Posts tonen met het label Hegel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Hegel. Alle posts tonen

vrijdag 14 mei 2021

Eurocentrisme in de geschiedenisles

 


     Geschiedenisleraar Benjamin Verdru* (zie ook hier) prijst het nieuwe geschiedenisonderwijs omdat het ‘het eurocentrisme heeft losgelaten.’  Daarmee plaatst hij zich aan de goede kant van, welja, de geschiedenis, maar zijn woordkeus is niet heel gelukkig. Hij wil minder aandacht besteden aan ‘het rurale West-Europa van de vroege middeleeuwen’ omdat er op dat ogenblik ‘complexere beschavingen’ bestonden. Zal Verdru hier geen last mee krijgen van de antidiscriminatiepolitie? Mogen minder complexe beschavingen achtergesteld worden tegenover de complexere? Zijn hier privileges in het spel? En zal hij geen last krijgen met de antropologen die beweren dat die meerdere of mindere complexiteit een illusie is die alleen een meerdere of mindere feitenkennis verraadt? Allemaal heel gevaarlijk. Ontvlambare materie.
     ’t Is anders ook echt een moeilijke discussie. Verdru beweert dat geschiedenisonderwijs die vooral westerse feitenkennis aanreikt leidt tot een superioriteitsgevoel. Dat is niet onmogelijk. Een interessante vraag hierbij is in welke mate dat superioriteitsgevoel, met betrekking tot het verleden, terecht of onterecht is. Charles Murray scheef indertijd een dik boek waarin hij die superioriteit probeerde aan te tonen met objectieve, statistische methodes. Woke-achtigen kunnen zich daarover wel boos maken en elke idee van een superieure (of complexere?) beschaving verwerpen. Maar vaak zijn ze dan de eersten om bijvoorbeeld de superioriteit te benadrukken van de Arabische cultuur tijdens onze vroege middeleeuwen. Als men zo begint, is men niet zover meer verwijderd van de Europese ‘zelfhaat’ waar Verdru, naar eigen zeggen, niet aan mee wil doen.
     Theoretisch bestaan er goede redenen om het geschiedenisonderwijs verder open te trekken naar andere delen van de wereld. Iedereen die wat in geschiedenis geïnteresseerd is, betreurt het dat er zoveel is dat in de geschiedenisles niet aan bod kwam. Ik kijk graag Chinese historische films: spannende politieke intriges, mooie dilemma’s van ambitie en trouw, prachtige duels, epische veldslagen. Maar verder ken ik alleen de namen van enkele dynastieën die op een ng-klank eindigen: Tang, Song, Ming, Qing. Ik zou geen enkele ervan op een tijdlijn kunnen plaatsen, al mocht ik er 500 jaar naast zitten. Dat is jammer, want ik ben er, dankzij Simon Leys, van overtuigd geraakt dat de Chinese beschaving en geschiedenis minstens even interessant is als de onze. Maar ’t is te laat. Ik had zoiets op de schoolbanken moeten leren. Als ik er nu nog aan begin is het ten koste van mijn pianospel en mijn blogstukjes.
     Mocht het aantal uren geschiedenis nu worden opgetrokken tot 4 uur per week, dan zag het er anders uit. Dan mochten van mij 2 uur worden besteed aan de Westerse highligts en de andere 2 uur aan de Chinese highlights. Maar als het aantal uren geschiedenis níet wordt opgetrokken, zou ik het voornamelijk bij het Westen houden*. Het is de Westerse geschiedenis die ons gemaakt heeft tot wat we zijn, met de Griekse filosofen en de Romeinse advocaten, de kerstening van de Germanen, de feodaliteit en de kloosters, de riddercultuur en de machtsstrijd tussen kerk en staat, de stedelijke nijverheid en de handelscentra in Vlaanderen, Duitsland en Italië, de ontdekkingsreizen en de kolonisatie, de Reformatie en de godsdienstoorlogen, het absolutisme en de Verlichting, het Engelse parlementarisme en de Amerikaanse en Franse revolutie, de industrialisatie en het sociale vraagstuk, het nationalisme en de Eerste Wereldoorlog, met daarnaast de kunststromingen van gotiek, renaissance, barok, classicisme, romantiek en modernisme. Dat zijn de highlights die ik verkies voor ónze geschiedenislessen. En als ik in China woonde, zou ik kiezen voor de Chinese highlights.
     Is die beperking echt nodig? Zouden we ook bij slechts 2 uur geschiedenis geen eerlijke verdeling kunnen doorvoeren: één uur Westers en één uur Chinees? Dat zou ten koste gaan van de diepgang vrees ik. Iedereen die iets over geschiedenisonderwijs zegt, begint na twee zinnen al op de noodzaak te hameren om de leerlingen ‘verbanden’ te laten zien. Men overdrijft daar zelfs in. Ik kan mij nogal vinden in de uitspraak van mijn facebookvriend Michel Berger die historische verbanden als volgt samenvatte: ‘Eerst deed men iets, en daarna deed men iets anders, en toen deed men weer iets en daarna deed men weer iets anders.’ 
     Maar we zijn vandaag allemaal, of we willen of niet, kinderen van Hegel. We zien overal thesen, antithesen en synthesen, en of die er nu in werkelijkheid geweest zijn of niet, ze zijn in elk geval een uitstekend middeltje om een en ander te onthouden. Ze geven ons de illusie dat we er toch iets van begrijpen. Maar die thesen, antithesen en synthesen tekenen zich maar af als er voldoende materiaal is aangeleverd waaruit ze kunnen worden afgeleid: voldoende feiten, anekdotes, verhalen, motieven, verklaringen die met elkaar samenhangen in ruimte en tijd, en waarvan we om ons heen vaak nog de materiële sporen zien. 

* Mijn andere stukjes over Benjamin Verdru staan hierhier en hier.
 ** In die traditie komen vreemde beschavingen zijdelings aan bod als ze op een betekenisvolle manier met de Westerse verstrengeld raken: de Arabische beschaving tijdens de kruistochten, de Azteekse beschaving tijdens de ontdekkingsreizen, en verder de hele wereld tijdens de geglobaliseerde twintigste eeuw.  Wil men dat wat uitbreiden tot de Barbarijse zeeroverij, de Afrikaanse samenlevingen tijdens de slavenhandel, en de Ottomaanse beschaving die het Westen eeuwenlang bevochten heeft, dan is dat voor mij geen probleem. Ook heb ik er geen probleem mee dat de zaken zowel van ons standpunt als vanuit het andere standpunt bekeken en besproken worden.

zaterdag 5 mei 2018

Karl Marx, Arthur Schopenhauer en de afgunst

     Karl Marx werd geboren in 1818 – op 5 mei, 200 jaar geleden dus. Ook in 1818 verscheen het ‘hoofdwerk’ van die andere Duitse filosoof Arthur Shopenhauer: De wereld als wil en voorstelling. De twee geleerden en hun geschriften hebben allebei een rol gespeeld in mijn leven, de eerste vóór mijn vijvendertigste levensjaar, de andere erna. Ze hadden geen van de twee een gemakkelijk karakter en ze waren allebei nogal jaloers van aard, Schopenhauer op zijn academische rivaal Hegel die volle collegezalen trok, en Marx op zijn politieke rivaal Lasalle die geliefd was onder de arbeiders.
     Je hebt eigenlijk verschillende soorten afgunst. Je kunt bijvoorbeeld jaloers zijn op iemand die iets kan wat jij niet kunt, en wat je zou willen kunnen. Dat vind ik een mooie vorm van afgunst. Ze vindt haar oorsprong in de bewondering voor die ander. Er is een vleugje nederigheid bij, en meestal ook een grote hap werkelijkheidszin. Ik ben niet jaloers op het muzikale talent van Bach, want ik heb niet de minste aanleg in die richting. Ik ben niet jaloers op de stukjes van Karel van het Reve, want de afstand tussen hem en mij is te groot. Maar als ik op Facebook een aardig stukje vind dat van klasse één of twee graadjes boven mijn eigen stukjes uitkomt, dan ben ik daar wel jaloers op.
     Van zo’n afgunst word ik niet ongelukkig, of toch niet al te erg. Ik moet er mij niet voor schamen. Het is een jalouzie de métier van het betere slag. Het is, om het zo maar eens te zeggen, geen échte afgunst. Die ander schrijft betere stukjes, omdat hij iemand anders ís, en je kunt eigenlijk niet willen dat je iemand anders bént. Je kunt wel zijn huis, zijn vrouw, zijn os en zijn ezel willen, maar je zou daar maar plezier aan kunnen beleven als jijzelf dezelfde bent gebleven.
     De andere soort van afgunst, de echte, is die waarbij je de ander benijdt, niet om wat hij ís maar om wat hij hééft. En bij de zaken waar je jaloers om kunt zijn, komen – naast die os en die ezel – aandacht, aanzien en succes helemaal bovenaan op de lijst. Je vindt een Facebookstukje van een ander maar flauw, maar het oogst verdomme meer likes dan het jouwe. Dan krijg je jalouzie de métier van een heel andere soort. Je bent verontwaardigd. Die likes zouden eigenlijk onder jouw stukje moeten staan. Hier is een toestand van onrecht, die moet worden aangepakt. Als je de schrijver persoonlijk kent en je weet waar hij zijn auto parkeert, kun je misschien een kras in het koetswerk gaan aanbrengen. Je zou daarbij geen wroeging voelen want de zure drank van de afgunst is aangelengd met een flinke scheut gekrenkt rechtvaardigheidsgevoel en op smaak gebracht met een ferme klont morele pathos. Die drie zorgen voor een bedwelmend maar erg giftig mengsel.
     De afgunst van Marx en Schopenhauer was van die tweede – minderwaardige, maar tegelijk ook échte – soort. Marx en Schopenhauer hadden geen of weinig bewondering voor de talenten van Lasalle en Hegel maar ze waren jaloers op hun succes. Ze waren niet jaloers op hun rivalen om wat ze wáren, maar om wat ze hádden. Van dat soort afgunst word je heel ongelukkig. Je hebt nooit genoeg, en de ander heeft altijd te veel, of het nu gaat om ossen, ezels, huizen, mooie vrouwen, auto’s, politieke aanhangers, academisch aanzien of likes op een Facebookstuk.
     En als je er dan, door die afgunst of door iets anders, niet in slaagt om gelukkig te worden, schrijft Schopenhauer, ga je een minder hoogstaand, maar realistischer doel gaan nastreven: ánderen ongelukkig maken. Zo verklaart hij de wreedheid van Nero, van Domitianus, van de Osmaanse Janitsaren en van Robespierre. Ik weet niet of Marx in die verklaring zou zijn meegegaan. Maar volgens de dochter van Louis Kugelmann had hij in ieder geval met instemming kennis genomen van het grote werk dat verschenen was in zijn geboortejaar.

woensdag 17 januari 2018

De grootste intellectueel van Vlaanderen

    Een vraag die ik mij vaak stel is deze: wie is nu eigenlijk de grootste intellectueel van Vlaanderen? Dat is geen gemakkelijke vraag, vooral omdat ik niet alle Vlaamse intellectuelen ken, en degenen die ik ken, ken ik meestal alleen van naam. Nur dem Namen nach, zoals de Duitsers zeggen. En hoe kun je nu de grootste van een verzameling aanwijzen als je de hele verzameling niet zo goed kent?
     Nu heb ik vorige week hulp gekregen van Joël De Ceulaer. Joël stelde zich ook de vraag wie de grootste intellectueel van Vlaanderen was, en hij wist het antwoord blijkbaar al evenmin als ikzelf. Maar Joël was slimmer dan ik. Als je het antwoord niet weet, dacht Joël, vraag het dan aan iemand anders. En hij heeft het gevraagd aan honderd prominente Vlamingen, van Abou Jahjah tot Raymonda Verdyck en van Orban Agirdag tot Els Witte. De lijst van honderd prominenten is evenwel niet helemaal in balans. Joël is journalist bij De Morgen en hij nam niet minder dan zeven journalisten van die krant in zijn prominentenlijst op, hemzelf inbegrepen – hij wist het antwoord dus toch.
     Uit die prominentenbevraging zijn tien namen naar voren gekomen: een activiste (Rachida Lamrabet), een iman (Khalid Benhaddou), een rector (Caroline Pauwels), een schrijver (David Van Reybrouck), een politicoloog (Jonathan Holslag), een econoom (Geert Noels), drie vrijzinnige filosofen (Etienne Vermeersch, Maarten Boudry en Patrick Loobuyck) en één politicus (Bart De Wever), die het lijstje trouwens aanvoert.
     Bart De Wever de grootste of althans de invloedrijkste intellectueel van Vlaanderen? En dan nog benoemd door een panel dat grotendeels uit zijn tegenstanders bestaat? Ik weet het nog zo niet.
     Neem nu die jaarlijkse intellectuele proef die al zoveel politici hebben moeten ondergaan: de Elsschotlezing. De Wever hield ze in 2016. En wat wist De Wever te vertellen over Elsschot? Goed. Hij had die boekjes gelezen, dat merkte je wel, en hij was erdoor gegrepen, dat merkte je ook. Maar toch week hij zo snel mogelijk uit naar zijn eigen terrein. Via een brugje over Elsschots kleindochter en het gezin Elsschot ging het al vlug over normen en waarden, en dat we traditionele instellingen als het huwelijk niet te snel moesten afschrijven. Tobback had het hem voorgedaan: van Elsschot via een brugje over zaken waar hij wél iets van af wist – Boccaccio, Camus –naar de dringende noodzaak van meer links politiek engagement. Je krijgt bijna de indruk dat De Wever en Tobback hun rede zelf hadden geschreven.
     Nee – geef mij dan maar iemand van formaat, iemand als … euh … Kris Peeters. Dát was nog eens een Elsschotrede. Het begon nochtans slecht. Peeters gaf toe dat hij op school de boekjes van Elsschot maar niks vond. Ze waren te dun, de taal was te doorzichtig, de personages te doordeweeks. Die bekentenis maakte op mij een slechte indruk want zelf vond ik die boekjes ook op school al geweldig. Peeters dus niet. Pas later, veel later, begreep hij de grootheid van Elsschot. Maar Peeters weet ook hoe het komt dat hij zich zo laat tot het Elsschotgeloof bekeerde. Het was de schuld van de schrijver zelf, die zijn taalmeesterschap immers slechts ‘toonde in wat het verborg’. Het was niet Peeters zijn schuld.
     Dan komt Peeters op dreef. We worden ondergedompeld in Latijnse zegswijzen, Franse citaten en Engelse wijsheden – horresco referens –  ars est celare artem – le style c’est l’homme – steal from the best.* En niet alleen létterlijke zegswijzen en citaten. Peeters kan die ook naar zijn hand zetten als het moet: la vanité c’est les autres – fiat pecunia, pereat mundus.** En boven alles is hij een meester in het citeren van Elsschot zelf: lange citaten, korte citaten, verborgen citaten, pastiches, zowel uit de bekende werken als Kaas, Dwaallicht en Lijmen, als uit de minder bekende als De verlossing, Tankschip en Pensioen. Overal vindt Peeters wel enkele woorden, soms slechts één woord, dat naadloos past in zijn betoog. Zoiets kan alleen iemand die innig vertrouwd is met het werk van de schrijver, of die zich weken aan een stuk, onder verwaarlozing van zijn politieke taken, met het Verzameld Werk heeft beziggehouden.

     En Peeters kan meer dan citeren, want jij en ik, beste lezer, kunnen dat ook - als we ons best doen en over een onderzoeksmedewerker beschikken. Maar kunnen we zinnen bedenken als deze: ‘In het venster dat [Elsschot] ons biedt op de wereld trachten we vergeefs de spiegeling van ons eigen gelaat te ontwijken.’ Zo’n zin zou ik nooit kunnen schrijven. Hier is een ware filosoof aan het woord.
     Vroeger liet Peeters zich af en toe ontvallen dat hij járenlang Schopenhauer op zijn nachtkastje liggen had. Nu heeft Schopenhauer niet zo veel geschreven (multum, non multa), maar als je hem in het Duits leest, en je wil alles begrijpen, ook de Vierfache Wurzel des Satzes vom zureichenden Grunde, dan ben je daar inderdaad wel even mee zoet. Later werd Schopenhauer op Peeters zijn nachtkastje opgevolgd door een andere filosoof, maar hier lopen de bronnen uiteen. Volgens de enen was die filosoof Kant (De Standaard, 31 december 2004), volgens anderen was het Hegel (De Standaard, 4 augustus 2014). Ik gok op Kant, want nogal wat lezers wagen zich na Schopenhauer aan Kant, wat dan niet meevalt. Aan Hegel beginnen ze niet want dat is immers die kerel met zijn ‘Bierwirthsphysiognomie … auf dessen Gesicht die Natur mit leserlichster Handschrift “Alltagsmensch” geschrieben hatte.’***

     Het is bekend dat Peeters graag burgemeester van Antwerpen wil worden. Mocht dat niet lukken, kan hij proberen aan een onzer universiteiten de filosofie van Kant, Hegel en Schopenhauer te doceren. En als ook dat niet lukt, kan hij nog altijd een goede leraar Nederlands worden. Zijn Elsschotlezing heeft mij overtuigd. Hopelijk worden tegen die tijd nog altijd échte literatuurlessen voorzien in de eindtermen en de leerplannen.

 

* Ik huiver als ik eraan denk – de kunst bestaat erin de kunst te verbergen – de mens zelf is de stijl – steel van de besten.

** ‘IJdelheid, dat zijn de anderen’ – variatie op ‘de hel, dat zijn de anderen’ en ‘de wereld mag vergaan, als er maar geld verdiend wordt’ – variatie op ‘de wereld mag vergaan, als er maar recht geschiedt.’

*** ‘… kerel met zijn kroegbaasfysionomie, op wiens gezicht de natuur in haar duidelijkste handschrift “banale mens” geschreven had.’

 

zondag 2 april 2017

Nationalisme en loyaliteit

     Op mijn eigen facebookpagina las ik onlangs een heftige discussie tussen een voor- en een tegenstander van het nationalisme – en van het Vlaamse nationalisme in het bijzonder. Ik hou mij in zo’n geval voorzichtig op de achtergrond. Wel blijft die kwestie dan weken rondspoken in mijn hoofd.
     Want wat is nationalisme? Misschien komt dit in de buurt: een speciaal gevoel van loyaliteit tegenover het eigen volk. Dat is dan wel een wonderlijk gevoel want het is meestal niet erg duidelijk waarin dat eigen volk nu precies verschilt van een ander en wat het juist gedaan heeft om die loyaliteit te verdienen.

     Zo’n onredelijke loyaliteit bestaat echter niet alleen bij naties. Je vindt ze bij politieke partijen, bij geloofsovertuigingen, bij voetbalclubs. In het Romeinse rijk had je ze bij het wagenrennen. In de arena bestreden de ‘blauwe’ en de ‘groene’ wagenmenners elkaar en achteraf leverden de supporters slag in de straten van Rome of Constantinopel. Plinius de Jongere vond dat belachelijk, maar Plinius was een snob.
     Ondertussen mogen we aannemen dat bij de nationalisten redelijke en onredelijke mensen bestaan. En bij de antinationalisten ook. Er bestaat een facebookgroep ‘Slechte Vlamingen’ en zelfs een groep ‘Extra Slechte Vlamingen’. Van die laatste weet ik het niet zeker, maar bij de eerste, de gewone Slechte, vind je wel eens een redelijke opmerking. Redelijke mensen zijn er namelijk overal. Je vindt ze bij de supporters van Stormvogels Haasrode en je vindt ze bij de supporters van – nou ja – Royal Sporting Anderlecht. De redelijk-loyalen zien de betrekkelijkheid van hun eigen standpunt, begrijpen dat de eigen club in de fout kan gaan en geven toe dat niet alles de schuld is van de scheidrechter. Boven alles schuwen de redelijk-loyalen het gebruik van geweld om hun trouw te bewijzen aan volk, partij, geloof of club.
     Je zou die loyaliteit – ook de redelijke – een vorm van tribalisme kunnen noemen. Dat is een wat negatief geladen woord. Maar je kunt het ook anders bekijken. ‘Tribalisme’ verwijst naar het begin van de menselijke beschaving. Gewoontes en gedragingen die toen ontstonden zijn diep ingesleten in onze natuur. Jonathan Haidt* bijvoorbeeld gelooft dat het gevoel voor loyaliteit evolutionair ontstaan is uit de noodzaak om coalities te vormen en hij noemt het een van de vijf of zes grondslagen van de moraal.
     Niet iedereen heeft een gelijke behoefte aan loyaliteit. Er loopt hier en daar wel een vaderlandsloze gezel rond, agnost in geloofszaken en strikt onpartijdig in de politiek en de sport. Maar of hij van geen énkele club lid is, durf ik betwijfelen. Misschien behoort hij net als ik tot de Reve-lezers-Mulisch-hatersclub of tot het Leve-Schopenhauer-weg-met-Hegelbroederschap, of tot nog een ander geheim genootschap – zo geheim dat zelfs de leden ervan niet weten dat het bestaat.
     Nee, niet iedereen heeft eenzelfde talent voor wij-en-zij-denken. Maar wie dat talent beslist in grote mate bezat, was Dr. Johnson (1709-1784) waar Marc Vanfraechem** altijd over schrijft. Toen hij in de havenstad Plymouth logeerde, had hij gezien dat er in de buurt een nieuw havenstadje was opgerezen dat ‘The Dock’ werd genoemd. Hij kantte zich onmiddellijk tegen de nieuwkomers. Als toerist in Plymouth vond hij het zijn plicht om op te komen voor de Oude Stad. Bij elke gelegenheid sprak hij kwaad van de ‘Dockers’. Toen hij hoorde dat de nieuwe stad had gevraagd om een deel van Plymouths watervoorraad te mogen gebruiken, riep hij, half voor de grap, maar met luide stem: ‘Nee, nee! Ik ben tegen die Dockers! Ik ben een Plymouth-man. De schurken. Dat ze omkomen van de dorst. Ze krijgen geen druppel.’
     Kijk, zo ver moet men het nationalisme niet drijven.
 
*Zie The Rightheous Mind (2012) en hier.
**Zoals hier bijvoorbeeld.


Dit stukje verscheen ook op Doorbraak.

woensdag 11 mei 2016

Aanschouwelijk geschiedenisonderwijs

Zó, en niet anders, zagen de Noormannen eruit
(Artis Historia)
     Ik hou van historische boutades* – gedenkwaardige uispraken gedaan door beroemde mannen en vrouwen uit de geschiedenis. Dat wil zeggen: die mannen en vrouwen hebben die woorden natuurlijk niet uitgesproken, want ze zijn achteraf verzonnen door scribenten, maar in de geschiedenisles deed de leraar alsof die woorden wel echt waren uitgesproken. En hij had gelijk. Die woorden hielpen je om een heel stuk geschiedenis voor altijd in je geheugen te prenten. Ze maakten de geschiedenis aanschouwelijk. Het werkte bijna evengoed als de prenten van Artis Historia. Die prenten waren ook allemaal fout, maar je vergat nooit dat Karel de Grote tot Keizer werd gekroond, dat Karel de Vijfde heel anders gekleed was dan Karel de Grote en dus waarschijnlijk in een heel andere tijd leefde, en dat de soldaten van Napoleon veel kou leden in Rusland.
     Om goed te zijn, mogen de historische woorden niet te stichtelijk zijn. Bij recente Amerikanen loopt het vaak fout. Roosevelt, Kennedy, Martin Luther King hebben hier veel kwaad gedaan.  ‘We don’t have anything to fear but fear itself.’ ’t Is waar hoor. ‘Don’t ask what your country can do for you, ask what you can do for your country.’ Ja, natuurlijk, vanzelfsprekend. ‘We are not makers of history. We are made by history’. Uiteraard …euh … wacht eens even. Als wij die geschiedenis niet gemaakt hebben, wie dan wel? Hegel misschien? Dan is Shakespeare mij liever. In de mooie scène, half in het Frans, half in het Engels, tussen Henry V en de Franse koningsdochter wil die laatste niet gekust worden want dat is niet ‘the fashion in France’. Waarop Henry antwoordt: ‘Dear Kate, we are the makers of fashion.’ ’t Is misschien niet helemaal waar wat de koning zegt, en ‘fashion’ is niet helemaal hetzelfde als ‘history’, maar die woorden ontroeren mij iedere keer.
     Hieronder heb ik een lijstje gemaakt van twintig historische boutades in het Frans, en eentje in het Italiaans, die ik mij herinner van het geschiedenisonderricht op school, of van dat van mijn vader aan de keukentafel. De laatste uitspraak kom ik soms tegen in de krant als het over Delphine de Boël gaat.
    Speciaal voor de jonge lezers heb ik onderaan een korte toelichting bijgevoegd. Misschien zijn die jonge lezers door al dat kritisch bronnenonderzoek, door al dat bestuderen van de sociaal-economische ‘golven’ en door al die door henzelf gemaakte presentaties over het Palestijns-Israëlisch geschil niet aan het hoofdstuk van de gevleugelde woorden toegekomen.

(1)     Dieu le veut! (1095)
(2)      Tuez-les tous, Dieu reconnaîtra les siens. (1209)
(3)       Honi soit qui mal y pense. (1344)
(4)      N’ayez pas peur Madame, ce ne sont que des gueux. (1566)
(5)       Adieu prince sans terre – Adieu comte sans tête. (1567)
(6)       Mon Dieu, mon Dieu, ayez pitié de moi et de ce pauvre peuple. (1584)
(7)       Paris vaut bien une messe. (1593)
(8)       Sire, il n’y a plus de Pyrénées.  (1700)
(9)        Messieurs les Anglais, tirez les premiers. (1745)
(10)     Eh, la France, ton café fout le camp. (1773)
(11)       S’ils n’ont pas de pain, qu’ils mangent de la brioche. (1782)
(12)       Excusez-moi, monsieur, je ne l’ai pas fait exprès. (1793)
(13)       La république n’a pas besoin de savants ni de chimistes. (1794)
(14)       Du haut de ces piramides, quarante siècles vous contemplent. (1798)
(15)        On peut tout faire avec des baïonnettes sauf s’asseoir dessus. (ca 1808)
(16)        Comediante … tragediante! (1813)
(17)        La Garde meurt, et ne se rend pas. (1815)
(18)       Monsieur de Tocqueville, causons un peu d’Amérique. (1835)
(19)        On n’arrête pas Voltaire. (1960)
(20)       Et alors? (1994)

* Mijn zwak voor historische boutades blijkt ook uit sommige van mijn vorige stukjes: hier, hier, hier, hier, hier en hier.
_____________________________

(1)   Pieter de Kluizenaar roept op tot de eerste kruistocht.
(2)   Monnik Arnaud Amory raadt aan om de hele bevolking van Béziers uit te roeien, zonder onderscheid te maken
         tussen goede katholieken en Albigenzische ketters.
(3)   De Engelse koning Edward III ziet hoe een edele dame haar kousenband verliest en gespt die galant weer vast.
(4)   Een raadsheer stelt Margaretha van Parma gerust als die bezoek krijgt van opstandige edelen. Die eisen middels
        een ‘smeekschrift’ de stopzetting van de protestantenvervolging.
(5)    De graaf van Egmont waarschuwt Willem van Oranje dat hij zijn land zal verliezen als hij vertrekt. Willem
          waarschuwt de graaf dat hij zijn leven zal verliezen als hij blijft.
(6)    Willem van Oranje nadat hij is neergeschoten door Balthasar Gerards.  
(7)    Hendrik IV kan pas koning van Frankrijk worden als hij zich bekeert tot het katholicisme.
(8)    De Spaanse ambassadeur tegen de Franse koning Lodewijk XIV. De kleinzoon van Lodewijk wordt koning van
          Spanje, waardoor de twee landen nu door dezelfde dynastie, de Bourbons, geregeerd worden.
(9)   Bij de slag van Fontenoye, bij Doornik, drijft graaf d’Anterroches de aristocratische beleefdheid zo ver dat hij de
         vijand eerst laat schieten. Toch verslaan de Fransen daarna de Engelsen en de Oostenrijkers, zonder daarna echter
         hun gebied uit te breiden. Alleen de koning van Pruisen profiteert van de oorlog. Vandaar: ‘travailler pour le roi de
         Prusse’.  
(10) De minnares van Lodewijk XV, de gravin du Barry, noemt de koning nogal oneerbiedig ‘la France’. Tijdens het
         minnekozen merkt de gravin dat de koffie die de koning op het vuur heeft laten staan, aan het overkoken is.
         'Foutre' is een heel plat woord dat ik hier niet durf vertalen.

(11) Een niet met name genoemde adellijke dame die zich geen voorstelling kan maken van de armoede van het volk.
(12) Marie-Antoinette nadat ze per ongeluk op de voet van de beul gestapt heeft.
(13) De openbare aanklager tegen de ter dood veroordeelde Lavoisier, die gevraagd had om vóór zijn terechtstelling
        nog een scheikundig onderzoek te mogen afronden.
(14)  Napoleon Bonaparte spreekt zijn troepen toe voor de slag van Caïro.
(15)  Talleyrand probeert aan Napoleon Bonaparte duidelijk te maken dat het gemakkelijker is een land te veroveren
         dan een veroverd land te besturen.

(16)  Paus Pius VII geeft een bondig antwoord aan Napoleon Bonaparte die hem probeert te bewerken met vleierij en
         bedreigingen.
(17)  Majoor Cambronne van de Keizerlijke Wacht bij de slag van Waterloo. Volgens anderen heeft hij gewoon ‘merde’
         gezegd, wat men eufemistisch ‘le mot de Cambronne’ noemt.
(18)  De Franse koning Lodewijk-Philips wil de Amerikareiziger uithoren over dat geheimzinnige land waar de
         democratie schijnt te werken.
(19)  Generaal de Gaulle als men voorstelt Jean-Paul Sartre in de gevangenis te gooien vanwege zijn opruiende taal
          in verband met de Franse aanwezigheid in Algerije.
(20)   De Franse president Mittérrand als Paris-Match hem onder de neus wrijft dat hij een onwettige dochter heeft.

zaterdag 2 april 2016

“De islam heeft er niets mee te maken”

     Volgende uitspraak zou niet misstaan in de beroemde lijst van ‘opinions chics’ die Karel van het Reve ooit opstelde: “De Islam bestaat niet want er zijn honderden soorten Islam.” Ik las ergens een snedig antwoord: “Jazeker, er bestaan honderden soorten islam, maar dan vooral twee: de islam die er niets mee te maken heeft, en de islam die er helemaal niets mee te maken heeft.”
     Wat mij brengt bij de titel van dit stukje.
     Dat de islam er niets mee te maken heeft, is een erg vage stelling, en die vaagheid begint met de woorden ‘de’ en ‘er’ en ‘niets’ (helemaal niets?). En wat betekent in godsnaam ‘iets te maken hebben met’? De Duitse filosoof Hegel (1770-1831) beweerde dat alles met alles te maken had, en wie zal hem tegenspreken? Zo bekeken hebben de jongste terreuraanslagen niet alleen met de islam te maken maar ook met het Brusselse taxiwezen, het tweede huwelijk van Philippe Moureaux, het Sykes-Picotverdrag, de kruistochten, Alexanders wereldrijk, enzovoort. En laten we daarbij het droogvallen van de Beringstraat aan het begin van het holoceen niet vergeten. Maar zo komen we nergens, en dat was ook de mening van Bertrand Russell (1872-1970) die Hegel van weerwoord diende en aantoonde dat alles weliswaar met alles te maken had, maar dat je alleen zinvol met elkaar kunt praten als je er niet altijd alles bij betrekt.
     Wat bedoelen mensen eigenlijk die zeggen dat de islam niets met het terrorisme te maken heeft? Mij lijkt het dat velen van hen bedoelen dat de islam niets met het terrorisme te maken zou mogen hebben. Dat hadden ze dan duidelijker kunnen zeggen, maar ik ben het er verder volkomen mee eens.
     Het gesprek over de islam zou, geloof ik, doelmatiger, feitelijker en misschien zelfs aangenamer verlopen, als onze vage stelling wat meer vlees om het lijf kreeg door beperktere, duidelijker afgetekende formuleringen, zoals:

(1)           Moslims zijn meestal brave mensen die, zoals iedereen, gruwen van geweld.
(2)           Moslimterroristen gebruiken de islam als voorwendsel voor hun
             gewelddadige neigingen.
(3)           Ze zouden die aanslagen ook gepleegd hebben als ze niet – meestal recent –
             de islam ontdekt of herontdekt hadden.

(4)           Terroristen vormen maar een heel-heel-heel klein deel van de moslims in
             de wereld.
(5)           Slechts een even klein deel van de moslims in de wereld keurt het
              terrorisme goed.
(6)           Zelfs moslims die de doelen van de terroristen goedkeuren, keuren hun
              middelen af.
(7)           Moslimterroristen zijn door een gezaghebbende fatwah uit de
             moslimgemeenschap gestoten.


En wat ruimer:

(8)          De Koran bevat geen oproepen om geweld te plegen tegen ongelovigen.
(9)           De overgeleverde levenswandel van de Profeet wijst de weg naar vrede en
              verzoening
(10)       De boodschap van universele liefde is de grondtoon van de Koran en de
             Haddith.

(11)        De hele geschiedenis van de islam is er een van trachten naar vrede en
             goede verstandhouding met iedereen.

(12)        De jongste evolutie binnen de islam laat een koerswijziging zien naar
             meer verdraagzaamheid en geweldloosheid.

     Sommige van bovenstaande uitlatingen zijn ongetwijfeld waar.  Of ze allemaal waar zijn, zou ik eens aan een deskundige moeten vragen.