Posts tonen met het label Paul De Grauwe. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Paul De Grauwe. Alle posts tonen

zaterdag 6 augustus 2022

De mega-overwinsten van de oliebedrijven


      
Groot is mijn verontwaardiging als ik lees over de ‘mega-overwinsten’ van de oliebedrijven. Begrijp mij niet verkeerd, goede lezer, die enorme bedragen zelf kunnen mij niet veel schelen. Of het nu om 100 miljard gaat, of om 10 miljard of om een half miljard, het gaat altijd om veel geld, en ik zal mij altijd de bedenking maken dat het eigenlijk ook een beetje mijn geld is. Exxon heeft in de eerste helft van 2022 een winst geboekt van 23,3 miljard dollar. Mijn vrouw en ik hebben daartoe bijgedragen, want we tanken altijd Esso. Ik vind de hoge prijs aan de Esso-pomp pijnlijk, maar verontwaardigd, nee, daarvoor is meer nodig.
     Meer, zoals wanneer ik over zo’n ingewikkelde kwestie alleen slordige commentaar en slordige berichtgeving op mijn bord krijg. 
    Bij Het Nieuwsblad ben ik aan het juiste adres voor de twee. Neem het commentaarstuk van Peter Mijlemans op bladzijde 2. Hij loopt zich eerst warm. ‘Voor maximale winst gaan … daar is op zich weinig op tegen,’ schrijft hij. Wat is dat nu voor een zinnetje? Ben ik werkelijk zo achterdochtig als ik denk dat Mijlemans met veel gemak het tegenovergestelde zou kunnen schrijven?  Zou ik ver moeten zoeken in het archief voor ik een stukje vind waarin hij schrijft dat er heel veel ‘op tegen is’ als  de economie ‘in het teken staat’ van het streven naar ‘maximale winst’?
     Bij nader toezien is het allemaal eenvoudig. Mijlemans is niet tegen maximale winst ... behalve als ze … welja … maximaal is. Dan is het geen winst meer, maar overwinst of mega-overwinst. Kijk, die voorvoegsels ‘over’ en ‘mega’ veranderen natuurlijk alles. Er is een groot verschil tussen ‘maximale winst’, waar weinig op tegen is, en ‘mega-overwinst’ waar dringend iets aan moet worden gedaan. Zo is het toch?
     Mijlemans merkt verder op dat de huidige winst samenhangt met de oorlog in Oekraïne. Daardoor wordt die winst ‘macaber’ want, je begrijpt, oorlog is ‘macaber’ dus is de daarmee samenhangende winst dat ook. Maar valt uit dat woord ‘macaber’ nu ook een heus argument te puren? Ik betwijfel het. De oorlog in Oekraïne is het gevolg van een macabere beslissing van Poetin. Exxon en Total hebben daar weinig mee te maken.
    Ten slotte wijst Mijlemans op het gebrek aan een vrije oliemarkt. De olieproducerende landen spreken onder elkaar af om minder op te pompen dan ze kunnen, waardoor de prijs van de ruwe olie drie maal hoger is dan hij zou moeten zijn. Zeker is dat zo. Maar wat wil Mijlemans nu zeggen? Dat dat de schuld is van de oliemaatschappijen? Dat is niet zo. Of wil Mijlemans dat de olieproducerende landen méér zouden oppompen? Dat zou steek houden. Maar ik denk dat Mijlemans, als milieubewuste journalist, bij zo’n vermeerderd oppompen zich vooral druk zou maken over de ‘komende klimaatramp’.
     Over het verweer van de oliemensen is Mijlemans laconisch. Ze beweren dat de winststijging zo spectaculair uitvalt omdat men vergelijkt met de slechte cijfers van de coronajaren. Dat kan best, zegt Mijlemans, maar de sector maakte voor de coronajaren ook al veel winst. Dat is zeker waar. Ze maakten zelfs maximale winst. Ik dacht dat daar ‘op zich weinig op tegen was.’ De oliemensen zeggen ook dat ze hun winsten willen gebruiken voor investering in nieuwe energiebronnen. Dat klopt niet, zegt Mijlemans, die winst gaat naar uitkering van dividenden. Misschien. Maar moet ik Mijlemans op zijn woord geloven? Of zal ik de precieze cijfers over investering in nieuwe energie en dividenden vinden in de verdere berichtgeving van Het Nieuwsblad?
     Ik ga naar bladzijde 11 waar die berichtgeving zich bevindt en mijn verontwaardiging neemt alleen maar toe. Ik zie een tabel met de winsten van de Exxon, Total, Chevron, Shell en BP, telkens met vermelding van de stijging tegenover vorig jaar – een verdubbeling tot verdriedubbeling. Daar kan ik niet veel mee aanvangen. Ik krijg liever de cijfers van de laatste 20 jaar, zodat ik de trend op lange termijn kan beoordelen. Ook wil ik de verdeling kennen van die winst over dividenden en investering, en met name de investering in nieuwe energie. Dan weet ik ten minste of Mijlemans op bladzijde 2 uit zijn nek heeft gekletst of niet. Ten slotte wil ik een heldere uitleg over de economische mechanismen achter de cijfers. Op welke manier bijvoorbeeld zorgt een hogere prijs voor ruwe olie voor hogere winst? Waarom legt mijn krant zoiets niet uit, vraag ik mij verontwaardigd af.
     Het stuk op bladzijde 11 bevat, naast de recente winstcijfers, erg weinig feiten. Ik leer dat in Italië 10 procent extra belasting geheven wordt op meerwinsten van olie- en gasbedrijven en dat Tinne Vanderstraten ook zoiets wil invoeren: een extra belasting van 25 proent op zo’n stijging van de winsten. Maar verder krijg ik in plaats van feiten weer opinies, maar dan van derden, in de vorm van quotes.
     De belangrijkste derde die geciteerd wordt, is VN-baas Guterres. ‘Het is immoreel,’ zegt Guterres, ‘dat olie- en gasbedrijven recordwinsten maken op de kap van de armste mensen terwijl ze de planeet vernielen.’ ’t Is een uitspraak waar je niet te lang over mag doordenken. Want als de oliebedrijven recordwinsten maken ‘op de kap van de armsten’ betekent dat dat ze te hoge prijzen aanrekenen. Het meest logische zou dan zijn om de prijzen te verlagen – meer olie oppompen zoals Mijlemans halvelings suggereert. Maar dat kan de bedoeling niet zijn, want dan wordt de planeet nog meer vernield. Dus moeten die prijzen niet omlaag, maar moeten de oliemaatschappijen zwaarder belast worden. Ach zo, op die manier.
     En wat denkt een afgestudeerde econoom over zulke belastingen op mega-overwinsten? Het Nieuwsblad heeft het aan Paul De Grauwe gevraagd. Die verwoordt het zo. ‘Veel mensen zijn bereid te aanvaarden dat bedrijven veel winst maken door nieuwe producten of technologieën, maar in deze hebben de oliemaatschappijen niks gedaan. Als ze een beetje serieus waren, zouden ze kunnen zeggen: Dit behoort ons niet toe, we geven het terug aan de maatschappij in plaats van aan de aandeelhouders.’
     De Grauwe is ongetwijfeld een bekwaam econoom. Knoeiers en sufferds worden geen professor aan de London School of Economics. Maar hier spreekt hij als leek: ‘veel mensen vinden …’ Om zoiets te verzinnen moet je geen economie gestudeerd hebben. Het is een opinie, als vele andere. En veel meer dan opinies heb ik dus niet gevonden op een pagina die nochtans voorbehouden is aan berichtgeving, dat wil zeggen: feiten en analyse.
     Zoiets wekt mijn verontwaardiging.

     

zondag 27 januari 2019

Ik ben een klimaatoptimist

     Vanmorgen aan de ontbijttafel kwam het gesprek op de klimaatbetoging van vandaag. Jan dacht dat er wel honderdduizend deelnemers zouden zijn. Om te beginnen zouden al die spijbelende scholieren er zeker bij zijn, zei hij, al was het maar om te bewijzen dat het hen niet om een wekelijks dagje vrij te doen was. Wel twijfelde hij eraan of Brussel groot genoeg was om honderdduizend betogers te omvatten. Mijn vrouw wees erop dat de rakettenbetoging van 1983 wel vierhonderdduizend mensen naar Brussel kreeg. Dat is waar. Ik heb ze met eigen ogen gezien.
     Mij maakt het eigenlijk niet veel uit hoeveel betogers er voor het klimaat op straat komen. Als het er maar honderd zijn, en ze hebben gelijk, dan doet hun kleine aantal niets van dat gelijk af. En als het er een miljoen zijn, en ze hebben ongelijk, dan wordt dat ongelijk niet verholpen door hun grote aantal. De grote geestdrift in de late middelleeuwen voor heksenverbranding zegt niets over de waarschijnlijkheid dat excentrieke vrouwen omgang hebben met de duivel. Hoogstens kunnen wij uit zo’n massale geestdrift besluiten dat er onder de bevolking misschien wel een brede consensus bestond of bestaat over die heksen, die raketten en dat klimaat. Maar als maatstaf voor de waarheid is zo’n consensus waardeloos.
     Anders is het gesteld met een wetenschappelijke consensus. Rond het klimaat is een wetenschap ontstaan die een beroep doet op bevindingen uit de biologie, chemie en fysica en verder op metingen allerhande. Op die gegevens worden statistische analyses losgelaten die een verklaring opleveren van wat er recent met het klimaat gebeurd is, en wat er in de toekomst zal gebeuren. Een aantal van die gegevens zijn
  • CO2 heeft de eigenschap om stralingswarmte te absorberen; die eigenschap werd in 1869 al vastgesteld door de Engelse natuurkundige John Tyndall
  • de aanwezigheid van CO2 in de atmosfeer is gestegen: van 0,03 % in 1959 tot 0,04 % in 2016
  • jaarlijks zorgt industriële activiteit voor een CO2-uitstoot van 0,0004 % van de atmosfeer en de menselijke ademhaling voor één van 0,00003 %*
  • de temperatuur op aarde is nu 0,9 % hoger dan in 1880
    Zelfs een leek ziet met die cijfers dat er minstens een mogelijk verband is tussen de menselijke activiteit, de stijging van CO2-concentratie en de stijging van de temperatuur. Er is zelfs een verklaring voor dat verband. CO2 functioneert als het glas van een serre of broeikas, die de warme zonnestralen binnenlaat, maar daarna in die kleine ruimte vasthoudt. Die broeikastheorie, toegepast op de hele aarde, laat toe om voorspellingen te doen, en die dan te testen. Zo moet volgens het model de stijgende temperatuur in de lagere atmosfeer samengaan met een dalende temperatuur in hogere stratosfeer. Men heeft dat gecontroleerd en het klopt, beweren de geleerden.
     Dát soort voorspellingen zijn eigenlijk hypothesen. Men kan die onmiddellijk testen door experimenten of metingen. Andere voorspellingen gaan écht over de toekomst. Hoeveel zal de temperatuur verder stijgen? Wat zullen de gevolgen zijn voor de zeespiegel, de vegetatie, de windkracht? Die voorspellingen kan men niet onmiddellijk testen. Wij moeten de gebeurtenissen afwachten om zekerheid te hebben, en als die dan catastrofaal blijken te zijn, is het misschien te laat. Die laatste gedachte is het, geloof ik, die vandaag Anuna De Wever, Tine Hens en Tom Naegels op straat brengt. 
     Zelf ben ik optimistischer. Om te beginnen zijn die klimaatgeleerden het ook niet allemaal met elkaar eens. Er is een ruime mate van consensus, maar de voorspellingen van temperatuurstijging van nu tot 2100 variëren van 0 °C tot 1,4 °C mét sterke CO2-reductie en van 0,8° tot 4,5 graden zonder CO2-reductie.** Bijna iedereen is het ermee eens dat menselijke activiteit een invloed heeft op de temperatuurstijging, maar daarmee is nog niet gezegd hoe gróót die invloed is. En ook die invloed zelf wordt volgens metastudies nog altijd aangevochten door 3 à 10 % van de klimatologen.***
          Het relatieve karakter van de consensus is begrijpelijk. Klimaatwetenschap is niet vergelijkbaar met fysica, waarbij het verband wordt onderzocht tussen een klein aantal grootheden zoals snelheid, massa en energie. Het is een toegepaste wetenschap waar heel veel – soms moeilijk meetbare – gegevens een rol spelen: andere broeikasgassen zoals damp, zonneactiviteit, aerosolen, vulkaanuitbarstingen, vegetatie, CO2-uitwisseling tussen atmosfeer en oceaan**** en nog veel, veel meer.
     Al die gegevens worden ingebracht in computermodellen. Dat is een prima methode want er is geen alternatief. Maar die computermodellen hebben dezelfde nadelen als elke statistische analyse. Je weet nooit helemaal zeker of je voldoende dan wel te veel gegevens hebt ingebracht en of je wel de juiste gegevens gekozen hebt. Wetenschappen die sterk van statistiek afhankelijk zijn, lijken mij daarom kwetsbaar voor eenzijdigheid, subjectiviteit, vooroordelen en conformisme – eventueel ook voor tegendraadsheid. Bovendien opereert de klimaatwetenschap in een gebied waar publieke opinie, beleidsmakers en internationale bureaucratie zich laten gelden. Bij mij komt dan als vanzelf de vergelijking op met wetenschappen als epidemiologie, criminologie of – maar nu overdrijf ik misschien – pedagogie.
         Aan de andere kant is de klimaatwetenschap het beste wat we hebben. Die mensen kunnen  best gelijk hebben***** en dan ziet het er maar slecht uit. Elchardus somt in De Morgen op wat een echte beperking van de CO2-productie betekent: ‘minder vrije markt, een meer sturende overheid, strakkere regulering, zwaardere belastingen voor iedereen minder consumptie’.****** Of concreter: als we niet in de marge willen rommelen met een isolatiepremie hier en een fietspremie daar, zit er niets anders op dan iedereen in een levensstijl te dwingen die ver onder de huidige armoededrempel ligt: klein appartementje, geen bad, geen douche, geen vlees, geen reizen, geen auto, geen nieuwe kleren – want helemaal plaatselijk gefabriceerd en dus duur – en weinig verwarming. China en Indië moeten stoppen met groeien en Afrika moet blijven zoals het is, maar met minder mensen. Elchardus betwijfelt overigens of het zover zal komen. ‘Als dat tot iedereen doordringt, is de kans groot dat mensen zich de vraag gaan stellen wat nu het pijnlijkste is: de gevolgen van de opwarming of de gevolgen van de het beleid nodig om de opwarming te beperken? Misschien opteren sommigen voor het leren leven met opwarming.’ ‘Misschien’, schrijft hij, en ‘sommigen’, maar dat is wel heel voorzichtig.
     Gelukkig sta ik voor mijn optimisme op vastere grond. Dat zit zo. Ik ben al geruime tijd voorstander van meer kernenergie. Ik heb mij laten overtuigen dat dat de goedkoopste en efficiëntste energievorm is. Tot voor enkele maanden was ik pessimistisch omdat én de publieke opinie én de klimaatmensen er tegen waren. Maar nu wordt kernenergie langzamerhand ontdekt door de klimaatmensen zelf omdat ze er een werkbaar alternatief in zien voor de CO2-uitstotende brandstofenergie. Wat zie ik vandaag bijvoorbeeld op de voorpagina van De Zondag? Professor De Grauwe die in grote letters verklaart: ‘Ik ben voor kernenergie vanuit milieuoverwegingen.’ Dat is realistisch bekeken van de professor.
     Op dit ogenblik wordt 87 % van de energie in de wereld geleverd door fossiele brandstof, 7 % door waterkracht en slechts 4 % door kernreactoren.  Op dat laatste terrein is echter veel meer mogelijk en dat wordt nu al bewezen door landen als België, Frankrijk, Oekraïne en Hongarije die meer dan 50 % van hun elektriciteit uit kernenergie halen. Er is eigenlijk geen reden waarom dat, ook op wereldvlak, geen 100 % kan worden. Dan zijn we er nog niet, want dan moeten transportmiddelen, verwarming, hoogovens en dergelijke ook nog op die door kernenergie opgewekte elektriciteit overschakelen, maar ‘t is al een hele stap naar een échte daling van onze CO2-productie. Helemáál weg krijgen we CO2 nooit, want we blijven ademen natuurlijk. Bij leven en welzijn.

* Die cijfers als percentage van de atmosfeer heb ik zelf uitgerekend rekening houdend met een totale hoeveelheid van CO2 van 708 gigaton en een industriële productie die goed is voor 7,56 gigaton en een collectieve ademhaling van 0,6 gigaton. Hopelijk heb ik geen rekenfouten gemaakt.

 ** Dit zijn cijfers die uitgaan van een sterke vermindering van broeikasgasuitstoot. Nl.Wikipedia spreekt van een temperatuurstijgingen tussen 0,9°- 2,3° enerzijds en van 1,7°- 5,4° anderzijds. Daarbij wordt vergeleken met de periode tussen 1850 en 1900. Ik heb van die cijfers de 0,9 °C afgetrokken die sinds 1880 heeft plaatsgevonden.

 *** Cook (2013) geeft 3 % dissidenten. Verheggen (2014) geeft 9 % dissidenten (zie hier). Slechts een minderheid van de klimatologische artikels behandelen overigens de rol van de mens in de klimaatwijziging.

 **** De jaarlijkse CO2-uitwisseling tussen oceanen en atmosfeer is 10 keer zo groot als de uitstoot veroorzaakt door de mens. De uitwisseling tussen atmosfeer en vegetatie is 12 keer zo groot. (Zie hier)

***** Mijn zuivere klimaatscepticisme dat mij ooit kwam aangewaaid, kreeg flinke tegenwind toen ik een keer een namiddag heb doorgebracht op de polemische maar goed gemaakte site van skepticalscience. (Zie hier en hier)

****** Zouden er mensen bestaan die zo’n toekomst in abstracto aantrekkelijk vinden? Ik geloof bijna van wel.



zaterdag 29 oktober 2016

Paul Magnette en de negen zeemonsters

     Paul Magnette, die volgens Jan op de jonge Marlon Brando lijkt, is van de week veel in het nieuws geweest, omdat hij zich als enige verzette tegen de ondertekening van het Canadees-Europese handelsakkoord. Hij werd door zijn vrienden vergeleken met koning David en met Asterix, en door zijn vijanden met de Griekse veldheer Pyrrhus. Die vergelijkingen zijn wat moeizaam omdat zowel David en Asterix alsook Pyrrhus hun vijanden versloegen, en dus de overwinning behaalden op Goliath, de Romeinen en nogmaals de Romeinen. Magnette daarentegen heeft geen iota kunnen veranderen aan het akkoord dat nu toch ondertekend wordt. En de iota is de kleinste letter van het Griekse alfabet, zo klein dat hij vaak onder een andere letter wordt geschreven.
    Zelf vindt Magnette dat hij het er goed heeft afgebracht (hier). De onderhandelingen waren moeilijk, hij heeft weerstand geboden aan de internationale druk en hij heeft het ultimatum getrotseerd. Met dat laatste bedoelt hij dat de ondertekening van het ongewijzigde akkoord met enkele dagen werd uitgesteld. Daarna somt hij een aantal ‘verworvenheden’ op – geen private arbitrage, sociale normen, milieunormen, bescherming van de publieke sector – die allemaal, for better or for worse,  al in het akkoord stonden vóór Magnette er zich mee bemoeide.
     Maar heeft hij dan geen klein protectionistisch maatregeltje kunnen bekomen om minder competitieve Waalse producenten te beschermen tegen de Canadese concurrentie? Heeft hij geen bijkomende regelingen kunnen afdwingen om de agrariërs van zijn coalitiegenoot CDH te beschutten voor transatlantische aanvoer van vlees en groenten? Eigenlijk niet, en dat is gelukkig voor de Waalse consumenten, en voor de huidige en toekomstige Waalse ondernemers die wél hun kans grijpen.
     Magnette beweert dat het niet zozeer om CETA ging als wel om de toekomstige handelsakkoorden. Ook bij die toekomstige akkoorden zal bijvoorbeeld de private arbitrage tussen staten en multinationals geweerd worden. Mocht dat zo zijn – so what? Zelfs het erg neoliberale Amerikaanse CATO Institute vindt die arbitrage niet zo bijzonder (hier). En, belangrijker, het Waalse gewest is niet echt van plan om multinationals te dwarsbomen als die in Wallonië willen investeren. Veel arbitrage zal er dus niet nodig zijn. Onze zuiderburen zullen geloof ik blij zijn met elke multinational die komt en zullen treuren om elke multinational die vertrekt. Misschien dat de PS ooit dwars zal liggen tegen buitenlandse investeerders wanneer de partij ook in Wallonië in de oppositie belandt. Maar dat is voorlopig toekomstmuziek.
    Omdat Magnette nu eenmaal tot de francofonie behoort, én tot de politieke wereld, gebruikt hij veel woorden als ‘steun’, ‘energie’, ‘moed’, ‘weerstand’, ‘strijd’, ‘mobilisatie’ en ‘openbaar debat’. Dat opscheppen hoort erbij. Je hoort niet vaak een politicus toegeven dat hij een strijd verloren heeft*. Trump zegt nu al dat hij bij verlies niet zal toegeven dat hij de verkiezingen verloren heeft. En opscheppers hebben altijd een excuus klaar.

     Zo’n opschepper was ook Beowulf, de Zweeds-Deense held van het Oud-Engelse middeleeuwse epos. Hij had het in een zwemwedstrijd opgenomen tegen de sterke Breca en … verloor. Hij werd aan die nederlaag herinnerd door Unferth, de leenman van koning Hgrotar. Beowulf had zijn uitleg klaar. Hij had zeven dagen en zeven nachten gezwoegd (seofon niht swoncon). Het weer was erg koud (wedera cealdost). Er stond een noordenwind (norþanwind). De golven waren geweldig (hréo waéron ýþa). Hij had tijdens het zwemmen een gebreid harnas aan (bróden beadohrægl) en had ook een zwaard in de hand (swurd on handa). En dan werd hij nog aangevallen door negen zeemonsters die hij allemaal moest verslaan (ic mid sweorde ofslóh niceras nigene).  Er was met andere woorden veel ‘energie’ en ‘moed’ en ‘strijd’ aan te pas gekomen. Kortom … ja, Breca was eerst gearriveerd.

* Je zou ook kunnen zeggen dat Magnette als overwinnaar uit de krachtmeting kwam omdat het nooit zijn doel was om het handelsakkoord echt te wijzigen. Dat hij alleen een politiek spel speelde om electoraal populair te worden. Maar als ik dat beweerde zou ik hem een intentieproces aandoen en ik heb van de week Paul De Grauwe al een intentieproces aangedaan. (hier)
 
 


donderdag 27 oktober 2016

CETA, de vrije handel en de milieuvervuiling

Nobelprijswinnaar Economie Krugman vindt de vrijhandel
van Adam Smith en David Ricardo nog altijd actueel
          Hoewel veel deelnemers aan het debat over CETA beweerden dat ze de 1.600 bladzijden van het akkoord niet gelezen hadden, kwam je bij hen toch verrassend vaak erg gedetailleerde argumenten tegen. Zo leerde je ook een keer wat nieuws. Tot voor kort kende ik het verschil niet tussen ISDS-arbitrage en ICS-arbitrage. Ik geloof dat ik voor ISDS ben, maar pin me er niet op vast. ’t Was allemaal erg vermoeiend.
     Het was dan ook met opluchting dat ik een stuk las van professor De Grauwe die ruimhartig bekende dat die details er niet zoveel toe deden, want dat het akkoord in wezen om de wereldwijde vrije handel ging. Dat was ‘des Pudels kern’ en dat vond ik ook. Maar Professor De Grauwe was tegen die wereldwijde vrije handel – die hij ‘globalisering’ noemde –  of toch min of meer tegen, net als professor Holslag die een paar dagen eerder een soortgelijk stuk publiceerde (1).
      Dat is eigenaardig, want de voordelen van vrije handel zijn gemakkelijk te begrijpen. Als Portugal beter is in het maken van wijn, en Engeland is beter in het maken van katoentjes, dan moeten die twee landen zich maar specialiseren in wat ze het beste doen en daarna hun overschot naar elkaar uitvoeren. Dat is de vrije handel. Er moeten helemaal geen afspraken worden gemaakt over hoeveel wijn Portugal naar Engeland mag of moet uitvoeren. Alles wordt geregeld door de consument die prijs en kwaliteit vergelijkt. De Engelse wijnliefhebber ziet in de winkel goedkope Portugese wijn liggen en besluit, na uitgebreid proeven thuis, dat die beter smaakt en minder hoofdpijn geeft dan het inheemse bocht (2). Hij moet dus geen twee keer nadenken over welke wijn hij voortaan koopt. Het gevolg is dat de Engelse wijnproducent met zijn Engelse wijn blijft zitten, bankroet gaat en overschakelt op het maken van eerteklas katoentjes die hij dan in Portugal gaat verkopen.
     En het mooie is dus – nogmaals – dat daar geen afspraken voor moeten worden gemaakt. Er moet niet worden afgesproken dat de ene iets van de andere koopt op voorwaarde dat de andere iets terug koopt. Als de Portugezen zo dwaas zijn om geen goedkope Engelse katoentjes te kopen, dan is dat jammer voor de Portugezen, maar dat is voor de Engelsen nog geen reden om dure, slechte Engelse wijn te drinken. Die Engelse katoentjes die de Portugezen niet willen, moeten dan maar aan iemand anders worden verkocht, desnoods aan de Engelsen zelf, die nu toch geld teveel hebben sinds ze goedkoop wijn kunnen drinken.
     Nu zegt u misschien – Clerick, dat zijn praatjes van lang geleden, toen er nog geen mobieltjes werden ingevoerd vanuit Korea en de katoentjes nog niet uit China kwamen. Die praatjes over Portugal en Engeland, en over de wijn en de katoentjes, waren misschien wel toepasselijk in de tijd van Adam Smith en James Mill en David Ricardo en Frédéric Bastiat. Maar de economische wetenschap weet ondertussen beter.
     Wel – eigenlijk niet. De productietechnieken zijn de laatste 200 jaar veranderd, maar de wetten van de logica niet, en de menselijke drijfveren evenmin. Als ik een mobieltje wil kopen, kijk ik ook naar prijs en kwaliteit, net als die 19de-eeuwse Engelse wijnliefhebber.
     Paul Krugman, die in 2008 de Nobelprijs voor de Economie won en die zeker geen neoliberaal is, schreef in 1997 een artikel over de vrije handel. Hij geeft aan dat de oude theorie van Smith en Ricardo weliswaar niet volmaakt is, maar nog altijd veruit de beste is, en dat die aangehangen wordt door bijna iedereen die economie heeft gestudeerd, of hij nu neoliberaal of Keynesiaan is (3).
     De Grauwe is neoliberaal geweest, en is nu Keynesiaan, maar was altijd een econoom, en in die hoedanigheid  is hij in zijn hele academische carrière, zoals hij zelf zegt, ‘altijd een voorstander geweest van de vrijhandel’ want ‘die vrijhandel ligt aan de basis van de materiële welvaart in Europe en heeft het ook mogelijk gemaakt dat honderden miljoenen mensen in de wereld uit de extreme armoede werden gerukt.’
    De vrije handel zorgt dus voor materiële welvaart. Tot hier zijn Krugman en De Grauwe en uw dienaar het eens.  Maar dan komt De Grauwe met het argument van de milieuvervuiling: ‘Globalisering leidt tot extreem veel transport. En die leidt tot heel veel milieukosten die niet verrekend worden in de prijs van het finale product.’ Op de blog van Ivan Janssens vond ik een krachtig antwoord op dat argument (4). Ik vat dat antwoord even samen: (a) milieuschade door transport moet samen gezien worden met de milieuschade door productie; (b) milieuschade door buitenlands transport is redelijk klein vergeleken met die door binnenlands transport; en (c) vrije handel verhoogt de welvaart en verhoogde welvaart zorgt voor meer ecologische keuzes (5). 
     Dat laatste denk ik ook vaak, als ik die welvarende burgers zie rondrijden in hun chique Teslas. Zelf zitten wij er thuis evengoed warmpjes bij, ik met mijn lerarenwedde en mijn vrouw met haar journalistenwedde, en we denken er waarachtig aan om geld te gaan steken in een meer ecologische isolatie van ons huis, vooral nu een spaarrekening niets meer opbrengt.
     Dat transport een mineur probleem is 
(6) en dat welvaart leidt tot ecologische keuzes, dat moet professor De Grauwe ook weten. En toch doet hij die milieu-uitspraak. Wat mij nu interesseert is de psychologische kant van de zaak. Ik wil hier voor een keer een ‘procès d’intention’ voeren. Misschien zit het zo. De Grauwe is stilletjesaan geëvolueerd van een neoliberaal naar een herverdeler en een voorstander van meer staatstussenkomst in de economie. Maar hij kent als econoom de argumenten voor een laissez-faire systeem erg goed. Hij weet even goed als Krugman dat het argument vóór de vrije handel niet kan worden weerlegd – Holslag weet dat wellicht niet, maar De Grauwe wel, geloof ik. Dan komt de milieuvervuiling goed uit. En hoe groter die vervuiling is, hoe beter – ik bedoel: als argument. Dan is er toch al één reden om de staat te laten tussenkomen in de economie.
     Het doet mij denken aan de econoom Robert L. Heilbroner. Zijn hele leven lang heeft hij getwijfeld tussen het liberalisme dat hem wetenschappelijk aansprak en het marxisme dat hem emotioneel aansprak. En op het einde van zijn leven wist hij het zeker. De liberalen hadden gelijk. Hayek en Mises hadden het socialisme weerlegd. Alleen bleef staatsinterventie nodig … vanwege het milieu.

__________

(1) Holslag haalt net als De Grauwe de milieuschade door transport als reden aan om het CETA-akkoord tegen te houden.

(2) Het doet er voor de Engelse wijnliefhebber niet toe waarom die Portugese wijn goedkoper is: vanwege de Zuiderse zon, het leem in de grond, de lagere lonen, de eeuwenoude traditie, het efficiënt stapelen van de eikenhouten fusten of de subsidie die de staat verleent aan de wijnboeren.

(3) Alleen is geen enkele econoom er ooit in geslaagd een politicus te overtuigen om de economische theorie strikt toe te passen. Vandaar dat economen soms komen aandragen met tweede-beste theorieën, in de hoop dat ze zo politici kunnen overtuigen toch een beetje vrijhandel toe te passen. Krugman laat zien dat handelsakkoorden als CETA wel  praktisch nut hebben, al zijn zij volgens de economische theorie niet nodig. Volgens de theorie volstaat het immers dat een land eenzijdig zijn grenzen openstelt om te profiteren van de goedkope producten van een ander land. Maar het zit er kinderachtig ingebakken dat een land zijn grenzen niet wil openstellen voor een ander land als dat andere land niet hetzelfde doet. Dat is niet eerlijk van dat andere land, vindt men. Dan komt een tweezijdig handelsakkoord goed van pas om die verontwaardiging te sussen.

(4) Janssens beantwoordt ook het tweede argument van Paul De Grauwe – dat de vrije wereldhandel meer ongelijkheid in het leven roept.

(5) Janssens citeert een studie van Antweiler (2001) die stelt dat voor elk procent inkomenstijging er een vermindering van de vervuiling optreedt van 1,25 tot 1,5 procent, grotendeels dankzij schonere productietechnieken.

(6) ‘Mineur’ is natuurlijk betrekkelijk. Voor een vorig stukje heb ik opgezocht wat het aandeel was van de scheepstransport in de wereldwijde CO2-uitstoot. Het is 2,2 %. 

vrijdag 21 oktober 2016

Professor De Grauwe en de belastingen

      Toen professor De Grauwe nog een neoliberaal was, schreef hij ook al af en toe een stukje in de krant. Ik las die stukjes graag omdat ze zo helder en goed beargumenteerd waren. De professor schreef precies wat ik ook dacht, maar ik wist niets van economie en de professor was er heel knap in.
       Ondertussen is de professor een Keynsiaan en een halve egalitair geworden. Hij schrijft nu precies het tegenovergestelde van wat ik denk, maar verder is alles bij het oude gebleven. Ik weet nog altijd niets van economie en de professor is er nog altijd heel knap in. En hij schrijft nog altijd stukken in de krant die helder en goed beargumenteerd zijn, zoals van de week (hier), tegen het ‘gepruts’ van de regering. Hij betoogde dat de meerwaardebelasting van cd&v en de verlaagde vennootschapsbelasting van nv-a geen verstandige maatregelen waren*.
     Over die meerwaardebelasting ben ik het met de professor eens. Stel, je hebt twee jaar geleden een huisje geërfd van je tante. Je verkoopt het krot, geeft de helft van de opbrengst aan de staat als ‘erfenisrecht’, en koopt met de rest van het geld voor 100 000 euro aandelen in Delhaize, omdat je die winkels zo mooi vindt, het assortiment zo uitgebreid en het personeel zo vriendelijk. Twee jaar later bekijk je per ongeluk de beursberichten in de krant en je stelt vast dat je aandeeltjes ondertussen 200 000 euro waard zijn. Als je die snel verkoopt heb je, zonder iets te doen, 100 000 euro verdiend en behoor je voorgoed tot de middenklasse. Zo was het vroeger. Maar als de cd&v haar zin krijgt moet je op die 100 000 euro ‘meerwaarde’ nog eens dertig procent belastingen betalen. Het is wat minder dan dertig procent geloof ik, want er is een ‘vrijstelling’, en er zijn allerlei andere ingewikkelde regels, maar je zult toch heel veel moeten betalen, en wel nadat je al zoveel betaald hebt.
      Professor De Grauwe heeft bezwaren tegen zo’n regeling. Veel zal die niet opbrengen, meent hij. Als je aandelenverkoop belast, dan zullen er vooral minder aandelen verkocht worden. De grote jongens zullen snel iets anders gaan doen met hun geld. De middenklasser met zijn Delhaize-aandeeltjes is de klos, maar de échte rijke vraagt aan een dure advocaat om zijn aandelen om te zetten in – ja –  in wat weet ik niet precies, maar het zullen in elk geval geen aandelen zijn ‘in de juridische zin van het woord’. De enige die profijt trekt van de hele geschiedenis is de advocaat die de gedaantewisseling van aandelen in iets anders moet regelen.
     Tot hier is alles weer zoals vanouds: de professor schrijft precies wat ik ook denk. Wij vormen een team.
     Daarna loopt het tussen ons wat stroever. De professor toont zich een tegenstander van de verlaagde vennootschapsbelasting en daar ben ik voorstander van. Want hoe is het nu? Een bedrijf betaalt in theorie 34 procent op zijn algemene winst. Maar in de praktijk is dat vaak veel minder, bijvoorbeeld 22 procent, omdat het bedrijf eerst bepaalde uitgaven van de  belastbare winst kan aftrekken. Veel van de bmw’s en Mercedessen die ons op de autoweg langs links en rechts inhalen, zijn in de boekhouding van bedrijven ingeschreven als ‘aftrekpost’. Hoe duurder de wagen, hoe groter de aftrekpost, en dus hoe lager de winst, en dus ook hoe minder het bedrijf belast wordt. Het voorstel is dus, heel redelijk, om die vennootschapsbelasting te verlagen van 34 procent naar 22 procent, en tegelijk zo te schrappen in de aftrekposten dat die 22 % op de grote algemene winst evenveel opbrengt als vroeger die 34 procent op de kleinere belastbare winst .
     Die vereenvoudiging lijkt mij een erg goed voorstel. Bij een kleinere vennootschapsbelasting moet een bedrijf niet meer proberen zo weinig mogelijk winst te maken, uit vrees voor de belastingen. Het mag voortaan zonder schroom proberen zoveel mogelijk winst te maken. Die winst wordt een betrouwbaar meetinstrument van de gezondheid van het bedrijf. Het kost de staat geen cent, de boekhouding van het bedrijf wordt eenvoudiger, en de inning van de belastingen ook.
     Tegen die redenering heeft De Grauwe een kloek tegenargument. Hij beweert dat het eerste deel van de ingreep – de verlaging van de belasting – wel zal lukken en dat het tweede deel – de schrapping van de aftrekposten – niet zal lukken. Want ‘achter elke aftrekpost schuilt een leger aan lobbyisten’ die ‘een ware guerrillaoorlog’ zullen voeren om de aftrekposten te behouden. Verder beweert hij dat de winsten van de bedrijven zullen toenemen, dat de aandelenkoersen zullen stijgen, en dat de aandeelhouders zich nu al in de handen wrijven. ‘Mij niet gelaten,’ voegt de professor eraan toe, maar het klinkt wat zuur.
     Om met dat laatste te beginnen: ik geloof ook dat een verlaagde vennootschapsbelasting kan leiden tot hogere winsten en dat een deel van die winsten naar de aandeelhouders zal gaan. Maar belangrijker lijkt mij dat die winsten ook voor nieuwe investeringen kunnen zorgen en dat die investeringen een netto voordeel opleveren voor de hele samenleving. Ik vind het flauw van De Grauwe om alleen het profijt van de aandeelhouders te vermelden en het algemene profijt te verzwijgen terwijl hij als professor dat algemene profijt zelfs kan becijferen terwijl ik het alleen vaag kan aanvoelen.
     Anderzijds heeft de professor gelijk als hij waarschuwt voor lobbyisten zoals de Mercedes- en de bmw-verkopers die met hand en tand de bestaande aftrekposten zullen verdedigen. Maar moeten we daaruit besluiten dat het de moeite niet loont om de strijd tegen die lobbyisten aan te gaan? Ik geloof nooit dat dat de overtuiging van De Grauwe is. Alleen betrouwt hij de huidige regering niet dat ze die strijd zal aangaan. Dat is de professor zijn goed recht. Maar als argument is het zwak: een regering bekritiseren, niet vanwege een maatregel die ze voorstelt, maar omdat je ze niet betrouwt dat ze die maatregel zal uitvoeren.
     Eigenlijk spreekt De Grauwe vooral een vrees uit. Zeg mij wat je vreest, en ik zeg je wie of wat je bent. De professor  vreest dat de verlaagde belasting er komt, maar dat het schrappen van de aftrekposten er niet komt. Die vrees zegt iets over zijn huidige gedachtegoed. De vroegere professor De Grauwe zou misschien net het omgekeerde gevreesd hebben – dat de aftrekposten wél werden geschrapt, maar dat de belastingverlaging er daarna niet kwam. Die vrees zou niet onredelijk geweest zijn: de staat heeft altijd geld nodig en de vakbonden willen ook wel eens lobbyen om de belastingdruk bij de bedrijven te houden. Het is evenmin onredelijk om te denken dat een ingevoerde belastingverlaging door een volgende regering weer wordt afgeschaft, terwijl de aftrekposten voorgoed afgeschaft blijven. Dat is in elk geval mijn vrees. Maar ik hoop ondertussen dat het alle twee lukt: dat van de belastingen én dat van de aftrekposten.

* Zelf is de professor gewonnen voor een vermogensbelasting, maar dat is een ander verhaal.