Posts tonen met het label Chrétien de Troyes. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Chrétien de Troyes. Alle posts tonen

donderdag 2 januari 2020

'Een van onze grootste kunstenaars'

    


     Er is niets mis met een beetje eerbied – voor bejaarden bijvoorbeeld, zeker nu ikzelf tot die groep behoor. In de Nederlandse les probeer ik mijn leerlingen wat eerbied bij te brengen voor de grote namen uit de literatuur. ‘Chrétien de Troyes,’ zeg ik dan met veel nadruk, ‘was de tweede grootste epische schrijver van de middeleeuwen.’ Daarmee heb ik meteen mijn les over Dante al wat aangekondigd. Omgekeerd vind ik het fijn om af en toe zo’n grote naam eens door de mangel te halen. Dan geloven de leerlingen gemakkelijker dat ik meen wat ik over de anderen zeg, en dat ik die niet alleen ophemel omdat ik ervoor betaald word.
     Eerbied is dus goed, maar te veel eerbied wordt bespottelijk. Het is alsof je een buiging maakt die zo diep is dat je romp en je benen een perfecte hoek van 90 graden vormen daar waar je achterwerk zich bevindt. In mijn jonge jaren behoorde ik tot een organisatie waar men sprak over ‘voorzitter’ Mao en ‘kameraad’ Stalin. Gewoon Mao en Stalin kon ook, maar af en toe moest de titel er toch bij. We deden op die manier mee aan een oude, ik zal maar zeggen: eerbiedwaardige, traditie. De anarchisten van honderd jaar geleden spraken ook over ‘graaf’ Tolstoj en ‘vorst’ Kropotkin. ‘Ça me gêne si peu et ça leur fait tant de plaisir,’ zei de laatste daarover.
     Karel van het Reve haalt ergens aan dat de communisten van de jaren dertig – binnenkort zijn ze er weer, die jaren – graag de academische titels van hun intellectuele leden vermeldden: ir Anton Struik, mr. A.S. de Leeuw, dr. J.A.N. Knuttel’. Dat was vijftig jaar later nog altijd een beetje zo. Een vriend van ons – laten we hem Piet Zonnebloem noemen – maakte toen een reis naar Peru. Dat was een politieke reis om contacten te leggen met een marxistisch-leninistische partij die daar in het hooggebergte actief was – niet het Lichtend Pad, maar een bravere versie ervan. Nu was onze vriend ingenieur van opleiding, en overal waar hij kwam, werd hij door het lokale partijcomité opgewacht met spandoeken waarop stond: ‘Bienvenido al ingeniero Piet Zonnebloem del Partido del Trabajo de Bélgica’. De materialenkennis van ingeniero Piet straalde daarmee af op de hele communistische beweging van ons land. 
      Ook mooi zijn de adjectieven die in het milieu gebruikt worden. Als een schrijver ‘humanistisch’ wordt genoemd, of een geleerde ‘kritisch’, een schilder ‘vooruitstrevend’ of een kanunnik ‘democratisch’, dan mag je er zeker van zijn dat die iets gezegd heeft dat in het communistische kraam past, of hij nu Sartre** heet, of Chomsky*** of Picasso of François Houtart****. Soms volstaan zelfs de adjectieven ‘belangrijk’ of ‘groot’ om een politieke verbondenheid uit te drukken. Daar kan desnoods nog een overtreffende trap bij. Een oude vriend van mij postte laatst iets over een interview dat hij in De Morgen gelezen had met ‘één van onze allergrootste kunstenaars.’ Het ging om Luc Tuymans.
     Ik kan de inhoud van dat interview al een beetje raden.

* De anarchisten van mijn generatie spraken over ‘de boer’ Machno, ook een soort adeltitel als je wil.
** Zie ook hier en hier.
*** Zie ook hier en hier.
**** Zie ook hier.

maandag 17 juli 2017

Troyes (France)

Troyes: rue Emile Zola - een van de vele literaire straatnamen
     Telkens als we met de auto naar het Zuiden rijden, over de Franse tolwegen, komen we voorbij Troyes, één keer op de heenreis en één keer op de terugreis. ‘Troyes,’ denk ik dan, ‘Chrétien de Troyes, 1140-1190’ want ik ben romanist van opleiding. En we rijden onverstoord verder.
     Dit jaar hebben we het anders gedaan. We hebben de afslag genomen, zijn het stadje binnengereden, hebben ons aangemeld bij het Bureau voor Toerisme, en hebben aan de juffrouw achter de balie gevraagd wat de stad doet om haar beroemde zoon Chrétien te eren. Dus: staat er ergens een standbeeld? Is er een jaarlijks festivalletje? Een museumpje? Een bioscoopje waar men driemaal per dag de film ‘Perceval Le Gallois’ van Röhmer vertoont? Maar dat valt tegen.* De juffrouw achter de balie heeft nog nooit van Chrétien gehoord. Ze haalt er een collega bij en ook die kijkt ons aan alsof het ergens heel in de verte aan het donderen is. Leren ze daar dan niets op die Franse scholen?
      Ik leg geduldig uit* dat Chrétien de uitvinder is van de Arturroman, dat hij de legende van de Heilige Graal bedacht heeft, dat velen hem beschouwen als de grootste middeleeuwse schrijver na Dante en Chaucer. Ik wil er nog bij zeggen dat alleen door het toevoegsel ‘de Troyes’ achter de naam Chrétien men ook aan Amerikaanse universiteiten weet heeft dat het Franse provinciestadje bestaat. Maar ik hou me in en misschien is het niet waar. Misschien kende in Amerika alleen Mary McCarthy iets van middeleeuwse Franse letteren. En Mary McCarthy is al enige tijd dood.
     ‘Een middeleeuwse schrijver?’ vraagt een van de baliejuffrouwen. ‘Dan moet je in de gemeentebibliotheek zijn. Daar hebben ze hele oude boeken.’
     Als we in de gemeentebibliotheek arriveren, melden we ons weer bij de balie aan en stellen we onze Chrétien-vraag aan een jongeman met een bril. Die weet heel goed wie Chrétien is en ook dat er in de bibliotheek niets mee gedaan wordt. Er is wel een tentoonstelling van middeleeuwse manuscripten, zegt hij.
     Die tentoonstelling hebben we dan maar bezocht. In de manuscripten waren allerlei mooie gekleurde tekeningen aangebracht.
___________

* Ik heb in mijn boekenkast een Nederlandse vertaling van ‘Perceval’ in een kinderlijk ogende uitgave: nagenoeg vierkante bladzijden, verbreed lettertype. In het ‘Nawoord’ lees ik: ‘Hij [Chrétien] werd geboren in Champagne, in de stad Troyes, waar echter niets dan een straatnaam nog aan hem herinnert.’ Ik deel de verontwaardiging van de auteur, maar wat hij schrijft is niet helemaal correct. Er is naast een ‘Rue Chrestien de Troyes’ ook nog een ‘Rue du Chevalier Perceval’ en een ‘Rue du Chevalier au Lion’, en zelfs een ‘Lycée Chrestien-de-Troyes’. Die discrete verwijzingen stellen natuurlijk weinig voor in vergelijking met de ‘Boulevard Victor Hugo’, de ‘Avenue Anatole France’ en het ‘Collège Albert Camus’. Maar ’t is toch iets.

** Een duidelijk voorbeeld van ‘mansplaining’. Zie hier.