De ‘moderne marxist’ Peter Mertens
vergelijkt de economie met het bakken van een koek. ‘Elke dag wordt in onze
samenleving een grote koek gebakken. Wie mag die koek opeten? Het kapitaal. Wie
mag niet of nauwelijks eten van die koek? De voornaamste makers ervan, de
arbeidskrachten.’
Zo staat het er. De arbeidskrachten
mogen niet of nauwelijks eten van de koek! Ik zie beelden opdoemen uit Les Misérables en Pieter Daens. Fabriekseigenaren als Jean Valjean en Eugène
Borremans zijn goed gekleed, wonen in een mooi huis en eten rosbief, en de
arbeidsters Fantine en Nette wonen in een krot, gaan in lompen gekleed en
hebben nauwelijks brood. Dat is straffe kost. Er waren kijkers die bij die
films stilletjes begonnen te huilen.
Maar als je erover nadenkt, is de
uitspraak van Peter zelfs op de negentiende eeuw van Hugo en Boon slecht
toepasbaar. Fantine en Nette en hun collega’s bakten geen koeken maar weefden
lappen stof of regen kralen aan elkaar, die werden verkocht door Valjean en
Borremans. Van die opbrengst moest niet alleen dat éne huis en die paar
kostuums van Valjean en Borremans worden betaald, maar àlle krotten en àlle
lompen van àl hun loonslaven. Het individuele stuk van die arbeiders en
arbeidsters moet erg klein geweest zijn, maar alles samen moet het een
behoorlijk deel van de koek geweest zijn.
Er is wel meer mis met de uitspraak van
Peter. Wat bedoelt hij met het ‘kapitaal’ en met de ‘arbeidskrachten’? Bedoelt
hij met dat eerste de ‘aandeelhouders’? Dan behoren mijn vrouw en ik daar ook
toe want wij hebben enkele aandelen in Ahold-Delhaize. Maar dat is, geloof ik,
niet wat Peter bedoelt. Ik geloof best dat hij mijn vrouw en ik als heel kleine
aandeelhouders met rust wil laten. Wij zijn weliswaar rijk, maar dat komt niet
door die paar aandelen, maar door onze hoge lonen als leraar en journalist, en
als Peter iets van die lonen wil afdoen, moet hij dat maar openlijk zeggen.
Of bedoelt Peter met ‘kapitaal’ die
goeie ouwe fabriekseigenaren? Ik heb wel eens de zoon of dochter van zo’n
eigenaar in de klas gehad en die hun ouders waren inderdaad goedgekleed en ze hadden
één of meer mooie auto’s. Maar wat stellen die één of meer mooie auto’s en die
mooie kleren voor vergeleken met de honderden auto’s en de duizenden jekkers en
spijkerbroeken van hun werknemers.
En dan die ‘arbeidskrachten’? Wie worden
daar allemaal toe gerekend? Zijn dat alleen de loonslaaf aan de lopende band en
de kassierster in de supermarkt? Of horen daar ook de werklozen, de leraren, de
belastingsambtenaren en de verpleegsters bij? En als het om zelfstandige thuisverspleegsters
gaat, worden die dan ook bij de ‘arbeidskrachten’ gerekend? En door wie worden
díe ‘uitgebuit’?
Peter zou het zichzelf makkelijker
maken als hij zijn marxistische begrippen van arbeid en kapitaal zorgvuldig wegstopte
in een archiefkast op zijn partijcentrum. Ook zonder die begrippen kan hij genoeg
verontwaardiging etaleren over de ‘rijkste 1 procent’. Mensen als Marc Coucke
die een catamaran bezítten terwijl een arbeider zo’n boot met moeite kan húren.
Lui die aandelen hebben in Panamese firma’s. Geneesheren-specialisten die hoge
erelonen aanrekenen. Van die laatsten wil Peter het loon beperken tot wat de
premier verdient: 230 000 euro bruto per jaar – wat met ons
belastingssysteem, neerkomt op 10 000 euro netto per maand. Peter noemt
dat de ‘premiernorm’. Ik voel wel enigszins aan waarom hij juist naar dát inkomen als ‘norm’
grijpt, en niet naar het inkomen van een topvoetballer, een charmezanger of een
televisiekomiek. Díe inkomens hangen immers af van de onvoorspelbare markt,
terwijl het loon van de premier netjes politiek wordt vastgelegd. Ik geloof dat
Peter graag álle lonen netjes politiek zou vastleggen.
Bij elk requisitoor tegen de ‘1
procent rijksten’ en vóór politiek vastgelegde lonen zal hier en daar
wel goedkeurend gemompel te horen zijn. Voor sommige mensen is het een kwestie van
ethiek. Maar als we de koek een vulling geven, niet van ethische principes maar
van cijfers, dan wordt ze als argument nogal flets. De inkomensverdeling in ons
land is zodanig dat de 1 procent grootverdieners ongeveer 8 procent van de
inkomens opstrijken.* De overige 99 procent krijgt ‘slechts’ 92 procent van de
inkomens. 92 procent - je kunt dat onmogelijk omschrijven als ‘niet of
nauwelijks eten van de koek’.
 |
Het stuk van de 1 procent grootverdieners zou bij verdeling niet zoveel opleveren.
Marxisten zien liever een grafiek van de ongelijke vermogensspreiding.
Maar die vermogens kunnen natuurlijk maar één keer verdeeld worden. |
Peter zou zijn pleidooi kunnen aanpassen en zich
tegen de 10 procent grootverdieners keren. Die krijgen 35 procent van de
inkomens en laten dus slechts 65 procent over voor de overige 90 procent. Dat
is al een ander verhaal. Maar bij die 10 procent grootverdieners, hoort
bijvoorbeeld ook een gezin van twee leraren met een masterdiploma. Wat zal
Peter zeggen als díe staken en op straat komen om een nog hoger loon te vragen?
Hij zal, geloof ik, die staking volkomen goedkeuren, zoals hij elke staking volkomen
goedkeurt.
Het grootste nadeel van Peters koekargument, is
echter een ander. Je kunt zo’n argument, zo’n koek als je wil, namelijk langs
twee kanten aansnijden. Je kunt, zoals Peter, ijveren voor een beter verdeelde koek,
zodat enkelen véél, véél minder krijgen en alle anderen een héél, héél klein
beetje meer. Maar je kunt ook zoeken naar middelen om een grotere koek te
bakken, zodat iederéén meer krijgt.**
’t Is een oude discussie die al werd gevoerd
in de 19de eeuw. John Stuart Mill – ik vind de plaats niet meteen terug – zag
wel wat in een betere verdeling van het geproduceerde. Daardoor konden alle
problemen van armoede worden opgelost, dacht hij. Thomas Macauley zag dat, in
een stuk dat hij schreef rond 1830, helemaal anders. De regering, vond hij,
moest niet te veel herverdelen maar daarentegen ‘het kapitaal vrijlaten om zijn
meest winstgevende bestemming te vinden.’ Dat was de beste garantie voor een vooruitgang
waar iedereen wel bij zou varen. Engeland zou in 1930 onvergelijkelijk veel
rijker zijn dan in 1830, zoals het in 1830 ook veel rijker was dan in 1720.***
Mogelijk hadden Mill en Macauley
allebei gelijk. Een herverdeling in de zin van Mill kon de arbeiders van zijn
tijd misschien een winst van 10 of 20 procent hebben opgeleverd.**** Maar de
vooruitgang in de zin van Macauley heeft sinds 1800 voor een inkomensstijging
van 3000 procent gezorgd.***** Dat is andere koek.
* Dat cijfer is gebaseerd op
de fiscale gegevens (hier).
Wie wil kan bij die 8 procent enkele procenten bijtellen voor de inkomens die
niet op een belastingsformulier moeten komen of voor belastingsontduiking. Je
moet dan anderzijds enkele procenten aftrekken omdat het gaat om bruto-inkomens,
waarop nog een flink stuk ‘herverdelende’ belasting wordt geheven.
** Je kunt overigens ook,
zoals Groen, ijveren voor een kleiner maar smakelijker koekje, waarbij Groen zo
welwillend zal zijn om voor ons te bepalen wat smakelijk is. Dat is een andere
discussie.
*** De onvermoeibare Macauley drukt die eenvoudige gedachte uit in twee zinnen
van samen 368 woorden. Je moet de passage voor de aardigheid eens opzoeken. Je
vindt ze hier,
en ze begint met ‘If I were to prophesy …’
**** Helemaal zeker was die winst niet. De liberale econoom Peter De Keyzer
deed ooit iets aardigs met de afgezaagde koektaartmetafoor. ‘Alleen al het
bovenhalen van het taartmes,’ schreef hij, ‘en de aankondiging de taart te
willen verdelen, zal de taart zelf al doen krimpen.’ De Keyzer, P. (2013),
Lannoo, Tielt.
***** McCloskey, D. (2016), Bourgeois Equality, University of
Chicago Press, Chicago.