Posts tonen met het label Lenin. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Lenin. Alle posts tonen

woensdag 14 april 2021

Populisme en elitisme (2)

 


     In mijn stukje van gisteren* schreef ik iets over reëel bestaande, ‘zichtbare’ elites:  jonkers, zakenlui, kerkleiders, generaals, professoren, theaterregisseurs, hoofdredacteurs en voetballers in Eerste Klasse. Ze vormen een soort clubs, waar de toelatingsvoorwaarden min of meer bekend van zijn. Met een morele elite is het anders gesteld. Die is onzichtbaar, niemand weet wie er lid van is – nog het minst de leden zelf. En als zo’n morele elite toch een echte club gaat vormen zoals de Farizeeën, de Puriteinen, of de Orde van de Politiek-Correcten, dan loopt het niet goed af. Je eindigt bij Molières onsmakelijke held Tartuffe. Ach, zo erg is dat ook weer niet. Een maatschappij zonder zulke exemplaren is eigenlijk niet goed denkbaar.
     De ware ellende begint als men, zoals Plato, Lenin, Himmler en Roeland Raes, naast moraal en elite, er ook nog eens de politieke macht bij betrekt. Het is nochtans de meest logische gedachte ter wereld: vertrouw de macht toe aan de besten in de maatschappij. Maar ’t is een drogreden. In de praktijk gebeurt het tegenovergestelde: degenen die de macht hébben, vertellen aan iedereen dat zij, en niemand anders, de besten zijn en dat je hen maar beter gelooft, want anders zwaait er wat. Op die aristocratische drogreden heeft de filosoof Karl Popper een goed antwoord uitgewerkt. Hij draaide de zaken om: of je de macht toevertrouwt aan de besten, kun je op voorhand niet weten. Het kan achteraf blijken dat het  de slechtsten waren. Zorg dus voor een plan B – regelmatige verkiezingen – waarmee je die slechtsten weer in alle rust en kalmte naar huis kunt sturen. Daarmee onderbouwde hij de bestaande democratische praktijk met een stevige theorie.
     Onze representatieve democratie omzeilt de kwestie van de ‘besten’ en de ‘slechtsten’. De macht komt bij de verkozenen en iedereen bepaalt mee wie verkozen wordt: van profvoetballers tot professoren en van dokters tot straatvegers. En het mooie is: die dokters en straatvegers stemmen ongeveer op dezelfde partijen, misschien niet uit dezelfde overwegingen, en misschien niet in gelijke mate, maar toch ongeveer. Als we alleen dokters of alleen straatvegers, zouden laten stemmen, zou dat zeker een verschuiving geven, maar die zou helemaal niet zo groot zijn als je zou verwachten. We denken bij een Brexit-stemmer aan een lager opgeleide bejaarde, maar uit de onderzoeken blijkt dat er ook heel wat hoger opgeleide jongelui bij waren – minder natuurlijk, maar niet zoveel minder als je zou denken.
     Zeker, als alleen een heel specifieke elite aan verkiezingen mocht deelnemen, zoals  theaterregisseurs of  onderzoekers in de menswetenschappen, dan zou je een aardverschuiving naar links en naar politiek-correct krijgen, maar daarmee is nog niet gezegd dat dat een wenselijke aardverschuiving zou zijn. Er is een tijd geweest dat veel theaterregisseurs en onderzoekers in de menswetenschappen voor de nazi’s of voor de communisten stemden, en ondertussen weten we dat dat eigenlijk geen wenselijk stemgedrag was.
     Wie nu denkt dat het elite-probleem in de politiek verdwijnt door verkiezingen, vergist zich. Door de representatieve democratie ontstaat een nieuw elite-probleem. Die verkozenen worden zelf weer een aparte elite, met een eigen mentaliteit, voorkeuren en gewoontes. Of ze als elite nog andere kwaliteiten hebben dan de gave om zich te laten verkiezen en af en toe te luisteren naar mensen die wél op de hoogte zijn**, dat is niet helemaal duidelijk. Maar veel zakenlui, professoren en topvoetballers hebben ook geen andere gave dan die ene waar ze zo’n succes mee boeken. Ook is het waar dat binnen de elite van verkozenen weer nieuwe elites ontstaan, van partijvoorzitters en ministeriabelen, die zich afscheiden van de bankzitters. Daar valt weinig tegen te beginnen. We kunnen ons troosten met de gedachte dat plan B ook die elite binnen de elite naar huis kan sturen als ze het té bont maken. ’t Is moeilijker, want het werkt onrechtstreeks, maar moeilijk gaat ook.
     Men heeft vroeger wel eens gedacht dat de aparte mentaliteit van de politieke verkozenen – eerder elitistisch dan elitair – op mysterieuze wijze veroorzaakt werd door het pluche van de stoelen waarop ze zaten. Dat is een nogal esoterische verklaring. Zelf zou ik veeleer denken aan de macht der gewoonte, de tunnelvisie van de vergaderkamer, de techniciteit en verwevenheid van de problemen, de internationale complexiteit, de fragiliteit van de evenwichten ... Dat alles leidt ertoe dat men zich voor het gemak op oude problemen richt en naar vertrouwde oplossingen grijpt, vooral als men die oplossingen een nieuwe naam kan geven. Een probleem waar men geen vertrouwde oplossing voor heeft, is een probleem waar men liever niet over spreekt, of waar men juist heel veel over spreekt om er niets wezenlijks aan te doen. Het migratieprobleem is een voorbeeld van het eerste, de opwarming van de aarde een voorbeeld van het tweede. En dat terwijl grote delen van de bevolking de genegeerde problemen scherper zien of zelfs op een directe manier ervaren***.
     Het is geloof ik vooral die directe ervaring van genegeerde problemen die leidt tot het ontstaan van populistische partijen en stromingen. Technische oplossingen – referenda, lotto-democratie, online bevraging en gemengde burgerpanels – zijn hier niet het beste en zeker niet het enige antwoord. Een beter antwoord is dat men een dialoog aangaat met de populisten en hen aan de macht laat deelnemen,****, en dat de centrumpartijen hun best doen om de verzuchtingen van het populisme over te nemen en in realiseerbare plannen om te zetten. Dat zijn taken voor een verantwoordelijke elite. En dan houdt zo’n elite best voor ogen dat niet alle populistische verzuchtingen terecht zijn, en dat ze niet allemáál in realiseerbare plannen kunnen worden omgezet.

 

* Mijn stukje van gisteren vind je hier

** Mensen die wél op de hoogte zijn, technocraten dus, hebben hun eigen plannen, voorstellen en stokpaardjes. Ook die kunnen wel eens mank lopen, of tegenstrijdig zijn met die van technocraten uit een andere sector. Of op mijn zenuwen werken, zoals hier.

 *** Radicale anti-populisten zullen zeggen dat die problemen niet ervaren maar aangepraat worden, zoals indertijd de Duitsers een Jodenprobleem werd aangepraat. Net zoals radicale klimaatontkenners zullen beweren dat de opwarming van de aarde een ‘aangepraat’ probleem is. Of dat zo is, valt moeilijk a priori uit te maken. In werkelijkheid bestaan er zowel echte als aangeprate problemen, zoals er ook problemen bestaan die overdreven en geminimaliseerd worden.  

 **** Je zou die machtsdeelname kunnen vergelijken met de komst van de socialisten in de regeringen, na de Eerste Wereldoorlog. Of die een verandering ten goede heeft meegebracht, laat ik hier in het midden. Zeker is dat het extremisme van die partijen – alles nationaliseren – erdoor werd afgezwakt, eerst in de praktijk, en later in de theorie.

dinsdag 13 april 2021

Populisme en elitisme

 

     Er wordt al jaren gesproken en geschreven over populisme, maar veel minder over de noodzakelijke pendant ervan: het elitisme. Het zijn blijkbaar allebei vieze dingen. Slechts een moedige enkeling zoals Marc Ernst of Koenraad Elst durft het ene dan wel het andere onbeschroomd bepleiten.
     Ik heb weinig moeite met ‘welbegrepen’ populisme of elitisme. In het leger was ik lid van een regiment – hét regiment – dat zich trots tot de elite van het leger had uitgeroepen. Jan speelde in het jeugdvoetbal in de zogenaamde nationale ‘elite’-reeks. Doe je iets fout als je beter een pas opvangt of doorgeeft dan je vriendjes, of godbetert vaker scoort, of als je een speedmars en een hindernissenparcours in een heroïsche tijd aflegt terwijl je, in tegenstelling tot in die Amerikaanse films, je geweer en ‘stormgordel’ meesleurt?
     Tom Naegels verwondert er zich op zijn facebookpagina over dat gewezen Vlaams Blok-kopstuk Roeland Raes in 1973 zonder schroom opriep tot het vormen van een ‘elite’. ‘Men zou er maar eens mee moeten ophouden, schreef Raes toen,  om iedereen te willen overtuigen dat de massa gezag, wijsheid en collectieve wil bezit … Het tegendeel is waar: de massabeweging is verward, onzeker, manipuleerbaar.’ Mij verwondert het helemaal niet dat Raes dat schreef, want ’t was de zuivere waarheid, toen en nu. Akkoord, Tom van Grieken zou zoiets nu niet meer zeggen, maar de elite waar Raes over schreef was een andere dan die waar hedendaagse populisten tegen te keer gaan. 
     Wél fout is de conclusie die Raes, en met hem het Vlaams Blok van de begindagen, aan de stelling verbond: dat democratie, in die tijd door sommigen ook ‘domocratie’ genoemd, een slecht systeem was. Ik heb lang geleden Jurgen Ceder op een meeting nog rustig horen uitleggen dat je staatszaken niet aan de democratie moest overlaten, net zomin als je een medische diagnose overliet aan de schoonmaakploeg van het ziekenhuis. Ik heb toen heftig geprotesteerd vanuit de zaal, terwijl mijn eigen democratische overtuiging in die tijd vooral de ‘leidende rol van de voorhoedepartij’ behelsde, een extreem elitisme dat was uitgewerkt door Lenin in Que faire?
    Het is gewoon erg moeilijk om je een maatschappij voor te stellen met helemaal géén elites die een stempel zetten op de gehele samenleving. Zo’n maatschappij zou voortdurend de spontaan opduikende elites moeten onderdrukken, en dat onderdrukken zou ook weer door een elite moeten gebeuren. In zulke omstandigheden is het beste nog om het bestaan van elites te aanvaarden als een fact of life, en om de aandacht te verplaatsen naar de vraag hóe de elites tot stand komen en wát ze doen.
     Er zijn om te beginnen soorten elites: de financiële elite, de culturele elite, de artistieke elite, de onderwijzende elite, de intellectuele elite, de technologische elite, de sportieve elite, de politieke elite, de bureaucratische elite, en wie wil kan er nog veel meer bedenken. Er heeft wellicht nooit een samenleving bestaan waar de verschillende elites mooi samenvielen, en dat is vandaag evenmin het geval. Ik had bijna geschreven: vandaag, minder dan ooit, maar zoiets zou ik dan weer moeten gaan controleren en hoe begin je dááraan?
     Met dat alles verwant is de kwestie van de toetredingsvoorwaarden. Hoe word je lid van een elite? Is het je aristocratische afkomst die het hem doet? Moet je een staatsexamen afleggen zoals de Chinese mandarijnen? Kun je een entreekaartje kopen als je veel geld hebt? Hoe belangrijk zijn de netwerken van ons-kent-ons? Word je makkelijker notaris, apotheker of dokter als een van je ouders notaris, apotheker of dokter is? Jan studeert geneeskunde en de meeste van zijn vrienden zijn dokterskinderen. In Spanje, liet ik mij vertellen, gebeurde het wel eens dat een universitaire leerstoel overging van vader op zoon. Zelf hou ik nogal van het meritocratisch beginsel – ‘la carrière ouverte aux talents’ zoals Napoleon het verwoordde – maar ook dat heeft zijn nadelen: als je er niets van terecht brengt, kun je de schuld niet geven aan het milieu waarin je geboren werd, het kastesysteem waarin je opgesloten bent, het glazen plafond waar je tegenaan botst of de ‘structurele’ discriminatie die in het systeem zit ‘ingebakken’.
     Toen Roeland Raes in 1973 scheef over de noodzaak van een elite, dacht hij ongetwijfeld niet aan een sportieve, financiële of technologische elite, maar aan een morele elite, in de traditie van Plato en, zeg, Joris Van Seeveren, Dát is een heikel punt. Er bestaan ongetwijfeld mensen die hogere morele principes hebben dan andere, en er ook naar leven. Maar zoeken die mensen elkaar op? Vormen ze samen een club? En wat gebeurt er áls ze samen een club vormen? Zoals de Farizeeën waar Jezus tegen te keer ging, of de Brahmanen waar Boeddha zo kritisch over was. Bij zo’n club rijst al snel de vraag of het om ‘heiligen’ of ‘schijnheiligen’ gaat. De ‘Compagnie du Saint-Sacrement’ had Tartuffe als vooraanstaand lid. De puriteinen van Salem waren op hun manier erg deugdzaam, maar verdraagzaamheid stond op hun deugdenlijstje niet bovenaan.
     En wat gebeurt er verder als je moraal, elite en politieke macht in één discours probeert te vatten? Daar schrijf ik morgen misschien een stukje over.

 

donderdag 25 maart 2021

Opium van of voor het volk?

 


     Toen ik een jaar of vijftien was, wou ik graag marxist worden, maar dat was niet makkelijk. Er stonden geen werken van Marx in de boekenkast van mijn vader. Ik vond die ook niet in de bibliotheek van de school. Wat ik daar wel vond waren werkjes óver Marx, zoals dat van predikant, theoloog en socialist Willem Banning. Die werkjes waren jammer genoeg nogal kritisch voor het gedachtegoed van Marx, maar er stond toch altijd genoeg in waar ik mij aan op kon trekken.
     Een van de dingen waar Banning als theoloog dieper op inging, was de leer van Marx over godsdienst als ‘opium van het volk’. Die kreet moest volgens Banning strikt worden onderscheiden van wat Lenin daarvan gemaakt had: ‘opium voor het volk.’  Banning windt zich daarover op. ‘Er staat: Religion ist das Opium des Volkes, niet: für das Volk (term van Lenin, 1905). Dat laatste zou suggereren dat er een klasse van beroepsbedriegers is (priesters, predikanten) die voor het volk opium bereidt en het toedient: een stelletje bewuste misleiders.’
     Later vond ik dat een raar onderscheid. Zou Marx dan niet gedacht hebben dat priesters en predikanten een klasse van beroepsbedriegers vormden? Het ene sluit het andere toch niet uit? Je kunt toch geloven dat de opiumgodsdienst ontstaan is onder invloed van ‘objectieve maatschappelijke krachten’, als troost voor de ondermaanse ellende, en tegelijk geloven dat de priesters, behalve dan Daens, het goedje in de kerk verkochten omdat ze het zelf zo naar hun zin hadden in de huizen van de rijken. Ik heb ooit iets in die zin beweerd op een filosofie-examen en merkte hoe de examinator langzaam één wenkbrauw omhoogtrok. Het moet een discipel van Banning zijn geweest.
     Nu zie ik echter dat ik niet alleen sta met mijn twijfel aan het verschil tussen van en voor. Ludwig von Mises schetst ergens vooraan in Human Action het intellectuele klimaat van de 18de en 19de eeuw waarin, lang vóór Lenin, werd aangenomen dat godsdienst gebruikt werd door priesters die hun eigen macht en rijkdom, en die van hun vrienden, de uitbuiters, veilig wilden stellen. Mises gaat verder: ‘De marxianen namen deze bewering over door te spreken over ‘opium voor het volk’.’ En in een voetnoot voegt hij eraan toe: ‘Dat kán ook de mening zijn geweest van Marx zelf, maar die valt niet af te leiden uit de oorspronkelijke tekst.’*
     Alweer een voorbeeld dat afwezigheid van bewijs geen bewijs is van afwezigheid.


* De teksten van Marx en Lenin vind je hier. De commentaar van Banning vind je in Karl Marx. Leven en betekenis,  (hoofstukje ‘De Antropologie’). De commentaar van Mises vind je in Human Action (Hoofdstuk III, § 3: ‘The Praxeological Aspect of Polylogism’).

donderdag 24 december 2020

De moslimminderheid: que (ne pas) faire?


      Wie pessimistisch is in verband met de islam heeft daar goede redenen voor. Sinds 40 jaar neemt het islamitisch fanatisme* in de wereld toe, en is het zichtbaarder en gewelddadiger geworden. Ook daarvoor was er endemisch geweld in islamitische landen en gebieden, maar dat geweld heeft vandaag vaker dan vroeger een religieus en sectair karakter. Veel islamitische landen zijn een arena waar islamitische populisten het opnemen tegen seculiere dictators. Soms wint het ene kamp, soms het andere, en geen van de twee kampen oogt erg aantrekkelijk.
     Sam Van Rooy vreest dat een dergelijk scenario ons ook te wachten staat. Hij  haalt een studie aan van het Rensselaer Polytechnic Institute dat het volstaat dat 10 procent van een groep een onwrikbaar geloof koestert opdat  de meerderheid van de groep dat zou overnemen. Dat sluit aan bij wat Nassim Taleb schrijft over de invloed van fanatici (hier). Het sluit aan bij hoe Gibbon de opkomst van het christendom beschrijft. Het sluit aan bij de beelden die we zagen van woedende moeders die aan de schoolpoort te keer gingen tegen Juf Magalie. Dat waren wellicht zoals de meesten onder ons in wezen vriendelijke mensen, vredelievend, hartelijk voor vrienden, goede echtgenotes, liefhebbende moeders, maar als ze een keer geïntimideerd en gehersenspoeld zijn door fanatieke geloofsgenoten, veranderen ze in een hysterische menigte. Dat was geen prettig gezicht. Het verontrust mij meer dan het beeld van jonge relschoppers die een auto in brand steken, een winkelruit inslaan of vechten met de politie.
     Hoe de 10-procent-regel werkt binnen een groep die zelf 10 procent en op termijn misschien 20 procent van de gehele samenleving uitmaakt, is weer een andere zaak. Maar ik ben er niet gerust in. Uit onderzoek van Koopmans blijkt dat 52 procent van de Belgische moslims van Marokkaanse en Turkse afkomst een fundamentalistische opvatting hebben over de onveranderbaarheid van de islam, over de dogmatische interpretatie van de heilige boeken en de over voorrang van religieuze wetten op seculiere wetten. 52 procent - dat is een ruime vijver voor fanatici om in te vissen.
     ‘Que faire?’ zou Lenin zeggen, maar dan in het Russisch. En ook: ‘que ne pas faire?’. Laat ik met dat laatste beginnen. Moslims mogen geen feitelijke of juridische voordelen krijgen onder de vorm van ‘positieve discriminatie’, mogen ook niet achtergesteld worden;  er mag hen – als ze genaturaliseerd zijn – geen enkel recht ontzegd worden dat andere burgers genieten.  Het beleven van hun godsdienst mag niet aan banden worden gelegd, tenzij door proportionele, algemene wetten die gelden voor alle godsdiensten. Ook moet je hen niet beledigen, jennen of uitschelden, behalve als je cartoonist, columnist, blogger of clown bent, want dan stel je zelf niet veel voor en moeten ernstige mensen je niet serieus nemen. Maar een politicus moet beleefd blijven als hij over moslims spreekt, vooral als zijn boodschap streng is. Heel strenge leraars spraken hun leerlingen vroeger aan met ‘meneer’. De Amerikaanse politieman-met-zonnebril in de film spreekt verdachte autobestuurders aan met ‘please’ en ‘sir’. Met schelden ondermijn je je eigen gezag, en met vernedering creëer je wrok waar de haatbaarden hun voordeel bij doen.  
     Wat moet er wél gebeuren? Als er  87 maatregelen mogelijk zijn, worden de nummers 1 tot en met 60 ingenomen door hervormingen in de immigratiepolitiek**. Die alleen kunnen de groei van de moslimminderheid afremmen – groei die echter om demografische redenen nog een poosje verder zal gaan. Met een moslimminderheid van 30 procent krijgen fanatici veel meer kans om door intimidatie en sociale druk grote groepen mensen in hun greep te krijgen. Blijft het percentage lager, dan kunnen individuele moslims makkelijker contact onderhouden met de ‘buitenwereld’***, zich onttrekken aan de fanatici, en zich ontwikkelen tot wat we allemaal willen worden: welvarende burgers en goede buren.
        Veel van de andere maatregelen – inburgeringscursus, getto-bestrijding, taalcursussen, enzovoort – zijn vormen van social engineering waar we zeker op korte termijn geen wonderen van mogen verwachten. Eén punt echter is wel belangrijk: de onwrikbare verdediging van de seculiere maatschappij. Vandaag betreft die verdediging grotendeels op een symbolenstrijd, maar beter nu een gevecht om symbolen dan later echte vechtpartijen op straat. Dus: geen geen hoofddoeken achter de loketten, geen door religieuze autoriteiten goedgekeurde halal-voeding op de scholen****, geen afwijkingen van het lesrooster voor zwemlessen of biologie, geen private sharia-rechtbanken om familiegeschillen te regelen. Groen-links moet afleren om gehoofddoekte kandidaten aan te trekken of aldus uitgedoste dames op hun folders te plaatsen.
     Er bestaan verschillende manieren waarop een moderne maatschappij op een faire manier met godsdienst probeert om te gaan. De ene is de pluralistische. In Engeland zijn er gemeenteraden die om beurt worden ingeleid door een voorganger van een of andere godsdienst: een priester, een rabbi, een imam, enzovoort. Sharia-rechtbanken worden er gezien als een soort arbitrage zoals die ook in onderling akkoord tussen bedrijven gebeurt. Daar tegenover staat de Franse traditie van strikte neutraliteit van de staat, de laïcité van de Franse revolutie, oorspronkelijk afgedwongen door wrede kerkvervolging. Mijn spontane sympathie zou gaan naar de pluralistische opvatting. Maar nu we met de islam te maken hebben die traditioneel godsdienst met politiek verbindt, en weinig scheiding aanbrengt tussen de private en de publieke ruimte, is de laicité, met enkele redelijke, proportionele vrijheidsbeperkingen de betere oplossing. Ik ben bereid daarvoor om de lat gelijk te leggen voor alle godsdiensten. Geen muezzin voor de moslims, geen klokkengelui voor de katholieken. Ik doe met dat laatste overigens geen grote toegeving.

     

* In een vorig stukje sprak ik van ‘islamitisch extremisme’. Bij nader inzien vind ik ‘moslimfanatisme’ een beter woord om in één net te vangen wat mij in bepaalde belevingen van die godsdienst niet bevalt.

** De essentie van een nieuwe migratiepolitiek moet bestaan in veel strengere voorwaarden voor huwelijksmigratie en gezinshereniging, een vluchtelingenstatuut dat geen recht geeft op permanente vestiging en de arbeidsmigratie afstemmen op gespecialiseerde arbeidskrachten. Die drie algemene maatregelen zouden op een ingrijpende manier de immigratie uit moslimlanden beperken. 

*** Meisjes uit moslimmilieus die naar een hoofdzakelijk autochtone school gaan, ervaren dat schoolgaan vaak als een bijzonder aangename afwisseling en een grote opluchting.

**** Moslimkinderen moeten uiteraard maaltijden kunnen krijgen zonder varkensvlees en bloedworst.

woensdag 13 november 2019

Losse bedenkingen bij de cultuursubsidies

** In mijn ideale maatschappij zijn er geen subsidies voor de kunsten. Operatickets zijn er duur, maar de liefhebbers van opera betalen ze graag, want ze houden hartstochtelijk van opera. Ook moet de operabezoeker niet besparen op brood, melk, vlees of groenten, want hij bespaart geld op andere manieren. Zo moet hij in mijn ideale maatschappij niet meebetalen aan subsidies voor een televisiezender waar hij nooit op afstemt, sportwedstrijden die hij nooit bijwoont of dansvoorstellingen die hem niet boeien.
                           
** Ik ben overigens niet zeker of ik in mijn ideale maatschappij zou willen leven. Ik moet even denken aan de fellow travelers die je ook met geen stokslagen naar Rusland kreeg,  of toch niet om er te gaan wonen.

** Ik ben een voorstander van ‘grote’ cijfers. Ik heb tientallen keren iets gehoord en gelezen over een subsidiedaling van 60 procent en ook enkele keren iets van een daling van 6 procent. Dat ene cijfer gaat geloof ik over de ‘eenmalige projectsubsidies’ en het andere over ‘werksubsidies’. Maar de ‘grote’ cijfers zijn deze. Het Vlaamse cultuurbudget bedroeg vorig jaar 518 miljoen en dit jaar 508 miljoen. Dat is een daling van 2 procent. 2 % en geen 60 %. Nu ja, ’t is een daling.

**  Andreas Thirez heeft onlangs nog eens herhaald wat we al wisten van Yes Minister: cultuursubsidies komen grotendeels ten goede aan een culturele elite die vaak tegelijk een financiële elite is. Helemaal rechtvaardig is dat niet, al betaalt die financiële elite natuurlijk meer belastingen dan de andere burgers.

** Er is in elke maatschappij een elite die haar stempel zet: uitvinders, ondernemers, politici, topambtenaren, professoren, architecten, journalisten, psychiaters … Als de andere omstandigheden gelijk zijn, heb ik liever dat die elite uit kunstlievende mensen bestaat die klassieke auteurs lezen, viool of piano spelen en een Rembrandt van een Vermeer kunnen onderscheiden. Nu ja, Heydrich speelde viool, Hitler was aardig thuis in ‘Die Welt als Wille und Vorstellung’, Lenin citeerde met gemak de grote Russische auteurs, en Mao koesterde in zijn privé-woningen de Chinese klassieken die hij in het openbaar door zijn handlangers liet vernietigen. Maar, zoals ik al zei, de andere omstandigheden moeten gelijk zijn.

** Ook is het fijn in een tijd te leven waarin de smaak van de elite en die van de volksmens niet te ver uit elkaar liggen. Dat moet zo geweest zijn bij het Griekse theater, en in de tijd van Shakespeare en Lope de Vega. Het is echter, vrees ik, niet in zo’n tijd dat we leven. Vandaag gaapt er een kloof tussen de twee soorten publiek. Films en vooral televisieseries – we leven in ‘the Golden Age of Television’ zegt men – lijken een uitzondering te vormen. Daar kunnen elitaire en populaire smaak soms nog samenvallen.

** Sanctorum heeft tegen de moderne gesubsidieerde kunst twee bezwaren ingebracht: de beoefenaren ervan zijn links en de producten ervan zijn decadent. Hij geeft daarvan enkele sprekende voorbeelden. Maar het hóeft niet zo te zijn, en zulke beoordelingen zijn nogal persoonlijk. Het stuk waar ik dit jaar met mijn leerlingen naar toe geweest ben, was er een van Tom Lanoye: ‘Wie is bang’. Die auteur mogen we, vermoedelijk met zijn welnemen, ‘links’ noemen. Maar de voorstelling vond ik daarom niet decadent. Het stuk was een herwerking van de klassieker ‘Who’s Afraid of Virginia Woolf’. Ook dat stuk zou ik niet decadent noemen. Maar Barbara Branden vond dat indertijd wel, terwijl ze verder ongeveer even ‘rechts’ was als ik nu.

** De voorstelling die wij hebben bijgewoond – een NTG-productie – moet op één of andere manier gesubsidieerd zijn geweest, want mijn leerlingen betaalden slechts 10 euro.  Wij hebben een van de vorige jaren ooit een niet-gesubsidieerde voorstelling van een klein gezelschap bijgewoond en toen betaalden we 30 euro.

** Het stuk van Lanoye ging overigens over subsidies aan theater. De boodschap was, als ik het goed heb, dat theatermakers zulke subsidies vernederend vinden. Ik zou het ook vernederend vinden. Een eenmalig projectvoorstel uitschrijven en indienen bij een commissie. Met twee woorden spreken. Pet in de hand houden. Rekening houden met het stokpaard van commissielid A en het idee-fixe van commissielid B. Bang afwachten of de subsidie er nu komt of niet. Dan had ik nog liever het mecenaat. Een glas gaan drinken met een excentrieke miljonair, en als die niet toehapt, een andere miljonair opzoeken. Ik geloof dat die miljonairs geen uitgeschreven projectvoorstellen vragen en in elk geval geen tijd hebben om ze te lezen.

** Een paar keer las ik de bewering dat je kunst niet kunt overlaten aan de vrije markt. Misschien niet helemaal, dat weet ik niet. Ik ben voor commerciële boekhandels, maar ook voor openbare bibliotheken. Toch heeft de vrije markt iets moois. Je zou het misschien beter de ‘vrijwillige markt’ noemen. De schrijver schrijft vrijwillig een boek en de lezer leest vrijwillig een boek, en betaalt ervoor, ook vrijwillig. En tussen de vrijwillige schrijver en de vrijwillige lezer staat de uitgever. Die probeert te raden wat de lezer vrijwillig wil lezen. Vaak raadt hij juist, en dan maakt hij winst, dan weer raadt hij fout, en maakt hij verlies. Er is echter een schaduwkant. In die omstandigheden gebeurt het namelijk al te vaak dat een prachtig boek onuitgegeven blijft. Een collega van mij heeft een korte graphic novel gemaakt, waarvan het moeilijk is om uit te maken is of nu de teksten erin dan wel de tekeningen het mooiste zijn. Hij krijgt het boek echter niet uitgegeven. Is er een gebrek aan verfijnde lezers voor zo’n werk of schatten de uitgevers hun lezers verkeerd in? De fout ligt in een van de twee kampen: de lezers of de uitgevers; de fout ligt in elk geval niet bij ‘de markt’. Een markt kan geen fouten maken. 

** Op de televisie hoorde ik een mevrouw die het ‘economisch argument’ hanteerde. Cultuur zorgt voor tewerkstelling, zei ze, en die tewerkgestelden betalen belastingen. Daar kwamen nog eens de ‘indirecte’ gevolgen bij. Mensen gingen naar het theater en bezochten daarna een café. Dat lijkt mij een foute redenering. Als we belastingen betalen om het toneel te ondersteunen, en als de mensen daarna een glas drinken op café, is dat allemaal geld dat ze niet kunnen gebruiken om op Zalando een paar nieuwe schoenen te bestellen. Op die manier vermindert de tewerkstelling in de schoenenindustrie en bij Zalando. Het is de oude parabel van het gebroken venster. Nu kun je het fijner vinden om in een maatschappij te leven waar we meer belang hechten aan cultuur, dan aan schoenen.  Maar dát is een heel andere zaak. 

** Tot slot. Geert van Oorschot heeft het Verzameld Werk van Multatuli uitgegeven zonder één gulden subsidie. Zijn zoon Wouter van Oorschot heeft het Verzameld Werk van Karel van het Reve uitgegeven, eveneens zonder één euro subsidie. Hoe die uitgevers dat geflikt hebben, moeten mijn leerlingen weten voor het examen Nederlands

zondag 28 april 2019

En, Peter, had Marx altíjd gelijk?

      ‘Als de mens geen klimaatactie onderneemt, is de Apocalyps dan onvermijdelijk?’ vroeg de journalist van De Zondag aan Peter Mertens (PVDA). ‘Ja’, antwoordde Peter resoluut. ‘Marx was daar trouwens ook al mee bezig.’
    
Marx bezig met het klimaat? De lezer is geneigd bij zo’n mededeling even te glimlachen. Waarom zou een Duitse filosoof-econoom uit de negentiende eeuw zich zorgen hebben gemaakt over een klimaatopwarming die men pas op het einde van de twintigste eeuw zou ontdekken? Dat is niet erg waarschijnlijk. Wellicht, denkt de lezer, haalt Mertens hier twee zaken door elkaar: de nieuwe kwestie van het klimaat dat opwarmt, en de oude kwestie van de mooie landschappen, de zuivere lucht, het heldere water en de fluitende vogels die door een verstedelijkte beschaving worden bedreigd. Marx, denkt de lezer dan, kan moeilijk een klimaatactivist geweest zijn zoals Anuna Dewever, maar misschien was hij wel een groene jongen avant la lettre, iemand die de natuur wou beschermen tegen de ‘oprukkende industrialisering’.
     Zulke groene jongens avant la lettre hebben bestaan. De Russissche schrijver Tsjechov bijvoorbeeld was op zijn landgoed in Melikhovo druk in de weer met het planten van bomen. In een van zijn toneelstukken komt een mooie lofzang op de natuur. ‘Bossen zijn een sieraad voor de aarde,’ zegt Astrov, of was het Sonja.  ‘Bossen leren de mens het schone te begrijpen. Ze verzachten een ruw klimaat en door een zacht klimaat worden de mensen milder en mooier en leniger en inniger van aard. Hun taal klinkt sierlijk, ze bewegen zich gracieus, hun wereldbeschouwing is niet somber, hun gedrag tegen vrouwen is hoffelijk.’ Je weet bij Tsjechov nooit of wat hij dénkt samenvalt met wat hij zégt, of wat hij zijn personages laat zeggen, maar het is duidelijk dat de schrijver op zijn manier ‘bezig was’ met natuurbehoud en zelfs met klimaat – of althans met wat we vandaag ‘microklimaat’ zouden noemen.
     Marx van zijn kant was daar helemaal niet mee bezig.  Om dat na te trekken hoeft de lezer niet eens de veertig delen van de Marx-Engels-Gesamtausgave door te nemen. Het volstaat vandaag om op Google de zoekterm ‘Marx and the Environment’ in te tikken. Zeker, je krijgt 2.560.000 resultaten op je zoekopdracht, maar je moet maar enkele van die resultaten aanklikken om te zien dat het allemaal artikels zijn over datzelfde ene zinnetje uit Het Kapitaal.  Marx zegt daarin dat de grond uitgeput raakt door de ‘kapitalistische landbouw’. Die uitputting van de grond was inderdaad een erg actuele kwestie in de 19de eeuw, maar heeft ondertussen veel aan actualiteit ingeboet door de ontdekking van kunstmest, verbeterde gewassen en genetische manipulatie. De groene revolutie heeft hier meer goeds gedaan dan de rode.
     Met je zoekterm op Google vind je ook artikels die gaan over de zogenaamde ‘Jonge Marx’ en wat die schreef over de Verhouding tussen Mens en Natuur. Een gepensioneerde sociologieprofessor is dan heel enthousiast over het diepe inzicht van Marx dat ‘de Mens zelf deel uitmaakt van de Natuur’. Maar hoe die professor ook trekt en wringt aan een of andere duistere passages, je hebt al snel door dat Marx bij het begrip ‘Natuur’ niet dacht aan mooie landschappen, zuivere lucht, helder water of zingende vogels die bedreigd worden door kernafval, maar aan de materiële wereld in zijn geheel, waar de mens dus deel van uitmaakte. Jawel, de mens was ook een brok materie. Dat wist Lucretius al, over wie Marx zijn doctoraatsthesis had geschreven.
     Communisten hadden vroeger de rare gewoonte om bij gelijk welke discussie enkele uitspraken van Marx aan te halen. Ze zochten in alle hoeken en kanten en vonden zo’n uitspraken over gelijk welk onderwerp. Ze stelden er zelfs brochures over samen: ‘Marx over het onderwijs’, ‘Marx over de klassieke oudheid’, ‘Marx over China’, ‘Marx over de geestelijke muziek’, ‘Marx over het seksuele vraagstuk’. In mijn opleiding germanistiek moest ik een opstel lezen van zekere Georg Lukacs. ‘Inleiding tot de esthetische werken van Marx en Engels’ heette het stuk. In de tweede zin moet die Lukács al toegeven dat Marx en Engels eigenlijk ‘nooit een samenhangend boek en nauwelijks een studie’ over esthetische problemen hadden geschreven*. En op dat niet-bestaande boek en die nauwelijks-bestaande studies had hij dan toch maar een flinke inleiding geschreven.
     Ook was er niet alleen Marx die je kon aanhalen. Als je zocht vond je wat je nodig evengoed had bij de andere ‘grondleggers’: bij Engels over goedkoop wonen,  bij Lenin over alcoholisme, bij Stalin over taalkunde en bij Mao over journalistieke stijl. Ook daar werden brochures van gemaakt. En in al die brochures ging men ervan uit dat die Marx enzovoort over onderwijs, goedkoop wonen, alcoholisme, taalkunde en journalistieke stijl altijd gelijk hadden gehad, dat was ze schreven altijd waar was.
     Voor dat dogmatische geloof zijn de communisten vaak uitgelachen. ’t Is ook is iets eigenaardigs. Zelf heb ik in een bepaalde periode van mijn leven veel gelezen van Schopenhauer, Popper en George Orwell. Die schreven ook over van alles en nog wat, en ik vond, na de taaie marxistische geschriften van mijn jeugd, alles wat die auteurs schreven bijzonder boeiend. Maar de gedachte kwam niet meer bij mij op dat dat allemaal ook waar was. Schopenhauer schreef bijvoorbeeld dat mannenlichamen mooier zijn dan vrouwenlichamen, en dat alleen de geslachtsdrift ervoor zorgt dat we dat anders zien. Ik vond dat een boeiende opmerking, maar was ze ook waar? Een vriendin wees mij erop dat de meeste vrouwen op een rustig moment ook de voorkeur geven aan een schilderij met een naakte vrouw erop boven dat met een naakte man.
     De uitspraak van Peter Mertens over Marx die ‘bezig was met het klimaat’ is, geloof ik, een restant van de communistische traditie. Meer is het niet. Ik zie de PVDA geen brochures meer uitgeven over ‘Marx en de transgenders’ of ‘Marx en de digitale maatschappij’. ‘Niet alles wat Marx neerschreef,’ zegt Peter, ‘is vandaag nog toepasbaar.’ Daarmee heeft Peter niet gezegd dat Marx zich over welke kwestie ook vergist zou kunnen hebben, maar de toegeving dat zijn ideeën niet allemaal meer ‘toepasbaar’ zijn, is een grote vooruitgang vergeleken met de PVDA die ik gekend heb.
    
* Dat opstel stond in de bundel Tekstboek algemene literatuurwetenschap van Bronzwaer, Fokkema en Ibsch. Daar kwam ook een opstel in voor van Karl Popper ‘De logica van de sociale wetenschappen’. Ik had van die Popper nog nooit gehoord, maar zijn stuk vond ik, toen nog marxist zijnde, veel interessanter dan het gejengel van Lukács.

zondag 10 februari 2019

De leugen van Joke Schauvliege

     Als ik minister was van iets en ik deed een domme uitspraak waarmee ik half Vlaanderen over mij heen kreeg, dan was ik geloof ik liever bij N-VA dan bij CD&V. Misschien heeft Wouter Beke gedaan wat in zijn vermogen lag om zijn partijgenote Joke Schauvliege te steunen, maar dan is dat vermogen eerder beperkt.
    Maar misschien moeten we verder kijken dan de beperkte vermogens en de wat zwakke ruggengraat van de huidige CD&V-leiders. Walter Pauli van Knack is iemand die verder heeft gekeken. Hij veronderstelt dat CD&V in de zaak Schauvliege meer belang hechtte aan ‘algemene regels’ dan aan het eigen partijbelang, wat bij N-VA anders zou zijn. Dat zou mooi zijn van CD&V, maar ik geloof er niet veel van. Anderen denken dat CD&V het niet eens zo erg vond om een zwakke vakminister af te voeren. Dan heeft de partij daar zo kort voor de verkiezingen een ongelukkig moment voor gekozen. En of Schauvliege nu echt zo’n zwakke minister was, weet ik niet. De journalisten schrijven dat, maar weten zij dat zelf wel zo goed?

     Er is een derde verklaring die ik oorspronkelijk de meest aannemelijke vond. Schauvliege heeft zich met haar uitspraken tégen de klimaatbetogers uitgesproken, terwijl CD&V die jongens en meisjes liever te vriend hield en zeker niet wou afstoten als mogelijke kiezertjes. Dat zou geen slechte strategie zijn. De betogers prijzen voor hun bezorgdheid en hun idealisme en daarna heimelijk de ecorealistische koers voeren die N-VA meer openlijk voorstaat. Maar dan kwam Beke achteraf verklaren dat de klimaatbeweging ‘gekaapt werd door extreemlinks’. Zo hou je die beweging natuurlijk niet te vriend.
     Ja maar Clerick, zul je zeggen, die Schauvliege heeft toch gelógen. Heeft dat er dan niets mee te maken?
     Nou ja, gelogen ... Het gebeurt inderdaad wel eens dat onze politieke vertegenwoordigers wat – hoe zal ik het zeggen – lichtzinnig omspringen met de waarheid: loze beloftes, halve waarheden, slechte rekenkunde, grootspraak, misleidende woordkeuze, leugentjes om bestwil, spreken zonder nadenken, eigen twijfels die overschreeuwd worden, vermoedens die als zekerheid worden voorgesteld, een doelpubliek dat naar de mond wordt gepraat. Je mag dat van mij allemaal ‘leugens’ noemen. Zelf weerleg ik liever iets wat ik onwaar vind, dan luid te roepen dat de ander een vuile leugenaar is.* Ik las bij Liesbeth van Impe dat de beschuldiging van ‘leugenaar’ altijd geschrapt wordt uit de verslagen van het Parlement. Dat lijkt mij een goede gewoonte.
    Want wat heeft Schauvliege ook weer gezegd: ‘Er zit meer achter dan alleen een spontane actie voor ons klimaat. Ik weet wie achter heel die beweging zit, zowel de zondagse betogingen als de spijbelaars op donderdag. Men heeft mij dat ook verteld vanuit de Staatsveiligheid.’
     We weten ondertussen dankzij CD&V en De Tijd ongeveer wie Schauvliege bedoelde als ze sprak over ‘wie achter heel die beweging zit’: organisaties als Climaxi, Climate Express, Act for Climate Justice, Greenpeace, De Wereld Morgen, Hart boven Hard … En in die organisaties zijn of waren mensen actief als de anarchist Arno Kempynck en PVDA-leden Nathalie Eggermont en Wiebe Euyekman.
     Wiebe Eekman! Ik kom met een plons terecht in het zwembad van mijn jeugdherinneringen. Daarin is Wiebe een hele lange kerel, met een luide stem, een goed humeur, een overvloedige rode bos haar** en een rode baard. Hij werkt als scheepshersteller of zoiets en spreekt met een Hollands accent. Misschien is hij wel een Fries. Hij ziet er in elk geval uit als een Viking. En die Wiebe zit achter de klimaatbetoging?
     Ach, volgens mij doen Wiebe en die anderen weinig terzake. Anuna De Wever en haar vrienden moesten hun ‘bezorgdheid voor het klimaat’ niet halen bij Greenpeace en de PVDA. Het klimaatalarmisme wordt hun al jaren bijgebracht door wat ze lezen in de krant, horen op televisie en studeren voor de lessen Aardrijkskunde, Godsdienst, Zedenleer en straks Burgerzin. Ook kunnen radicaallinkse groepjes zo’n grote actie niet afdwingen. Ik weet dat, want in mijn radicaallinkse jeugd was ik samen met mijn kameraden voortdurend in de weer om ‘massa-acties op poten te zetten’: vergaderen, brochures schrijven, vlugschriften uitdelen … niets werkte. Af en toe was er wel een grote actie, maar zo’n actie barstte los en ging voorbij als een regenbui. Wij hadden daar weinig invloed op. Gedurende die actie konden we voorop lopen, organiseren, toespraken houden, nog meer brochures schrijven, nog meer vlugschriften uitdelen. Sommigen van ons werden beschouwd als ‘leiders’ van de actie. Maar na enkele dagen of weken was het afgelopen en was het ook gedaan met dat leiderschap. Er restte ons niets meer dan nog wat leden te werven voor ons groepje.
     Als Schauvliege dus zegt dat de klimaatbetogingen geen spontane beweging zijn maar het werk van duistere lieden achter de schermen, dan bewijst ze daarmee dat ze in elk geval geen radicaallinks verleden heeft, anders zou ze wel beter weten. Het is juist wél een spontane beweging. Zulke grote acties kun je beter beschrijven met de onvoorspelbaarheden van de chaostheorie, dan verklaren vanuit sluwe politieke machinaties.

     En dat van die Staatsveiligheid van wie Schauvliege haar informatie gekregen had? Ja, dat was natuurlijk onzin. De Staatsveiligheid rapporteert niet aan de minister van Omgeving, Natuur en Landbouw. Maar misschien heeft het arme schaap alleen maar gedácht dat de Staatsveiligheid zich met de zaak bezighield, of zich zou moeten bezighouden. Of misschien heeft ze niets gedacht, dat kan ook. Of misschien heeft ze iemand anders iets over de Staatsveiligheid horen zeggen. Of heeft ze haar informatie gekregen van de christelijke werknemersorganisatie Beweging.net, maar wou ze die bron niet vermelden in een toespraak voor het Algemeen Boerensyndicaat. Je kunt die bewering in elk geval geen ‘fake news’ noemen, want het was juist níet de bedoeling dat die woorden in het nieuws zouden komen. Die zijn maar in het nieuws gekomen omdat haar vijanden van Climaxi de toespraak hebben gefilmd en online gezet.
     Kijk, wij kunnen ons ook een ander scenario voorstellen. Schauvliege geeft een interview aan De Standaard en vertelt daarin dat de klimaatbetoging gemanipuleerd wordt door mensen achter de schermen. De journalist vraagt terecht wat haar bronnen zijn. Als ze daarop antwoordt ‘Ik weet dat van de Staatsveiligheid’, dan is dat voor mij een andere zaak. Dan zou ik het naast een domheid, blunder, flater of stommiteit ook nog een leugen noemen. Maar meestal probeer ik voorzichtig om te gaan met dat woord in een politieke context.


* Ik herinner mij een bespottelijk  stuk waarin moraalfilosoof Loobuyck zich in de titel afvroeg wat men moest doen met ‘politici die liegen’. Zuhal Demir en Liesbeth Homans hadden onvriendelijke woorden gesproken over Unia. Als je het stuk las, was het echte verwijt van Loobuyck aan Demir en Homans dat ze aan ‘stemmingmakerij’, ‘polarisering’ en ‘grofbekkerij’ deden. Zo verliest het woord ‘leugen’ zijn oorspronkelijke betekenis van ‘opzettelijke onwaarheid’ en verwordt het tot een trucje in de polemiek.

** Jan Van Duppen stelt het epiteton ‘helmboswuivend’ voor. Dat geeft het kapsel van de jonge Wiebe aardig weer. Op recente foto’s vallen de haren helaas naar beneden en zijn ze grijs geworden. Ook herinnert Jan mij eraan dat Wiebe slechts één handdruk van Lenin verwijderd is aangezien zijn oma nog op de thee geweest is bij de leider van het wereldproletariaat.

woensdag 9 januari 2019

Dries Van Langenhove versus Kathleen Cools

     Met grote verbetenheid, maar met allebei een glimlach op het gezicht, hebben Dries van Langenhove en Kathleen Cools gedurende 15 minuten een welles-nietes-gesprek gevoerd op Terzake. De glimlach van Dries vind ik professioneler dan die van Cools die teveel aan een vals tante nonnetje doet denken. Maar laten we het over de inhoud hebben.
     Nou ja, inhoud.* Cools vond het heel belangrijk te melden dat er een gerechtelijk onderzoek liep tegen Van Langenhove. Ik vond dat niet belangrijk, want dat onderzoek zal, geloof ik, geen strafbare feiten aan het licht brengen. En als er al strafbare feiten aan het licht komen, dan toch alleen strafbaar op basis van de dubieuze anti-racisme wetgeving. Ook wilde Cools graag bewijzen dat Van Langenhove een opportunist is die een parlementair mandaat wil voor het geld. Ten slotte wierp ze Dries voor dat hij eerst had gezegd dat hij tegen de partijpolitiek was, en nu deed hij zelf mee als lijsttrekker van Vlaams Belang**. Wat een bocht, vond Cools.
     Van Langenhove kon gemakkelijk uitleggen dat hij geen bocht had gemaakt. Hij kwam als onafhankelijke op de lijst. Bovendien zou hij het parlement alleen gebruiken om daar de ideeën te verkondigen die hij ook in straatacties en op de sociale media propageert. Straks hebben we dus, naast Raoul Hedebouw, een tweede volkstribuun in de kamer. Die idee om het parlement te gebruiken als ‘tribune’ is voor het eerst uitgewerkt door Lenin, vooral in zijn boekje ‘De linkse stroming’, en werd later ook in de praktijk gebracht door de Hitlerianen voor ze de macht grepen. Ze deden mee  aan de partijpolitiek om de partijpolitiek aan te klagen. Net als de Leninisten en de Hitlerianen is Van Langenhove juist géén opportunist, maar een man van radicale ideeën.
     Met een aantal van die ideeën heb ik het moeilijk. Van Langenhove postte op een besloten groep van Schild en Vrienden onder andere:
  • ‘Ik kan niet begrijpen hoe iemand dik en rechts kan zijn.’ (Ik hou niet van die verweving van politiek en lichaamscultus.)
  • ‘Binnen twee jaar kan je de mobiele brigade opbellen die hen dan opwacht aan het volgende station. (Als antwoord op zijn vriend Louis de Stoop die geklaagd had dat ‘bruinzakken’ luide muziek speelden op de trein).
  • Supermarkten gaan we ‘Golden Dawn-gewijs zuiveren van halal’. (Een verwijzing naar gewelddadige acties van een Griekse rechts-extremistische groep).
     Een andere Vriend postte op dezelfde groep:
  • ‘We eisen als samenleving [...] niet veel van vrouwen: een goede moeder zijn en zichzelf verzorgen, er goed uitzien. Mannen worden terecht hogere standaarden opgelegd.’ (Tot in de negentiende eeuw waren zulke ideeën ruim verspreid - Ibsen en Wilde halen ze over de hekel. Maar in de twintigste eeuw vinden we ze vooral bij sommige vooroorlogse Nieuwe Orde-bewegingen).
     Dat zijn allemaal standpunten die Van Langenhove buiten zijn officiële communicatie houdt. Wel komt hij openlijk uit voor zijn afkeer van de verrotte partijpolitiek en de ‘particratie’. Eigenlijk vind ik dat standpunt nog erger, want ik ben een hartstochtelijk voorstander van een meerpartijenstelsel.
     Dat stelsel heeft natuurlijk allerlei nadelen: gepalaber, compromissen, trage besluitvorming, onverstandige beslissingen, korte-termijnvisie, politieke spelletjes, verkozenen die het alleen om het mooie inkomen te doen doen, onverkozen partijbesturen die beslissen wat in het parlement gezegd en in de regering beslist wordt.**** Maar het volstaat om wat te lezen over bijvoorbeeld nazi Duitsland om vast te stellen zien dat al die problemen daar ook aanwezig waren, en nog enkele andere ook
     Het grootste nadeel van de meerpartijendemocratie is vooral dat zoveel mensen stemmen op partijen die ik niet lust. En mensen die op heel andere partijen stemmen ondervinden hetzelfde nadeel. Daar moeten we als volwassenen mee leren leven, in plaats van op te roepen dat ‘het volk de rotte partijpolitiek aan de kant moet schuiven.
  

* Op het einde van het interview liet Cools een filmpje zien dat Dries Van Langenhove geplaatst had op zijn besloten groep. Het was een toespraak uit de jaren dertig van de Britse fascist Mosley. Mosley had toen gezegd: ‘Naturally we believe in our own race. Any man or woman worth anything believes in his own race as he believes in his own family. But because you believe in your own race or in your own family, doesn’t mean you want to injure other races or other families.’ Cools vond dat dit erg goed geleek op een toespraak die Van Langenhove onlangs zelf gehouden had: ‘We weten dat het niet is omdat je je eigen volk liefhebt, dat je daarom andere volkeren zou haten, net zo min als je eigen gezin liefhebben betekent dat je andere gezinnen zou haten.’ Van Langenhove heeft het woord ‘ras’ vervangen door het woord ‘volk’, waarmee het voor fatsoenlijke nationalisten perfect aanvaardbaar is. Maar het blijft natuurlijk plagiaat. Ik heb enige moeite om aan mijn leerlingen uit te leggen dat een overgenomen tekst vormelijk plagiaat blijft, ook als je hier en daar een woord verandert. De grote gelijkheid van vorm bewijst het plagiaat. En in het geval van Van Langenhove is het een sterke aanwijzing dat hij het inderdaad is die het filmpje geplaatst heeft, wat hij met grote stelligheid ontkent.

** Nadat Vlaams Blok-Vlaams Belang gedurende vele jaren minder extreem werd, maakt ze nu, met Van Langenhove als lijsttrekker, de omgekeerde beweging.


*** Van Langenhove heeft zich niet met zoveel woorden uitgesproken tegen het meerpartijenstelsel. Maar ik sta erg wantrouwig tegenover mensen die kritiek leveren op de particratie’ zonder te nuanceren, zonder tegelijk hun steun uit te spreken voor het meerpartijenstelsel en zonder concrete voorstellen te doen. 

**** Die corruptie en gebrekkige besluitvorming zijn een goed argument om de sfeer van de politiek en de staatsinterventie beperkt te houden.

dinsdag 6 maart 2018

Hoe bekeer je iemand tot het stalinisme?

     Gisteren 65 jaar geleden overleed Jozef Stalin. Dat was geen aardige man, want hij had vele, vele miljoenen Russen laten vermoorden. Ik moet dat geweten hebben toen ik voor het eerst, op zestien- of zeventienjarige leeftijd, het krantje kocht dat Alle Macht aan de Arbeiders heette. Op de eerste pagina van dat krantje prijkte een afbeelding van de ‘vijf koppen’. De vijf koppen,  dat waren die van vijf bekende communistische leiders: Marx, Engels, Lenin, Stalin en Mao. Thuis nam ik een rode stift en trok een kruis over de vierde kop. Nà. Daar had die wrede dictator niet van terug.
     Hoe wist ik eigenlijk dat die Stalin niet deugde? Onze geschiedenisleraar, Danny Desseyn, had ons weinig over de Russische leider verteld, en dat weinige was nog positief geweest ook: de wilskracht waarmee hij het hoofd had geboden aan de Duitse inval, de succesvolle vijfjarenplannen. Toch wist ik, of liever voelde ik, dat werkelijk iederéén, behalve die jongens van Alle Macht, het erover eens was dat Stalin een heel slecht mens was geweest. Er hing een soort eenstemmigheid in de lucht, en daar had ik ongetwijfeld iets van opgesnoven. Misschien ook had ik ergens een kritisch opstel van Boris Souvarine gelezen. ’t Is lang geleden.
     Ik was dus, toen ik zestien-zeventien was, antistalinist, zoals iedereen. Toch hadden handige bliksems als PdB, WM en sommige anderen van wie ik mij slechts één initiaal herinner, niet al te veel moeite om me in geen tijd in een klein stalinistje om te turnen. Enkele trucjes hielpen daarbij. De terreur van Stalin erkennen (‘hij heeft dertig procent fouten gemaakt’), ontkennen (‘leugens van de burgerlijke pers’), en minimaliseren (‘veel minder erg dan de miljoenen slachtoffers van het kolonialisme en de kapitalistische wereldoorlogen’). Een ander foefje bestond erin de aandacht af te leiden van de daden van de man naar de woorden van de schrijver. Want Stalin schrééf ook, net als de vier andere koppen. ‘Lees eens een boek van Stalin zelf,’ zei men mij, ‘in plaats van alleen maar negatieve dingen over hem te lezen.’ En ik kreeg iets in handen gestopt over het ‘dialectisch en historisch materialisme’ of over ‘het nationaliteitenvraagstuk’. En ja, het klonk allemaal behoorlijk marxistisch wat daarin stond, en ook dat marxisme hing in de lucht en daar had ik meer dan mijn deel van opgesnoven.
     Nauw in verband met de truc van de boeken, was de sterkste handgreep van allemaal: het begraven van de stalinistische moordpartijen onder een menigte ideologische haarkloverijen. Zo werd er eindeloos geargumenteerd waarom in het Rusland van de jaren 30, de ene keer meer middelen naar de landbouw en de andere keer meer middelen naar de industrie moesten gaan. Zulke discussies hadden geen wetenschappelijke basis omdat, zoals Ludwig von Mises al in 1920 had aangetoond, de socialistische economie geen wetenschappelijke basis heeft. Het socialisme vervangt een aanpak van gissen, missen en leren van je fouten, door een blindemanspelletje waarbij je niet eens wéét wanneer je raak of mis slaat. Maar het zijn natuurlijk net de discussies zónder wetenschappelijke basis die met de grootste passie worden gevoerd. En na een ideologisch seminarie van drie dagen waren we het er allemaal over eens dat Stalins landbouwpolitiek de enige juiste was, terwijl die van Trotski door links opportunisme, en die van Boecharin door rechts opportunisme was gekenmerkt. Dat die landbouwpolitiek uitmondde in de Oekraïense Hongersnood van 1932-1933 – drie tot zes miljoen slachtoffers* –, was een aspect dat op zo’n seminarie minder uitvoerig werd besproken.
     Die ideologische seminaries werden dan aangevuld door vlijtige zelfstudie van communistische of half-communistische boeken. Uit die boeken bleek dat het allemaal best meeviel met de stalinistische moordpartijen. Hier en daar was wel eens een klassenvijand naar een kamp gestuurd of een spion doodgeschoten, maar er was vooral veel goeds gerealiseerd: genoeg te eten, goedkope condooms, scholen, rusthuizen, de metro van Moskou, autowegen, en op tijd rijdende treinen. De boeken waarin dat goeds werd bezongen, waren vaak geschreven door figuren van het tweede garnituur:  Anna Louise Strong, Kostas Mavrakis, Nils Holmberg, Sayers & Kahn. Soms waren het ‘neutrale’ boeken zoals de memoires van Joseph E. Davis, de Amerikaanse ambassadeur in Rusland, of een reisverslag van Hewlett Johnson, de deken van Canterbury. En af en toe vond je boek van een auteur met een grote naam, waar je dus niet beschaamd over moest zijn, zoals dat van de Franse communist Louis Aragon, die, zoals iedereen moest toegeven, voor zijn vrouw mooie gedichten had geschreven. Als je dan tien of twintig van zulke boeken had gelezen, dan wist je over Stalin meer dan 99 procent van de bevolking, en meer dan 90 procent van de niet ter zake gespecialiseerde historici. Zoals een beetje holocaustontkenner ook meer weet over Hitler dan u en ik en de doorsnee geschiedenisleraar.
     Als zo’n holocaustontkenner of zo’n Stalinnegationist in gesprek raakt met een leek in de materie, doet zich een raar verschijnsel voor. De ontkenner haalt tientallen argumenten aan, sleept er de kolen- en staalproductie bij, bespreekt partijdagen en congressen, citeert uit rapporten van geheime diensten, wijst op tegenstrijdige en onmogelijke cijfers … en de leek haalt zijn schouders op. De ontkenner wordt wanhopig. Hij brengt de graanproductie, de alfabetisering en de nationaliteitenpolitiek ter sprake. De leek blijft onverstoorbaar. De ontkenner wordt nu emotioneel, barst in tranen uit, wijst op de heldhaftigheid van het Duitse of Russische volk en op de lage maneuvers van de vijand. Maar de leek geeft geen kik. Die Hitler of die Stalin was een massamoordenaar, punt. De leek weet dat zeker, zonder ook maar één boek gelezen te hebben.
     Razend werd ik ervan.

* Ik schreef oorspronkelijk 6 miljoen slachtoffers. Nl.Wikipedia spreekt van 2,5 tot 7,5 miljoen slachtoffers. En.Wikipedia heeft uitgebreid toelichting bij de verschillende schattingen.

maandag 6 november 2017

Lenin was een bodybuilder

     Over de ‘glorieuze oktoberrevolutie’ – die morgen voor de honderste keer wordt herdacht – kun je lang of kort praten, naar gelang je voor of tegen bent.* Maar drie dingen zijn zeker: ze was niet glorieus, ze viel niet in oktober en het was geen revolutie. Niet glorieus, want ze was het begin van een eindeloze reeks slachtpartijen, executies, gruwelijke folteringen en jarenlange hongersnood. Niet in oktober, want volgens onze Gregoriaanse kalender viel ze op 7 november. Geen revolutie, want die had al plaats gehad in februari-maart. Wat in november gebeurde was een machtsgreep waarbij een van de revolutionaire fracties de rivaliserende revolutionaire fracties aan de kant schoof. En er is nog één ding zeker: zonder Vladimir Iljitsj Oeljanov, bijgenaamd Lenin, had ze nooit plaatsgevonden.
     Die Lenin heeft in zijn leven heel veel geschreven. Zijn Verzameld Werk bestond uit geloof ik 45 dikke delen van elk meer dan 500 bladzijden. Daar waren telegrammetjes bij, en kattenbelletjes, en krantenartikeltjes waarin onze vriend al eens in herhaling verviel, maar daar waren ook échte boeken bij over filosofie, over wetenschap, over de wereldeconomie, en over de kunst van de revolutie en de politieke intrige.**
     Ik leerde die Lenin-boekjes kennen toen ik zestien jaar was. In de studiezaal van ons college werd van hand tot hand, onder de banken, een lijst doorgegeven waarop je ze kon bestellen. De lijst werd dan overgemaakt aan een Leuvense student en die zorgde ervoor dat de boekjes de school werden binnengesmokkeld. Het was een succes, want de boekjes waren heel goedkoop. Voor de prijs van een zakje friet kon je al een heus klassiekertje als Staat en revolutie kopen. Zelfs wie weinig zakgeld kreeg, kon op korte tijd een mooie verzameling revolutionaire literatuur aanleggen.
     Een van die boekjes – het was iets duurder en beter gedrukt en had een lichtblauwe omslag – heette Wat te doen? Die titel was ons, jonge revolutionairen, uit het hart gegrepen. Zo’n revolutie vonden wij een machtig idee, maar hoe begon je eraan? Met andere woorden: wat moest je doen? Helaas, het boekje gaf geen duidelijk antwoord op die vraag. Dat antwoord kregen we later op ‘vormingsvergaderingen’ van Ludo Martens die uit het boekje - dat volgens hem Que Faire? heette*** - allerlei praktische aanwijzingen haalde die we er zelf nooit in hadden gevonden.
    De titel van zijn werkje had Lenin overgenomen van een roman van Tsjernysjevski, de lievelingsschrijver van zijn jeugd.**** Die roman heette ook Wat te doen? en eindigde met een visioen. In het toekomstige Rusland is een ideale maatschappij tot stand gekomen. Iedereen leeft in grote gemeenschappelijke paleizen van aluminium.  Ook de meubels zijn van aluminium. De volwassenen werken overdag op het veld onder een geweldig zonnescherm terwijl het huishoudelijk werk door kinderen en bejaarden wordt gedaan. Elke avond is er feest. Zoals in wel meer socialistische utopieën is het huwelijk afgeschaft en heerst er een systeem van vrije liefde. Daar zijn speciale kamertjes voor ontworpen.
     Maar zo’n aluminium paradijs komt er niet vanzelf. Eerst moet een generatie zich opofferen. Die generatie kan zich spiegelen aan de held van het verhaal, zekere Kairat Rachmetov. Rachmetov is een asceet. Hij slaapt als het moet op een bed van spijkers. Hij eet alleen rauwe biefstuk. Hij leest alleen wat nuttig is voor de revolutie. Verleidelijke vrouwen houdt hij op een afstand. En hij staalt zijn lichaam door dagelijks aan gewichtheffen  te doen.
     Lenin heeft zich op jonge leeftijd voorgenomen om het voorbeeld van Rachmetov te volgen. Met ijzeren wilskracht is hij dat voornemen trouw gebleven. Of hij rauwe biefstuk at weet ik niet, maar hij liet zich weinig in met verleidelijke vrouwen en las alleen wat nuttig was voor de revolutie.  Bij Orlando Figes lees ik dat hij dagelijks met gewichten in de weer was.
     Lenin was een bodybuilder.


___________

* Die mooie formulering heb ik helaas niet zelf bedacht.  Andere Leninstukjes van mij vind je hier en hier.
** Een van de belangrijkste regels van de politieke intrige is het koppen tellen. Dat demonstreert Lenin heel aardig in zijn boekje Een stap vooruit, twee achteruit, waar hij verslag uitbrengt van het tweede congres van zijn partij. Op dat congres waren 51 afgevaardigden en daarvan waren 23 op Lenins hand en 28 op de hand van zijn tegenstrever Martov. Lenin begreep dat je in zo’n geval kunt praten als Brugman maar 23 is 23 en 28 is 28. Daar helpt geen lievemoederen aan. Het enige wat je kunt doen is zorgen dat minstens zes, liefst zeven, van die 28 worden weggemaneuvreerd. De idealistische Martov begreep dat niet en bevond zich na 27 zittingen plots in de minderheid.

*** Waarom die Franse vertaling? Omdat ze korter is en beter in de mond ligt? Maar in Nederland, waar men minder Frans kent, spraken Marxisten volgens Wikipedia van ‘What Is To Be Done’. Dat is niet korter en ligt niet beter in de mond. Is het een middel om de ingewijde van de buitenstaander te onderscheiden? Zo sprak men in mijn kringen ook nooit van de ‘Geschiedenis van de KPSU' maar van de 'Bolsjewiek’.

**** Men beweert wel eens dat Tsjernytsjevski’s roman meer mensen tot het communisme heeft bekeerd dan alle geschriften van Marx en Engels samen. Ongeveer zoals men van Ayn Rands romans beweert dat die meer mensen tot het libertarisme hebben bekeerd dan de boeken van Mises, Hayek en Friedman.

Dit stukje werd ook geplaatst op Doorbraak.

woensdag 11 oktober 2017

Lenin op De Afspraak

     Gisteren in De Afspraak ging het over Vladimir Iljitsj Oeljanov, bijgenaamd Lenin. Bart Schols stelde vragen aan Lien Verpoest, een Ruslandkundige met een erg beweeglijk gezicht. Af en toe kwam de olijke Mark Eyskens tussen met flauwe anekdotes, het soort anekdotes die ik in de klas ook wel eens vertel: dat Lenin op het Kremlin een heel klein werkkamertje betrok*, dat hij in 1917 met een ‘verzegelde’ trein naar Rusland reisde, en dat Trotski met een bijl de hersens werd ingeslagen in Mexico. Mark had dat werkkamertje en die bijl met eigen ogen gezien.
     Rond de figuur van Lenin werd in de uitzending een web van bijvoeglijke naamwoorden geweven: zeer radicaal, zeer intelligent, verbeten, recht-door-zee, zeer kordaat, rechtlijnig, open van geest. ‘De kenmerken van een echte leider,’ zo vatte Schols het samen, die er daarnaast enkele keren op wees dat Vladimir Iljitsj verantwoordelijk was voor de dood van zes miljoen mensen.**
     Niet alle omschrijvingen van Lenin leken mij even gelukkig. ‘Radicaal’ en ‘kordaat’ zijn geen slechte woorden, maar ‘fanatiek’ en ‘meedogenloos’ roepen een scherper beeld van de man op. ‘Recht-door-zee’ en ‘rechtlijnig’ geven goed aan dat Lenin nooit zijn uiteindelijke doel uit het oog verloor. Maar ze doen onrecht aan zijn eeuwige tactisch gemaneuvreer. Dit was immers de man de schreef dat communisten ‘indien nodig, gebruik moesten maken van alle mogelijke listen, kunstgrepen en onwettelijke methodes, van alle uitvluchten en verzinsels om binnen te raken in de vakbonden.’*** Als ik zo’n zin lees, denk ik niet meteen aan onze mooie, taaleigen uitdrukking ‘recht-door-zee’.
     Was Lenin ‘zeer, zeer intelligent’, zoals mevrouw Verpoest beweerde? Wie zal het zeggen? Toen de Russissche politiek in 1908 geblokkeerd leek, sloot Lenin zich negen maanden op in de academische bibliotheken van Genève en London om een boek te schrijven waarin hij de marxistische filosofie afwoog tegen de toenmalige stand van de wetenschap. Dat boek – Empirio-critisme en materialisme – zou, geloof ik, aan de meeste universiteiten aanvaard zijn als doctoraatsverhandeling, mits de promotor er de scheldwoorden en de overbodige herhalingen uithaalde. Een domme jongen was Lenin dus niet. Maar is een doctoraatsverhandeling altijd een bewijs van superieure intelligentie? Bertrand Russell heeft een uur met Lenin gepraat en vond hem heel gewoontjes. We moeten er niet aan denken wat Keynes zou hebben geconcludeerd na een uurtje Lenin.
     Wat Russell opviel was Lenins gebrek aan kennis (in verband met Engeland), zijn ontoereikend psychologisch voorstellingsvermogen, zijn bekrompenheid en zijn absolute geloof in de leer. Dat valt moeilijk te rijmen met de ‘open geest’ die door Schols werd gesuggereerd en door Verpoest werd overgenomen. Gelukkig werd die openheid toegelicht met voorbeelden.
     Hét grote voorbeeld van Lenins ‘openheid op maatschappelijk gebied’ was zijn steun aan de vrouwenbeweging. Daar kon Schols niet bij. Verantwoordelijk voor zes miljoen doden en tegelijk ook de ‘grondlegger van de vrouwenrechten’. Hoe kon dat nu? Daar kon Lenin toch zelf nooit opgekomen zijn, dacht Schols. Daar moest een vrouw achter zitten. Inessa Armand bijvoorbeeld, die misschien wel Lenins maîtresse was. De kijkers kregen een foto van Innessa te zien. Verpoest gaf toe dat Inessa er wel iets mee te maken had. Maar dat was niet het belangrijkste, zei ze. Lenin haalde zijn ideeën over vrouwenrechten, vrije liefde, wettelijke abortus en afschaffing van huishoudelijke taken uit ‘het marxisme en het leninisme dat hij zich eigen had gemaakt.’
     Dat Lenin zich het leninisme had eigen gemaakt, was een kleine verspreking van Verpoest. Dat gebeurt. Ik zou ook zenuwachtig zijn als ik over Lenin moest spreken in een studio. Maar dat Lenin zijn vrouwenrechten gehaald had bij Marx en Engels – en de Duitse sociaaldemocratie –, daar had Verpoest gelijk in. Sympathiek aan het vroege marxisme en socialisme was dat het allerlei in wezen liberale ideeën overnam en consequenter doorvoerde dan de liberalen zelf. De gelijkberechtiging van de vrouw was een van die ideeën. Het was een hoeksteen van de socialistische beweging. Lenin was in dat opzicht een brave, weinig originele socialist. We vergeten te snel dat Lenin zich amper drie jaar vóór 1917 had afgescheurd van de socialistische beweging.
     Hier hebben we meteen een reden om Lenins rol als grondlegger van de vrouwenrechten wat bij te stellen. Wat in het gesprekje tussen Schols en Verpoest namelijk ontbrak was duidelijkheid over de twee revoluties van 1917, die van februari en die van oktober. Het bleef onduidelijk wélk soort revolutie – of staatsgreep – Lenin in oktober had uitgevoerd. Kijkers met weinig achtergrond bleven wellicht met de idee zitten dat de oktoberrevolutie de tsarentroon omvergooide. Dat was natuurlijk niet het geval. De tsaar was al afgetreden na de revolutie van februari, toen Lenin nog in Zwitserland verbleef. Na het aftreden van de tsaar kwamen verschillende regeringen van conservatieven, liberalen en socialisten – met altijd maar meer socialisten.
     Lenin voerde zijn staatsgreep van oktober dus uit tegen een voornamelijk socialistische regering, een regering met mensjevieken en sociaal-revolutionairen die vrouwenrechten even hoog in hun agenda hadden ingeschreven als gelijk welke volgeling van Lenin. Zonder diens staatsgreep waren de vrouwenrechten in Rusland er ook gekomen. Daar zouden de mensjewieken en de sociaal-revolutionairen wel voor hebben gezorgd. Maar dan was er niet één grondlegger van die rechten geweest. En als verhaal is dat minder.


* Eyskens vond dat kleine werkkamertje ontroerend. Het was jammer dat Lenin zo overtuigd was van zijn eigen gelijk, vond Eyskens, want daardoor kon hij, Lenin, geen democraat zijn. Maar hij, Eyskens, had wel veel bewondering voor de moed van Lenin.
** Alle zes miljoen slachtoffers aan Lenin toeschrijven is onrechtvaardig. Ook zonder Lenins staatsgreep zouden duizenden zijn omgekomen in de revolutionaire storm die over Rusland waaide. In de burgeroorlog die op de staatsgreep volgde, waren de Polen en de Tsjechen, de Witten van Koltsjak, de kozakken van Kaledin, de anarchisten van Machno en vele anderen tot even grote wreedheden bereid als de Roden van Lenin. Ze kregen ook steun vanuit het buitenland, van Engeland, van de Verenigde Staten en van andere landen. Maar zelfs hevige tegenstanders van de buitenlandse interventie, zoals Bertrand Russel, legden de verantwoordelijkheid van de burgeroorlog bij Lenins roekeloze staatsgreep.

*** Vakbonden in democratische landen wel te verstaan. Zie: De linkse stroming – Kinderziekte van het communisme, hoofdstuk 7, voorlaatste alinea).


Dit stukje werd ook geplaatst op Doorbraak.