Posts tonen met het label Horatius. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Horatius. Alle posts tonen

woensdag 17 maart 2021

Niet akkoord met Ivo Michiels

 


     In het prachtboek van Jo Komkommer Dinsdagen in November* staat een prachtstuk over Ivo Michiels. Jo heeft Ivo redelijk goed gekend, want de beroemde auteur was een goede vriend van zijn vader. Hij was een man met veel innemende eigenschappen: gevoel voor humor, een uitbundige lach, gebrek aan rancune, een mooie vrouw. Hij had met verbeten ijver het schrijverschap nagestreefd om te ontsnappen aan het grauwe bestaan van fabrieksarbeider bij Agfa-Gevaert. Hij had in zijn repertoire een machtige mop die hij zowel vertelde als uitbeeldde. Die begon als volgt. Fidel Castro houdt vanop zijn balkon een redevoering die eindigt met de beklemmende oproep ‘Trabajo si! Samba no!’. Kan iemand van mijn lezers raden hoe de mop eindigt? Het helpt als je de vorige zin luidop leest en je je het enthousiaste Cubaanse publiek voorstelt.
     Zelf heb ik Ivo Michiels niet gekend. Ik heb er wel les over gekregen van Marcel Janssens. We moesten voor Nederlandse Literatuur een aantal auteurs lezen waaronder Elsschot en Michiels, en op het examen had ik de Michiels-vraag. Van het Boek Alfa herinnerde ik mij bitter weinig maar daar liet ik mij niet door van de wijs brengen. Ik situeerde de schrijver binnen de groep van modernisten zoals (even diep ademhalen): ‘Harry Mulish, Paul de Wispelaere, Willy Roggeman, Bert Schierbeek, Sybren Polet, Hugo Raes en in het buiteland, Marcel Proust, James Joyce, Virginia Woolf, Hermann Broch (wie?), Robert Musil en William Faulkner.’ Janssens knikte goedkeurend, want zo stond het in zijn cursus, en ik had geen enkele naam vergeten.
     Tijdens het academiejaar had Janssens de auteur ook uitgenodigd om een gastcollege te geven. Naast de keurige professor, was de auteur een bonte verschijning. Hij droeg een Hawaïhemd met open kraag, een lichtbruine leren jas, en met die broek was ook iets fout, maar ik weet niet meer wat. Tijdens zijn uitleg maakte hij wilde gebaren. Hij tekende twee ladders op het bord, waarmee hij twee verschillende gedachtestromen weergaf die hij volgde tijdens het schrijven. Die ladders werden dan de benen van een personage, en waar ze bij elkaar kwamen was de geslachtsdrift gelokaliseerd. Die geslachtsdrift was heel belangrijk, wist Michiels nog.
     Het college ging over hoe schrijven eigenlijk in zijn werk gaat. Dat moet iets heel persoonlijks zijn, waar ik overigens niets vanaf wist. Toch slaagde ik erin het met Michiels oneens te zijn. En ik was de enige niet. Een paar stoelen verder zat Erik Spinoy die herhaaldelijk en nadrukkelijk ‘nee’ schudde met zijn hoofd.
     Waar Spinoy en ik het niet eens mee waren, weet ik natuurlijk niet meer. Maar dankzij Jo heb ik nu toch íets in handen om met Michiels van mening te verschillen, al gaat het om een nuance, een peulenschil, een akkefietje. Net zoals Jo de beroemde auteur Ivo Michiels heeft gekend, had Ivo Michiels de beroemde auteur Willem Elsschot gekend. Hij waardeerde hem ten zeerste, ‘maar hij vond het tegelijkertijd zo jammer dat deze altijd zo laatdunkend over zijn eigen oeuvre en over zijn schrijverschap deed. Elsschot kon of wilde zich niet aan zijn Antwerpse wortels onttrekken.’
     Dat is inderdaad de indruk die Elsschot soms gaf. Toen Walschap hem voorstelde lid van de Academie der Vlaamse Letteren te worden, zei Elsschot: ‘Ik ben geen letterkundige. Ik ken die mensen niet.’ Toen men hem in Ten Huize Van vroeg of hij tevreden was met de uitgave van zijn Verzameld Werk antwoordde hij aarzelend. ‘Ja … natuurlijk. Het heeft vooral dit voordeel dat een deel van mijn werk gered is, in deze zin dat al die kleine boekjes waarin het verschenen is, daarvan zullen waarschijnlijk enkele in de loop van de jaren totaal verdwijnen, misschien alleen nog aanwezig zijn in de bibliotheek van een paar literaire liefhebbers. Nu zitten ze bij elkaar.’ Die ‘kleine boekjes’, dat klinkt inderdaad wat laatdunkend.
     Maar als Elsschot in hetzelfde programma de vraag wordt gesteld of hij nu door die nieuwe uitgave zichzelf herlezen heeft, is de toon van het antwoord anders. ‘Sinds ik die boeken geschreven heb, heb ik ze nooit meer herlezen. Nu pas, drie weken terug, heb ik de hele geschiedenis nog eens doorgenomen. Dat is me zéér meegevallen, tot mijn eigen verwondering. Ik heb de indruk gekregen dat ik dat onmogelijk nog zou kunnen schrijven.’
     Ik liet dat vraaggesprek altijd aan mijn leerlingen zien, en vroeg achteraf of Elsschot zijn eigen werk nu wel of niet hoog inschatte. De meningen in de klas waren dan verdeeld, maar er was toch altijd een meerderheid die vond van wel. Ik hoorde bij die meerderheid. De bewondering van Elsschot voor zijn eigen werk, vind ik ontroerend. De auteur die voor het mysterie staat van zijn eigen talent – dat hij ooit zoiets heeft kunnen schrijven! Elsschot móet geweten hebben hoe goed hij was, net zoals Horatius, Dante, Shakespeare, Goethe en Heine dat vóór hem ook wisten. En hij moet daar zó van overtuigd zijn geweest, dat hij het vernederend vond om reclame voor zichzelf te maken – wij weten hoezeer hij het reclameberoep verfoeide. Zijn soms geringschattende uitlatingen over zijn eigen werk, zijn een gevolg van zelfzekerheid. Bij andere schrijvers, die heel hardnekkig hun reputatie verdedigen, vraag je je vaak of of ze hun onzekerheid niet proberen te overschreeuwen.
     Het volstaat overigens om de Inleiding bij Kaas en het Nawoord bij Tsjip te lezen om te weten dat Elsschot heel goed wist waar hij literair mee bezig was. Het laatste waar je Elsschot van wil beschuldigen, is dat hij een poseur was. Maar als hij wat laatdunkend spreekt over zijn ‘boekjes’ neemt hij wel degelijk een pose aan.

* Als alle exemplaren nog niet uitverkocht zijn, kun je het nog altijd bestellen op de Facebookpagina van de auteur. Zie ook hier en hier.

maandag 23 juli 2018

Subsidies voor de letteren

     Hoewel ik over zulke zaken les geef, had ik tot voor kort nooit gehoord over het bestaan van een Vlaams Fonds voor de Letteren. Ik legde mijn leerlingen uit dat er literaire ‘werkbeurzen’ bestaan, en ‘commissies’ die die toekennen, en ‘criteria’ waar je aan moet voldoen om zo’n beurs te krijgen. Maar hoe die instelling heette die zich met die dingen bezighield, wist ik niet.
     Dat is nu veranderd. Eerst verscheen in Het Nieuwsblad van 16 juni een artikel over het Fonds en de bedragen van die beurzen. Daaruit bleek dat een beperkt clubje schrijvers en dichters - Leonard Nolens, Elvis Peeters, Paul Claes, Marita De Sterck, Paul Verrept, Luuk Gruwez, Klaas Verplancke – al sinds 1999 élk jaar een subsidie ontvangen van 10 000 tot 20 000 euro per jaar.* Leonard Nolens had de laatste achttien jaar 368 192 euro aan literaire subsidies ontvangen. Ik vond dat veel geld.
     En dan ontstond er vorige week enige herrie omdat Mia Doornaert door N-VA voorgedragen was als nieuwe voorzitter van het Fonds. Allerlei politiek correcte lieden maakten zich ongerust of boos. Ik begrijp dat. De vorige voorzitter, Jos Geysels (Groen), was één van hen geweest, en nu wordt die afgelost door iemand die niet één van hen is. Toch zou ik mij niet al te veel zorgen maken. De lezers van Doorbraak weten dat zowel tegenstanders van Mia Doornaert (Johan Sanctorum) als voorstanders (Marius Meremans) al overtuigend hebben betoogd dat er aan het beleid van het Fonds niet veel zal veranderen.
     Moet dat beleid dan veranderen? Sterker nog: zijn al die subsidies aan romans, verhalen en dichtbundels überhaupt wel nodig? Als de lezer zich over die kwestie een eigen mening wil vormen verwijs ik hem graag naar de mooie polemiek die de broers Van het Reve daarover met elkaar hebben gevoerd in 1962. De argumenten tegen subsidies vind je bij Karel van het Reve in ‘Het verweesde boekenbal’ en die vóór subsidies bij Gerard van het Reve in ‘Brief uit schrijversland’, respectievelijk verschenen in Marius wil niet in Joegoslavië* wonen en Op weg naar het einde. Klaarder dan de Van het Reves kan ik de argumenten niet uiteenzetten, en ik geloof niet dat er in Vlaanderen en Nederland veel rondlopen die dat wel kunnen.
     Een vraag in dit verband wil ik echter wel even aanraken: worden er nu te veel of te weinig boeken geschreven? Subsidies, lijkt het wel, worden vandaag vooral gebruikt om de literaire productie te vermeerderen. Maar er verschijnen jaarlijks al zoveel boeken. Ik volg dat niet nauwgezet, maar daar moeten toch dingen bij zijn die eigenlijk niet de moeite waard zijn om gedrukt of gelezen te worden. Heeft men er al eens over nagedacht hoe men subsidies zou kunnen gebruiken om die slechte boeken ván de markt te houden?**
     We kennen uit de oudheid allemaal het voorbeeld van Maecenas die zijn fortuin gebruikte om dichters als Vergilius, Propertius en Horatius te onderhouden. Minder bekend is het voorbeeld van de Romeinse dictator Sulla. Die Sulla was een verdorven man, die lange lijsten aanlegde van tegenstanders en rivalen die moesten worden vermoord en wier bezit hij dan binnenrijfde. Maar hij was ook een groot kenner van de literatuur (‘Graecis atque Latinis eruditis’) en een vriend van schrijvers (‘amans virorum litteratorum’). Hij reikte daarbij niet alleen geld uit aan de goede schrijver, maar ook aan de slechte schrijver (‘mali poetae’), op voorwaarde echter dat die daarna niets meer zou schrijven (‘ea tamen lege ne quid postea scriberet’). Kan Doornaert hier inspiratie halen om een subsidiebeleid te voeren op twee fronten tegelijk?
     Maar als Doornaert liever een bescheiden start neemt, heb ik nog een ander voorstel. Het Vlaams Fonds voor de Letteren heeft een website waar het zichzelf voorstelt in een taal die elke literatuurminnaar een gruwel zal zijn. Ik citeer uit de ‘missietekst’: ‘Het VFL draagt via een geïntegreerd letterenbeleid zorg voor een dynamisch en divers letterenveld, waarbij de auteur en de lezer centraal staan. Het wil een breed toegankelijk literair landschap mogelijk maken en …’ Ik ben zeker dat sommige van mijn lezers al hebben afgehaakt op die afschuwelijke clichés. Kan de nieuwe voorzitter dáár ten minste iets aan doen?


* Dat bedrag komt boven hun andere inkomsten uit auteursrechten en lezingen, als die tenminste niet hoger liggen dan 40 000 euro per jaar.

** Ook in Verzameld Werk 3.
***Gerard van het Reve was ervan overtuigd dat zijn eigen subsidievoorstel zou leiden tot een kieskeuriger uitgavenbeleid.


dinsdag 30 januari 2018

Seksuele voorlichting

Als je hier klikt, hoor je er ook een liedje bij.
     Mijn ouders hebben mij nooit seksueel voorgelicht, goddank. Wel heeft mijn grootmoeder mij eens terzijde genomen om mij te waarschuwen voor een bepaald soort vrouwen. Het was een heel zijdelings verhaal, en weinig werd ondubbelzinnig benoemd. Mijn grootvader, vernam ik, had tijdens zijn legerdienst iemand gekend, en die iemand had ook iemand gekend, en dat was er een van wijntje en trijntje, een echte boemelaar, een nachtbraker eerste klas. En die was op zekere keer naar één van die huizen bij één van die vrouwen geweest en, ja, hij had meteen prijs. Na een week kreeg hij een zweertje. Het deed helemaal geen pijn, en ’t zag er erg ongevaarlijk uit, maar je wist maar nooit. Mijn grootvader werd erbij gehaald, want die had in Gent gestudeerd – muziek weliswaar, maar toch. ‘Onmiddellijk naar de dokter,’ had hij gezegd. Mijn grootmoeder keek mij veelbetekenend aan. Zou ik dat goed onthouden?
     Ik heb dat zeker goed onthouden. Nog altijd ga ik bij het minste zweertje, wratje, knobbeltje of kuchje onmiddellijk naar de dokter.
     Mijn vader had ook een verhaal, iets wat hij nog wist van de lessen Latijn. Van de oude Cato, ook Cato de Censor genoemd, was bekend dat hij erg streng was, en erg gesteld op de goede zeden. Maar een pilaarbijter was hij nu ook weer niet. Die kwamen pas enkele honderden jaren later. Toen de oude Cato dus een keer een jongeman uit een bordeel zag komen (exeuntem de lupanari vidisset), gaf hij hem een bemoedigend schouderklopje, zei dat het beter was dat de jongeman naar zo’n ontspanningsruimte ging dan dat hij andermans vrouwen lastig viel, maar dat het nu ook weer niet de bedoeling was dat hij daar zou gaan wonen (adulscens, ego te laudavi tamquam hunc intervenires, non tamquam hic habitares). Zo zag je maar, zei mijn vader, dat je met niets moest overdrijven.
     Ook dat heb ik goed onthouden. Ik probeer zo weinig mogelijk te overdrijven.