Posts tonen met het label Mozart. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Mozart. Alle posts tonen

zaterdag 16 november 2019

Nog meer bedenkingen bij de cultuursubsidies

** Als ik betogingen zie waar artiesten door een megafoon leuzen roepen, besluipt mij een gevoel van schaamte. Ik denk dan aan de tijd dat ík leuzen door een megafoon riep. Ik moet mijzelf dan streng toespreken. Het is niet omdat wat ik toen door de megafoon riep onzin was, dat alles wat door een megafoon geroepen wordt, onzin is. 

** Ik schreef het al in mijn vorige stukje (hier): in mijn ideale maatschappij zijn cultuursubsidies niet nodig. De mensen geven er geheel vrijwillig veel geld uit aan muziek, boeken, theater en schilderijen, liever dan aan dure restaurants of aan Zalando-schoenen. Maar om zover te komen zal er nog veel moeten veranderen. In het gemiddelde gezinsbudget gaat 7,2 procent naar restaurant, en slechts 8,6 procent naar vrije tijd en cultuur sàmen. 

** Als we die 8,6 procent  ‘cultuur en vrije tijd’ zouden opsplitsen, wat zou dan het aandeel van ‘cultuur zijn? Hoeveel geven we uit aan rockconcerten, opera, boeken, bioscoop, netflix, spotify, muziekschool, huur of aankoop van instrumenten, gesubsidieerd en ongesubsidieerd theater, museumbezoek, cultuurreizen van Davidsfonds en Doorbraak? 3 procent? 4 procent? In elk geval vele keren meer dan wat er aan subsidies in de sector omgaat. Zelfs als een bijzonder kwaadaardige regering álle cultuursubsidies zou afschaffen, zou het grootste deel van de cultuur nog altijd overeind blijven.

** Hoeveel subsidie gáát er eigenlijk in de sector om? We kennen het cijfer van 508 miljoen Vlaamse subsidies. Dat is 1,18 % van de Vlaamse begroting. ’t Is minder dan Onderwijs en Zorg (elk bijna 30 procent), maar ’t is ook niet weinig. Daar komen nog de federale, provinciale, gemeentelijke subsidies bij, het deeltijds kunstonderwijs, en wellicht nog hier een daar een onderdeel van een andere begrotingspost.  Zouden we in Vlaanderen aan één miljard komen?

** Terug naar de kleine cijfers. Het meeste protest betreft de daling van de ‘projectsubsidies’ van 8,47 miljoen naar 3,39 miljoen. Die subsidies, heb ik begrepen, gaan niet naar gevestigde instellingen, maar naar projecten van onbekende jonge artiesten die iets willen uitproberen. Ik heb mij lang afgevraagd waarom juist die subsidies worden teruggeschroefd. De mooiste verklaring is zoals zo vaak die van de PVDA: N-VA wil vooral jonge kunstenaars ‘de mond snoeren’ omdat ze zo kritisch zijn. Peter Mijlemans in Het Nieuwsblad heeft er een afgezwakte versie van: N-VA wil vernieuwing in de kunst tegenhouden. Zelf vermoed ik dat de projectsubsidies zijn uitgekozen omdat de weg van de minste weerstand altijd de aanlokkelijkste is. De projectsubsidies betreffen namelijk toekomstige projecten. Dan lijkt besparen gemakkelijker. Je bespaart op iets wat nog niet bestaat. Je neemt niet iets af van één of andere instelling of groep die wel al bestaat. Niemand moet boos zijn.

** Maar de sector wás boos. Allerlei grote namen – Tine Hembrechts, Wim Van Opbrouck, Michaël Pas – lieten verstaan dat ze nooit een grote naam zouden zijn geworden, als ze bij het begin van hun carrière niet een duwtje in de rug hadden gekregen in de vorm van een projectsubsidie. Daar twijfel ik aan. Als ik die mensen bekijk, hadden ze, geloof ik, wel het talent en de gedrevenheid om hoe dan ook de acteurs te worden die ze nu zijn. En verder zal er ook wel veel geld zijn gegaan naar projecten van beginners die uiteindelijk toch maar voor een baantje op kantoor kozen.

** Toch begrijp ik de boosheid. Die grote namen – Tine Hembrechts, Wim Van Opbrouck, Michaël Pas – denken met weemoed terug aan hun jonge jaren. Ze voelen zich verbonden met de studenten van conservatoria en kunstscholen die nú afstuderen en die, net als zij indertijd, met een hoofd vol dromen de podia wilden bestormen. Ze gunnen dat jonge geweld dezelfde projectsubsidies die zij indertijd gekregen hebben. Dat is mooi.

** Het is echter niet alleen een kwestie van geld. Mensen willen, meer nog dan geld, in de eerste plaats respect. Subsidies voor kunst verminderen, of voor onderwijs, treft de artiest, of de leraar, in zijn waardigheid. Het lijkt alsof er bezuinigd wordt omdat er in de sector te veel ‘geprofiteerd’ wordt. Nu ja, er zullen in gesubsidieerde sectoren als de kunstenwereld en het onderwijs wel profiteurs rondlopen, maar er zullen evengoed heel veel harde en gedreven werkers zijn, al krijgen ze dan subsidie of al hebben ze dan een ambtenarenstatuut.

** Ook voelen de cultuurmensen zich onbegrepen. Buitenstaanders, vinden ze, weten niet wat de gevólgen zijn van besparingen. Ook dat herken ik. Er was enige tijd geleden sprake van dat leraren met een masterdiploma 21 uur zouden moeten lesgeven, in plaats van 20 uur. De buitenwereld zal wel gedacht hebben, ach, één uurtje erbij, dat moet toch kunnen. Een terechte gedachte eigenlijk. Maar zelf was ik in paniek. Ik geef al enkele jaren vier uur Nederlands aan vijf klassen in ongeveer dezelfde studierichtingen. Voor mij is dat de ideale situatie die ik eindelijk op het einde van mijn loopbaan heb bereikt. Met 21 uur zou heel dat schema in de war geraken. Dan moest ik weer 4-uur-klassen met 3-uur-klassen gaan combineren en Engels met Nederlands. Dat is natuurlijk ook geen ramp, maar het zou voor mij véél, véél ingrijpender zijn dan alleen dat uurtje meer.

** Jambon heeft voorgesteld dat de cultuursector zelf maar besparingsvoorstellen moet formuleren. Dat gaan die cultuurmensen niet doen, want dan zouden ze onder elkaar ruzie moeten maken over wie wél en wie niet moet inleveren. Misschien zijn ze wel bereid om op kabinetten te konkelen voor een groter deel van de koek, ten nadele van hun concurrenten, maar dat gaan ze niet doen in het openbaar. Daarom doe ik hier een voorstel in hun plaats. Ik lees dat de werkingssubsidies 6 procent minder worden, behalve die van de zeven ‘erkende kunstinstellingen’, die 3 procent minder krijgen. Als al die instellingen nu allemaal één procent extra inleveren, kan men dan de projectsubsidies voor de jongeren weer op het oude peil brengen ? Of moet er meer dan één procent extra worden ingeleverd?

** Je leest vaak dat dan maar ergens anders dan in cultuur moet worden bespaard. Op defensie bijvoorbeeld waarvan het budget, omgerekend naar Vlaanderen, ongeveer het dubbele moet zijn als dat van cultuur, maar ook niet veel meer dan dat. Of misschien op de uittredingsvergoedingen voor politici, op de subsidies voor politieke partijen, op de dotaties voor het koningshuis, op overbodige fietspaden aan twee kanten van de weg … Over die redenering heb ik ooit een stukje geschreven (hier). Maar er is nog iets anders. Op veel andere sectoren wórdt in de huidige begroting al flink bespaard. Marc Ernst trok mijn aandacht op de ingreep in de Kmo-portefeuille die aan ondernemingen subsidies uitkeert voor opleiding, advies en coaching. Dat bedrag gaat van 61 miljoen naar 38 miljoen, een daling van 23 miljoen. Dat is bijna vijf keer zoveel als de ingreep in de projectsubsidies.

** Elk subsidiebeleid voor cultuur vertrekt van de gedachte dat bepaalde cultuurvormen beter zijn dan andere. Het gaat in tegen de populaire smaak. Grote groepen kinderen gaan naar Pukkelpop, en kleine groepjes volwassenen naar het opera. Die kinderen gaan geheel vrijwillig naar Pukkelpop en betalen 100 euro voor een dagticket. De volwassenen moeten naar het opera gelokt worden met een gesubsidieerd ticket van 17 euro.  Ergens heeft iemand beslist dat Cosi Fan Tutte meer de moeite waard is dan Billie Eilish. Je kunt het paternalisme noemen, of volksverheffing, of beschaving, al naargelang je voor of tegen bent.

** Ik begrijp dat voor podiumkunsten sterkere argumenten bestaan om subsidies toe te kennen, dan bijvoorbeeld voor romans of poëzie. Dat geldt vooral voor relatief kleine taalgebieden. Broadway overleeft geloof ik zonder al te veel subsidies. Soms denk ik dat de keuze voor bepaalde vormen van modernistisch theater (minimalistische decors, eenmanstheater …) bij ons meestal ingegeven is door de minder hoge financiële eisen die zulke producties stellen.

** ‘Herhalingen dreigen nu ook voor theater,’ luidde een kop in Het Nieuwsblad. Dat zou volgens Danielle Dierckx van De Roma het gevolg zijn van besparingen op de werkingssubsidies. Maar misschien zouden wat meer herhalingen niet zo heel erg zijn. Ik wil de theatermensen niet leren hoe ze hun stiel moeten doen, maar ik heb de stellige indruk dat mooie interessante stukken niet lang genoeg op het programma staan. Het is elk jaar een heel gedoe om een mooi repertoirestuk voor mijn leerlingen te vinden. De zalen zijn vaak uitverkocht, de tournees te kort, de data vallen niet goed.  Ik moet dan uitwijken naar Oostende of Turnhout of een naar andere verre stad. Misschien zou, met wat goede reclame, zo’n stuk enkele keren meer dan nu kunnen worden opgevoerd voor een volle zaal.

zaterdag 2 november 2019

‘Friends’ versus ‘How i Met Your Mother’

Groepsfoto How i Met - Marshall, Lilly, Robin, Ted, Barney
     Ik kijk dagelijks naar minstens één aflevering van de sitcom How i Met Your Mother. Dat doe ik al bijna vier jaar, vakanties in het buitenland niet meegerekend, waardoor ik alle 208 afleveringen ongeveer zeven keer gezien heb. Vandaag noemen we zoiets een guilty pleasure. Veertig jaar geleden was het een péché mignon. In elk geval: mijn collega C.  lacht mij erom uit.
     De reeks wordt vaak vergeleken met die andere sitcom,  Friends. Het gaat ook om een half dozijn dertigers in New-York. Een van hen is professor. Als ze iets grappigs zeggen of doen, hoor je daarna een lachband. Af en toe gebeurt iets droevigs, en dan hoor je geen lachband. De vrienden worden verliefd, op elkaar, op anderen, en daarna weer op elkaar. Zij zijn goed gek, neurotisch, egocentrisch, zelfvoldaan en sympathiek tegelijk; ze liegen als wij de waarheid zouden zeggen, en zeggen de waarheid als wij zouden liegen; ze doen slechte dingen die wij niet over ons hart zouden krijgen en  goede dingen die wij niet zouden kunnen opbrengen.
     How i Met is grilliger en in veel opzichten minder realistisch dan Friends. Er wordt soms gezongen of gedanst of in versjes gesproken. Er komen kleine tijdreisjes in voor, wat altijd cool is. De vrienden van Friends leken enigszins op mensen die we kennen, maar uitvergroot. Die van How i Met kun je moeilijker thuisbrengen. Neem Robin Sherbatsky: gewezen kindsterretje, would-be news anker, Canadese afkomst, als jongen opgevoed door een grimmige vader-miljonair. Ze is de stoerste van de groep, houdt van wapens en echte mannen, maar valt uiteindelijk gemakkelijk voor nerdy types. In drie van de negen seizoenen draagt ze kleren die haar niet staan, tot mijn grote ergernis.
     Het grootste verschil tussen de twee series is dit. Friends werd opgenomen voor een ‘live studio audience’, How i Met niet. Daardoor lijkt Friends wat op amateurtoneel, terwijl de andere serie meer op een professionele film lijkt met heropgenomen scènes, wisselende beeldkaders, gevarieerde montage, leukere locaties en … een echte soundtrack.
     Bij de aftiteling van een film schrik ik altijd van de lange lijst liedjes die in die film gebruikt werden. Vaak gaat het om een klein stukje dat je even op een autoradio hoort, of een langer stuk bij een emotioneel moment. How i Met doet dat helemaal zoals in een film, met allemaal liedjes die ik niet ken, maar die wel meteen aangenaam in het gehoor liggen. Ook hoor je af en toe een stukje klassieke muziek . Mozarts Turkse Mars als Barney een trucje uit zijn Playbook opvoert, Chopins Nocturne in mi bémol als Marshall het genot beschrijft dat hij ervaart bij het eten van een pizza, Carl Orffs O Fortuna als één van de vrienden de andere in vertraagde film een klap in zijn gezicht verkoopt. En natuurlijk is er klassieke muziek als er getrouwd moet worden. Ted doet zijn eerste aanzoek op de tonen van Bachs Air on the G-string, Barney doet het zijne op een nauwelijks hoorbare versie van Pachelbells Canon en ten slotte beloven Marshall en Lily elkaar eeuwige trouw terwijl een toevallige getuige Jesu meine Freude op zijn gitaar tokkelt.
     Twee van de hierboven aangehaalde deuntjes kan ik al een beetje op de piano spelen. In een wat vereenvoudigde versie. Als er niemand in de buurt is die het kan horen.



Groepsfoto 6 Techniek-Wetenschappen 2016 - Marshall tweede van links

zondag 1 september 2019

Domweg gelukkig in de Bosstraat

Laatst liep ik van mijn school naar de parkeerplaats aan de Bosstraat en terwijl ik daar zo liep werd ik plots een lichte opwinding gewaar. Ik voelde mij een heel klein beetje gelukkig, en ik wist niet waar het vandaan kwam. Toen ik mijn auto zag, wist ik het: ik zou in de auto naar muziek luisteren, en die muziek daar was iets leuks mee. Op dat leuke nam ik nu een voorschot.
     Daar hoort een hele uitleg bij.
     Eigenlijk luister ik alleen naar muziek als ik met de auto rij. Vroeger deed ik dat ook thuis tijdens het opruimen en het schoonmaken op zaterdagavond (hier), maar we hebben nu een poetsvrouw. Het schoonmaken is dus weggevallen; de auto is gebleven.  Als Jan meerijdt, moet ik af en toe naar heel moderne muziek luisteren, muziek waar zoiets als ‘beat drops’ heel belangrijk zijn. Dan moet ik even op mijn tanden bijten. In ruil daarvoor moet Jan af en toe luisteren naar Franse of Duitse chansons die ík uitkies in de hoop zijn talenkennis te verbeteren. Rij ik echter alleen, dan is dat allemaal anders. Dan kies ik klassiek.
     Ik ben daarin breed begonnen. Alles was goed: middeleeuwse polyfonie, renaissance, Italiaanse barok, romantiek. Als ik in de juiste stemming was, mocht het gerust Carl Orff zijn, of Wagner. Ik had al die muziek vlijtig op audiocassettes opgenomen. Alleen gregoriaans vond ik wat saai, en alles van de classicistische periode: Mozart, Haydn, Philippe Emmanuel Bach. En modernistisch natuurlijk, dat lustte ik ook niet.
      Zoetjesaan echter werd mijn smaak eenzijdiger. De 19de en 20ste eeuw vielen eerst af af, dan de middeleeuwen, dan de renaissance. En binnen de barok luisterde ik na een poosje alleen nog naar de oude Bach – álles van de oude Bach – behalve de orgelmuziek. Ik ben vele jàren zoet geweest met de cantates. Maar ook hier werd de cirkel van belangstelling kleiner en kleiner. Precies twee jaar geleden begon ik naar de preludes en fuga’s van het Wohltemperierte Klavier te luisteren (hier). En ik bleef aan die vier cd’s vasthaken. Af en toe probeerde ik iets anders uit, een cantate of een cellosuite bijvoorbeeld.  Na een paar minuten werd ik dan ongeduldig, de cd werd eruitgehaald en één van de Wohltemperierte-cd’s kwam in de plaats.
     Nu is er laatst weer iets veranderd. Ik had ergens een stuk gelezen over pianist Ivo Janssen die, vóór hij het spelen moest opgeven door een ziekte aan zijn handen, de zogenaamde Keltische klauw, nog eens alle klavierwerken van Bach had opgenomen. Janssen heeft zich nu omgeschoold tot klusser-timmerman, maar die cd’s heb ik besteld en daar luister ik nu naar. Ik ben begonnen met de Inventions, Preludes and Symphonies, wat Engels is voor Inventionen, Präludien und Sinfonien.
    
En het waren die Inventionen enzovoort die op mij wachtten in de auto waar ik naartoe liep. Inventionen en geen Wohltemperierte. De verandering had voor een lichte opwinding gezorgd. Ongeveer zoals bij baby’s die harder gaan zuigen op een fopspeen wanneer een eentonige reeks klanken onderbroken wordt door een nieuwe klank.

zondag 19 augustus 2018

Het verbazingwekkende pianospel van mijn grootmoeder

 Godfried Bomans verbaasde zich erover dat Franse kinderen zo goed Frans spraken, beter dan hijzelf ooit spreken zou, al studeerde en oefende hij elke dag. Ik ken die verbazing. Vorig jaar had ik een Franstalige leerlinge in mijn klas en die hield een keer een voordracht over Flaubert in haar moedertaal. Nou, dat was nog eens Frans, vond ik. Als ik evenwel een Engelstalige leerlinge in de klas heb en die houdt een voordracht in háár moedertaal, dan ben ik helemaal niet onder de indruk. Hoe verklaar je dat verschil?* Soms vraagt mijn zoon mij om de vertaling van een moeilijk Engels woord, en soms kan ik die geven. Dat vindt hij heel normaal, want ik heb daarvoor doorgeleerd. Hij is zelfs een beetje verontwaardigd als ik dat woord niet ken. Maar soms vraagt hij mij om de vertaling van een moeilijk Frans woord. Als ik díe kan geven, is hij verbaasd. ‘Hoe ken je al die woorden,’ vraagt hij dan, terwijl ik daar ook voor heb doorgeleerd.
     Die selectieve verbazing is eigenlijk zelf iets verbazingwekkends. De selectiviteit kan zich daarbij richten op de betrokken zaken of op de betrokken personen. We gingen ooit in de Verenigde Staten rond met onze goeie vrienden G.V en M.V. Die konden allebei behoorlijk Frans maar niet zo goed Engels. Als we dus iets moesten zeggen of vragen deden mijn vrouw of ik dat. G.V. was dan iedere keer versteld dat mijn vrouw zo goed Engels kon, terwijl ook zij daarvoor doorgeleerd heeft.  ‘Wat zouden we zonder jou beginnen?’ zei hij dan. ‘Dat jij erbij bent is onze redding.’ Ik mocht een half uur in het Engels staan kletsen met zo’n Amerikaan over de sociale zekerheid in zijn land en ons land, en de verschillen tussen die twee, dat vond G.V. niets bijzonders.
     Eigenlijk verbazen we ons erg weinig. Wij gelijken een beetje op die kinderen van acteurs, nieuwslezers en weervoorspellers. Naar het schijnt vinden die dat ook heel normaal dat hun mama of papa op de televisie komt. Op school hadden we leraren die alles wisten over chemie, wiskunde, Grieks of Frans. We vonden dat de gewoonste zaak ter wereld. En eigenlijk waren we twee keer mis. Die leraren wisten helemaal niet álles over chemie, enzovoort, en dát ze zoveel wisten, was helemaal niet zo vanzelfsprekend als het lijkt. Kennis en kunde zijn nooit vanzelfsprekend, zelfs als je min of meer weet hoe ze tot stand zijn gekomen.
     Dat mijn vader vlot vier vreemde talen sprak, heeft mij nooit verbaasd. Maar toen ik hem eens zag rennen over het strand, was ik verbluft. Dat mijn moeder kleren kon ontwerpen en naaien, met binnenzakken en taillebandjes en tussenvoering en kragen waarvan ik niet eens weet hoe je ze moet strijken, ja, dat kon ze nu eenmaal. Maar dat ze op de autosnelweg vlot 150 reed en op rustige stukken 160, dat vond ik dan weer een hele prestatie. Mijn grootvader speelde prachtig piano, Mozart als het kon, Beethoven als het moest. Mijn moeder, die het talent geërfd had, kon als er een piano in de buurt was, best de ‘Sonate facile’ spelen, hoewel die sonate, geloof ik, helemaal niet zo gemakkelijk is als de naam laat vermoeden. Dat die twee dat konden, daar stond ik geen ogenblik bij stil. Maar eens op een avond zette mijn grootmoeder zich zonder iets te zeggen aan de piano en begon een stuk te spelen met een heleboel kleine vlugge nootjes die links en rechts uit het klavier werden gehaald. Ik kon mijn ogen niet geloven.
     Laatst sprak ik daarover met mijn moeder. ‘Ja,’ zei ze, ‘ik wist dat ze één stuk kon spelen, maar ik heb het zelf nooit gehoord. Het moet iets zijn dat ze geleerd heeft van papa, tijdens hun wittebroodsweken.’


* Simon Gelten heeft op die vraag een heel geloofwaardig antwoord gegeven: ‘Mogelijk heeft het iets te maken met het volgende: We hebben allemaal nog een idee van hoe ‘mooi klassiek’ Frans klinkt. Politici als Giscard d'Estaing en Mitterrand deden ook moeite om dat Frans te laten horen tijdens hun toespraken. Leerlingen aan lycées wordt het ook nog aangeleerd om dat fraaie Frans te declameren en sommigen kunnen het ook nog (als ze met leeftijdsgenoten babbelen, klinken ze heel anders). Bij Engels is dat lastiger. Wat is nu mooi, klassiek, correct Engels? Amerikaans? Australisch? Iers? De taal is overal, en overal en altijd klinken allerlei varianten. We weten niet meer wat mooi en correct is. In Cambridge (waar ik mijn Engels heb bijgewerkt) werd lacherig gedaan over Oxford English, het werd door docenten zelfs geparodieerd). Bijgevolg beschouwen we ieder Engels als toevallig en ervaren we geen enkel Engels nog als officieel. Toch een uitzondering: in de serie The Crown was zo nu en dan een Engels te horen waarvan ik bij mezelf zei: Mmmm, mooi, zo hoort het.’

zondag 9 april 2017

Tom Lehrer

     Eer-eergisteren schreef ik een stukje over de regel van drie. Ik eindigde dat stukje met een terloopse verwijzing naar een lied van de Amerikaanse cabaretier Tom Lehrer. Dat was link van mij. Het gaf de indruk dat ik die Tom Lehrer al heel mijn leven ken. Dat ik, bij wijze van spreken, eind de jaren vijftig wel eens een optreden van hem heb bijgewoond in een Bostonse nachtclub. Niets is minder waar.
     Ik vernam het bestaan van Tom Lehrer eerst op 26 december 2010. Op 25 december kreeg ik van mijn vrouw Deel 5 van het Verzameld Werk van Karel van het Reve cadeau en op 26 december las ik daaruit in één ruk de afdeling ‘Ongebundeld Werk’, want de rest kende ik al. Die afdeling bevatte een transcriptie van een radio-uitzending waarin Karel zijn lievelingsmuziek voorstelde. Daar stonden, tussen nummertjes van Mozart, Schubert en Haydn, twee liederen van Tom Lehrer. Hé, dacht ik, Tom Lehrer? Karel had die in Amerika leren kennen. Wij denken bij Karel altijd aan dat jaar dat hij in Rusland heeft gewoond en wij vergeten dat hij ook een jaar in Amerika verbleef waar hij misschien nog meer heeft opgestoken dan in Rusland.
     Wat later ontdekte ik de blog Victa causa van Marc Vanfraechem. Daar stonden honderden stukjes op. Als het over muziek ging, was het vaak Georges Brassens die ter sprake werd gebracht. Maar in vijf van die stukjes ging het over Tom Lehrer. Hé dacht ik, Tom Lehrer! Marc beweerde dat hij alle nummers van Lehrer uit het hoofd kende.
     Het mooiste moest nog komen. Dat jaar kwam een leerling voor de klas het boek Lady Chatterley’s Lover voorstellen. Wie die leerling was, weet ik niet meer, maar het was een jongen. Ik geef D.H. Lawrence altijd op aan jongens, zoals ik Jane Austen altijd opgeef aan meisjes. Een jongen dus. En die jongen vertelde over de controverse rond het boek, en over de rechtszaken in Groot-Brittannië en Amerika, en langs zijn neus weg, zei hij ook nog dat Tom Lehrer het boek vermelde in zijn liedje Smut. Hé, dacht ik, dat heeft hij van Wikipedia. En ik zocht diezelfde avond nog op wat Wikipedia mij over Tom Lehrer kon vertellen en welke van zijn liedjes op YouTube te vinden waren. Ze bleken er allemaal op te staan.
     Eerst Wikipedia. Thomas Andrew (Tom) Lehrer was een slimme New-Yorkse jongen die op zijn vijftiende al naar Harvard trok om er wiskunde te studeren – later te doceren – en er piano te spelen op feestjes. Op die feestjes baarde hij opzien. In 1953 bracht hij zijn eerste plaat uit in eigen beheer, maar door campusoptredens en mond-aan-mondreclame werd hij na enige tijd beroemd in heel Amerika. Vanaf midden de jaren zestig werd zijn succes minder. Hij is een poosje bij het leger geweest en heeft een poosje op Los Alamos gewerkt, waar nucleair tuig ontwikkeld werd. Zijn doctoraat heeft hij nooit afgewerkt.
     Dan YouTube. Wat kwam ik daar te weten? Het genre van Tom Lehrer bleek de parodie en de satire. Hij gebruikt daarvoor brave muziek met stoute teksten, teksten die clichés op hun kop zetten en op een luchtige manier taboeonderwerpen behandelen. Lehrer pasticheert de muziek van een romantische musical en bezingt daarbij een verliefd paartje dat elke zondag naar het park trekt om duiven te vergiftigen. Of hij zingt over Agnes, Jim, Louise, Harry en Marie die elkaar om beurten ‘iets’ doorgeven. Wat dat ‘iets’ is, zegt Tom niet, maar een luisteraar die de wereld kent, begrijpt dat het om een geslachtsziekte gaat.
     Soms zijn de teksten meer ‘kritisch’ dan stout. Dan zingt Tom over de vervuiling van lucht en water, over de commercialisering van Kerstmis, over het leger en uiteraard over De Bom. Wij zijn tenslotte in de jaren zestig en eigenlijk heeft Tom in zijn Los Alamos-tijd een heel klein beetje meegewerkt aan die Bom. Dan is het maar gepast dat hij er liedjes over zingt.
     Een kunstgreep die Tom vaak toepast is die van grappige rijmwoorden.  Merry rijmt op disentery, li’l ol’ me rijmt op Robert E. Lee,  try an’ hide rijmt op cyanide en Oedipus Rex rijmt op Freud’s index. En misschien de mooiste: Harvard laat Tom rijmen op discovered. Hij spreekt daartoe de woorden uit als Hahvard en discahvered. Ook schrikt hij er niet voor terug om sombrero te laten rijmen op a pair o’ waarbij de volgende regel dan verdergaat met Levis.
     Op zijn optredens praatte Lehrer zijn liedjes aan elkaar met cynische teksten waarbij hij beurtelings zichzelf en zijn publiek op de hak nam. Dat levert mooie oneliners op. Ze doen soms denken aan Woody Allen.
  • Ik heb niet graag dat mensen denken dat ik moet zingen om mijn brood te verdienen. Ik ben een wiskundige. Als ik wilde verdiende ik misschien wel 3 000 dollar per jaar, alleen door les te geven.
  • De charme van een folksong zoals ik er nu een zal brengen, is dat iedereen mee kan zingen. Dus als er iemand mee wil zingen, hoepel op.
  • Natuurlijk kom ik op voor de goede zaak. Mijn goede zaak is smeerpijperij.
  • Door mensen als Mahler, Gropius en Werfel besef je hoe weinig je bereikt hebt in het leven. En Mozart. Toen Mozart mijn leeftijd had, was hij al twee jaar dood.
  • In die moderne toneelstukken zeuren de personages aan één stuk door over de moeilijkheid om met elkaar te communiceren. Ik vind, iemand die moeilijk kan communiceren, het minste wat hij kan doen is zijn mond houden.
  • We moeten onze naaste liefhebben. Ik weet dat er mensen zijn die hun naaste niet liefhebben  - ik haat zulke mensen.
  • Weet je nog de burgeroorlog tegen Franco? Hij won alle veldslagen, maar wij hadden alle goede liedjes.
     Vandaag is het veel te mooi weer, maar als je op een regenachtige zondag niks beters te doen hebt, dan kun je die liedjes van Tom Lehrer eens op YouTube gaan beluisteren. De mooiste zijn die van de eerste plaat ‘Songs by Tom Lehrer’. De tweede plaat, ‘More by Tom Lehrer’ is minder. Op de derde plaat ‘That Was The Year That Was’ staan weer een aantal onmisbare nummers.  
     Hiermee, beste lezer, hebt u al een mooie afspeellijst in handen*. Een handige link is die van Alexander Shektman waar bijna alle liedjes na elkaar kunnen worden afgespeeld terwijl de tekst op het scherm van je computer of mobiele telefoon verschijnt. Dat is erg handig voor als je wat hardhorig bent, of niet zo goed Engels kent, want Tom zingt soms erg snel, gebruikt rare woorden, of spreekt die op een rare manier uit. Als je als student of van beroepswege met scheikunde bezig bent, mag je zeker het liedje The Elements niet missen. Het bevat een onfeilbaar mnemotechnisch middeltje om nooit meer het periodiek stelsel te vergeten.

 
* Songs by Tom Lehrer: Fight Fiercely, Harvard - The Old Dope Peddler - Be Prepared - The Wild West Is Where I Want to Be - I Wanna Go Back to Dixie - Lobachevsky - The Irish Ballad - The Hunting Song - My Home Town - When You Are Old and Gray - I Hold Your Hand in Mine - The Wiener Schnitzel Waltz. More by Tom Lehrer: The Elements. That Was The Year That Was: National Brotherhood Week - The Folk Song Army - Smut - New Math - Wernher Von Braun - The Vatican Rag.

vrijdag 16 oktober 2015

Naar welke muziek luistert Vermeersch in de hemel?

    De hoofdartikelenschrijver van Het Nieuwsblad (24 april 2015) vindt het jammer dat aartsbisschop Leonard niet tien jaar jonger is. Dat vindt Léonard wellicht zelf ook, maar de hoofdartikelenschrijver heeft een speciale reden om hem die jeugdige leeftijd toe te wensen. Léonard is zopas veroordeeld tot een boete van tienduizend euro omdat hij een pedofiele priester in 1991 niet had aangegeven bij het gerecht. Als Léonard nu 65 was, had de paus hem als aartsbisschop kunnen ontslaan vanwege die veroordeling, terwijl Léonard nu, op zijn 75ste, gewoon met pensioen gaat. Een oneervol ontslag van de aartsbisschop had de pedofilie binnen de Roomse kerk een gevoelige slag toegebracht, denkt men op Het Nieuwsblad.
    Er moeten anders nogal wat pedofielen en zedendelinquenten rondgelopen hebben in de kerk. Bij iemand als Van Gheluwe denk je achteraf: dat had ik moeten weten. Het viel een beetje van zijn gezicht te lezen. Maar neem nu François Houtart: professor, kanunnik, bevrijdingstheoloog, ondertekenaar van elke petitie voor een betere wereld, kampioen van de arme landen, bestrijder van kapitalisme en imperialisme – ook hij bleek achteraf een neefjesverkrachter. Houtart werd op een bepaald moment zelfs genoemd als kandidaat voor de Vredesnobelprijs.
    Wie ik weer niet van pedofilie verdenk, is Léonard zelf. Daarvoor doet hij me teveel denken aan mijn grootvader zaliger, vooral als hij lacht. Enige tijd geleden was er een tv-programma waarin hij de degens kruiste met Etienne Vermeersch. De twee oude heren verschilden van mening over het hiernamaals. Dat bestond niet, volgens Vermeersch. Léonard dacht daar anders over. Vermeersch zou na zijn dood grote ogen opzetten. Hijzelf, Léonard, verwachtte eigenlijk een beetje om in de hemel te komen, dus die verrassing zou minder zijn, maar voor Vermeersch zou de verrassing aanzienlijk zijn. Léonard had zelfs al aan een plaatsverdeling gedacht. Vermeersch helemaal bovenaan, dicht bij God, waar de serafijnen de muziek van Bach spelen en hijzelf, helemaal onderaan, op een klapstoeltje, waar de lagere engelen tijdens de pauze stukjes Mozart spelen. Léonard is een Mozartmens, zoals mijn grootvader dat was.


  Oorspronkelijk geplaatst op 24 april 2015