Posts tonen met het label Tom Lannoye. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Tom Lannoye. Alle posts tonen

donderdag 26 december 2019

Het 'vingertje' en de nazi's in de Reichstag

     Het Nieuwsblad van 24 december had een kerstwens voor politici. Ze mochten wat beleefder zijn tegenover elkaar. Er mocht wat meer fatsoen, hoffelijkheid, beleefdheid en respect komen, en minder gescheld, gedreig en vijandigheid. Daarbij werd, zoals dat vaak gaat, gesuggereerd dat het vroeger beter was. ‘Er was een tijd dat politici …’ begint Mijlemans een van zijn zinnen op bladzijde 2. ‘De politiek gaat er veel grover aan toe dan vroeger,’ beweert Mark Eyskens op bladzijde 9, en alsof hij zijn uitspraak wou logenstraffen door te bewijzen hoe grof hij zelf kan zijn, voegt hij eraan toe dat de huidige generatie politici – waar hij niet toe behoort – duidelijk laten zien ‘dat de mens van de aap afstamt’.
     Ik weet niet of dat waar is, dat het er vroeger zoveel beschaafder aan toe ging. Slechte manieren in de politiek lijken mij iets van alle tijden en alle plaatsen. Gaston Eyskens, de slimme vader van Mark, zei ooit dat politiek ‘geen stiel was voor blozende maagden’. Hij zal daar zijn redenen voor hebben gehad. In het middelbaar las ik het boek van Mieke Claeys-Van Hagendoren ‘25 jaar Belgisch socialisme’ en daarin staat beschreven hoe in ons Parlement werd gevóchten. Ik kan het niet opzoeken, want ik heb het boek uitgeleend aan een vriend die kort daarna bij een auto-ongeluk is omgekomen. In de jaren twintig van vorige eeuw namen Japanse parlementairen hun eigen knokploegen mee naar de zittingen om niet al het vechtwerk zelf te moeten doen. En in de prille Verenigde Staten verweten de Amerikaanse senatoren elkaar voor ‘boef’, ‘schoft’, ‘fraudeur’, ‘desperado’ en ‘schelm’, zoals je op bijgaande plaatje kunt zien.




     Zulke ruzies zijn zowel gespeeld als gemeend. Een parlementaire democratie is een spel van wisselende coalities, met wisselende vrienden en vijanden, en door theatrale ruzies maakt men duidelijk met wie men een coalitie tijdelijk uitgesloten acht. Dat is het spelgedeelte. Maar politiek is ook een kwestie van hartstocht. Dat zal op sommige familiefeesten van 24 december pijnlijk duidelijk geworden zijn, ondanks de goede voornemens die de N-VA-gezinde oom en de Spa-gezinde neef op voorhand hadden gemaakt. Ik ken collega’s bij wie je op café beter elk politiek onderwerp vermijdt als je geen glas bier over je hoofd wil krijgen.  Als die collega, die oom en die neef zich al zo laten meeslepen, waarom zou dat bij politici – of all people – beter gaan.
     Ik heb dus enig begrip voor dat geruzie. Een poos geleden wou de nieuwe Vlaamse regering het begrotingsdebat in het Parlement eerst over de principes voeren en daarna pas over de cijfers. Jambon beloofde de cijfers binnen enkele dagen op punt te hebben. ‘Te laat,’ riep PVDA-parlementair Jos D’Haese als een rebels ettertje. ‘Dat gaat gij niet bepalen,’ antwoordde Jambon als een autoritaire schooldirecteur. Ik vond dat goed gespeeld van beide heren, maar toch vooral van D’Haese. Ik heb met andere woorden weliswaar liever wat meer fatsoen en wat meer inhoud, maar ik vind het geen drama als er wat drama wordt opgevoerd. Als Karel de Gucht het Vlaams Belang uitmaakt voor ‘mestkevers’, ach ja, ’t is Karel maar, en als Tom Lannoye zijn burgemeester een ‘oude hoer’ noemt, ach ja, we kennen Tom, of als als die burgemeester zelf het woord ‘watermeloen’ bovenhaalt om de voorzitter van Ecolo te typeren, ach ja, zo spreekt die burgemeester nu eenmaal, en ’t is nog waar ook.
    Maar er zijn grenzen. Op de Antwerpse gemeenteraad riep Sam van Rooy (Vlaams Belang) laatst iets naar Hicham El Mzaihr (sp.a) dat ik niet aanvaardbaar vind. El Mzaihr had de partijen van de oppositie scherp aangevallen: de Groenen, de PVDA en hief daarna de vinger op om ook Vlaams Belang de mantel uit te vegen. ‘Doe dat vingertje weg, reageerde Van Rooy, je bent hier niet in Marokko’. Bart De Wever noemde die uitval een schande en ik vind dat terecht.
     Dat opgestoken vingertje behoort geloof ik tot de moslimretoriek. Mijn collega’s van godsdienst zitten bij nascholingen wel eens tegenover een inspecteur-adviseur van het islamonderwijs. Dat blijkt dan een vriendelijke, verdraagzame man te zijn, maar, zeggen ze erbij, hij heeft de vervelende gewoonte bij het spreken met de vinger naar de hemel te wijzen. Dat gebaar is overigens niet exclusief islamitisch want Castro gebruikte het ook (hier) en die was geen islamiet, kwam niet uit Marokko en was niet verdraagzaam. Maar dat ongelukkige gebaar aangrijpen om de Marokkaanse afkomst van een politieke opponent ter sprake te brengen, zelfs in een scherpe polemiek, is fout. Ik weet niet hoe we in ons land ooit een betere verstandhouding tot stand zullen brengen tussen wat De Wever ‘oudkomers’ en nieuwkomers, noemt maar dát is zeker niet de manier.
     Een andere grens werd overtreden toen Filip Dewinter en Bart Somers ruzie maakten in het Vlaams Parlement. Er was brand gesticht in een gebouw in Bilzen dat zou worden gebruikt om asielzoekers op te vangen. Filip Dewinter veroordeelde de brandstichting, maar verweet Bart Somers vooral dat hij de brandstichting misbruikte om een reclame te maken voor een ruim asielbeleid. De tussenkomst van Dewinter deed denken aan de halfslachtige manier waarop sommige moslimpropagandisten een terreuraanslag door hun geloofsgenoten veroordelen en daarbij vooral spreken over het gevaar van de islamofobie. (Zie ook hier).
     Ik vond de tussenkomst van Dewinter ongepast, maar het antwoord van Somers was veel erger. ‘
Laat ons afstand nemen van dat clubje daar, zei hij, ‘dat zich op een moment dat we discussiëren over brandstichting gedraagt als een bepaalde fractie in de Reichstag. ‘Mijn vader, voegde hij eraan toe,  is in de oorlog weggevoerd om verplicht te worden tewerkgesteld in de Messerschmitt-fabriek in Duitsland.
     Dat is een lage streek die niet thuishoort in een politiek debat. Mijn eigen vader is net als de vader van Somers weggevoerd om te gaan werken in een Duitse wapenfabriek. Maar dat geeft mij niet het recht om Vlaams Belang van 2019 gelijk te stellen aan de terroristische nazimoordenaars van 1933 en later. Mijn vader zelf zou er, ondanks – of eerder juist vanwege – zijn wegvoering, niet aan denken om die twee aan elkaar gelijk te stellen. Ik heb dat als jonge, linkse propagandist aan de universiteit wel gedaan: in de aula’s gaan oproepen om een bijeenkomst van Vlaams Blok-jongeren te verstoren, ‘omdat het nazi’s waren’.  Ik schaam mij daar een beetje voor, maar niet heel erg, want zo dacht ik nu eenmaal. Maar dat ik bij die oproepen ook mijn vader ter sprake bracht, en die verplichte tewerkstelling, en dat ik daar applaus voor kreeg, dáár schaamde ik mij toen al voor, al liet ik het niet blijken.

Links een autoritaire leraar - rechts een autoritaire architect

woensdag 13 november 2019

Losse bedenkingen bij de cultuursubsidies

** In mijn ideale maatschappij zijn er geen subsidies voor de kunsten. Operatickets zijn er duur, maar de liefhebbers van opera betalen ze graag, want ze houden hartstochtelijk van opera. Ook moet de operabezoeker niet besparen op brood, melk, vlees of groenten, want hij bespaart geld op andere manieren. Zo moet hij in mijn ideale maatschappij niet meebetalen aan subsidies voor een televisiezender waar hij nooit op afstemt, sportwedstrijden die hij nooit bijwoont of dansvoorstellingen die hem niet boeien.
                           
** Ik ben overigens niet zeker of ik in mijn ideale maatschappij zou willen leven. Ik moet even denken aan de fellow travelers die je ook met geen stokslagen naar Rusland kreeg,  of toch niet om er te gaan wonen.

** Ik ben een voorstander van ‘grote’ cijfers. Ik heb tientallen keren iets gehoord en gelezen over een subsidiedaling van 60 procent en ook enkele keren iets van een daling van 6 procent. Dat ene cijfer gaat geloof ik over de ‘eenmalige projectsubsidies’ en het andere over ‘werksubsidies’. Maar de ‘grote’ cijfers zijn deze. Het Vlaamse cultuurbudget bedroeg vorig jaar 518 miljoen en dit jaar 508 miljoen. Dat is een daling van 2 procent. 2 % en geen 60 %. Nu ja, ’t is een daling.

**  Andreas Thirez heeft onlangs nog eens herhaald wat we al wisten van Yes Minister: cultuursubsidies komen grotendeels ten goede aan een culturele elite die vaak tegelijk een financiële elite is. Helemaal rechtvaardig is dat niet, al betaalt die financiële elite natuurlijk meer belastingen dan de andere burgers.

** Er is in elke maatschappij een elite die haar stempel zet: uitvinders, ondernemers, politici, topambtenaren, professoren, architecten, journalisten, psychiaters … Als de andere omstandigheden gelijk zijn, heb ik liever dat die elite uit kunstlievende mensen bestaat die klassieke auteurs lezen, viool of piano spelen en een Rembrandt van een Vermeer kunnen onderscheiden. Nu ja, Heydrich speelde viool, Hitler was aardig thuis in ‘Die Welt als Wille und Vorstellung’, Lenin citeerde met gemak de grote Russische auteurs, en Mao koesterde in zijn privé-woningen de Chinese klassieken die hij in het openbaar door zijn handlangers liet vernietigen. Maar, zoals ik al zei, de andere omstandigheden moeten gelijk zijn.

** Ook is het fijn in een tijd te leven waarin de smaak van de elite en die van de volksmens niet te ver uit elkaar liggen. Dat moet zo geweest zijn bij het Griekse theater, en in de tijd van Shakespeare en Lope de Vega. Het is echter, vrees ik, niet in zo’n tijd dat we leven. Vandaag gaapt er een kloof tussen de twee soorten publiek. Films en vooral televisieseries – we leven in ‘the Golden Age of Television’ zegt men – lijken een uitzondering te vormen. Daar kunnen elitaire en populaire smaak soms nog samenvallen.

** Sanctorum heeft tegen de moderne gesubsidieerde kunst twee bezwaren ingebracht: de beoefenaren ervan zijn links en de producten ervan zijn decadent. Hij geeft daarvan enkele sprekende voorbeelden. Maar het hóeft niet zo te zijn, en zulke beoordelingen zijn nogal persoonlijk. Het stuk waar ik dit jaar met mijn leerlingen naar toe geweest ben, was er een van Tom Lanoye: ‘Wie is bang’. Die auteur mogen we, vermoedelijk met zijn welnemen, ‘links’ noemen. Maar de voorstelling vond ik daarom niet decadent. Het stuk was een herwerking van de klassieker ‘Who’s Afraid of Virginia Woolf’. Ook dat stuk zou ik niet decadent noemen. Maar Barbara Branden vond dat indertijd wel, terwijl ze verder ongeveer even ‘rechts’ was als ik nu.

** De voorstelling die wij hebben bijgewoond – een NTG-productie – moet op één of andere manier gesubsidieerd zijn geweest, want mijn leerlingen betaalden slechts 10 euro.  Wij hebben een van de vorige jaren ooit een niet-gesubsidieerde voorstelling van een klein gezelschap bijgewoond en toen betaalden we 30 euro.

** Het stuk van Lanoye ging overigens over subsidies aan theater. De boodschap was, als ik het goed heb, dat theatermakers zulke subsidies vernederend vinden. Ik zou het ook vernederend vinden. Een eenmalig projectvoorstel uitschrijven en indienen bij een commissie. Met twee woorden spreken. Pet in de hand houden. Rekening houden met het stokpaard van commissielid A en het idee-fixe van commissielid B. Bang afwachten of de subsidie er nu komt of niet. Dan had ik nog liever het mecenaat. Een glas gaan drinken met een excentrieke miljonair, en als die niet toehapt, een andere miljonair opzoeken. Ik geloof dat die miljonairs geen uitgeschreven projectvoorstellen vragen en in elk geval geen tijd hebben om ze te lezen.

** Een paar keer las ik de bewering dat je kunst niet kunt overlaten aan de vrije markt. Misschien niet helemaal, dat weet ik niet. Ik ben voor commerciële boekhandels, maar ook voor openbare bibliotheken. Toch heeft de vrije markt iets moois. Je zou het misschien beter de ‘vrijwillige markt’ noemen. De schrijver schrijft vrijwillig een boek en de lezer leest vrijwillig een boek, en betaalt ervoor, ook vrijwillig. En tussen de vrijwillige schrijver en de vrijwillige lezer staat de uitgever. Die probeert te raden wat de lezer vrijwillig wil lezen. Vaak raadt hij juist, en dan maakt hij winst, dan weer raadt hij fout, en maakt hij verlies. Er is echter een schaduwkant. In die omstandigheden gebeurt het namelijk al te vaak dat een prachtig boek onuitgegeven blijft. Een collega van mij heeft een korte graphic novel gemaakt, waarvan het moeilijk is om uit te maken is of nu de teksten erin dan wel de tekeningen het mooiste zijn. Hij krijgt het boek echter niet uitgegeven. Is er een gebrek aan verfijnde lezers voor zo’n werk of schatten de uitgevers hun lezers verkeerd in? De fout ligt in een van de twee kampen: de lezers of de uitgevers; de fout ligt in elk geval niet bij ‘de markt’. Een markt kan geen fouten maken. 

** Op de televisie hoorde ik een mevrouw die het ‘economisch argument’ hanteerde. Cultuur zorgt voor tewerkstelling, zei ze, en die tewerkgestelden betalen belastingen. Daar kwamen nog eens de ‘indirecte’ gevolgen bij. Mensen gingen naar het theater en bezochten daarna een café. Dat lijkt mij een foute redenering. Als we belastingen betalen om het toneel te ondersteunen, en als de mensen daarna een glas drinken op café, is dat allemaal geld dat ze niet kunnen gebruiken om op Zalando een paar nieuwe schoenen te bestellen. Op die manier vermindert de tewerkstelling in de schoenenindustrie en bij Zalando. Het is de oude parabel van het gebroken venster. Nu kun je het fijner vinden om in een maatschappij te leven waar we meer belang hechten aan cultuur, dan aan schoenen.  Maar dát is een heel andere zaak. 

** Tot slot. Geert van Oorschot heeft het Verzameld Werk van Multatuli uitgegeven zonder één gulden subsidie. Zijn zoon Wouter van Oorschot heeft het Verzameld Werk van Karel van het Reve uitgegeven, eveneens zonder één euro subsidie. Hoe die uitgevers dat geflikt hebben, moeten mijn leerlingen weten voor het examen Nederlands