Posts tonen met het label CD&V. Alle posts tonen
Posts tonen met het label CD&V. Alle posts tonen

woensdag 12 januari 2022

Vaccinatieverplichting 'rears its ugly head'

** Het was eventjes schrikken vanmorgen toen ik de kop zag op de één van Het Nieuwsblad. (Zie hierboven)

** Zoals ik een stukje tegen het Hoeyberghs-vonnis begin met een rituele maar gemeende veroordeling van de man, begin ik een stukje tegen vaccinatieverplichting met een ferme én gemeende verdediging van de vaccins. Ikzelf ben drie keer gevaccineerd, en ik zal niet aarzelen om vrijwillig een vierde vaccin te laten inspuiten als dat er komt. Ik ben wel niet enthousiast voor vaccinatie van jonge kinderen.

** De Croo kondigde aan dat hij voor de vaccinverplichting rekening zou houden met het wetenschappelijk advies. Welke wetenschap vroeg ik mij af? Het blijkt de wetenschap van de motivatiepsychologie te zijn, zoals bedreven door de expertengroep ‘Psychologie & Corona’. Ik wil niet graag als anti-wetenschap te boek staan, maarrreuh …

** Ik heb het arsenaal van argumenten gelezen in Het Nieuwsblad. Het lijkt op het debat over de gascentrales: alle argumenten komen aan bod, behalve dat van de CO2-uitstoot. Bij de vaccinverplichting: alle argumenten komen aan bod behalve dat van de effectiviteit van de maatregel. Alleen Liesbeth Van Impe besteedt er één zinnetje aan: ‘De vaccinatiegraad is al hoog, een verplichting zal daar niet veel aan toevoegen.’ 

** De voornaamste rechtvaardiging van de psychologen is dat de resterende niet-gevaccineerden onmogelijk nog met redelijke argumenten te overhalen zijn. Dat is zeker waar en dat wist ik ook zonder de wetenschappelijke psychologie. Hopelijk zal dat argument over de ontoereikendheid van redelijke argumenten niet al te vaak gebruikt worden in de toekomst. Ik heb het indertijd niet gehoord tijdens de discussie over de autogordel. Toen had men het fatsoen om de effectiviteit van de maatregel centraal te stellen. 

** Van Impe en anderen raden aan om een breed parlementair debat te houden over de kwestie. Ja, waarom niet? Het zou mij trouwens verwonderen als de regering die kans niet zou aangrijpen. Het is een debat met een grote symboolwaarde dat ze niet kan verliezen. Buiten het parlement is er een publieke opinie die met een ruime meerderheid de verplichting steunt. Geen enkele brede partij kan zich permitteren om principieel tegen de verplichting in te gaan, zelfs als ze dat eigenlijk zou willen.

** Mij stoort ook het tijdstip waarop de discussie start, namelijk tijdends de staart van de pandemie. Natuurlijk zouden vaccins een wereld van verschil gemaakt hebben tijdens de eerste twee golven. Toen waren er ‘7800 levens’ die hadden kunnen worden gered, iets waar CD&V zo graag over spreekt. Maar de vaccins waren op dat moment nog niet beschikbaar. Als ze er wel waren geweest, dan had men de meeste van die 7800 mensenlevens ook kunnen redden met vrijwillige vaccinatie.

** De timing van de discussie voedt het vermoeden dat het ‘niet om de gezondheid’ gaat, maar ‘om een verborgen agenda’. Zelf geloof ik niet in een samenzwering. Ik geloof niet dat De Croo tegen Vandenbroucke zegt: ‘Hoe kunnen we ons het best voorbereiden op de komende sociaal-economische conflicten’, waarop die laatste antwoord: ‘We gaan er de volgzaamheid tegenover de autoriteiten eens goed inrammen met de verplichte vaccinatie.’

** Waar ik wel in geloof, dat zijn politieke spelletjes. Een regeringsleider die zich afvraagt: ‘Hoe kan ik mij gemakkelijk populair maken?’ Of: ‘Hoe kan ik de oppositie tot een debat verleiden dat ze niet kan winnen.’ 

** Waar ik ook in geloof, dat zijn politici voor wie het een tweede natuur is om de burgers te manipuleren, te controleren en te regimenteren, dat alles natuurlijk-uiteraard-vanzelfsprekend in het belang van die burgers zelf.

** Elchardus heeft in Reset geschreven over een mogelijk conflict tussen democratische meerderheden en mensenrechten. Er is geen probleem zolang een democratische meerderheid zich achter een bepaald mensenrecht schaart. Het recht op lichamelijke integriteit is echter een mensenrecht waar blijkbaar geen democratische meerderheid voor bestaat. 

** Veel mensen hanteren een nogal primaire redenering. ‘Als ik een vaccin laat inspuiten,’ zeggen ze tegen zichzelf, ‘waarom mag een ander dat dan weigeren? Is die misschien beter dan ik? Waarom moet die niet solidair zijn met mij?’ 

** Dat aan die primaire redenering wordt toegegeven, vind ik trouwens het kwalijkste aan het hele debat. Want als ik de voorstellen van de partijen overloop, zie ik geen échte verplichting aan de horizon. CD&V wil een boete voor vaccinweigeraars, Rousseau wil een uitsluiting van bepaalde activiteiten, en Open Vld wil een gevaccineerdenpasje, wat op hetzelfde neerkomt. Dat is nog iets anders dan verplicht in de armen te gaan spuiten.

** Dat men die maatregelen echter voorstelt als een ‘verplichting’, legt de drempel lager om in de toekomst andere echte verplichtingen op te leggen, zonder de effectiviteit van die verplichting te motiveren, maar door alleen de juiste buzz-woorden te gebruiken. 

** De argumentatie van Conner Rousseau in Het Nieuwsblad heeft een onwaarschijnlijk hoog passe-partoutgehalte. Ik geef het hier letterlijk weer. ‘De vaccinatie-verplichting is het belangrijkste wapen voor onze collectieve vrijheid en tegen het vergroten van ongelijkheid.’ Laat het woord ‘vaccinatie’ weg en je krijgt ‘de verplichting is het belangrijkste wapen voor onze collectieve vrijheid’, een slagzin die vaag doet denken aan ‘freedom is slavery and slavery is freedom’ van 1984

zaterdag 8 mei 2021

Pedagogische tik*


      Theo Francken heeft zich weer in de actualiteit geblogd met zijn reactie op een CD&V-wetsvoorstel om kinderen een ‘geweldloze opvoeding’ te garanderen ‘zonder toepassing van enig geestelijk of lichamelijk geweld of andere vormen van … vernederende behandelingen of straffen.’ Theo schreef: ‘Ik heb flink wat pedagogische tikken en oortrekken gehad, en vaak meer dan terecht. Er is alvast niets van blijven hangen. En laat me duidelijk zijn, ik keur geweld op minderjarigen ondubbelzinnig af. Maar een pedagogische tik gelijk stellen aan kindermishandeling?!’
     Er is enige discussie of het wetsvoorstel van CD&V wel over de pedagogische tik gaat. Indiener Franky Demon vindt van wel, en indiener Koen Geens vindt van niet. Valerie van Peel kwam in Ter zake uitleggen wat het échte N-VA standpunt was (zie hier). Ze was goed op dreef en ik kon akkoord gaan met ongeveer alles wat ze zei**. En ook Theo zal wel gelijk hebben wanneer hij zegt dat hij als kind flink wat aan zijn oor werd getrokken en dat dat vaak meer dan terecht was. Hij ziet er niet uit als het braafste jongetje van de klas.
     Je zou de reactie van Theo zowel populistisch als conservatief kunnen noemen, twee kwalificaties waar ik weinig problemen mee heb. Populistisch omdat de kinderen in volkse milieus, geloof ik, vaker klappen kregen dan die in de hogere milieus***. De vader van Carl Jozef von Trotta in de Radetzkymars is onmenselijk streng, maar hij sláát zijn zoon niet, zoals de boeren dat doen in De Witte of in Doctor Vlimmen. Als kind in een middenstandsgezin heb ik misschien drie keer een klap gekregen van mijn ouders. Maar ik kende verhalen! ‘Sate’ bijvoorbeeld, een arbeider van enkele huizen verder, die kwam niet eens van zijn stoel als hij een van zijn kinderen wou slaan. Hij gooide zijn pet naar dat kind, dat die pet moest terugbrengen en dan meteen een hengst voor zijn kop kreeg waar het woord ‘pedagogische tik’ geen recht aan doet. Zou dat verschil tussen volkse en hogere milieus nog altijd bestaan?
     Misschien is de reactie van Theo ook populistisch in een andere betekenis. Je zou kunnen vermoeden dat nogal wat mensen zulke uitspraken graag horen. Mensen van mijn generatie, of zelfs van de generatie van Theo, die in hun jeugd wel eens een tik kregen en die niet willen dat hun ouders nu met terugwerkende kracht impliciet als halve misdadigers worden weggezet****. En mensen van die generaties die zelf wel eens een tik hebben gegeven, en die niet bereid zijn om zich daarvoor als zondaars in het stof te wentelen en op te biechten dat ze ‘fout waren’ of dat ze ‘uit onmacht hebben gehandeld’.
     Dan conservatief. Het lijdt geen twijfel dat het aantal pedagogische tikken al honderd jaar flink aan het dalen is in álle milieus.  De richting van de geschiedenis is duidelijk. Geweldloosheid is de goede kant van de geschiedenis, de rechterkant van de tijdlijn, de stralende toekomst. Maar conservatieven hebben het wat moeilijk met die goede kant. Zij zijn er bijvoorbeeld niet van overtuigd dat de richting van het moment ook altíjd de juiste richting is. Misschien is het ogenblik aangebroken om even stil te staan of zelfs even de tegenovergestelde richting te nemen. In de jaren 60 dacht men dat de opvoeding niet antiautoritair genoeg kon zijn. Je moest niets opleggen. Je moest luisteren naar je kind. Het spontane gedrag niet veranderen, maar begrijpen. Je hoort zoiets nog altijd, maar toch minder vaak dan vroeger. De unanimiteit over de ‘goede kant’ is hier weg. Er is een stap terug gezet.
     Die antiautoritaire opvatting kwam ik onlangs toch weer eens tegen in een reeks dubbelinterviews in Het Nieuwsblad van 24 april: ‘Wokers en hun ouders.’ Drie blagen van 17 tot 19 met de wijsheid in pacht mochten vertellen wat ze vinden van Zwarte Piet, de flietchinees, het klimaat, veganisme, seksisme, transfobie, en Indiaantje spelen. De brave moeders hoorden dat allemaal bewonderend, leergierig en een beetje verschrikt aan. Ja, eigenlijk hadden hun kinderen gelijk, maar zelf stonden ze nog niet zo ver. Als ze hun best deden en bleven communiceren, kwam het wel goed. Mijn eigen ouders waren nogal begripvol, maar gelukkig is díe vorm van begrip mij bespaard gebleven.
     Nu is antiautoritair en geweldloos niet hetzelfde, zul je zeggen. De richting naar geweldloosheid, dat is dan toch in elk geval de goede richting?  Ja, dat geloof ik ook, maar dan als scepticus, die veel gelooft en weinig zeker weet. Zo heb ik niet meteen een antwoord op het onderzoek Marjorie Gunnoe die 2600 mensen onderzocht heeft, waarvan een kwart als kind nooit een klap kreeg, en de rest wel. Bij kinderen die tot hun zesde af en toe een klap kregen, werden op latere leeftijd betere academische prestaties vastgesteld en geen negatieve gevolgen. Kinderen die tot hun elfde af en toe een klap kregen, hadden later ook betere academische prestaties maar waren tegelijk meer betrokken bij vechtpartijen. En bij kinderen die na hun elfde klappen bleven krijgen, werden alleen negatieve resultaten vastgesteld.
     Daar komt nog de vraag bij wat de ‘alternatieven’ zijn voor de pedagogische tik. Een goed gesprek? Een preek? Een vader-is-niet-boos-vader-is-verdrietig-gezicht? Een uur geen Wifi? En mag het kind kiezen tussen een klap en een uur geen Wifi? Ik lees in het wetsvoorstel van CD&V dat straffen niet vernederend mogen zijn. Dat is erg moeilijk hoor. H.L. Mencken hield in 1928 een vurig pleidooi voor het behoud van lijfstraffen in het onderwijs. Hij vond het de enige straf waarbij zowel de bestraffer als de bestrafte zijn waardigheid behield. En in de min of meer onpersoonlijke context van het onderwijs van die tijd had hij misschien gelijk.
    In de Ter Zake-uitzending met Van Peel werd gezegd dat minstens de term ‘pedagogische tik’ verkeerd was, omdat er aan die tik weinig pedagogisch was, en dat die vaak niet eens pedagogisch bedoeld was. Ouders slaan, zo luidt de redenering,  om ‘hun frustratie af te reageren’. Of dat laatste waar is, weet ik niet, maar ik hoop het in elk geval. Niets lijkt mij erger dan ouders die hun tikken verstandelijk overwegen en plannen. Er bestaat een mooi verhaal van John Collier over een tandarts die zijn zoontje op een rationele manier wil opvoeden en bij verzet een pak slaag aankondigt dat hij enkele uren later pas toedient. Het verhaal heet Thus I refute Beelzy en heeft een zeer bevredigend einde dat ik hier niet zal verklappen. Nee, als ouders slaan, moet er persoonlijke boosheid mee gemoeid zijn.
     Maar boosheid en instinctieve pedagogie sluiten elkaar niet uit. Ik ga mijn vrouw niet slaan als ik boos ben, want daar is geen pedagogische context – en ze zou terugslaan. Jan heb ik bij drie verschillende gelegenheden een  klap gegeven*****. Slechts in één geval herinner ik mij de aanleiding, een brutale uitspraak, maar in alle gevallen herinner ik mij de emotionele context. Hij had iets gedaan of gezegd dat echt slecht was, en toen ik hem in mijn boosheid een klap gaf, heeft hij heel heftig geweend. Ik heb altijd gedacht dat hij niet weende om de klap, maar minstens gedeeltelijk om de spijt dat hij voelde. Hij moet geweten hebben dat hij iets slechts gedaan of gezegd had en de klap zorgde ervoor dat de spijt om het zo maar eens te zeggen ‘vrij kwam’. Zo kwam het bij mij over. De klap bracht orde aan in de chaos van het geweten. Ikzelf had geen spijt. Ik heb hem getroost. We doen en zeggen immers allemaal wel eens iets dat echt slecht is.
 

*Ik kreeg op dit stukje volgende interessante reactie van Michel Berger: ‘Een tik is niet het probleem. Het is het eventuele machtsmisbruik - let wel: misbruik, niet gebruik - dat erbij komt. En dat kan evenzeer aanwezig zijn in opvoeding zonder tikken. Er zijn ouders die zelfs zonder een woordenstroom hun kinderen vernederen met blikken of door hen geen blik waardig te keuren in hun noden. Die hen uitlachen, die hen niet ernstig nemen enz., ouders die hun ambities aan de kinderen opdringen, die de natuurlijke interesses van hun kinderen fnuiken omdat het zaken zijn die hen niet interesseren enz. Daarnaast zijn er ouders genoeg die zelf de eigen kindertrauma's niet verwerkt hebben en ze doorgeven aan de kinderen, zelfs met de beste bedoelingen. En wat met de psychologische terreur van uw kinderen aan hun lot over te laten, het lot van vele kinderen die nooit een lap krijgen en die om een lap zouden smeken als blijk van tenminste enige aandacht? Een groep kinderen die vaak te vinden is bij ouders met hoge functies waardoor ze nooit thuis zijn, terwijl ze dat compenseren door de kinderen te verwennen met materieel comfort. Al dergelijke psychische terreur of mismeestering of verwaarlozing is erger dan een tik bij een ongezeggelijk kind door een ouder die wél zichzelf en z'n kind kent. In ieder geval: de staat heeft zich er niet te mee te moeien omdat ze zich daar niet mee kan moeien wegens de enorme complexiteit ervan. Het is gemakkelijk wetten te maken met grootse doelstellingen. Maar … ik weet niet hoeveel beperkingen en sociale en juridische controle gaan opleggen aan ouders die met vallen en opstaan wél met hun kinderen inzitten ... mij lijkt het een teken van een zieke en bemoeizieke overheid.

** Van Peel vond dat het wetboek niet te veel met symbolische artikels moet bevatten. Dat vind ik ook. Elk kind heeft recht heeft op liefde, warmte, genegenheid, een verse onderbroek en een evenwichtige voeding, maar ik wil dat ook niet in het Burgerlijk Wetboek. Ook vond ze dat de indruk moest worden vermeden dat de staat zich zou mengen met de thuisopvoeding. I second the motion. Uit alles wat ze verder zei, kreeg ik de indruk dat ze niet al te dwars zal liggen over het CD&V-voorstel. Dat zou ik ook niet doen.

*** Uiteraard met heel veel uitzonderingen in de twee milieus.

**** ‘Als misdadiger worden weggezet …’ is figuurlijk want het wetsvoorstel van CD&V betreft het Burgerlijk Wetboek en niet het Strafwetboek.

***** Ik heb Jan wel vaak gebeten. Als hij in mijn duim beet, beet ik gelijktijdig terug in zijn duim. Als hij harder beet, beet ik ook harder. Als hij losliet, liet ik los.

 

zaterdag 1 februari 2020

Mark en de broodjeaapverhalen

     Vanmorgen was ik te lui om voor bij het ontbijt – havermout met yoghurt, banaan en peer – de krant uit de brievenbus te halen. Op tafel lag een nummer van Brandpunt, het tijdschrift van de christelijke onderwijsvakbond waar ik lid van ben. Je moet daar niet mee lachen, lieve lezer, want mijn vrouw ontvangt wekelijks De Nieuwe Werker, het blad van de rode vakbond. Dat is nog wat anders!
     Ik bladerde vanmorgen dus bij mijn havermout, yoghurt, banaan en peer wat in dat Brandpuntnummer. Op de laatste bladzijde stond een column van Mark Van de Voorde. Ha, dacht ik, daar is Mark. De titel van de column luidde: ‘Een broodjeaapverhaal en de vraag naar de waarheid’ Ha, dacht ik weer, dat gaat over Jambon; dat wil ik wel eens lezen. De kwestie interesseert mij*, en Mark kan wel ik aan.
     Ik had gelijk. Het begin en het einde van het artikel gingen over Jambon en het middenstuk eigenlijk ook, maar daar kwam eveneens Karl Popper ter sprake, en Pontius Pilatus, Dmitri Mendeljev en Edgar Morin. Mark citeert uit de losse pols een uitspraak van Popper en illustreert die uitspraak daarna met een voorbeeld. Dat voorbeeld laat vermoeden dat hij Popper anders begrepen heeft dan de meeste lezers Popper begrijpen. Popper zou gezegd hebben dat ‘feiten gebaseerd zijn op redeneringen’ en Mark geeft als voorbeeld dat het armoedepercentage van de bevolking (feit) afhangt van het inkomen dat men hanteert als armoedegrens (redenering). Met een andere definitie van de minimale inkomensgrens zou er dus meer of minder armoede zijn.  Nou ja, die definitie van de armoedegrens, dat is goed gevonden, maar als voorbeeld heeft het bitter weinig met Popper te maken. Popper heeft vaak het tegenovergestelde betoogd: dat definities niet helpen om de waarheid te achterhalen.**
     Nu, misschien heeft Mark dat voorbeeld niet bedoeld als illustratie van Poppers waarheidsleer. In een column  mag je wat van de hak op de tak springen, van Popper naar de armoedegrens, en dan weer naar Popper. Zelf doe ik dat  te weinig. En uiteindelijk schrijft Mark ‘voor de eigen achterban’ en dan moet niet alles ‘wetenschappelijk correct’ zijn, zoals Wilfried Vandaele het wat ongelukkig verwoordde toen hij Jambon te hulp wilde schieten. Zelf zou ik het zo zeggen: je moet niet preciezer willen zijn dan de context vereist.***
     In het middenstuk van zijn column doet Mark een stevige uitspraak: ‘Over dat broodjeaapverhaal van Jambon bestaat geen twijfel: dat was verzonnen, een leugen, fictie, onwaar, niet correct.’ Denkt Mark dat je door een stelling vijf keer te herhalen haar waarheidsgehalte verhoogt? Dat is een misvatting. Of denkt hij dat het een leuke stijlfiguur is om vlak na elkaar vijf keer hetzelfde te zeggen met ongeveer synonieme woorden. In dat geval heeft hij gelijk. Wat mij hier echter interesseert, is iets anders. Mark schijnt te denken dat ‘broodjeaapverhaal’ en ‘leugen’ ongeveer synoniemen zijn. Dat is niet zo. Een leugen berust op een opzettelijke verdraaiing van de feiten. Je zegt iets dat waarvan je weet dat het niet waar is. Bij een broodjeaapverhaal is dat anders. Daar vertel je een sterk verhaal verder dat je van iemand gehoord hebt, en dat je zelf gelooft.
     Ik heb jarenlang het verhaal verteld van wat in de straat van P.M. gebeurd was. Toen de bewoners van zeker huis in die straat al enkele dagen niet meer gezien waren, al stond hun auto voor de deur, werden de politie en de brandweer erbij gehaald. De deur werd opengebroken, men hoorde geroep vanuit de slaapkamer en daar trof men de vrouw des huizes aan, helemaal naakt en vastgebonden aan de spijlen van het bed. Haar man zat met een gebroken been in de kleerkast geklemd. Hij had zich – in het kader van een rollenspel – als Zorro verkleed, was op de kast geklommen, door de afdekplaat gezakt en kon zich daarna niet meer uit de kast bevrijden.
    Ik had geen reden om aan het verhaal te twijfelen. Ik had het gehoord van T.C, een vriend van P.M. Het bevatte geen fysieke onmogelijkheden, telepathie of andere hocus-pocus. Seksueel rollenspel met vastbinden en verkleedpartijen komt naar het schijnt in de beste families voor. Pas toen ik les begon te geven over broodjeaapverhalen, in het vierde middelbaar, begon het mij te dagen dat ik erin was getuind. Ik had me laten vangen aan die achteraf bekeken erg onwaarschijnlijke historie. Ik was al die jaren daarom nog geen leugenaar geweest, net zomin als Jambon een leugenaar was toen hij verder vertelde wat hij tijdens de regeringsonderhandelingen had gehoord – naar het schijnt van een CD&V’er – namelijk dat een asielgezin een zo groot bedrag aan achterstallig kindergeld had ontvangen dat het er een huis mee had gekocht.
     Eigenlijk doet Mark in zijn column een beetje hetzelfde als wat ik in mijn stukjes vaak doe: een tegenstrever te pakken nemen, en daar dan wat algemene beschouwingen rond ontwikkelen die je eigenlijk meer interesseren dan die tegenstrever zelf. Als gelovig christen vindt Mark het probleem van de waarheid interessant en weidt hij graag uit over waarheidsgradaties en over het verschil tussen feitenwaarheid, onderzoekswaarheid, waardewaarheid, relatieve waarheid en transcendente waarheid. Maar over het probleem van onwaarheid, en van leugen, waar ik dan weer in ben geïnteresseerd, heeft hij weinig te vertellen.
    Daarom nog dit. Ik schreef hierboven dat je bij een leugen iets zegt waarvan je weet dat het niet waar is. Dat is te streng. Je kunt ook liegen als je iets met zekerheid poneert, terwijl je die zekerheid niet hebt, en de bewering zelf grote onwaarschijnlijkheden bevat. Dat is misschien een minder erge vorm van liegen, maar het komt toch in de buurt. Welnu, om, zoals Mark, bij het einde van mijn stukje naar Jambon terug te keren: ook dat heeft onze minister-president niet gedaan. Hij heeft zijn bewering niet met zekerheid geponeerd, maar ze –  zoals wij taalkundigen dat noemen – gemodaliseerd met de uitdrukking ‘ik heb gehoord dat’. Verder moet Jambon geweten hebben dat het achterstallige kindergeld voor asielzoekers tot vele tienduizenden euro kon oplopen, waardoor de grote onwaarschijnlijkheid wegviel dat er ooit een huis mee was aangekocht.
     Het was met andere woorden niet zomaar broodjeaapverhaal.
     Maar dat weet Mark ook wel.


* Ik heb er al over geschreven hier, hier en hier.

** Definities brengen ons niet dichter bij de waarheid, maar we hebben ze natuurlijk wel nodig om onderscheidingen aan te brengen en misverstanden te vermijden.

*** Mark interpreteert de woorden van Vandaele anders. Volgens Mark zegt Vandaele dat je leugens mag vertellen om je punt te maken.

dinsdag 21 mei 2019

Is er een verschil tussen Groen en N-VA?

     Hilde Crevits (CD&V) wil er zich nu nog niet over uitspreken welke coalitie ze na 26 mei wil aangaan: met N-VA of met Groen-sp.a. Ze zal de verkiezingen eerst afwachten. Ze zal eens kijken hoe de kaarten worden verdeeld. Ze zal eerst haar best doen om een zo goed mogelijke campagne te voeren en om een zo goed mogelijk resultaat te behalen. De ironie wil echter dat haar keuzemogelijkheden niet zullen worden vastgelegd door haar eigen resultaat, maar door dat van Vlaams Belang en van N-VA. Kan Vlaams Belang wat extra procenten ontfutselen aan N-VA, dan mag Hilde doen wat ze wil; kan N-VA een aantal procenten terugwinnen van het Belang, dan is het lot van Hilde vastgeklonken aan dat van de Alliantie.
     De lezer die door de ervaring wat bitter is gaan denken over politiek, zal zich afvragen of het allemaal wel zo’n verschil maakt, een overgang van Geel-Blauw-Oranje naar Oranje-Groen-Rood of omgekeerd. Dat is een goede vraag. We moeten ons inderdaad niet aan een revolutie verwachten. Zo’n overgang behoort tot de gewone afwisseling van de wacht, de ‘alternance’ zoals de Fransen zeggen, de ‘zigzag of politics’ zoals Nozick het noemt. De Groenen hebben een ‘ambitieus klimaatplan’ dat, consequent uitgevoerd, zou leiden tot een tsunami aan belastingen en prijsstijgingen. Maar als ze eenmaal in de regering zitten, zullen de groenen rekening moeten houden met hoe meer ervaren partijen aankijken tegen de electorale gevolgen van zo’n beleid. De zwaar belaste burger is een boze kiezer. We mogen aannemen dat de tsunami dan afzwakt tot een vloedgolf bij springtij.
     De eenvoudige waarheid is deze. Het beste wat we van een coalitie met N-VA kunnen verwachten is dat de belastingen met één of twee procent dalen, en van een coalitie met Groen dat ze met één of twee procent stijgen. Nu ben ikzelf op principiële gronden een hartstochtelijk voorstander van een belastingsverláging van één of twee procent, en een hartstochtelijk tegenstander van een belastingsverhóging van één of twee procent, maar het blijft gemorrel in de marge, pieterige bewegingen in het dal die je vanop de bergtop amper ziet.*
     Er is echter één gebied waarvan we kunnen aannemen dat N-VA of Groen in de regering wel het verschil kunnen maken, en dat is dat van de migratie. Er heeft zich de laatste dertig jaar – naast de gewone arbeidsimmigratie van Nederlanders, Fransen en Polen – ook een grote groep illegalen, asielzoekers en gezinsherenigers uit Afrikaanse en Islamitische landen in ons land gevestigd. Op economisch vlak biedt die immigratie geen voordelen en op maatschappelijk vlak brengt ze veel problemen met zich mee. N-VA staat voor een strikter beleid op dat gebied terwijl Groen het ruime beleid voorstaat. CD&V, sp.a en Vld nemen een wat vage en wisselende middenpositie in.
     Groen heeft veel middelen om de andere partijen van haar gelijk te overtuigen. De partij heeft het Marrakesh-pact en de Europese regels aan haar kant. Bij CD&V kan ze het vluchtelingenverhaal van Jozef en Maria bovenhalen en bij Vld het open-grenzen-ideaal en het universele humanisme. En bij de socialisten zijn argumenten overbodig, want hun allochtoon electoraat zet al voldoende druk om hen naar die kant over te laten hellen. Gunstig voor Groen is daarbij ten slotte de wet van de traagheid. Een Groen migratiebeleid betekent dat er eigenlijk niets hoeft te veranderen. Alles kan bij het oude blijven. Alleen de taal moet wat wolliger.
     Maar ook N-VA heeft een aantal middelen om coalitiepartners te overtuigen. De partij kan wijzen op het succes van het strikte asielbeleid in Australië, van de strenge gezinsherenigingsnormen in Denemarken en de van de economische immigratiepolitiek van Canada. Een beleidspartij als CD&V begrijpt zonder veel moeite dat minderheden minder makkelijk integreren naarmate de groep groter wordt. De VLD-middenstander heeft weinig begrip voor migranten die door het OCMW gehuisvest worden, van het OCMW een leefloon krijgen en bij de apotheek naar het OCMW verwijzen als er iets moet worden betaald.  En bij de socialisten zijn geen argumenten nodig, want wat overblijft van hun autochtoon arbeiderselectoraat zet al voldoende druk om hen naar die kant over te laten hellen. Eén doorslaggevend argument heeft N-VA niet, maar wát ze heeft, is voldoende om stap voor stap wetgeving en beleid uit te werken die de migratiekraan kwartslag na kwartslag sluiten.
     Ik trekt daar allemaal mijn eigen conclusies uit. Op nogal veel van de internetsites die ik aanklik, krijg ik reclame voor CD&V. Een lieve collega van mij staat op de lijst van die partij. Ik moet die mensen teleurstellen, want ik zal niet voor ze stemmen. Zoals ik het zie zou ’t een weggegooide stem zijn, want hun partij is er voor de regeringsvorming toch weer bij, of ik er nu wel of niet voor stem. Nee, als ik stem, is het op Groen of N-VA. Maar op wie van de twee zal ik hier en plein public niet verklappen.



*Misschien zal de ‘herverdeling’ onder een linkse regering nog wat toenemen. Veel zal dat niet zijn want ons land is nu al herverdelingskampioen in Europa (hier). Ook linkse partijen zullen, als ze een keer meeregeren, inzien dat je niet tot in het oneindige kunt herverdelen, en dat er andere en betere vormen van armoedebestrijding bestaan.

donderdag 16 mei 2019

Hoe zien onze pensioenen eruit in 2070?


     De laatste tijd lees ik veel van die optimistische boeken:  Steven Pinker, Hans Rosling, Bjørn Lomborg, Maarten Boudry, Matt Ridley, Johan Norberg. ’t Is zoals met andere zoetigheid – je voelt een lichte walging, maar je blijft ermee doorgaan. We eten beter, lees ik in die boeken, en we leven gezonder en we worden slimmer. Onze bejaarden worden vitaler en onze levensverwachting wordt langer. Wie vroeger leefde kwam jaarlijks netjes één jaar dichter bij zijn dood. Wie daarentegen in de twintigste eeuw leefde kwam jaarlijks maar zeven maanden dichter bij zijn einde. Denk daar maar eens over na.
     Op het hoofdkwartier van N-VA moet er ook iemand zijn die die boeken leest, iemand met name die heeft meegeschreven aan het partijprogramma. ‘Demografische projecties tonen aan,’ lees ik in dat programma, ‘dat de levensverwachting in België tegen 2070 nog verder zal stijgen. Een cruciale voorwaarde om de betaalbaarheid van de pensioenen te behouden, en zo de solidariteit met de jongere generaties te vrijwaren, is dat de wettelijke pensioenleeftijd die levensverwachting volgt.’ John Crombez heeft die passage gebruikt om het Bart De Wever knap lastig te maken. Het Nieuwsblad van 15 mei opende met de kop ‘De Wever wil pensioenleeftijd verder omhoog’, wat de zaak geloof ik niet helemaal juist samenvat*.
     Het was natuurlijk ook dom om speculaties over de toekomstige levensverwachting in het N-VA-programma op te nemen. Een verkiezingsprogramma moet niet speculeren over een mogelijke toestand in 2070**. Nu, in 2019, is de toestand ernstig genoeg. De gemiddelde pensioenleeftijd is vandaag nog geen 60 jaar. We werken gemiddeld 33 jaar en zijn 23 jaar op pensioen***. Wanneer wij hogere pensioenen willen – wat alle partijen beloven – zónder meer van ons loon af te dragen, dan moet dat werken een paar jaar langer en dat pensioen een paar jaar korter. Dáárom heeft Michel I de algemene norm verhoogd – van 65 naar 67 jaar – en is er een voorzichtig begin gemaakt met het afschaffen van de uitzonderingen.
     De partijen sp.a en Vlaams Belang beloven én hogere lonen én hogere pensioenen én verlaagde pensioenleeftijd. Daar kan ik begrip voor opbrengen want het zijn drie mooie dingen. Helaas gaan ze niet samen binnen één budget. Partijen die daarom ronduit zeggen dat de hogere pensioenen moeten worden worden betaald met langer werken, langer bijdragen en dus hogere pensioenleeftijd – N-VA en Open-vld zeggen zoiets – moeten worden geprezen voor hun eerlijkheid.
     Maar móeten wij wel kiezen tussen de drie mooie dingen? PVDA-man Jan Dumolyn schreef op zijn Facebookpagina dat de ‘piepeltjes van N-VA’ er niets van begrepen hebben. Een flinke stijging van de productiviteit, schrijf Jan, kan ervoor zorgen dat we én hogere lonen, én hogere pensioenen én verlaagde pensioenleeftijd krijgen. Daar zit iets in. Als ik met Jan daarover debatteerde voor de televisie zou ik misschien aanvoeren dat juist het PVDA-programma weinig garanties biedt voor zo’n productiviteitsstijging. Maar dat zou flauw zijn, want Jan heeft een punt. Uit mijn optimistische boeken weet ik dat de gemiddelde aardbewoner binnen honderd jaar – in 2119 dus – acht keer rijker kan zijn dan de huidige. Maar we móeten niet acht keer rijker worden. Wij kunnen er de voorkeur aan geven om in 2119 maar vier keer rijker te zijn en op ons veertigste op pensioen te gaan, of op ons achtenveertigste zoals vroeger de militairen, en de regentessen in het onderwijs. Wij kunnen dus, al is het binnen honderd jaar, tegelijk vier keer rijker worden én maar half zo lang werken.
     Ik heb hierboven zinsneden gebruikt als ‘wij willen’ en ‘wij moeten’ en ‘wij kunnen’. Er zit in in elk van die zinsneden een vies beestje dat ik er graag uit wil. Waarom zouden ‘wij’ iets moeten, of willen, of kunnen? En waarom zouden ‘wij’ allemaal hetzelfde kiezen? Ik zou het veel gezonder vinden als iedereen, binnen redelijke grenzen, zelf zijn eigen keuzes kon maken in zo’n gevoelige kwestie. Wie graag vroeg wil stoppen, kan wat harder werken en wat meer bijdragen, of zich met een kleiner pensioen tevreden stellen. Wie graag langer werkt, kan zijn bijdrage beperkt houden en aan het einde van zijn loopbaan toch een royale uitkering verwachten. Je krijgt dan als gepensioneerde ongeveer terug wat je tijdens je werkende leven  – kort of lang  – hebt bijgedragen, met interest. Veel en lang bijdragen levert een hoog pensioen op, kort en weinig bijdragen een klein pensioen.
     Het pensioenstelsel schijnt verder iets heel, heel ingewikkelds te zijn. Er zijn universiteitsprofessoren die hun hele leven wijden aan de studie ervan. Zo’n stelsel veranderen zal dus wat meer vragen dan een plannetje dat werd uitgetekend aan de keukentafel. Bovendien moet er in die delicate materie een zekere politieke overeenstemming bestaan. Alleen al de wettelijke norm met twee jaar verhogen naar 67 was zó delicaat dat die verhoging pas kan ingaan in 2030, ondanks de brede overeenstemming over de kwestie tussen N-VA, CD&V, Open-vld en Groen. Een geheel nieuw stelsel doorvoeren zal nog vele malen moeilijker zijn. Het beginsel is eenvoudig genoeg: rekening houden met het eenvoudige gegeven dat verschillende mensen verschillende dingen willen en belangrijk vinden. Maar het is het opruimen van de bestaande koterij die in zo’n gevallen voor de meeste moeilijkheden zorgt****. Ik zie het niet gebeuren vóór 2030. Het is meer iets voor 2070. Misschien kan N-VA dát eens opnemen in haar programma. 



*Liesbeth van Impe schrijft de dag erna dat De Wevers politieke tegenstanders zijn woorden ‘kort door de bocht geïnterpreteerd hebben. Dat is heel begrijpelijk van die tegenstanders, vindt ze - en dat vind ik ook. Maar waarom plaatste ze de dag ervoor zélf een kop op de voorpagina met een interpretatie die minstens even kort door de bocht ging? Zij is toch geen politieke tegenstander?

**Een uitspraak over een hypothetische situatie in de toekomst kan makkelijk worden verward met een politiek plan voor korte en middellange termijn. Zon onhandige uitspraak is in zekere zin erger dan een foute uitspraak.  Een foute uitspraak kun je achteraf weer intrekken. ‘Sorry, het was een vergissing.’ Een onhandige uitspraak kun je achteraf alleen nuanceren. En niet iedereen staat daarvoor open.

*** Zie hier  en hier . Ik heb vroeger al enkele stukjes geschreven over de pensioenkwestie, onder meer over de superioriteit van kapitalisatie vergeleken met repartitie:  hier, hier en hier

**** Het pensioenstelsel met punten, waar we niet zo veel meer over horen, zou een eerste aanzet kunnen zijn voor de opruimwerken.

dinsdag 7 mei 2019

Bart De Wever en de 'onnodige hervormingen in het onderwijs'

     ‘Met ons geen zotternijen of onnodige hervormingen in het onderwijs,’ zei Bart De Wever. Hilde Crevits antwoordde daarop: ‘En zonder mij waren er geen nieuwe eindtermen gekomen. Ik had ervoor kunnen kiezen om alleen een aantal eindtermen te laten vallen, maar ik heb gezegd: we gaan voor totaal nieuwe eindtermen.’ Er was daar heel veel werk in gegaan, voegde ze er nog aan toe, werk van honderden experts, leraren, ouders en leerlingen.*
     Dat vele werk dat daar is ingegaan, ik vind dat jammer. Karel van het Reve was, naast een erg goede essayist en columnist, ook professor in de slavistiek. Hij gaf, zij het met tegenzin, toe dat er ook voor universiteiten een soort eindtermen moesten bestaan, ‘een studieprogramma met redelijke minimumeisen waaraan iemand moet voldoen om het einddiploma te krijgen’. Maar daar moest niet te veel over worden vergaderd, en ze moesten ook niet telkens worden veranderd. ‘Als ik met laat ons zeggen Willem Vermeer en Carl Ebeling één middag om de tafel ga zitten,’ schrijft Karel, ‘maken wij een studieprogramma voor de Nederlandse slavistiek waar men twintig jaar mee vooruit kan en dat zeker niet slechter zal zijn dan enig studieprogramma waar men nu al zo’n vijftien jaar over vergadert.’
     Nu ik binnen een jaar op pensioen ga – ik word 64 – kan ik mij veroorloven om de eindtermen van Crevits cum grano salis te nemen, maar ik heb er indertijd heel wat vakanties aan besteed om die hopeloze bureaucratische onzin te vertalen in lessen die enigszins interessant konden zijn. Eigenlijk deed ik het omgekeerde. Ik bekeek eerst de leerstof die men altijd al had gegeven in een of ander jaar. Je kon dat te weten komen door het te vragen aan een meer ervaren collega, of door te bladeren in oude handboeken – hoe ouder hoe beter. Dan dacht ik na welke lessen ik daarover wou geven. En dan moest ik beginnen wringen en trekken en hangen en wurgen om de lessen die ik wilde geven en die eindtermen die ik moest volgen een beetje met elkaar in overeenstemming te brengen.
     Die werkwijze had zijn voordelen. De eindtermen waar ik mee te maken kreeg, voorzagen weinig ruimte voor literatuur maar veel ruimte voor – ik haal even diep adem –  ‘spreekvaardigheid op structurerend en beoordelend niveau voor een onbekend publiek’. Ik loste dat op door een aantal opdrachten te verzinnen en uit te werken zodat mijn leerlingen ‘structurerend en beoordelend’ over literatuur konden praten voor hun klasgenoten, die dan wel geen ‘onbekend publiek’ vormden, maar toch minstens een publiek dat vrij onbekend was met literatuur. En als ik die opdrachten een paar jaar had uitgetest en aangepast, kon ik er twintig jaar mee vooruit, op voorwaarde dat er geen nieuwe ‘innovatieve’ eindtermen kwamen die oplegden om literatuur uitsluitend nog aan te leren volgens de portfoliomethode.
     Ik zou het anders kunnen verwoorden: de beste eindtermen zijn de oude eindtermen, niet omdat die zo goed zijn, maar omdat de leraren en de handboekenschrijvers de tijd hebben gehad om het bruikbare dat erin staat te leren gebruiken en het onbruikbare te neutraliseren. Bij nieuwe eindtermen moet dat hele proces worden overgedaan, wat in tijden als deze, neerkomt op vergaderingen met de vakgroep, vergaderingen met de directie en vergaderingen met de begeleiders, waarna de woeste papierstroom op gang komt die aan zulke vergaderingen ontspringt.
     Nu zijn de nieuwe eindtermen voor het middelbaar waar Crevits over sprak ondertussen vastgelegd voor de eerste graad, en voor de andere graden zijn ze niet meer te stoppen. Goed, dan is het kwaad geschied, ik wil niet zeuren, gedane zaken nemen geen keer. Maar voor de toekomst wil er graag aan herinneren dat élke onderwijshervorming – ook een goede, ook een noodzakelijke – een aanpassingskost met zich meebrengt.
     Het is echter, helaas, veel erger. De meeste hervormingen die werden en worden voorgesteld door het onderwijsestablishment – de koepels, het ministerie, sommige medeplichtige directies – zijn nóch goed, nóch noodzakelijk. Het zijn, zoals De Wever terecht zegt, ‘zotternijen’. Het is een zotternij om leerlingen met een verschillende aanleg samen te zetten in één klas, hoezeer je ook probeert te ‘differentiëren’ om het daardoor gecreëerde probleem op te lossen. Het is een zotternij om aan scholen en klassen een ‘sociale mix’ op te leggen. Het is een zotternij om minder tijd aan kennisoverdracht en meer tijd aan vaardigheden te besteden. Het is een zotternij om elitèèère richtingen zoals Latijn-wiskunde te ondermijnen door technologische richtingen als alternatief naar voren te schuiven. Het is een zotternij om klassikaal onderwijs te vervangen door ‘groepswerk’, ‘actief zelfstandig leren’ en ‘peer teaching’. Het is een zotternij om de logische en didactische opbouw van een vak om te ruilen voor een ‘vakoverschrijdende benadering’ of door ‘vakken op elkaar af te stemmen’**. Het is een zotternij om een objectieve evaluatie in punten in te wisselen voor een subjectieve commentaar in woorden. Het is een zotternij om onderwijs te geven ‘vertrekkend van de leefwereld van de leerlingen’ en ‘rekening houdend met wat men later nodig heeft’. Het is een zotternij om op grote, diepgaande vakken te besnoeien en kleinere, ‘actuele’ vakken in te voeren. Het is een zotternij om leerplannen en inspectie toe te spitsen op specifieke pedagogische methodes in plaats van op algemene degelijkheid en resultaten. Het is een zotternij om het gewicht van de examens te verminderen ten voordele van creatieve taakjes. En het is, geloof ik, een zotternij om gelijk welk bestaand of ingebeeld probleem op te lossen door ‘co-teaching’. Als men een tweede leraar voor de klas kan zetten, kun je beter die klas splitsen in twee kleinere klassen, met elk één leraar.
     Ik heb in bovenstaande alinea, tegen mijn gewoonte, veel beweerd en weinig geargumenteerd. Ik moet het een beetje kort houden. Wie wil kan enkele argumenten terugvinden in mijn vorige stukjes*** of op de onvolprezen site van Onderwijskrant en op de Facebookpagina van Raf Feys. Ik wil hier alleen enkele misverstanden rechtzetten.
     Het is helemaal niet zo dat vroeger álles beter was. Vandaag gaan leraren vriendschappelijker om met hun leerlingen dan vroeger. Het aandeel van de tirannen en hellevegen onder hen is verminderd. De handboeken van wiskunde en biologie zijn beter dan die van 45 jaar geleden (die van Nederlands zijn slechter en die van geschiedenis zijn even slecht). In Nederlandse literatuur kan ik nu vrijuit spreken over anderstalige auteurs. Ook zijn er veel technische vernieuwingen die het leven van de leerling en dat van de leraar aangenamer maken.  Op mijn school heeft elke klas een computer met beamer. Mijn schema’s moet ik niet op bord schrijven want ik kan ze projecteren. Ik kan kaarten, tijdlijnen en prenten laten zien, en ook filmfragmenten – maar ik mag daarin niet overdrijven, want zoiets verveelt gauw. Ik kan fotokopiëren in plaats van stencilen. Dat zijn allemaal dingen die nu beter zijn dan vroeger. Ook is niet álles fout wat de ministerie- en koepelpedagogen hebben bedacht. Af en toe wat differentiatie, vaardigheden, groepswerk, vakoverschrijding, presentaties door leerlingen, het brengt enige afwisseling in de klas en het kan nuttig zijn.
     Verder is het niet billijk om voor alles wat er fout loopt de ministerie- en koepelpedagogen als schuldigen aan te wijzen. Als leerlingen vandaag minder Frans kennen dan vroeger, dan komt dat ook omdat de Franse taal uit hun omgeving is verdwenen. Wíj groeiden op met Franse films en Franse chansons en ouders die tegen elkaar Frans praatten als de kinderen niet mochten weten wat er gezegd werd. Dan pik je snel een en ander op. En als de leerlingen minder lezen dan vroeger, dan komt dat omdat ze hun verhalen ergens anders kunnen halen. Wij hadden alleen de romans van Hendrik Conscience, Ernest Claes en Charles Dickens. Zij van hun kant hebben Game of Thrones, Breaking Bad en Pretty Little Liars. Dat de leesvaardigheid dan achteruitgaat, is begrijpelijk. Laten we de pedagogen in deze dus niet te hard vallen, op voorwaarde dat ze de zaken niet erger maken door geëmmer over ‘communicatieve taaltaken’, ‘leesvaardigheidsstrategieën’ en ‘zakelijke teksten’.
     Dat waren enkele kleine misverstanden. Het grootste misverstand is evenwel dat al die hervormingen waarvan sprake onvermijdelijk, onontkoombaar en onomkeerbaar zouden zijn want, zegt men, ‘de maatschappij verandert’, ‘onze kennis veroudert’ en ‘de leerlingen van nu zijn niet meer de leerlingen van vroeger’. Neem die laatste bewering. Als ik voor een klas sta, zie ik voor mij het soort jongens dat wij ook waren**** – aardige jongens, zou Nescio’s Koekebakker zeggen, al moest hij het zélf zeggen. Het grote verschil is dat er nu ook meisjes bij zijn. Maar minder gedisciplineerd? Toen ik op mijn school begon les te geven, was het de gewoonte dat leraren die een vrij uur hadden werden ingeschakeld voor ‘toezicht’ in een van de klassen waar de leerkracht afwezig was. Dat was vreselijk. De leerlingen werden verondersteld te studeren. In werkelijkheid babbelden zij vrolijk door elkaar, liepen in het lokaal rond of waren aan het kaarten.
     Ik heb toen voorgesteld om al die leerlingen samen te brengen in één grote studiezaal zoals dat de gewoonte was toen ik zelf school liep. De toenmalige directie aarzelde. Zou er dan niet nog veel meer gebabbeld en rondgelopen en gekaart worden? We hebben het uitgeprobeerd en het viel goed mee. We doen het nog altijd zo. De leerlingen komen binnen in de zaal, krijgen een plaats toebedeeld, en gaan aan het werk. Na twee tot vijf minuten is het in zo’n studiezaal met millenials even stil als in gelijk welke studiezaal van vroeger met babyboomers of generatie-X’ers. Dat neemt niet weg dat veel klassen nu rumoeriger zijn dan vroeger. Maar ligt dat aan de veranderde leerlingen? Ik heb indertijd een pedagogisch directeur gehad die de voorkeur gaf aan klaslokalen in ‘café-opstelling’. Tja, dan krijg je wel eens café-gedrag.
     En onze verouderende kennis dan? Ach, ook dat valt best mee. Soms moet je iets aanpassen. In biologie brengt men nu het DNA ter sprake, wat in mijn tijd nog een nieuwigheid was waar niet alle biologieleraren van op de hoogte waren. En in aardrijkskunde zijn alleen de rivieren, de gebergten, de continenten en de aardlagen op hun plaats gebleven. Maar in het Latijn zijn geen nieuwe naamvallen ontdekt, de Guldensporenslag vindt nog altijd plaats in 1302 en Multatuli is nog altijd de auteur van Max Havelaar. De regels voor de subjonctif in het Frans zijn dezelfde als vroeger, al zegt men nu wat minder vaak ‘Il ’s en est fallu de peu que je ne tombasse’. In de wiskunde, de fysica, de biologie, de economie en de computationele taalkunde worden voortdurend belangrijke ontdekkingen gedaan, maar die zijn zo ingewikkeld dat ze geen plaats hebben in het middelbaar onderwijs.
     Ja, er zijn allerlei nieuwigheden zoals Facebook, Twitter en Instagram, maar daar weten de leerlingen meer van dan hun leraren. Hoe minder we daarover zeggen, hoe minder we ons belachelijk maken. Er zijn meer mogelijkheden om een wasmachine te programmeren, maar dat moet je niet op school aanleren, aangezien die wasprogramma’s alweer verouderd zijn voor het schooljaar ten einde is. Er bestaan nu nuttige computerprogramma’s zoals Powerpoint of Excel die veertig jaar geleden niet bestonden, maar die leren de kinderen wel vanzelf, of ze leren ze van elkaar. We moeten nu ook niet álle vormen van ‘zelfontdekkend leren’ en ‘peer teaching’ verwerpen.
     Je hoort vaak dat leerlingen nu makkelijker ‘informatie kunnen opzoeken’ op internet. Dat zou dan een hele verandering zijn. Het onderwijs zou daar rekening mee moeten houden. Ik wil dat best geloven. Anderzijds is té veel rekening houden met dat ‘opzoeken’ misschien wel de ergste zotternij van allemaal. Sommige pedagogen schijnen te geloven dat informatie die wordt ‘opgezocht’ op een of andere manier ook verworven is, zoals de studenten van Godfried Bomans geloofden dat je wetteksten kon memoriseren door juridische boeken onder je hoofdkussen te leggen als je slaapt. Ook veel leerlingen trouwens denken dat dat ‘opzoeken’ een waarde op zich is. Ze knippen digitaal een stuk ‘informatie’ uit en plakken die in hun eigen taak, zoals ze gewoon zijn om zoiets te plakken in hun ‘portfolio’. Ik moet dan geduldig uitleggen dat zoiets plagiaat is en dat ze dat eigenlijk niet zouden mogen doen.
     De lezer heeft al begrepen dat ik de meeste onderwijsinnovaties van de laatste 40 jaar in De Wevers rubriek van ‘onnodige hervormingen’ en ‘zotternijen’ plaats. Maar dat betekent niet dat ik tegen àlle vernieuwingen ben. Mijn Latijnse auteurs lees ik alleen in de uitgaven van Hachette ‘expliqués d’après une nouvelle méthode’. Die ‘nouvelle méthode’ dateert weliswaar van rond 1850, maar ze is in elk geval pedagogisch goed uitgekiend. En zelfs de nieuwe en moderne methode van Hachette van 1850 kan worden aangevuld met nog nieuwere digitale middelen, zoals ze worden bijgeleverd bij de elektronische edities van Perseus Digital Library. Maar dat is allemaal bijzaak: ook mét de nieuwe methode van Hachette en de digitale ondersteuning van Perseus leer je voor Latijn nog altijd best je woordjes, verbuigingen, vervoegingen en stamtijden uit het hoofd. Daar is niet veel aan veranderd.
     Onze onderwijsvernieuwers zijn uitgegaan van het vooroordeel dat de vroegere methodes fundamenteel verkeerd waren. Dat waren ze niet. Ze hadden integendeel hun deugdelijkheid bewezen. De kinderen van vroeger kenden wel degelijk Frans, Wiskunde en Geschiedenis. Daarom hadden de vernieuwers hun energie beter gebruikt om de bestaande methodes technisch te verbeteren, bijvoorbeeld door het ontwerpen van digitale ondersteuning. Ik heb dertig jaar geleden cd-roms gezien met betere didactische software dan wat nu bij de schoolhandboeken geleverd wordt. Elke klas met computers of iPads zou met de gepaste software dienst kunnen doen als zo’n taallaboratorium waar scholen indertijd miljoenen voor betaalden. Maar die software komt er niet omdat het beginsel van een taallaboratorium met driloefeningen niet past in de ideologie van communicatief talenonderwijs.
     Om kort te gaan, in het debat tussen De Wever en Crevits, stond ik pal achter De Wever. Uit alles wat hij zei, kon je afleiden dat hij de onnodige hervormingen en zotternijen mee verantwoordelijk achtte voor de achteruitgang van ons onderwijs. Dat vond ik fijn, want ik denk er ook zo over. Nog fijner vond ik zijn plan ter afschaffing van de zogenaamde centrale aanmelding, waarbij een computer beslist naar welke school een kind mag gaan. Dan nog liever kamperen voor de schoolpoort, vond De Wever. Ik heb lange tijd gedacht dat ik alleen stond met die mening. De enige vlieg die ik de N-VA-voorzitter wil afvangen, betreft zijn bewoordingen. Hij sprak van ‘pretpedagogie’ om de hervormingsonzin in onze scholen aan te klagen. ’t Is een leuk woord en het ligt goed in het gehoor, maar het kan de verkeerde indruk wekken dat er mensen bestaan die die pedagogie ook echt prettig vinden. Nou ja, die mensen zullen wel bestaan, maar zelf heb ik die pedagogie nooit prettig gevonden en ik heb in alle jaren dat ik les gaf maar enkele leerlingen gehad die daar anders over dachten. De meeste leerlingen vonden het geloof ik juist prettig om een meer traditionele leraar vooraan in de klas te hebben die aan de opgelegde pret niet meedeed. Wij hebben in elk geval vaak gelachen.


* Het debat tussen De Wever en Crevits werd uitgezonden op De Zevende Dag op 5 mei. Alhoewel ik bij het debat vooral supporter was van De Wever, zei ook Hilde Crevits wel eens dingen over de vrijheid van de leerkrachten en de scholen die mij plezier deden. Dat heeft ze vroeger ook al gedaan. De mooiste uitspraak vond ik dit keer deze. Als een school een meningsverschil had met de koepel, zei Crevits, dan moest een school haar eigen lijn volgen en zich van die koepel niets aantrekken.
** Crevits haalde met trots aan dat wetenschappen en wiskunde nu beter op elkaar worden afgestemd. Het lijkt op het eerste gezicht een goede zaak als de wiskunde die in een bepaald jaar wordt aangeleerd, tegelijk kan worden gebruikt om wetenschappelijke problemen te benaderen die in dat zelfde jaar worden behandeld. Maar vaak is er een réden waarom de wiskunde van een bepaald jaar niet is afgestemd op de wetenschappen van datzelfde jaar. Door de vakken te veel op elkaar af te stemmen kan de logische of didactische opbouw van elk vak worden verstoord.
*** Vorige stukjes: hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier, hier en hier.

**** Ik geef les aan een plattelandsschool met een meerderheid aan autochtone leerlingen. Er zijn natuurlijk stadsscholen waar de leerlingen wél veranderd zijn.  Maar de meeste onderwijsinnovaties houden amper verband met de instroom van allochtonen leerlingen. Deden ze dat maar!

zondag 10 februari 2019

De leugen van Joke Schauvliege

     Als ik minister was van iets en ik deed een domme uitspraak waarmee ik half Vlaanderen over mij heen kreeg, dan was ik geloof ik liever bij N-VA dan bij CD&V. Misschien heeft Wouter Beke gedaan wat in zijn vermogen lag om zijn partijgenote Joke Schauvliege te steunen, maar dan is dat vermogen eerder beperkt.
    Maar misschien moeten we verder kijken dan de beperkte vermogens en de wat zwakke ruggengraat van de huidige CD&V-leiders. Walter Pauli van Knack is iemand die verder heeft gekeken. Hij veronderstelt dat CD&V in de zaak Schauvliege meer belang hechtte aan ‘algemene regels’ dan aan het eigen partijbelang, wat bij N-VA anders zou zijn. Dat zou mooi zijn van CD&V, maar ik geloof er niet veel van. Anderen denken dat CD&V het niet eens zo erg vond om een zwakke vakminister af te voeren. Dan heeft de partij daar zo kort voor de verkiezingen een ongelukkig moment voor gekozen. En of Schauvliege nu echt zo’n zwakke minister was, weet ik niet. De journalisten schrijven dat, maar weten zij dat zelf wel zo goed?

     Er is een derde verklaring die ik oorspronkelijk de meest aannemelijke vond. Schauvliege heeft zich met haar uitspraken tégen de klimaatbetogers uitgesproken, terwijl CD&V die jongens en meisjes liever te vriend hield en zeker niet wou afstoten als mogelijke kiezertjes. Dat zou geen slechte strategie zijn. De betogers prijzen voor hun bezorgdheid en hun idealisme en daarna heimelijk de ecorealistische koers voeren die N-VA meer openlijk voorstaat. Maar dan kwam Beke achteraf verklaren dat de klimaatbeweging ‘gekaapt werd door extreemlinks’. Zo hou je die beweging natuurlijk niet te vriend.
     Ja maar Clerick, zul je zeggen, die Schauvliege heeft toch gelógen. Heeft dat er dan niets mee te maken?
     Nou ja, gelogen ... Het gebeurt inderdaad wel eens dat onze politieke vertegenwoordigers wat – hoe zal ik het zeggen – lichtzinnig omspringen met de waarheid: loze beloftes, halve waarheden, slechte rekenkunde, grootspraak, misleidende woordkeuze, leugentjes om bestwil, spreken zonder nadenken, eigen twijfels die overschreeuwd worden, vermoedens die als zekerheid worden voorgesteld, een doelpubliek dat naar de mond wordt gepraat. Je mag dat van mij allemaal ‘leugens’ noemen. Zelf weerleg ik liever iets wat ik onwaar vind, dan luid te roepen dat de ander een vuile leugenaar is.* Ik las bij Liesbeth van Impe dat de beschuldiging van ‘leugenaar’ altijd geschrapt wordt uit de verslagen van het Parlement. Dat lijkt mij een goede gewoonte.
    Want wat heeft Schauvliege ook weer gezegd: ‘Er zit meer achter dan alleen een spontane actie voor ons klimaat. Ik weet wie achter heel die beweging zit, zowel de zondagse betogingen als de spijbelaars op donderdag. Men heeft mij dat ook verteld vanuit de Staatsveiligheid.’
     We weten ondertussen dankzij CD&V en De Tijd ongeveer wie Schauvliege bedoelde als ze sprak over ‘wie achter heel die beweging zit’: organisaties als Climaxi, Climate Express, Act for Climate Justice, Greenpeace, De Wereld Morgen, Hart boven Hard … En in die organisaties zijn of waren mensen actief als de anarchist Arno Kempynck en PVDA-leden Nathalie Eggermont en Wiebe Euyekman.
     Wiebe Eekman! Ik kom met een plons terecht in het zwembad van mijn jeugdherinneringen. Daarin is Wiebe een hele lange kerel, met een luide stem, een goed humeur, een overvloedige rode bos haar** en een rode baard. Hij werkt als scheepshersteller of zoiets en spreekt met een Hollands accent. Misschien is hij wel een Fries. Hij ziet er in elk geval uit als een Viking. En die Wiebe zit achter de klimaatbetoging?
     Ach, volgens mij doen Wiebe en die anderen weinig terzake. Anuna De Wever en haar vrienden moesten hun ‘bezorgdheid voor het klimaat’ niet halen bij Greenpeace en de PVDA. Het klimaatalarmisme wordt hun al jaren bijgebracht door wat ze lezen in de krant, horen op televisie en studeren voor de lessen Aardrijkskunde, Godsdienst, Zedenleer en straks Burgerzin. Ook kunnen radicaallinkse groepjes zo’n grote actie niet afdwingen. Ik weet dat, want in mijn radicaallinkse jeugd was ik samen met mijn kameraden voortdurend in de weer om ‘massa-acties op poten te zetten’: vergaderen, brochures schrijven, vlugschriften uitdelen … niets werkte. Af en toe was er wel een grote actie, maar zo’n actie barstte los en ging voorbij als een regenbui. Wij hadden daar weinig invloed op. Gedurende die actie konden we voorop lopen, organiseren, toespraken houden, nog meer brochures schrijven, nog meer vlugschriften uitdelen. Sommigen van ons werden beschouwd als ‘leiders’ van de actie. Maar na enkele dagen of weken was het afgelopen en was het ook gedaan met dat leiderschap. Er restte ons niets meer dan nog wat leden te werven voor ons groepje.
     Als Schauvliege dus zegt dat de klimaatbetogingen geen spontane beweging zijn maar het werk van duistere lieden achter de schermen, dan bewijst ze daarmee dat ze in elk geval geen radicaallinks verleden heeft, anders zou ze wel beter weten. Het is juist wél een spontane beweging. Zulke grote acties kun je beter beschrijven met de onvoorspelbaarheden van de chaostheorie, dan verklaren vanuit sluwe politieke machinaties.

     En dat van die Staatsveiligheid van wie Schauvliege haar informatie gekregen had? Ja, dat was natuurlijk onzin. De Staatsveiligheid rapporteert niet aan de minister van Omgeving, Natuur en Landbouw. Maar misschien heeft het arme schaap alleen maar gedácht dat de Staatsveiligheid zich met de zaak bezighield, of zich zou moeten bezighouden. Of misschien heeft ze niets gedacht, dat kan ook. Of misschien heeft ze iemand anders iets over de Staatsveiligheid horen zeggen. Of heeft ze haar informatie gekregen van de christelijke werknemersorganisatie Beweging.net, maar wou ze die bron niet vermelden in een toespraak voor het Algemeen Boerensyndicaat. Je kunt die bewering in elk geval geen ‘fake news’ noemen, want het was juist níet de bedoeling dat die woorden in het nieuws zouden komen. Die zijn maar in het nieuws gekomen omdat haar vijanden van Climaxi de toespraak hebben gefilmd en online gezet.
     Kijk, wij kunnen ons ook een ander scenario voorstellen. Schauvliege geeft een interview aan De Standaard en vertelt daarin dat de klimaatbetoging gemanipuleerd wordt door mensen achter de schermen. De journalist vraagt terecht wat haar bronnen zijn. Als ze daarop antwoordt ‘Ik weet dat van de Staatsveiligheid’, dan is dat voor mij een andere zaak. Dan zou ik het naast een domheid, blunder, flater of stommiteit ook nog een leugen noemen. Maar meestal probeer ik voorzichtig om te gaan met dat woord in een politieke context.


* Ik herinner mij een bespottelijk  stuk waarin moraalfilosoof Loobuyck zich in de titel afvroeg wat men moest doen met ‘politici die liegen’. Zuhal Demir en Liesbeth Homans hadden onvriendelijke woorden gesproken over Unia. Als je het stuk las, was het echte verwijt van Loobuyck aan Demir en Homans dat ze aan ‘stemmingmakerij’, ‘polarisering’ en ‘grofbekkerij’ deden. Zo verliest het woord ‘leugen’ zijn oorspronkelijke betekenis van ‘opzettelijke onwaarheid’ en verwordt het tot een trucje in de polemiek.

** Jan Van Duppen stelt het epiteton ‘helmboswuivend’ voor. Dat geeft het kapsel van de jonge Wiebe aardig weer. Op recente foto’s vallen de haren helaas naar beneden en zijn ze grijs geworden. Ook herinnert Jan mij eraan dat Wiebe slechts één handdruk van Lenin verwijderd is aangezien zijn oma nog op de thee geweest is bij de leider van het wereldproletariaat.

zondag 6 januari 2019

Migratie-optimisme

     Op de vraag hoe het met mij, met jullie en met het heelal uiteindelijk afloopt, heb ik weinig gunstigs te melden. Maar ‘andrerseits bin ich kein rabenschwarzer Pessimist,’ zoals Reinhard Mey zong. Meestal ben ik een zonnetje in huis. En nu heb ik een nieuwe reden om mijn optimisme te koesteren. In De Zondag van vandaag staat een hoopgevend interview met John Crombez (Sp.a) ‘De migratie naar Europa moet verminderen,’ zegt hij. ‘Anders zal het niet houdbaar zijn. We moeten meer investeren in humane opvang in eigen streek.’  ‘U klinkt net zoals N-VA,’ werpt de journalist op. ‘Helemaal niet,’ antwoordt Crombez. Ja, wat moet die jongen daarop zeggen?*
     Met het nieuwe Sp.a-standpunt breidt de anti-migratiestrekking zich dus uit binnen het politieke centrum. Eerst was er het geruchtmakende openingscollege van Bart De Wever aan de RUG in 2015. S.pa volgt nu, misschien omdat ze zich ter linkerzijde willen onderscheiden door realiteitszin. Bij Open-Vld moeten ze nog eens goed nadenken over het verschil tussen economisch nuttige en economisch nadelige immigratie, maar ze volgen wel, te gelegener tijd, anders verliezen ze nog een keer kiezers aan N-VA. Voor CD&V ligt het wat moeilijker omdat ze halfopen grenzen en een ruime vluchtelingenopvang nu al zo lang prijzen als een vorm van christelijk humanisme. Maar vroeg of laat begrijpen ze zelfs daar het verschil tussen een humaan imago en een humaan beleid, want dat laatste moet per definitie ook realistisch zijn. Groen en PVDA zie ik niet snel omgaan, maar je kunt niet alles willen.
     Wel zal het ook ná de evolutie binnen de partijen niet gemakkelijk zijn. Er is de ethische controverse. Er is de noodzakelijke internationale samenwerking. Er is de juridische stand van zaken. Ook betekent een politieke consensus tussen de Vlaamse centrumpartijen, nog niet dat die consensus er is aan Waalse zijde. En verder is het sluiten van grenzen – nationaal of Europees – ingewikkeld en duur, en de landen van herkomst overtuigen om immigranten, met name afgewezen vluchtelingen, terug te nemen is eveneens ingewikkeld en – welja – duur. Want die regimes doen niets als ze er niets voor terugkrijgen.
     In elk geval ziet het ernaar uit dat migratie een belangrijk onderwerp wordt tijdens de volgende verkiezingscampagne. Dat komt onder andere door Marrakesh-beslissing van N-VA. Crombez zegt echter met recht en reden dat zulke zaken niet vastgelegd worden door de communicatiedienst van een partij: ‘De bevolking heeft al langer beslist welke thema’s de campagne domineren.’ Zo is dat. En migratie is één van die thema’s.
     Weinig grote problemen kunnen worden opgelost met ‘vijf minuten politieke moed’, zoals Yves Leterme indertijd heeft moeten ondervinden. Die wijsheid zullen we, geloof ik, niet terugvinden in de slogans van de komende verkiezingscampagnes. Daar zijn het slogans voor; ik heb daar geen probleem mee. Maar de regering die dan volgt, zal de eerste stappen moeten zetten. En de regering die erna komt, de volgende, enzoverder.
     En zo komt het allemaal nog goed.


 * Ook wat Crombez zegt over kernenergie staat mij wel aan. Zelf vindt hij dat ‘elk weldenkend mens weet dat gevaarlijke, vervuilende en dure kernenergie niet de toekomst kan zijn.’ Maar als de journalist van De Zondag opmerkt dat de wetenschappers van het VN-klimaatpanel kernenergie naar voren schuiven, antwoordt hij: ‘De kernlobby is aan het winnen.’ Kijk, dat vind ik alweer goed nieuws.

maandag 24 december 2018

Kerstbezinning over het Marrakesh-pakt

    Aangezien kerstfestijnen van ons gezin op zondagmiddag en dinsdagmiddag plaatsvinden, heb ik maandagavond vrij om lekker gezellig, tussen twee Stille Nachten op de piano door, een nieuw Marrakesh-stukje te schrijven. Misschien een bezinning over cijfers dit keer. Ik heb al enkele keren een beetje uitdagend beweerd dat vijfenzeventig procent – of drie vierde – van de Vlamingen tegen het Marrakesh-pact is. Dat was wat overdreven (hier). Nu ik de cijfers van de Nieuwsblad-enquête (hier) gelezen heb, zal ik voortaan niet meer spreken van drie vierde, maar van twee derde van de Vlamingen dat tegen het pact is. Ook dat is een beetje overdreven, maar niet zoveel, zoals ik hieronder betoog.
     Volgens de vermelde enquête, uitgevoerd door Ipsos bij duizend Vlamingen, zegt 31 procent van de bevolking ‘ja’ aan Marrakesh, 48 procent ‘nee’, en 21 procent heeft geen mening. Het Nieuwsblad geeft in die enquête ook nog een reeks andere vragen gesteld die met Marrakesh verband houden: of de regering moest vallen, of Theo Francken een goede staatssecretaris was,  of migratie een meerwaarde is voor ons land, of migratie belangrijker is dan klimaat, enzovoort.
    De politieke redacteur die met die cijfers een stuk moest schrijven,  heeft het allemaal wat ingekleed. Hij plaatst niet de vraag over Marrakesh in de kop, maar die over de val van de regering. ‘Vlaming vond het niet de moeite waard om regering te laten vallen over migratiepact,’ is blijkbaar de belangrijkste conclusie. Als 48 procent van de ondervraagden het Marrakesh-pact verwerpt, schrijft de redacteur dat ‘Vlaanderen verdeeld is’. Maar als 48 procent de val van de regering verwerpt, schrijft hij dat dat er daarover ‘meer eensgezindheid bestaat’. En uiteraard: als 53 % van de ondervraagden geen meerwaarde ziet in migratie, wordt meteen een experte opgebeld, Christiane Timmerman van het Centrum Migratie en Interculturele studies, die de cijfers in het ‘juiste kader’ moet plaatsen. ‘Het staat onomstotelijk vast,’ zegt de interculturele experte, ‘dat migratie economisch een meerwaarde biedt.’ Onomstotelijk? Dat zou ik nog eens willen zien. En sociaal-cultureel, gaat de experte verder, is er hoogstens sprake van een ‘uitdaging’, vooral ook omdat de indruk van overrompeling ‘hoegenaamd niet waar is’. Niet alleen ‘niet waar’, maar ‘hoegenaamd niet waar’. Men heeft dat daar allemaal heel precies uitgezocht, op dat Centrum.
     Ik wil mij hier niet bezig houden met het ‘juiste kader’ waarin we de cijfers moeten plaatsen, maar met de juiste verhoudingen tussen de cijfers. Die zijn wat ondoorzichtig door het grote percentage van ondervraagden dat ‘geen mening’ invult. Je zou dat kunnen vergelijken met ‘onthoudingen’ als er gestemd wordt. Toen er in de Kamer werd gestemd over het pact waren er géén onthoudingen. 75 procent was voor het pact en 25 procent tegen. De Wever zei toen – volgens mij terecht – dat bij de bevolking de meerderheid omgekeerd lag.

     De Wever wordt nu tegengesproken door Liesbeth Van Impe (hier). Die schrijft dat ‘48 procent [tégen het Marrakesh-pact] geen meerderheid is, laat staan een overtuigende’. Ik geef dat graag toe. Maar je kunt de cijfers van de Kamer en die van de enquête niet zomaar vergelijken. In de Kamer waren er zoals gezegd geen onthoudingen. Ik ben dus geneigd om voor mijzelf de onthoudingen bij de enquête even niet mee te tellen en dan krijg ik 61 procent tegen Marrakesh en 39 procent voor.
     Dat trucje zou ik ook kunnen toepassen voor de houding van de ondervraagden tegenover over migratie. Als ik de onthoudigen aftrek, of eerlijk verdeel onder de voor- en tegenstanders, dan krijg ik 65 procent dat geen meerwaarde ziet in migratie en 35 procent* dat die meerwaarde wel ziet. Of om het nog ruwer te formuleren: min of meer tweederde van de bevolking kant zich min of meer tegen nog veel nieuwe immigratie. Zonder mijn trucje gaat het ook. Dan schrijf ik gewoon dat er dubbel zoveel tegenstanders zijn van nieuwe migratie als voorstanders.
      Opvallend is dat de cijfers over migratie in het algemeen en over Marrakesh in het bijzonder niet helemaal samenvallen. Voor Marrakesh zijn er iets meer voorstanders, iets minder tegenstanders, en iets meer onthoudingen. Dat laatste begrijp ik – mensen die zichzelf niet geïnformeerd genoeg achten om het pact te beoordelen. Maar die bijkomende voorstanders begrijp ik niet goed. Waarom zou iemand die afwijzend staat tegenover migratie, tegelijk wel achter het Marrakesh-pact staan? Gelooft zo iemand misschien dat het pact de migratie zal afremmen of minstens onder controle zal brengen dankzij meer internationale samenwerking. Die uitleg over ‘controle’ en ‘internationale samenwerking’ heb ik vaak gehoord van de pro-Marrakesh-partijen Open-VLD en CD&V**. Maar blijkbaar is er toch maar 3 procent van de ondervraagden dat in díe redenering meegaat. Het grootste deel van de pro-Marrakesh-mensen wordt geleverd door de pro-migratie-mensen.
     Over de manier van vragen stellen ben ik overigens redelijk tevreden. Je kunt op alles kritiek hebben als je wil. ‘Migratie is een meerwaarde voor ons land’ …  dat is wat ongenuanceerd; Als ik dat letterlijk nam, zou ik hier ‘ja’ kunnen antwoorden, want arbeidsmigratie heeft allerlei voordelen. Maar ik neem aan dat de meeste ondervraagden wel begrepen over welk type immigratie het ging en dáárover hun mening hebben gegeven. Als er had gestaan ‘Afrikaanse en islamitische massa-immigratie is een meerwaarde’ zou het neen-kamp wat groter geweest zijn, en als er had gestaan ‘De basisrechten van de asielzoekers moeten beter worden gerespecteerd’**, had dat het een wat groter ja-kamp opgeleverd. Veel zal het niet schelen.
 



* In onderstaande tabel staan enkele cijfers uit de enquête samengevat. Het zou goed zijn mochten kranten een link meegeven waarmee je de enquête en het enquêterapport zelf kunt raadplegen.
 
Ja
Nee
Onth.
‘Migratie is een meerwaarde voor ons land’
28
53
19
Ik sta achter het VN-Migratiepact
31
48
21
Migratiepact belangrijk genoeg om regering te doen vallen
31
48
15
Er moeten vervroegde verkiezingen komen
33
54
13
Francken was een goede Staatssecretatis voor Asiel
61
26
13
Vertrouwen in De Block als opvolger van Francken
34
51
15


** Volgens de Nieuwsblad-enquête zijn de kiezers van die partijen veel minder Marrakesh-enthousiast. Bij de liberalen zijn bijna evenveel voor- als tegenstanders. Karl Drabbe (hier) had dus gelijk toen hij zich verwonderde over de radicale pro-Marrakesh-lijn van de liberale leiding. Misschien heeft die leiding gedacht dat ze zich zo’n lijn kon veroorloven omdat haar traditionele rechtervleugel toch al onherroepelijk verloren was aan N-VA. Of misschien heeft ze gedacht dat centrum-jongeren en bloc pro Marrakesh zijn. Twee misrekeningen geloof ik.

*** Je kunt de rechten van asielzoekers ook verdedigen als je niet vindt dat immigratie ‘een meerwaarde voor ons land’ betekent.