Posts tonen met het label Bertolt Brecht. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Bertolt Brecht. Alle posts tonen

zaterdag 14 januari 2023

De 'graaidag' van de PVDA en andere kortjes


De ‘graaidag’ van de PVDA.
 Klassiek-liberalen trekken graag de aandacht op de fiscale bevrijdingsdag, de dag dat we genoeg gewerkt hebben om alle belastingen van het hele jaar te betalen, en we dus eindelijk kunnen beginnen te werken voor ons eigen vrij te besteden zakgeld. Die dag valt in ons land erg laat, ergens in augustus. De PVDA heeft ook zo’n dag, de ‘graaidag’. Dat is de dag dat de CEO van een Bel-20 bedrijf evenveel verdiend heeft als wat een gemiddelde werknemer in zijn bedrijf verdient in de rest van het jaar. Die dag blijkt op 9 januari te vallen. Met andere woorden, na vijfenhalve werkdag heeft zo’n CEO evenveel verdiend als de anderen in 260 dagen. Zoiets stuit tegen de borst. Die 30.000 mensen van bijvoorbeeld Colruyt hebben samen een bepaald resultaat bereikt, en één van die 30.000 krijgt daar een vijftig keer groter stuk van de anderen. 
   Wij redeneren in zulke zaken gemakkelijk als mammoetjagers die na een succesvolle jacht de buit in gelijke delen verdelen. Maar als werknemer van Colruyt zou ik er toch liever een excel rekenblad bijhalen. Dan kan ik uitrekenen dat ik bij een verdeling van het CEO-loon over alle werknemers ongeveer 0,17 procent meer zou verdienen. Dat is niet veel. Dan heb ik liever een goede CEO die het bedrijf gezond houdt. Hebben we een CEO die op een failliet afstuurt, dan donderen we die eruit en nemen een betere, ook al kost die dubbel zoveel, en moet ik nog eens 0,17 procent van mijn loon inleveren. 

De paradoxen van Groen-Links. Als linksen zijn de Groenen tegen de bedrijfswagens; als groenen moeten ze vaststellen dat bijna alle elektrische auto’s bedrijfswagens zijn. Als linksen zijn ze tegen ‘kansarmoede’; als groenen willen ze de hele bevolking een autoloos, kleinbehuisd bestaan opdringen, zonder vliegtuigvakanties  een bestaan dus typisch voor de kansarmoede. Als linksen zijn de Groenen voor een sociaal beleid dat gefinancierd wordt door staatsschulden; als groenen zijn ze tegen ‘ongebreidelde’ economische groei – het enige middel om die schulden af te betalen. Pieter Laleman noemt dat op zijn FB-pagina de ‘catch-22’ van de Groenen.

Kansarmoede. ‘Kansarmoede’ is een neologisme voor ‘armoede’. Het vorige woord was beter, want armoede betekent niet alleen dat je arm bent aan kansen – uiteraard – maar dat je ook arm bent op alle andere gebieden: kwaliteitsvoedsel, behuizing, vervoersmiddelen, elektronische apparatuur, mogelijkheid om te reizen. Het nieuwe woord schept ook verwarring tussen ‘kansen krijgen’ en ‘kansen grijpen’. In de 19de eeuw zag men in de arme een individu dat weigerde kansen te grijpen, in de 21ste eeuw ziet men de arme als een slachtoffer van de maatschappij die weigert om kansen te geven. Geen van beide visies biedt een evenwichtige verklaring van de armoede.

Tot slaaf gemaakten. Ik heb taalkundige en stilistische bezwaren tegen het woke neologisme tot-slaaf-gemaakte.  Vroeger kon je in de geschiedenisles zeggen: ‘Caesar liet een miljoen Galliërs vermoorden en liet een ander miljoen als slaven wegvoeren en verkopen. Ook de kinderen en verdere afstammelingen van die slaven werden als slaaf geboren.’ Nu zou je moeten zeggen dat Caesar een miljoen Galliers als tot-slaaf-gemaakten liet wegvoeren en verkopen en dat ook de kinderen en verdere afstammelingen van die tot-slaaf-gemaakten als tot-slaaf-gemaakten werden geboren. Iemand legde mij onlangs uit waarom die laatste verwoording beter is. ‘Slavernij is een door mensen gemaakt sociaal systeem. Dus ook de pas geborene wordt door dat systeem tot slaaf gemaakt.’ Ik denk dat dat met de oude verwoording ook duidelijk was. 

Doel en middel. Bertolt Brecht had volgens Hannah Arendt – ik las dat op de FB-pagina van Jan van Duppen – al snel begrepen dat de communisten waar hij zich bij aansloot moreel slechte middelen gebruikten om het communistisch paradijs naderbij te brengen. Hij keurde dat goed. Dat bewijst dat Brecht redeneerde als een cynisch pragmaticus en niet als een echte communist. De cynische pragmaticus vindt dat je slechte middelen mag gebruiken om een goed doel te bereiken. Een echte communist redeneert anders. Die vindt dat alle middelen om het goede doel te bereiken meteen ook moreel goed zijn. Een klassiek-liberaal ziet dat nog anders. Die heeft liever dat er géén algemeen doel wordt vastgelegd, en hij kijkt vooral naar de middelen zelf. Voor hem óntheiligen slechte middelen een zogenaamd goed doel.

Verslaving. Wanneer ben je van een verslaving af? Toen ik gestopt was met roken, droomde ik ’s nachts vaak dat ik een sigaret opstak en dan onmiddellijk vervuld werd van een immens maar vaag schuldgevoel – het gevoel dat ik iets onherroepelijk kapot had gemaakt, zonder goed te beseffen wát ik juist kapot had gemaakt. Ik heb die droom al meer dan twintig jaar niet meer gehad. Ben ik nu van mijn verslaving af?

Boek en film. Ik heb vorig jaar minder dan dertig boeken gelezen en meer dan driehonderd films gezien. Gelukkig voor mij scheef Paul van Ostaijen, in een parodie op Lukas 7:47, ‘U zal veel vergeven worden want ge hebt veel films gezien.’

Cash geld. Ik lees op FB af en toe een oproep om meer met cash geld te betalen. Digitaal betalen vergroot de controle van de overheid over ons geld. Maar wat doe je met cash geld in huis? Een veel gebruikte oplossing is om de bankbiljetten tussen de bladen van een boek te verbergen. Heb je maar tien boeken in huis, dan is dat natuurlijk geen veilige methode. De dieven hebben het geld zo gevonden. Heb je meer dan tien boekenkásten in huis, dan kun je eraan beginnen. Pas op: niet alle geld in één boek verbergen! Spreid je risico’s.

Ons brein. Immanuel Kant heeft de vraag opgeworpen of ons brein wel uitgerust is om de wereld, het ‘Ding an sich’, te doorgronden. De moderne wetenschap heeft die kwestie concreter gemaakt door theorieën te ontwerpen zoals de quantummechanica die wel ‘werken’, maar die zo tegen onze intuïtieve categorieën ingaan dat we ze niet echt ‘begrijpen’, zodat die hele microcosmos een mysterie blijft. Maarten Boudry doet daar heel optimistisch over. ‘De mysterie-mensen vergeten te gemakkelijk dat vroegere wetenschappelijke theorieën de mensheid even verbijsterd achterlieten: de relativiteitstheorie, de evolutieleer, het heliocentrisme.’
 
    Over de mensheid durf ik niets te zeggen, maar de evolutieleer heb ikzelf in ieder geval onmiddellijk begrepen toen men ze mij voor het eerst uitlegde. Niks verbijstering. Die theorie is zo eenvoudig, té eenvoudig eigenlijk, dat je de essentie ervan in twee alinea’s uitgelegd krijgt. Wil je de technische details, dan heb je minstens tien boeken nodig. En probeer je iets tussenin, dan krijg je een misbaksel als Kaas en de evolutieleer van Bas Haring, die dan weer een absoluut schitterende inleiding in de economische theorie heeft geschreven.

zondag 16 februari 2020

Somers en Francken gefactcheckt

     In een interview met De Zondag zegt Bart Somers iets opmerkelijks: ‘Wist u dat 37 procent van onze kinderen tot 5 jaar migratieroots hebben?’
     37 procent!?
     Enkele weken geleden had Theo Franken op het vtm-nieuws gezegd dat er 50 000 gezinsherenigingen per jaar waren. Hij werd onmiddellijk gefactcheckt op vrt-nws.  Het was allemaal niet waar en overdreven, want (1) het recht op gezinsleven wordt gegarandeerd door de Europese Verklaring van de Rechten van de Mens, want (2) een deel van die gezinsherenigingen betrof kinderen die eigenlijk hier geboren waren en want (3) in bijna de helft van de gezinsherenigingen ging het om EU-burgers. En, o ja, het aantal gezinsherenigingen in 2018 bedroeg in totaal … 53 109. Het cijfer zelf was dus correct, dat wel.
     Komt er op vrt-nws nu ook een factcheck van de ‘37 procent kinderen met vreemde roots’ van Bart Somers? Zullen we daar kunnen lezen dat het allemaal niet waar is, en erg overdreven, want (1) er staat iets in de Europese Verklaring van de Rechten van de Mens – wat weet ik niet, maar er staat vast iets, want (2) een groot deel van die 37 procent kinderen met vreemde roots is geboren met de Belgische nationaliteit en want (3) veel van de ándere kinderen die niet de Belgische nationaliteit hebben, zijn EU-burgertjes. Verder, ook belangrijk, geldt die 37 procent voor België, voor Vlaanderen of alleen voor Mechelen?
     Die factcheck van Somers zijn bewering komt er, geloof ik, niet. Factcheckers zijn niet zozeer op zoek naar feitelijke fouten als wel naar ‘schadelijke’ beweringen. Dat is in elk geval wat Maarten Schenk, factchecker bij Facebook, verklaart in Humo van 14 januari. ‘Ons criterium is: we controleren die boodschappen die schadelijk kunnen zijn.’ Dat is een heel begrijpelijk criterium. Beweringen over kabouters en de Kerstman moet je niet checken, want niemand, behalve Maarten Boudry, vindt ze schadelijk.
     Het wordt allemaal moeilijker als factcheckers zich met politieke thema’s gaan bezighouden, wat ze bijna altijd doen. Wat ‘nuttig’ is en wat ‘schadelijk’ wordt dan ingekleurd langs politieke lijntjes. Als Francken beweert dat er 50 000 gezinsherenigingen per jaar zijn, ondersteunt hij daarmee zijn wetsvoorstel om  gezinshereniging voor een bepaald soort asielzoekers te beperken. Zo’n wet zou ons land minder aantrekkelijk maken voor asielzoekers. Ik vind dat een nuttige wet, maar groen-links, dat een ruime asielpolitiek voorstaat, vindt zo
’n wet schadelijk. Op die manier worden de 50 000 gezinsherenigingen van Francken voor hen een schadelijk cijfer dat moet worden gefactcheckt.
     Maar hetzelfde groen-links zal de 37 procent van Somers niet schadelijk vinden. Somers gooit dat stevige cijfer over kinderen met vreemde roots op tafel met een heel andere bedoeling dan Francken dat doet. De boodschap van Somers luidt dat migratie niet positief of negatief is, maar een realiteit. ‘37 procent’ maakt van die realiteit een onontkoombaar gegeven*. ’t Is een realiteit waar de Oude Vlamingen zich volgens Somers moeten aan aanpassen.  En ook groen-links wil graag dat die Oude Vlamingen zich flink aanpassen. Met zo’n boodschap wordt de 37 procent een nuttig cijfer waar geen factcheckende nuances bij nodig zijn.
-
     En hoe moeten de Oude Vlamingen zich aanpassen aan nieuwkomers ‘met vreemde roots’? Johan Leman heeft enige tijd geleden veel kritiek gekregen toen hij uitlegde wat dat concreet betekende – hoe je je bijvoorbeeld als homo moest aanpassen aan een moslimomgeving in Molenbeek (zie hier). Die fout zal Somers niet maken. Concreet zijn is gevaarlijk voor een politicus. Als hij de vraag krijgt van De Zondag waarom en hoe Oude Vlamingen zich moeten aanpassen, blijft hij, zoals Polly Peachum in dat bekende liedje ‘ganz allgemein’. ‘Ik bedoel daarmee niet, zegt hij, dat Vlamingen hun manier van leven moeten aanpassen. Ik bedoel daarmee dat élke mens zich voortdurend aanpast. Toen ik vader werd, heb ik mij aangepast aan mijn nieuwe rol. Toen de sociale media opkwamen, heb ik mij als politicus aangepast aan de nieuwe realiteit. Als ik nieuwe buren krijg, dan ga ik mij ook aanpassen.’
     Wat kun je daarop antwoorden? Weinig. Toen Jan geboren werd heb ik mij ook aangepast. De sociale media zijn ook van mijn leven een niet onbelangrijk deel geworden, al ben ik geen politicus. En als ik nieuwe buren krijg, en het zijn moslimfundamentalisten, met of zonder vreemde roots, dan zal ik de banden van hun auto niet kapot steken, ook al omdat ik bang ben dat zij hetzelfde zouden doen met de mijne. Ik zal, als ze hier legaal verblijven, hun deportatie eisen noch suggereren. Dat laat ik over aan Vlaams Belangers als Sam van Rooy. Maar ik zal mij aan die nieuwe buren niet ‘aanpassen’ in een van de normale betekenissen van het woord. Ik zal mij ergeren, in stilte hopen dat hun kinderen later minder fundamentalistisch zullen zijn dan hun ouders, en ondertussen elke maatregel steunen die de neutraliteit van de staat bevestigt en uitstraalt**, en elke regeling die een dam opwerpt tegen de politieke ambities van van welke godsdienst ook, maar zeker tegen die van de islam.

* Weinig Oude Vlamingen maken zich zorgen over het aantal vreemdelingen in het algemeen, waaronder heel wat Nederlanders, Fransen en Italianen. Wel maakt men zich zorgen over de groei van de moslimgemeenschap sinds duidelijk is dat fundamentalisten binnen die gemeenschap ongeveer de helft uitmaken. Het aandeel van de moslims in ons land is nu ongeveer 6 procent, en zal nog stijgen. (Zie hier). Maar als er een strikte immigratiepolitiek komt, is er weinig kans dat die ooit stijgt tot een landelijk gemiddelde van 37 procent.

** Somers vindt het niet nodig dat de staat neutraliteit uitstraalt. Hij is voorstander van een ‘andere stroming binnen het liberalisme’. Hij vindt het jammer dat het regeerakkoord stipuleert dat religieuze tekens, zoals de hoofddoek, verboden worden aan loketten en in het onderwijs. ‘Dat is voor mij de moeilijkste passage van het regeerakkoord,’ zegt hij.

donderdag 27 juli 2017

Dokters, schurken en deugnieten

     Thomas Jefferson, de derde president van de Verenigde Staten, had weinig vertrouwen in de geneeskunde van zijn tijd. De beste dokters, schreef hij in een brief*, waren nog de kwakzalvers die broodpillen voorschreven, of gekleurd water.** Zij hielden de hoop van hun patiënt levend en bespoedigden zijn natuurlijke herstel. De meer rechtlijnige beoefenaren van het beroep daarentegen maakten meer levens kapot in één jaar “dan alle Robin Hoods, Cartouches en Macheaths in een hele eeuw”.
     Dat is een eigenaardige vergelijking.
     Om te beginnen heeft slechts één van de opgesomde misdadigers echt bestaan. Louis Dominique Cartouche (1693-1721) was een Franse dief en moordenaar die stierf op het rad. Die andere twee zijn min of meer verzinsels. Robin Hood is een held uit Middeleeuwse legenden en Macheath is een personage uit het komische stuk ‘The Beggar’s Opera’ (1728).
      Eigenaardiger is dat Jefferson zijn keuze laat vallen op drie nogal aantrekkelijke schurken: Robin Hood die steelt van belastingambtenaren om het geld te verdelen onder de armen, Cartouche die zich geliefd maakt als grapjas, acrobaat en minnaar en, de veelwijver Macheath die zo populair is dat hij aan het eind van het stuk, op verzoek van het publiek, niet wordt opgehangen.
     Of zag men dat toch enigszins anders in de tijd van Jefferson? Is men die wetsovertreders vooral later aardig gaan vinden door de boeken van Walter Scott, de films met Reggiani en Belmondo en de antikapitalistische stukken van Bert Brecht?***
     In de taalkunde spreekt men wel van meliorisatie. Begrippen die oorspronkelijk een ongunstige betekenis hebben zoals ‘deugniet’, ‘rakker’ en ‘guit’, krijgen in de loop der jaren een onschuldiger betekenis. Het lijdt geen twijfel dat Robin Hood, Cartouche en Macheath guiten waren. Maar wat is een guit?


_______________



* De brief is van 1807. Hij was gericht aan een universiteit waar hij zijn kleinzoon wou laten inschrijven als student geneeskunde. De kleinzoon mocht de vakken biologie en chirurgie volgen, maar niet het vak medicijnen.

** Uit later onderzoek bleek dat het placebo-effect van grote pillen aanzienlijker is dan dat van kleine, en ook dat rode kleurtjes beter werken dan blauwe.

** Respectievelijk: Ivanhoe (1820), Cartouche (1956 en 1962) en Dreigroschenoper (1928).

 
 
 
 

 

woensdag 14 juni 2017

Hilde Sabbe en Yvan Mayeur

     Columniste Hilde Sabbe wordt nu overal een beetje uitgelachen omdat ze vorig jaar zo’n  lovend stuk schreef over PS-burgemeester Mayeur toen hij de Vlamingen, enigszins veralgemenend ‘fascisten’ of ‘extremisten’ had genoemd. Sabbe had Mayeur geprezen voor zijn passie, zijn overtuiging en zijn emotie. Ook was hij ‘zeer intelligent’. Veel politici waar Sabbe mee gepraat heeft zijn ‘zeer intelligent’.
     Maar nu is gebleken dat die Mayeur zich rijkelijk liet betalen door een organisatie voor daklozen terwijl hij helemáál niet dakloos is. Daarover is nu veel verontwaardiging. Vooral vrijwilligers die zelf al eens wat doen  in de armoedebestrijding zonder daar een cent voor te vragen hebben bedenkingen bij zo’n graaier die hoge zitpenningen ontving voor vergaderingen die niet eens plaats vonden. Die zitpenningen beliepen 19 000 euro bruto per jaar, lees ik.
     Sabbe had kunnen stilzitten en zwijgen als een schaap dat geschoren wordt. Maar ik geloof niet dat dat iets voor haar is, dat zwijgen. Op Facebook maakt ze duidelijk dat ze bóós is op de kranten die van Mayeur een sjoemelende burgemeester hebben ‘gemaakt’. Mayeur heeft een koel hoofd, schrijft Sabbe, en een open geest. Mayeur is geen racist. Mayeur heeft veel talent in zijn vingertop. Mayeur is geen lid van de N-VA.
     Dat kan allemaal best waar zijn.
     Maar die zitpenningen dan? Sabbe gaat in de tegenaanval: ‘Die les hadden de grote graaiers natuurlijk allang begrepen: je nooit laten vergoeden voor geleverde diensten voor sociale organisaties. Alleen maar werken voor kapitaalkrachtige instellingen, dan kraait er geen haan naar hoeveel je betaald wordt.’
     Ik zou nu kunnen vitten en zeggen dat die diensten voor sociale organisaties naar het schijnt juist niet ‘geleverd’ zijn, maar daar gaat het mij niet om. De hele redenering lijkt er mij op neer te komen dat je je gerust flink mag laten betalen door een sociale organisatie die leeft van subsidies en giften want anderen laten zich ook flink betalen door ‘kapitaalkrachtige’ firma’s. Dat die firma’s niet leven van subsidies en giften doet er niet toe. Het gaat er alleen om hoeveel je betaald wordt. Die anderen krijgen dat, dus Mayeur heeft er ook recht op. En Sabbe misschien ook.
     Je kunt op zoveel manieren eerlijk je geld verdienen: een eigen zaak uitbaten, betaald worden door iemand die een eigen zaak uitbaat, aan de staat werken volgens een barema. Je kunt een laag- of een hooggeschoold beroep uitoefenen. Je kunt geld van anderen beleggen en daar kleine procentjes voor opstrijken die samengeteld een enorm bedrag opleveren. In zo’n systeem zal de ene een veel hoger inkomen hebben dan de ander.
     Socialisten en communisten zijn geneigd om die inkomensongelijkheid zelf als een misdaad te zien. Zodra iemand veel meer heeft dan een ander, is er vals gespeeld. Derrière chaque grande fortune il y a un crime, schreef Balzac, die nochtans geen socialist was en zijn leven lang wanhopig op zoek was naar een groot fortuin. Brecht brengt dezelfde boodschap in zijn Driestuiversopera: de hele maatschappij bestaat dankzij de misdaad. Als je nu geld verdient als ondernemer, straatrover, pooier of zaakvoerder van een bedelaarssyndicaat: wat telt is hoeveel je binnenrijft. Of zoals Sabbe schrijft: ‘hoeveel je betaald wordt’.
     Indien Mayeur redeneert als Sabbe, wat kan, of als socialist, wat waarschijnlijk is, dan heeft hij eigenlijk niets verkeerds gedaan. Yvan Mayeur verdient minder dan een grote bankier, een zakenman, een nefroloog of een eerste minister. Hij denkt dat hij dat verschil mag bijpassen, want hij werkt even hard en heeft evenveel talent. Wat dondert het dat het geld uit de kas van de daklozen komt? En wat dondert het dat hij dat geld kreeg voor vergaderingen die niet plaats vonden? Was hij op die avonden dat hij niet vergaderde voor de daklozen niet op een andere manier druk in de weer voor het algemeen belang? Als hij maar krijgt waar hij recht op heeft.
     Toch hebben Mayeur en Sabbe het verkeerd voor. In een fatsoenlijke maatschappij verdien je je geld in afspraak met degene die je het geld bezorgt: de klant, de patiënt, de werkgever, de staat. Tot op zekere hoogte krijgt zelfs de politicus zijn centen in afspraak met zijn kiezer.* Maar met wie heeft Mayeur zijn vergoeding afgesproken? Met de kameraden onder elkaar? In elk geval niet met de daklozen.
     In Oom Vanja van Tsjechov is er een discussie tussen de plompe Serebrjakov, eigenaar van een landgoed, en de brave Ivan Petrovitsj – Vanja dus – die het landgoed beheert. Vanja klaagt dat hij in al die jaren geen loonopslag gekregen heeft. De plompe Serebrjakov zegt dat hij die loonsopslag zelf maar uit de kas had moeten nemen. Daarover is Vanja erg verontwaardigd. Dat zou diefstal geweest zijn. Misschien niet in de wettelijke betekenis van het woord, maar toch: diefstal.
     Vanja heeft gelijk. Ook geld nemen uit de kas van een plompe landheer als Serebrjakov is diefstal. Maar eigenmachtig geld nemen uit de kas van de daklozen is véél erger. Dat begrijpt iedereen, behalve Mayeur, de gewetenloze graaiers van de PS en onze eigen Hilde Sabbe.
 
* Kiezers die vinden dat burgemeesters, parlementairen en ministers te veel verdienen kunnen stemmen voor een partij die tegen die hoge vergoedingen is. De PVDA bijvoorbeeld. Zelf heb ik niks tegen politici die goed verdienen én goed werk leveren.

dinsdag 16 augustus 2016

♫ Deutschland, Deutschland über alles ♫

Links: Brecht - Rechts: Eisler
     Als je bij mij thuis aanbelt, is de kans klein dat ik opendoe met een schrobber of zwabber in de hand. Het lot van mijn vrouw is beklagenswaard. Maar soms wordt het schuldgevoel te groot, en zet ik mij eraan. En dan heb ik muziek nodig om mijn gemoed een beetje bij te sturen. Niet alle muziek is daar geschikt voor. Bachs motetten zijn te vrolijk, zijn cellosuites te somber, en er is geen sprake van dat ik de Goldbergvariaties zal bezoedelen door ze als achtergrondmuziek te gebruiken bij mijn schoonmaakklus.
     Wat dan wel? Ja – ik zal hier wel even en plein public mijn slechte smaak inzake populaire muziek etaleren! Morgen brengen, hoor! Maar ééntje wil ik wél openbaar maken: het wondermooie Duitse liedje Anmut sparet nicht noch Mühe. Vrij vertaald: Spaar geen gratie of geen moeite*. Daar kan ik vijf, zes, zeven keer na elkaar naar luisteren terwijl de vloer geschrobd of het water opgedweild wordt.
     ’t Is eigenlijk een soort alternatief volkslied dat Bert Brecht dichtte in 1950, als antwoord op de West-Duitse beslissing om Das Lied der Deutschen weer in ere te herstellen. Op de melodie van dat oude lied viel niet veel aan te merken. Die was van Papa Haydn zelf en ze kan moeiteloos de vergelijking doorstaan met die van andere volksliederen. Maar de tekst! Van die negentiende-eeuwse romantische bombast met veel ‘Recht’ en ‘Vrijheid’ en ‘Edelmoed’. Het minste wat we kunnen zeggen is dat Heinrich Hoffmann von Fallersleben zich eens flink heeft laten gaan toen hij die tekst neerschreef. En dan die eerste zin: Deutschland, Deutschland über Alles. We hebben gezien wat daarvan komt als zulke woorden te veel jaren na elkaar gezongen worden. En dat Deutschland wordt door Hoffmann ook nog eens ruim gedefinieerd: Von der Maas bis an die Memel.  Hélà, hola, niet de Maas hé!
     De tweede strofe tapt uit een ander vaatje. Deutsche Frauen, deutsche Treue, deutscher Wein und deutscher Sang. Zo kennen we ze, die Duitsers: een Oktoberfest met forse mannen, rooie koppen, vrouwen in schunnige bloesjes en hoge pullen bier als er toevallig geen wijn voorhanden is. Toen Adenauer in 1950 dus besliste om het oude lied weer  boven te halen, moesten die eerste twee strofen weg. Geen Wein, Weib und Gesang meer, en Hoffmanns plannen om het Maasgebied te veroveren werden ook begraven. En vóór alles moest dat Deutschland über alles weg. Zo bleef alleen de slaapverwekkende derde strofe nog staan, over ‘Eenheid’ en ‘Streven’ en ‘Recht.
     Daarmee waren de moeilijkheden niet van de baan. Een tekst op papier kun je schrappen; met een tekst in het collectieve geheugen gaat dat niet. Van zodra iemand de bekende melodie hoort, lichten de oude woorden weer op in zijn brein en gaat hij mompelen van Deutschland en van über alles.
     Zo kon het niet verder, vond Brecht. Hij schreef dus een anti-Hoffmanntekst**. Duitsland moest niet bóven de andere landen staan, maar ook niet ónder de andere. Dat is een mooie gedachte. Van mijn vader kreeg ik vaak te horen: ‘Denk niet dat ge meer zijt dan een ander, maar denk ook niet dat ge minder zijt dan een ander.’ Mijn vader legde de nadruk op het tweede deel van de zin, Brecht op het eerste – maar in grote lijnen is de boodschap dezelfde.
     Dit is de tekst.

Anmut sparet nicht noch Mühe
Leidenschaft nicht noch Verstand
Daß ein gutes Deutschland blühe
Wie ein andres gutes Land.

Daß die Völker nicht erbleichen
Wie vor einer Räuberin
Sondern ihre Hände reichen
Uns wie andern Völkern hin. 

                     
 Und nicht über und nicht unter
Andern Völkern wolln wir sein
Von der See bis zu den Alpen
Von der Oder bis zum Rhein.


Und weil wir dies Land verbessern
Lieben und beschirmen wir's
Und das Liebsten mag's uns scheinen
So wie andern Völkern ihrs.


     Brecht schreef zijn gedicht als een kinderlied, om door kinderen gezongen te worden, maar ook met geraffineerde onhandigheid, een beetje zoals een kind een gedicht zou schrijven, met woorden die het kent uit een boek (Anmut), gebrekkige woordvolgorde door rijmdwang (Anmut sparet nicht), naïeve woorden op een naïeve manier herhaald (gutes, gutes), spanning en sensatie (erbleichen vor einer Rauberin), kreupel rijm (wir’s – ihrs), halfzacht alle-kindjes-vriendjes-gedachtegoed (irhe Hände reichen) en met de dubieuze logica dat elk kind de beste papa en de beste mama ter wereld heeft, en het kind van de buren ook.
     Het mooiste, vind ik, is dat Brecht als eerste vaderlandse deugd de Anmut aanprijst. Ik ken niet alle volksliederen ter wereld – nu, met de Olympische spelen, heb ik op tv nog geen enkel volkslied gehoord – maar ik weet wel zeker dat die warme oproep tot gratie en bevalligheid een unicum in het genre is. En een beetje gratie en bevalligheid op zijn tijd kan geen kwaad – dat heb jij, lieve lezer, ook wel eens gedacht in de vertrek- of aankomsthal van een luchthaven.
     De muziek die bij het lied hoort is van Hanns Eisler**. Er bestaat een opname van de oude Eisler die zelf het lied zingt, met een klein, onvast stemmetje (hier).  Misschien had hij die dag wel iets gedronken, want zo anmutig was het leven niet in zijn geliefde communistische Oost-Duitsland. Daarnaast bestaan ook heel wat opnamen met kinderkoor zoals deze hier. Bij het schoonmaken wissel ik af tussen die twee uitvoeringen.

* Flor Vandekerckhove heeft mij gewezen  – zie de reactie hieronder  – op een wel erg onnauwkeurige Franse vertaling : ‘‘Le charme ne suffit pas, le travail est nécessaire’. Bijna het tegenovergestelde dus van wat Brecht schrijft.

** Na de Wende hebben een aantal ex-Oost-Duitsers – ex-communisten en ex-dissidenten – voorgesteld om het Brechtlied tot officieel volkslied van Duitsland te verklaren. Umsonst.

***Die Eisler, zou je kunnen zeggen, was vooral een componist van marsmuziek en cabaretdeuntjes. Maar ook daarin bestaat een verschil van klasse. Enige tijd geleden zag ik samen met Jan (18) een voorstelling van Moeder Courage – tekst van Brecht en muziek van Paul Dessau. Dat verliep allemaal prima. Maar halverwege het stuk was een nummer van Eisler toegevoegd. Dat daarmee plots in een hogere divisie werd gespeeld, dat had ook Jan begrepen.

zaterdag 16 juli 2016

Reizen als een provinciale snob

Carmen-Maja Antoni als Mutter Courage
De Amerikaanse criticus Clayton Hamilton (1881–1946) was van oordeel dat een ontwikkeld mens ‘ja’ moest kunnen antwoorden op de volgende drie vragen:
1.  Heb je ooit blootshoofds in het
     middenschip van Amiens gestaan?
2.  Heb je ooit de Acropolis
     beklommen bij maanlicht?
3.   Heb je ooit fluisterend
      rondgewandeld in de gewijde
      stilte rond de Frari Madonna van
      Bellini?

Op geen van die vragen kan ik bevestigend antwoorden, alhoewel die kerk in Amiens … misschien … lang geleden … Gotische bouwkunst lust ik eigenlijk niet zo.

Nochtans schuilt in mij, geloof ik, een even trouwhartige, zij het wat provinciale, snob als in Hamilton. Alleen al tijdens onze laatste reis heb ik
1.    wacht gelopen voor de Neue Wache – de naam zegt het zelf – terwijl mijn
      vrouw de piëta van Kollwitz fotografeerde
2.    in de Thomaskirche gehoord hoe twee Japanse beursstudenten moeilijke
       orgelstukken van Bach aan het instuderen waren
3.    van het Berlinerensemble een opvoering gezien van Mutter Courage.

Over die Moeder Courage nog het volgende. Het hoofdpersonage werd gespeeld door de 71-jarige Carmen-Maja Antoni, een veterane in het Brecht-wereldje. Ze heeft Helene Weigel, Brechts vrouw, en Paul Dessau, Brechts componist, nog gekend. Een collega heeft mij ooit een cd bezorgd met Brechtliederen gezongen door ‘Antoni und Shall’.

Maar ondanks al haar ervaring met het ‘Entfremdungstheater’ slaagde ook Antoni er niet in te voldoen aan wat voor Brecht een stellige voorwaarde was: het personage van de moeder neerzetten als een onaangenaam vrouwspersoon dat de weerzin van het publiek wekt. Brecht geeft zijn personage goede en slechte eigenschappen, en zo hoort het. Maar dat de moeder het beste probeert te maken van een rampzalige situatie, dat ze in hart en nieren een zakenvrouw is, dat ze aan de oorlog een centje probeert te verdienen –  dat kan Brecht haar niet vergeven. Het publiek kan dat wel – en heeft dat altijd gekund. Ik ook.

_________

Post Scriptum Antoni speelde ook een rolletje in de bijzonder aardige DDR-film Das Kaninchen bin ich (1965), die helaas kort na zijn verschijnen verboden werd en pas rond 1990 weer vrijgegeven werd.

vrijdag 23 oktober 2015

Koffie in zee

     Als ik door nostalgie overvallen word, luister ik soms naar de oude communistische strijdliederen. Met een gsm en oortjes kan dat nu overal - als ik de volumeknop maar hoog genoeg draai, want ik ben hardhorend. Onlangs nog  in de lerarenkamer was ik zachtjes aan het meeneuriën met het ‘Solidaritätslied’ toen bleek dat door een slecht contact de hele zaal kon meeluisteren. Een lieve collega kwam me verwittigen …
     Het blijven prachtige liederen: de krappe melodieën van Eisler, de striemende taal van Brecht. Vaak gaat het over arbeiders die ‘brood’ willen, of ‘een slok melk’, maar Brecht acht het niet beneden zich om ook ‘centrale verwarming’ als proletarische eis naar voor te schuiven. Je vrijt gemakkelijker in een goed verwarmde slaapkamer, vindt Brecht, en daar heeft hij gelijk in.
     In de Ballade van de Zakkengooiers (1932) klaagt Brecht aan dat in volle economische crisis, koffie en graan in zee worden gegooid om de prijzen van die producten hoog te houden.

Es gibt zuviel Kaffee auf der Welt.
Und darum pro Zentner zu wenig Geld.
Drum wird, so will es das Weltgewissen,
Die halbe Ernte ins Wasser geschmissen.


     Dat ‘die halbe Ernte’, de halve oogst, in het water werd gegooid, heb ik altijd een ijzersterk argument tegen het kapitalisme gevonden. Aan de ene kant de arbeider die wat graag een broodje met een lekker kopje koffie zou lusten, en aan de andere kant de kapitalisten die alles maar in zee gooien. We zouden die vette rovers beter zelf in zee gooien, zegt Brecht.
      Pas veel later heb ik begrepen dat die koffie- en graankapitalisten niet vrijwillig hun producten in zee gooiden of op een andere manier vernietigden. Ze zouden ze nog liever met verlies verkocht hebben, dan er helemaal niets voor te krijgen. Voor die vernietiging was een tussenkomst van de staat nodig. De regering Roosevelt betaalde producenten om hun goederen te ruïneren omdat planeconomen hadden uitgecijferd dat hogere prijzen de economie weer gezond konden maken. Als de crisis prijsdalingen deed ontstaan, redeneerden ze, dan konden prijsstijgingen de crisis weer doen verdwijnen. Dat was onzin natuurlijk, maar Roosevelt geloofde dat.

Oorspronkelijk geplaatst op 9 mei 2015