doe niemand kwaad’. Rechtsen daarentegen zijn ook wel gevoelig voor die zorgzaamheid maar daarnaast zijn ze in gelijke mate gehecht aan gerechtigheid, trouw, gehoorzaamheid en zedelijkheid. Dat betekent dat een rechtse zak wel aanvoelt wat een linkse rakker met zijn zorgzaamheid bedoelt, maar dat een linkse rakker amper aanvoelt wat gerechtigheid, trouw, gehoorzaamheid en zedelijkheid ermee te maken hebben.
     ’t Is eigenlijk wel mooi, zo’n a priori-benadering. Maar of de conclusie van het onverdraagzame links en het verdraagzame rechts ook juist is, dat is een andere vraag. Iemand zou het eens moeten uitzoeken. Met een vragenlijst aan duizend mensen of zo.

    
* De Soto werd ook beschuldigd van samenwerking met de Fujimori-dictatuur in Peru, terwijl hij juist ontslag nam als regeringsadviseur toen Fujimori zijn staatsgreep pleegde.

** Je zou de cesuur dan mooi in het midden van de groep moeten plaatsen, en aan de twee kanten ervan een gelijk percentage voorzien voor de gematigde en de extreme fractie.

******Jurgen Ceder formuleerde die gedachte lichtjes anders: ‘Links wil goed lijken. Rechts wil gelijk hebben. Wanneer je denkt dat iemand anders’ opvattingen gebaseerd zijn op verkeerde feitelijke inzichten kan je dat ergeren, maar hoeft dat niet tot persoonlijke vijandelijkheid te leiden. Wanneer je er echter van overtuigd bent dat zijn andere politieke opvattingen het gevolg zijn van boosaardigheid, dan is het gemakkelijker hem te demoniseren en geen enkele verdraagzaamheid meer op te brengen.’

**** Liberalen hebben dan weer, volgens Haidt, de neiging om alle waarden te herleiden tot die ene waarde van vrijheid. Die neiging herken ik.

zondag 30 augustus 2015

Pauline Kael en de Nixon-stemmers


    In deze dagen van sociale strijd krijg ik strijdbare taal in mijn mailbox. Een collega wil de “desinformatie tegengaan” en “kracht brengen door kennis”. Het doet me denken aan een oude socialistische brochure: Van Wetenskracht naar Strijdersmacht. Een vriendin schrijft: “Wie van jullie heeft gestemd op een partij die een indexsprong zou toelaten? Volgens mij niemand.”
    Dat doet me dan weer denken aan de Amerikaanse filmcritica Pauline Kael (1919-2001). Die verwonderde zich erover dat iemand als Nixon het tot president had gebracht. Ze kende niemand die voor Nixon had gestemd, zei ze. Ik heb dat verhaal al vaak gelezen en doorverteld. Maar nu viel me te binnen: zou Kael echt zo naïef geweest zijn? Zo zag ze er niet uit. Op Wikipedia vinden we, zoals altijd, de ware toedracht. Kael kende inderdaad maar één Nixon-stemmer persoonlijk, maar ze wist wel dat ze bestonden. “Soms, als ik in een filmzaal ben, zei ze, kan ik ze voelen.”
    Dat is een nijdige zin, erg onverdraagzaam, maar ook een mooie zin. Om zo te schrijven, moet je veel afleren van wat je op school geleerd hebt. Die Amerikanen die op school essay na essay en paper na paper schrijven, hebben van Kael moeten leren hoe je een filmkritiek schrijft.


Oorspronkelijk geplaatst op 3 december 2014