Posts tonen met het label Voltaire. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Voltaire. Alle posts tonen

maandag 28 oktober 2019

De rolkraag en het existentialisme

     Soms moet ik aan mijn leerlingen dingen uitleggen die ik zelf niet begrijp. Het existentialisme bijvoorbeeld. Toen ik zestien was probeerde ik een Aula-pocketje te lezen dat ‘Inleiding tot de existentiële fenomenologie’ heette. Ik begreep er niets van.  Existentie komt vóór essentie, zei Sartre. Wat kon hij dáármee bedoelen?*
     Ik zou om die reden in mijn lessen kunnen zwijgen over dat hele existentialisme. Of het alleen maar hebben over Parijs na de oorlog, la rive gauche, jazzmuziek, amfetamines, vrije liefde, Juliette Gréco, zwarte truien met rolkraag, filosofen die scheel kijken, en droevige liedjes als  Les feuilles mortes se ramassent à la pelle. Ik zou mij daar niet voor schamen. Maar mijn leerlingen moeten auteurs bespreken als Melville, Dostojevski, Conrad, Kafka, en dan moeten ze toch íets van het échte existentialisme kennen, want al die auteurs gaan door als de voorlopers ervan. Als ik erg mijn best doe, zou ik toch íets moeten kunnen uitleggen van, laat ons zeggen, ‘de zinloosheid van het leven’. 
    Ik probeer het dan langs de omweg van Nietzsche. In de 18de eeuw, zeg ik dan, kwam men – dat wil zeggen, een deel van de denkende elite – tot het besluit dat God niet bestond. De zogenaamde ‘filosofen’ – vriend en vijand noemden hen zo –hadden uitgevonden dat we na onze dood … jawel … dood waren.  Ze dachten daar verder niets bij. ‘Le monde va comme il va,’ zei Voltaire. Het was ‘business as usual’, ook zonder God. 
     Maar aan het einde van de 18de eeuw kwam de romantiek, en de mensen die daarbij betrokken waren namen de zaken persoonlijk. ‘Als God bestaat, dan wil ik zijn vriendje zijn,’ dacht de romanticus, of: ‘Als God bestaat, dan is het een grote schurk’. De twee mogelijkheden stonden open. Maar wat als God en het hiernamaals helemaal niet bestonden? Ja, wat dan? Dan had het allemaal geen zin, vond de romanticus. Wat voor zin heeft het met veel toewijding een zandtekening te maken, die onmiddellijk na voltooiing weer vernietigd wordt. En is het zo heel anders als die vernietiging pas veertig jaar later plaats vindt? Kun je je niet beter meteen ophangen in plaats van veertig jaar te wachten? 
     Daarmee hadden sommige romantici, wat mijn collega’s van Godsdienst noemen, de ‘zinsvraag’ gesteld. Robinson Crusoe op zijn eiland stelde zich die vraag niet. Hij stelde zich vragen als: Hoe zal ik mij beschermen tegen zon en regen? Waar zal ik morgen mijn voedsel vinden? Hoe gevaarlijk is het wezen dat hier een voetafdruk heeft achtergelaten? Al die vragen waren van belang voor zijn overleven. Maar dan was er die andere vraag die níet gesteld werd: waarom dat overleven zelf zo geweldig belangrijk was. Vroeg of laat moest Robinson toch dood, in zijn hut op het eiland of in zijn huis in Engeland. Wat maakten nu die tien, twintig of dertig jaar verschil? Maar dat was geen vraag voor een calvinist als Robinson. Het was geen vraag van 1719, maar eerder een vraag van vijftig jaar later.
     Zoals ik het uitleg, ligt de kiem van het existentialisme binnen de romantische beweging, meer bepaald bij jonge dwepers die de abstracte filosofie van Hume, Voltaire en Helvétius trouwhartig vertaalden naar hun gevoelsleven. En als het gevoelsleven erbij betrokken wordt, kunnen er ongelukken gebeuren.
     In december 1773 was in Parijs heel wat te doen rond een dubbele zelfmoord. Twee jonge soldaten, Bourdeaux en Humain, hadden zichzelf in een herberg in Saint-Denis een kogel door het hoofd gejaagd. Wat vooral indruk maakte was dat het hier niet ging om een ongelukkige liefde, of om speelschulden, of om een ondraaglijk pijnlijke ziekte. Bourdeaux had een brief achtergelaten waarin hij zijn zelfmoord en die van zijn vriend verklaarde. Daaruit bleek dat hij de ‘filosofen’ goed – of te goed – gelezen had. ‘Er is geen dringende reden die ons verplicht er een einde aan te maken, behalve het pijnlijke besef dat we één ogenblik moeten leven om daarna een eeuwigheid niet meer te bestaan … Het doek is voor ons gevallen, en we laten onze rollen graag over aan degenen die zwak genoeg zijn om nog enkele uren door te willen gaan.’ De sluwe redenen die de existentialistische filosofen later zouden verzinnen om een eindig en zinloos bestaan tóch verder te zetten, kende Bourdeaux niet. De arme soldaat was tweehonderd jaar te vroeg geboren.
     In zijn afscheidsbrief schreef Bourdeaux nog dat de wetenschap vrijelijk over zijn lichaam mocht beschikken.  Hij noemde dat lichaam ‘een bewegende vleesmassa’. ’t Is een treffende woordkeuze. Sartre zou in zijn filosofentaaltje misschien gesproken hebben van een ‘en-soi’, dat we zeker niet mogen verwarren met een ‘pour-soi’, maar ik vind dat dat ‘masse de chair mouvante’ beter de ‘walging’ uitdrukt waar de filosoof zelf zo de mond vol van had.
     Camus zei ooit dat zelfmoord het enige probleem van de filosofie was, waarmee hij zijn eigen min of meer existentialistische filosofie bedoelde. De zelfmoord van Bourdeaux en Humain in 1773 zou je in die zin een existentialistische zelfmoord kunnen noemen. De halsbedekking die toen in de mode was, had ook wel iets van een existentialistische rolkraag.
 


* Later las ik bij Schopenhauer: ‘Jede Existentia setzt eine Essentia vouraus. Dat begreep ik onmiddellijk.


zondag 11 augustus 2019

Autocorrect en Mme de Pompidou

Deze dame heet volgens mijn Kindle ‘Madame de Pompidou’
     Jaren geleden werkte ik als nederige klerk bij het advocatenkantoor Loeff Claeys Verbeke. Toen ik daar begon te werken heette het kantoor anders, en toen ik er stopte met werken ook, maar ik herinner mij het kantoor toch vooral als Loeff Claeys Verbeke. Als ik brieven typte, moest ik altijd opletten met die namen. De spellingcorrectie verving, zonder dat even te vragen, de naam ‘Verbeke’ door ‘Voerbak’. Sommige industriëlen van dit land hebben ongetwijfeld wel eens een brief ontvangen van het kantoor Loeff Claeys Voerbak.
      Ik krijg de laatste tijd weer te maken met die automatische spellingcorrectie, maar dit keer bevind ik mij ‘at the receiving end’. Dat komt zo. Ik lees af en toe in de briefwisseling van Mme du Deffand. Mijn Kindle-uitgave, waar ik € 7,95 voor heb betaald, is eigenlijk niets meer dan een gescande en omgezette versie van de uitgave van 1865. ‘Classée dans l’ordre chhonolouique’, staat er op het voorblad. Dat voorblad alleen al maakt duidelijk dat de tekst niet langs een echte corrector is gepasseerd en elke bladzijde bevat tientallen fouten. Na een twintigtal bladzijden begin je  enige systematiek in de fouten te ontdekken. Kleine ‘l’ apostrophe wordt meestal grote ‘Y’ en kleine ‘y’ wordt meestal ‘v’. Yan moet je dus lezen als l’an en il va moet je dus lezen als il y a, behalve als het hij gaat betekent. Je raakt eraan gewend.
      Bij eigennamen gaat de autocorrectie wilder tekeer. Als in een brief wordt gesproken over ziekte en genezing komt vaak een zekere ‘Gertrude’ ter sprake. Het heeft even geduurd voor ik erachter kwam dat hiermee dokter Antoine Mertrud bedoeld werd. Soms gaat het over een ‘princesse de Robe’. Je denkt even aan het fameuze onderscheid tussen de ‘noblesse de robe’ en de ‘noblesse d’épée’, maar dat heeft er niets mee te maken want wat later wordt de naam correct gespeld en blijkt het te gaan om ‘la princesse de Robecq’.
      Bekende namen kun je vaak raden. Menig lezer zal onmiddellijk weten wie bedoeld wordt met Madame de Pompidou. Soms helpt de context. Een zekere ‘Swing’ heeft een verhaal over een ton geschreven. Dat moet Swift zijn. De eerste drie keer dat je de naam ‘Malpolie’ tegenkomt, krab je in je haar, tot de voornaam Horace alles duidelijk maakt: Sir Horace Walpole*. Over die ‘Malpolie’ heeft de ‘historien démocratique Macula’ een venijnig stuk geschreven. Dat stuk ken ik en het is van Macaulay. Er wordt een anekdote verteld die ons door ‘Chambart’ is overgeleverd. Ook die anekdote herken ik; ze is van Chamfort. 
         Sommige verwarringen zijn vooral grappig als je ze uitspreekt. De minnaar en vriend van Madame Du Deffand heette Hénault, maar in mijn uitgave wordt dat ‘Hérault’, terwijl de man voor nogal laf doorging. Madame de Genlis wordt ‘Madame de Genepis’. Het loont de moeite om dat eens op zijn Nederlands uit te spreken.
     In alle vorige gevallen kun je je nog voorstellen hoe de spellingcorrectie te werk is gegaan. Maar soms zijn haar wegen ondoorgrondelijk. De brief van Deffand van 5 september 4760 bijvoorbeeld is gericht aan de ‘Marquis de Pavlov’. Dat 4760 moet 1760 zijn, dat is geen kunst, maar een ‘Marquis de Pavlov’? Het kan natuurlijk. Deffand interesseerde zich wel enigszins voor de Russische geschiedenis. Maar wacht. Die Pavlov zou ook de tragedie ‘Tancrède’ geschreven hebben. Wat zouden die Russen in 1760 tragedies schrijven die ‘Tancrède’ heetten? Zou die niet veeleer geschreven zijn door de beroemdste tragedieschrijver van die tijd, de  verlichtingsdenker François-Marie Arouet, wiens naam door hemzelf als ‘Voltaire’ gespeld werd, maar in mijn uitgave wel eens voorkomt als ‘Voiture’?
     Zo is dat. De grote schrijvers van de Franse verlichting zijn Rousseau, Diderot en Voiture. Die Pavlov heeft er niets mee te maken.

* Eén keer staat er in de tekst correct Walpole, maar dan is de voornaam Fouace geworden. Er is, geloof ik, ook slechte wil mee gemoeid.

donderdag 2 augustus 2018

De grijns van Voltaire en de neus van Locke*

     Twee dingen vooral wilde ik in Sint-Petersburg niet missen: het Winterpaleis, dat tijdens de ‘rode oktober’ van 1917 door de bolsjevieken was ‘bestormd’, en de Hermitage, dat één van de grootste kunstmusea ter wereld is. Ter plekke bleek dat het niet om twee dingen ging, maar om één, want de Hermitagecollectie is ondergebracht ín het Winterpaleis. Als je niet veel weet en je bereidt je reis slecht voor, rol je van de ene verbazing in de andere.
     Wat ik dan wel weer wist, is dat je in de Hermitage de beeltenissen vindt van twee grote Verlichtingsdenkers: een marmeren beeld van Voltaire en een portret van John Locke. Die werken werden besteld door Catharina II die zelf ook heel verlicht was, al heeft zij in haar rijk de lijfeigenschap niet afgeschaft, maar juist uitgebreid naar de gebieden waar ze nog niet bestond. Op de ene plaats in haar rijk wél lijfeigenen en op de andere plaats níet, dat vond Catharina slecht stroken met het methodische rationaliteit van de nieuwe tijden.
     Van het marmeren Voltairebeeld heeft Ruslandreiziger Joseph de Maistre (1753-1821) een beroemde beschrijving gegeven: ‘Ga het maar eens bekijken in het Hermitagepaleis. Bekijk dat afstotelijke gezicht dat nooit kleurde van schaamte, die twee uitgedoofde kraters waarin wellust en haat nog altijd lijken te koken. Die mond - ik spreek nu misschien kwaad, maar ’t is mijn schuld niet – die afschuwelijke grijns die loopt van het ene oor tot het andere, die lippen die opgespannen zijn door wrede boosaardigheid, als een veer die klaar is om zich te ontspannen en een sarcastische godslastering uit te stoten.’
     Ik heb de raad van Maistre gevolgd en heb het beeld eens goed bekeken. Het voorhoofd en de ogen vallen best mee vind ik, maar die lippen en dat lachje, daar is inderdaad iets mee. Mijn vader citeerde af en toe de verzen die Alfred de Musset had gericht tot de overleden wijsgeer:

     Dors-tu content, Voltaire, et ton hideux sourire -
     Voltige-t-il encore sur tes os décharnés ?

’t Is een halve alexandrijn die blijft hangen – ‘et ton hideux sourire’.
     Goed, dat hadden we dus gehad: grote trap van Rastrelli, Raphaël loggia, Rembrandt, Rubens, Greco, impressionisten, Van Gogh, vijf Kuise Suzannes van verschillende meesters, en ten slotte – het beeld van Voltaire. We konden ons nu wel naar de cafetaria begeven voor koffie met gebak en daarna naar het hotel, want van slenteren raak je uitgeput.
     Maar bij de koffie viel mij plots te binnen: ik had het portret van Locke gemist! Er volgde een gezinsconclaaf waarop werd beslist dat mijn vrouw in de cafetaria zou blijven vanwege haar slechte knie en dat Jan en ik op zoek zouden gaan naar het portret. ‘Ik ga met je mee,’ zei Jan, ‘ want met die gebrekkige hippocampus van jou, vind je je weg nooit terug.’
     Jan en ik hebben dus het museum met versnelde pas doorgelopen met een welomschreven doel voor ogen: het portret van Locke, en niets anders. En kijk, plots werd alles wat niet tot dat welomschreven doel behoorde veel interessanter. Daar, nóg een Kuise Suzanne. En God, wat is die Bacchus dik. Aha, de luitspeler van Caravaggio, die had ik zo-even niet gezien – mooi. En wat is dat nu? Een hele gang Vlaamse primitieven die we daarnet zijn voorbijgelopen? Hugo van de Goes, Rogier van der Weyden, Gerard David. En dat daar? Is dat nu Bosch of Breughel? Bosch, blijkbaar. En nog een Bosch – één van die schilderijen waardoor Lennaert Nijgh en Boudewijn de Groot zich lieten inspireren voor hun psychedelische liederen.**
     Uiteindelijk, na veel verdwalen, heen en weer lopen, twee of drie keer dezelfde zalen doorkruisen,  maar telkens andere stukken opmerken, vonden we het portret van Locke. Het beeldt een ernstige man af die niet naar, maar naast ons kijkt. Op zijn lippen valt niets aan te merken, maar zijn neus is abnormaal groot. Jan heeft een van mij genomen waarop ik poseer naast de grote empirist en kampioen van de vrijheid. 


*Mijn andere stukjes over Sint-Petersburg vind je 
hier1, hier2, hier3 en hier5.
** ‘Eva’, ‘Tuin der lusten’ en ‘Megaton’ op het album Picknick   

zondag 20 augustus 2017

Barcelona: terreurbestrijding en drogredenen

De Ramblas in Barcelona
     Enige tijd geleden schreef ik iets over moslimterreur. Een heel linkse vriend stuurde daarop een antwoord. Of we niet beter een voorbeeld namen aan de Spanjaarden die al sinds 2004 geen aanslagen meer hadden gehad? Dat kwam door hun verstandig beleid, zei hij. Wat dat verstandig beleid was, ben ik vergeten. Ik heb er ook toen niet veel aandacht aan besteed omdat ik dacht: de denkfout van de kleine getallen. Er zijn in Europa sinds 2004 ongeveer 42 islamistische aanslagen geweest en er zijn een 50-tal Europese landen. Het is onvermijdelijk dat er een aantal landen zijn waar géén aanslagen zijn, en enkele andere waar bovengemiddeld veel aanslagen zijn. ‘Bovengemiddeld’ is hier trouwens een verkeerd woord, omdat het  een hachelijke zaak is om bij zulke kleine getallen over gemiddeldes te spreken. En dan kijk je ook beter uit voor je allerlei oorzakelijke verbanden gaat leggen tussen beleid en aanslagen in één bepaald land.
     Toch had de uitspraak van mijn vriend ook iets leuks. Ze was namelijk, wat Popper noemt, falsifieerbaar. Ze is nu ook – helaas – gefalsifieerd door de aanslag op de Ramblas*. Zo’n falsificatie laat niet toe om oorzakelijke verbanden te bevestigen, maar wel om ze te weerleggen. Peter Mijlemans doet dat in Het Nieuwsblad van verleden zaterdag. ‘De aanslagen zijn geen wraak op landen die de IS bombarderen,’ schrijf hij. ‘Spanje zit niet in de coalitie.’ Dat lijkt mij een zuivere redenering, ook al komt ze van Mijlemans. Maar omdàt ze van Mijlemans komt, heb ik ze voor de zekerheid nog eens nagerekend.

·         Als IS een aanslag pleegt in een niet-bombarderend land, is het niet uit wraak om die bombardementen.
·         IS pleegt een aanslag in een niet-bombarderend land.
·         Dus die aanslag was niet uit wraak om die bombardementen.  

Modus ponens! Als P dan Q, P dus Q of, wiskundiger: P Q, P Q. Een correcte bevestiging van de antecedens! De redenering geldt als correct sinds de Griekse stoici en in elk geval minstens sinds Gotlob Frege de propositielogica uitvond. En ook zonder de Grieken en zonder Frege was Mijlemans stelling juist geweest, want dat die IS-aanslagen niet gebeuren uit wraak om die bombardementen, dat weet iedereen die het wil weten. En die weet ook waarom ze wel gebeuren.
     Na die succesvolle modus ponens gaat Mijlemans overmoedig verder. Hij meent nu dat de aanslagen ook bewijzen dat meer antiterreurmaatregelen geen zin hebben. ‘Wie pleit voor nog meer betonblokken, nog meer para’s, heeft na Barcelona weinig verweer. Na de aanslagen in Madrid … bouwde Spanje een veiligheidsnetwerk uit waar elk Europees land jaloers op is. Het kon deze slachtpartij niet voorkomen … Op een gegeven ogenblik zijn er nooit genoeg betonblokken en zwaarbewapende agenten en para’s om jongelui volgetankt met haat te stoppen.’
     Hier worden een aantal beweringen gedaan die in syllogistische vorm eigenaardig zouden klinken.

·         Onze terreurbeveiliging is ontoereikend
·         Alles wat ontoereikend is moet niet worden verbeterd.
·         Onze terreurbeveiliging moet niet worden verbeterd.

     Moet die tweede premisse hier niet juist omgekeerd zijn? Is het niet datgene wat toereikend is dat niet moet worden verbeterd? Mijlemans zou kunnen antwoorden dat terreurbeveiliging meer is dan alleen para’s en betonblokken. Ik ben wel zeker dat hij inderdaad zoiets zou antwoorden. Maar als hij even nadenkt zal hij ook wel inzien dat door in de eerste premisse ‘terreurbeveiliging’ anders in te vullen, daarmee het probleem van zijn tweede premisse niet opgelost raakt.
     De denkfout van Mijlemans wordt wel eens de Nirvana fallacy genoemd – de overtuiging dat alleen het ideaal goed genoeg is.  Als het ideaal dan toch niet bereikbaar is, zeggen de Nirvana-mensen, dan hoeft het gerommel in de marge ook niet.** Althans, dat zeggen ze soms. Je zult merken dat de meeste van die lui niet altijd aan hun Nirvana gehecht zijn. Zou Mijlemans op dezelfde manier redeneren over de verkeersveiligheid als over de para’s en de betonblokken? Zou hij ooit schrijven: ‘Wie pleit voor verdere verkeersveiligheid heeft weinig verweer. Zelfs met strenge snelheidsbeperkingen en heraanleg van alle risicowegen, zullen er nog altijd verkeersdoden vallen.’ Ik denk niet dat hij ooit zoiets zou schrijven. Ook in het Nirvana hou je het beter politiek-correct.
     Het is merkwaardig dat Mijlemans juist de aanslagen in Catalonië gebruikt voor zijn rare stelling. De aanslag van donderdag in Barcelona werd inderdaad niet verhinderd, maar dat kwam geloof ik niet omdat er te veel politie aanwezig was, of omdat er te veel betonblokken op de straat lagen. Het kwam, geloof ik omdat er te weinig politie aanwezig was en omdat er geen betonblokken op de straat lagen? Omgekeerd werd de aanslag van vrijdag in Cambrils wel verhinderd omdat er wel politieagenten waren en omdat die politieagenten de terreurzaaiers klemreden en doodschoten. Het heeft met logica weinig te maken – want voorbeelden bewijzen niets – maar Mijlemans zou zijn voorbeelden toch beter kunnen kiezen.
     Toegegeven: ook al zijn de argumenten van Mijlemans fout, zijn conclusie kan nog juist zijn.*** Misschien moeten er inderdaad niet verder middelen gestoken worden in politie, para’s en betonblokken. Misschien zijn andere werkwijzen doelmatiger. Maar als dat zo is, moet dat blijken uit een nauwkeurige studie van de feiten en een afweging van de voors en de tegens. Wat werkt, wat werkt niet, wat werkt goed, wat werkt beter. En ook: wat zijn de keerzijden van die of die werkwijze? Wat zijn de de trade-offs?
     Jammer genoeg wordt de discussie over de doelmatigheid vergiftigd door het wensdenken waar we allemaal zo gemakkelijk het slachtoffer van zijn.  Er is een heel areaal van mogelijke antiterreurmaatregelen die werken of niet werken: meer straathoekwerkers, betere opleiding van de imams, controle op het islamonderwijs en op de moskeeën, meer afluisterapparatuur voor de politie zoals in The Wire, meer politiebeveiliging op straat, breder mandaat voor de para’s, ethnic profiling, afspeuren van het ‘deep web’, inschakelen van infiltranten en tipgevers, landsgrenzen sluiten, wettelijk verbod op jihadistische propaganda, preventieve opsluiting van geradicaliseerde islamisten, ondervraging met marteling …
     Niet elke maatregel hierboven is ethisch verdedigbaar. Ook kunnen sommige maatregelen op korte of lange termijn een bedreiging vormen voor de vrijheid van iedereen. Als je wat mystiek bent aangelegd, of lid van het CD&V, kun je je zorgen maken over welke schade een antiterreurbeleid toebrengt aan het ‘maatschappelijk vertrouwen’ en de ‘duurzame samenleving’ en ‘het sociale weefsel’. Maar die discussies over ethiek en vrijheid en vertrouwen en duurzaamheid moeten om redenen van intellectuele eerlijkheid worden losgekoppeld van de doelmatigheidsvraag.
     Neem dat martelen van terreurzaaiers. Obama was er tegen en ik ben er niet voor. Maar elke keer als ik hem of iemand anders op televisie hoorde beweren: ‘torture doesn’t work’, of ‘torture makes people confess to anything’, nog eens versterkt met het gezagsargument ‘the science is clear on that’ – elke keer dacht ik bij mijzelf: wat hebben die bekentenissen er mee te maken? Jij, Obama, gelooft niet dat martelen nuttige inlichtingen oplevert omdat je dat niet graag gelooft. Want als blijkt dat bepaalde martelingen wél helpen om inlichtingen te verzamelen, dan zul je de CIA heel moeilijk kunnen tegenhouden. En dàt gevolg aanvaard je niet graag. Zoals, geloof ik, Mijlemans die para’s en de betonblokken niet graag aanvaardt.****
     Van Eemeren en Grootendorst – mooie naam, Grootendorst – brengen die vorm van wensdenken onder bij het argumentum ad consequentiam. Je vervalt daarin als je ‘uitspraken van feitelijke aard probeert te ontkrachten door te betogen dat ze onwelgevallige consequenties met zich meebrengen.’ Terecht voegen de argumentatietheoretici daar nog aan toe: ‘Een feitelijke uitspraak is waar of onwaar, en dat staat los van de eventuele onprettige gevolgen die eraan verbonden zijn.’


* Ik zie het mijn vriend nog niet doen, maar eigenlijk zou hij nu kunnen zeggen: ‘Catalonië is het echte Spanje niet.’ Voor die drogreden heeft Antony Flew een naam bedacht: de No-true-Scotsman move.

** Le mieux est l’ennemi du bien, schreef Voltaire.

*** Wie gelooft dat een foutieve redenering vanzelf uitloopt op een foutieve conclusie begaat de fallacy fallacy.

**** Hier zou je kunnen spreken van een intentieproces van mijnentwege.

zaterdag 9 juli 2016

Ik zou nooit het woord ‘geitenneuker’ gebruiken, behalve ...*

     Napoleon Bonaparte (1769-1821) was zijn leven lang een bezig baasje geweest die amper de tijd nam om fatsoenlijk te eten – meestal een stukje kip met een glaasje wijn. Maar na de rampspoed in Rusland, het drama van Leipzig en de catastrofe van Waterloo kwam er een einde aan de drukte. Op het eiland Sint-Helena, waar hij met enkele vrienden naartoe verbannen was, had de man van de daad niets meer om handen, en dat was erger dan het bekrompen onderkomen, het ongezonde klimaat en de vernederende bewaking door Engelse soldaten.
     Het moeilijkste waren de avonden. Napoleon hield niet van kaartspel of van drinkgelagen, en de televisie was nog niet uitgevonden. Wat hij wél graag deed was aan zijn vrienden toneelstukken voorlezen van Corneille, Racine en Voltaire. Hij deed dat met krachtige stem en na elk stuk kreeg je er ook gratis een bespreking bij. ‘Corneille beschrijft de mensen zoals ze moeten zijn en Racine beschrijft ze zoals ze werkelijk zijn’. ‘Voltaire is oppervlakkig en geeft het karakter van zijn personages niet juist weer.’  Napoleons vriend en biograaf Las Cases (1766-1842) – spreek uit laskaz – vond die oordelen diepzinnig en oorspronkelijk.
    Ook werden op die avonden leerrijke anekdotes uitgewisseld. Napoleon vertelde het verhaal van Lodewijk de Vijftiende die de gewoonte had om aan een van zijn hovelingen altijd maar dezelfde vraag te stellen: ‘Meneer huppeldepup, hoeveel kinderen hebt u?’ De man antwoordde telkens: ‘Vier, Sire’. Dat gebeurde soms verschillende keren per dag. Zekere keer had de hoveling er genoeg van en toen de koning weer eens vroeg hoeveel kinderen hij had, antwoordde hij: ‘Sire, zes’. ‘Dat had de koning niet verwacht. ‘U had de vorige keer toch “vier” gezegd had.’ ‘Tja,’ antwoordde de ander, ‘ik dacht dat u graag eens wat anders wilde horen als afwisseling.’ Voor Napoleon liet het verhaal  zien dat Fransen gemakkelijk vervallen van vleierij in onbeschaamdheid. Wij onthouden vooral dat je zelfs een absolute monarch kunt beledigen als je die belediging maar subtiel genoeg inkleedt.
     Een van de vrienden van Napoleon vertelde een vergelijkbare, maar toch ook heel verschillende geschiedenis over een Engelse burger. Die burger was om een of andere reden boos op de prins-regent. Hij hoorde dat de prins een mondaine bijeenkomst zou bezoeken, ging er naartoe en stelde zich  op naast de gastvrouw. Onmiddellijk nadat de prins de gastvrouw had begroet, richtte de burger zich tot de gastvrouw en vroeg zo luid mogelijk: ‘Wie is die dikke vriend van jou?’ (Who is your fat friend?) De dame werd rood  van schaamte en fluisterde: ‘Zie je dan niet dat het de prins is?’ Waarop de burger, nog luider dan eerst: ‘Hoezo de prins? … Eerlijk gezegd, hij is zo vet geworden als een varken.’ (How, the prince? … But upon my word, he’s  grown as fat as a pig).
     Napoleon en zijn vrienden hebben nog een poosje geredetwist over de het verschil tussen de twee beledigingen. Wij onthouden vooral dat er in een vrije maatschappij – zoals de constitutionele monarchie er een is – geen verplichting bestaat om een belediging aan de machthebbers subtiel in te kleden. Degene die de belediging uitspreekt heeft niets te vrezen. Het grof beledigen van machthebbers is er een recht. 

* ... als voorbeeld om een algemeen beginsel te verduidelijken.