 |
Nobelprijswinnaar Economie Krugman vindt de vrijhandel
van Adam Smith en David Ricardo nog altijd actueel |
Hoewel veel deelnemers aan het debat
over CETA beweerden dat ze de 1.600 bladzijden van het akkoord niet gelezen hadden, kwam je bij hen
toch verrassend vaak erg gedetailleerde argumenten tegen. Zo leerde je ook een
keer wat nieuws. Tot voor kort kende ik het verschil niet tussen ISDS-arbitrage
en ICS-arbitrage. Ik geloof dat ik voor ISDS ben, maar pin me er niet op vast.
’t Was allemaal erg vermoeiend.
Het was dan ook met opluchting dat
ik een stuk las van professor De Grauwe die ruimhartig bekende dat die details er niet zoveel toe deden, want dat het akkoord
in wezen om de wereldwijde vrije handel ging. Dat was ‘des Pudels kern’ en dat
vond ik ook. Maar Professor De Grauwe was tegen
die wereldwijde vrije handel – die hij ‘globalisering’ noemde – of toch min of meer tegen, net als professor Holslag die een paar dagen eerder een
soortgelijk stuk publiceerde (1).
Dat is eigenaardig, want de
voordelen van vrije handel zijn gemakkelijk te begrijpen. Als Portugal beter is
in het maken van wijn, en Engeland is beter in het maken van katoentjes, dan
moeten die twee landen zich maar specialiseren in wat ze het beste doen en
daarna hun overschot naar elkaar uitvoeren. Dat is de vrije handel. Er moeten
helemaal geen afspraken worden gemaakt over hoeveel
wijn Portugal naar Engeland mag of moet uitvoeren. Alles wordt geregeld door de
consument die prijs en kwaliteit vergelijkt. De Engelse wijnliefhebber ziet in
de winkel goedkope Portugese wijn liggen en besluit, na uitgebreid proeven
thuis, dat die beter smaakt en minder hoofdpijn geeft dan het inheemse bocht (2).
Hij moet dus geen twee keer nadenken over welke wijn hij voortaan koopt. Het
gevolg is dat de Engelse wijnproducent met zijn Engelse wijn blijft zitten,
bankroet gaat en overschakelt op het maken van eerteklas katoentjes die hij dan
in Portugal gaat verkopen.
En het mooie is dus – nogmaals – dat
daar geen afspraken voor moeten worden gemaakt. Er moet niet worden afgesproken
dat de ene iets van de andere koopt op
voorwaarde dat de andere iets terug koopt. Als de Portugezen zo dwaas zijn
om geen goedkope Engelse katoentjes te kopen, dan is dat jammer voor de
Portugezen, maar dat is voor de Engelsen nog geen reden om dure, slechte
Engelse wijn te drinken. Die Engelse katoentjes die de Portugezen niet willen, moeten
dan maar aan iemand anders worden verkocht, desnoods aan de Engelsen zelf, die
nu toch geld teveel hebben sinds ze goedkoop wijn kunnen drinken.
Nu zegt u misschien – Clerick, dat
zijn praatjes van lang geleden, toen er nog geen mobieltjes werden ingevoerd vanuit
Korea en de katoentjes nog niet uit China kwamen. Die praatjes over Portugal en
Engeland, en over de wijn en de katoentjes, waren misschien wel toepasselijk in
de tijd van Adam Smith en James Mill en David Ricardo en Frédéric Bastiat. Maar
de economische wetenschap weet ondertussen beter.
Wel – eigenlijk niet. De
productietechnieken zijn de laatste 200 jaar veranderd, maar de wetten van de logica
niet, en de menselijke drijfveren evenmin. Als ik een mobieltje wil kopen, kijk
ik ook naar prijs en kwaliteit, net als die 19de-eeuwse Engelse wijnliefhebber.
Paul Krugman, die in 2008 de Nobelprijs
voor de Economie won en die zeker geen neoliberaal is, schreef in 1997 een artikel over de vrije handel.
Hij geeft aan dat de oude theorie van Smith en Ricardo weliswaar niet volmaakt
is, maar nog altijd veruit de beste is, en dat die aangehangen wordt door bijna
iedereen die economie heeft gestudeerd, of hij nu neoliberaal of Keynesiaan is
(3).
De Grauwe is neoliberaal geweest, en
is nu Keynesiaan, maar was altijd een econoom, en in die hoedanigheid is hij in zijn hele academische carrière,
zoals hij zelf zegt, ‘altijd een voorstander geweest van de vrijhandel’ want
‘die vrijhandel ligt aan de basis van de materiële welvaart in Europe en heeft
het ook mogelijk gemaakt dat honderden miljoenen mensen in de wereld uit de
extreme armoede werden gerukt.’
De vrije handel zorgt dus voor
materiële welvaart. Tot hier zijn Krugman en De Grauwe en uw dienaar het eens. Maar dan komt De Grauwe met het argument van
de milieuvervuiling: ‘Globalisering leidt tot extreem veel transport. En die
leidt tot heel veel milieukosten die niet verrekend worden in de prijs van het
finale product.’ Op de blog van Ivan Janssens vond ik een krachtig antwoord op
dat argument (4). Ik vat dat antwoord even samen: (a) milieuschade door
transport moet samen gezien worden met de milieuschade door productie; (b) milieuschade
door buitenlands transport is redelijk klein vergeleken met die door binnenlands
transport; en (c) vrije handel verhoogt de welvaart en verhoogde welvaart zorgt
voor meer ecologische keuzes (5).
Dat laatste denk ik ook vaak, als ik
die welvarende burgers zie rondrijden in hun chique Teslas. Zelf zitten wij er thuis
evengoed warmpjes bij, ik met mijn lerarenwedde en mijn vrouw met haar journalistenwedde,
en we denken er waarachtig aan om geld te gaan steken in een meer ecologische
isolatie van ons huis, vooral nu een spaarrekening niets meer opbrengt.
Dat transport een mineur probleem is (6) en dat welvaart leidt tot ecologische keuzes, dat moet professor De Grauwe ook
weten. En toch doet hij die milieu-uitspraak. Wat mij nu interesseert is de
psychologische kant van de zaak. Ik wil hier voor een keer een ‘procès
d’intention’ voeren. Misschien zit het zo. De Grauwe is stilletjesaan
geëvolueerd van een neoliberaal naar een herverdeler en een voorstander van meer
staatstussenkomst in de economie. Maar hij kent als econoom de argumenten voor
een laissez-faire systeem erg goed. Hij weet even goed als Krugman dat het
argument vóór de vrije handel niet kan worden weerlegd – Holslag weet dat
wellicht niet, maar De Grauwe wel, geloof ik. Dan komt de milieuvervuiling goed
uit. En hoe groter die vervuiling is, hoe beter – ik bedoel: als argument. Dan
is er toch al één reden om de staat te laten tussenkomen in de economie.
Het doet mij denken aan de econoom
Robert L. Heilbroner. Zijn hele leven lang heeft hij getwijfeld tussen het
liberalisme dat hem wetenschappelijk aansprak en het marxisme dat hem
emotioneel aansprak. En op het einde van zijn leven wist hij het zeker. De
liberalen hadden gelijk. Hayek en Mises hadden het socialisme weerlegd. Alleen
bleef staatsinterventie nodig … vanwege het milieu.
__________
(1) Holslag haalt net als De Grauwe de
milieuschade door transport als reden aan om het CETA-akkoord tegen te houden.
(2) Het doet er voor de
Engelse wijnliefhebber niet toe waarom
die Portugese wijn goedkoper is: vanwege de Zuiderse zon, het leem in de grond,
de lagere lonen, de eeuwenoude traditie, het efficiënt stapelen van de
eikenhouten fusten of de subsidie die de staat verleent aan de wijnboeren.
(3) Alleen is geen enkele
econoom er ooit in geslaagd een politicus te overtuigen om de economische
theorie strikt toe te passen. Vandaar dat economen soms komen aandragen met
tweede-beste theorieën, in de hoop dat ze zo politici kunnen overtuigen toch
een beetje vrijhandel toe te passen. Krugman laat zien dat handelsakkoorden als
CETA wel praktisch nut hebben, al zijn zij volgens de economische theorie
niet nodig. Volgens de theorie volstaat het immers dat een land eenzijdig zijn grenzen openstelt om te
profiteren van de goedkope producten van een ander land. Maar het zit er
kinderachtig ingebakken dat een land zijn grenzen niet wil openstellen voor een
ander land als dat andere land niet hetzelfde doet. Dat is niet eerlijk van dat
andere land, vindt men. Dan komt een tweezijdig handelsakkoord goed van pas om die
verontwaardiging te sussen.
(4) Janssens beantwoordt ook het tweede
argument van Paul De Grauwe – dat de vrije wereldhandel meer ongelijkheid in
het leven roept.
(5) Janssens citeert een
studie van Antweiler (2001) die stelt dat voor elk procent inkomenstijging er
een vermindering van de vervuiling optreedt van 1,25 tot 1,5 procent,
grotendeels dankzij schonere productietechnieken.
(6) ‘Mineur’ is natuurlijk betrekkelijk. Voor een vorig stukje heb ik opgezocht wat het aandeel was van de scheepstransport in de wereldwijde CO2-uitstoot. Het is 2,2 %.