Posts tonen met het label Achilles. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Achilles. Alle posts tonen

woensdag 24 februari 2021

De niet gestelde vraag


       In toneel en film spelen revelatiescènes een grotere rol dan in romans of andere verhalende genres. Wie de Ilias wil verfilmen kan bijvoorbeeld beginnen met een gespierde man te tonen die driftig rondstapt voor zijn tent. De kijker stelt zich dan allerlei vragen. Wie is die man? Hoe heet hij? Waarom stapt zij zo driftig in het rond? Het is allemaal erg onduidelijk. Slechts stap voor stap, komt de kijker die informatie te weten, als bijvoorbeeld een bode langskomt die zegt: ‘Gegroet Achilles, zoon van Peleus. Koning Agamemnon nodigt u uit om de vete te begraven die tussen hem en u heerst en die de Achaeërs zoveel nadeel berokkent.’ Wie dat alles in  verhaalvorm neerschrijft, kan onmiddellijk de onduidelijkheid wegnemen, de naam van de held en van diens vader vermelden, en uitleg verstrekken over de vete met Agamemnon. 

       Toneel- en filmmakers hebben de gewoonte om de handicap van onduidelijkheid uit te spelen en zo spanning op te wekken. Er waart een spook rond in de buurt van Elsinor. Waar komt dat spook vandaan? Is het de geest van een overledene? Van wie dan? Een waarom komt het spoken? De kijker zit met een heleboel vragen en krijgt daar op het gepaste moment een antwoord op.
     In de aangrijpende film A Sun pakt de Taiwanese cineast Mong-Hong Chung het anders aan*. De kijker wordt af en toe met onduidelijke toestand opgezadeld, maar die wordt zó ingekaderd door montage en toon dat hij er zich geen vragen bij stelt. De hand van een kok wordt afgehakt. Waarom? Je wilt het eigenlijk niet weten. Iemand krijgt de opdracht om een pistool leeg te schieten op een advocatenkantoor. Voert hij die opdracht uit? Je stelt je de vraag niet. Een gangster is afwezig op de plaats van afspraak. Waar is hij naartoe? Ach wat. De kijker wil bij die scène vooral weten hoe je met doorweekte kleren in een auto kunt plaatsnemen zonder die onherroepelijk smerig te maken.
     En het mooie is: op al die vragen die de kijker zich niet gesteld hebt, krijg hij uiteindelijk toch een antwoord. 
 

 

* De film is op Netflix te bekijken.

zaterdag 10 december 2016

Theo Francken of de rechtstaat?

      In april of mei 1973 kwam mijn klassenleraar bij ons thuis op bezoek om eens met mijn ouders en mij over mijn studiekeuze te praten. Dat was een pijnlijk moment want ik wou toen helemaal niet studeren. Ik wou in een grote fabriek gaan werken om communistische cellen op te richten. Mijn ouders waren razend. De klassenleraar suste: ‘Maar Philippe, je zou toch minstens eens Rechten kunnen proberen.’  Had ik dat toen maar gedaan. Dan kon ik nu dat hele gedoe rond de visumkwestie beter volgen. Dan kon ik nu mijn mannetje staan in facebookdiscussies tussen mijn vrienden van #Ik steun Theo en die van #Ik steun de rechtstaat. Nu ben ik een armzalige leek die amper het verschil kent tussen een vonnis en een arrest, en als iemand mij uitlegt wat derdenverzet is, of dubbele cassatie, of precedenten als secundaire rechtsbron, ben ik die uitleg zo weer vergeten.
     Wat ik ondertussen begrepen heb is dat er in Aleppo een gezin leeft dat graag een visum zou krijgen om naar ons land te komen. Dat visum werd geweigerd door Theo Francken die staatssecretaris is van Asiel en Migratie. De advocaat van het Syrische gezin trok daarop naar de Raad voor de Vreemdelingenbetwistingen (RVV) die besliste dat de Francken dat visum wél moest uitreiken. Francken weigerde met als argument dat het visum geen recht was maar een gunst waar hij alleen over beslist – en ik geloof niet dat iemand hem op dat punt tegenspreekt. De advocaat ging dan naar een ‘gewone’ rechtbank of twee en werd daar al twee keer door de rechters in het gelijk gesteld. Francken moest doen wat de RVV beslist had, anders werd hij gestraft met een boete van 4 000 euro per dag, uit te betalen aan het Syrische gezin. De staatssecretaris weigerde dat en probeert nu via hoger beroep toch nog gelijk te krijgen. Een goed overzichtsartikel verscheen op DeMorgen.be.
     Op het laatste arrest tegen Francken kwam er een NVA-reactie in de vorm van een tweet die nogal sterke woorden bevatte: ‘GEEN dwangsommen en GEEN wereldvreemde rechters’. Geen dwangsommen – daar kan de veroordeelde staatssecretaris niet over beslissen, en ook zijn partij en zijn regering niet. Dat komt de rechter toe. Dat is de scheiding der machten. En dan – Geen wereldvreemde rechters … dat riep bij mij onaangename herinneringen op, meer bepaald aan de zaak van Dutroux en het spaghetti-arrest.
     We schrijven, zoals dat heet, 1996. Dutroux is zopas gearresteerd, zijn twee laatste slachtoffers Sabine Dardenne en Laetitia Delhez zijn zopas gered van een zekere dood. De zaak is in handen van de gedreven onderzoeksrechter Connerotte. Maar dan neemt Connerotte op een onzalige dag deel aan een spaghettimaaltijd ter ere van de overlevende slachtoffers, waarop de advocaat van Dutroux klacht indient. Een onderzoeksrechter moest zich onpartijdig opstellen tussen vermoedelijke daders en slachtoffers, vindt hij. Het Hof van Cassatie keurt de klacht goed, met een argumentatie opgesteld door de eminente juriste Eliane Liekendael.
    Er stak, zoals dat heet, een storm van protest op. Liekendael had de wet te letterlijk geïnterpreteerd, zonder rekening te houden met de goede bedoelingen van Connerotte. Eerste minister Dehaene vroeg Cassatie om de wet ‘inventief’ toe te passen. Louis Tobback en Marc van Peel vonden dat de wet ‘creatief’ moest worden geïnterpreteerd. Maar de ‘wereldvreemde’ Liekendael wou niet wijken. Nu was de juriste niet alleen wereldvreemd, ze zag er ook niet uit, met haar veel te grote bril met een veel te zware montuur. Televisiecamera’s volgden de vluchtende Liekendael tot ze wenend ineenzakte tegen een liftdeur. De straf voor haar wereldvreemdheid. Ik vond dat optreden van Dehaene en van Tobback en van die televisiemensen toen schandelijk en, zoals dat heet, een rechtstaat onwaardig. Liekendael had haar plicht gedaan en de wet toegepast. Aan een email-vriend schreef ik toen: fiat justitia, pereat mundus. Mijn facebookvriend Marc Ernst die met mij een maoïstisch verleden deelt, heeft het anders verwoord: legalist tot in de kist.
     En dan nu die NVA-tweet. Ging de Alliantie misschien net als de Dehaene, Tobback en Van Peel zelf wel eens gaan uitmaken welke vonnissen en arresten de rechtbanken en hoven moesten uitspreken?* Ik kon vooral dat ‘wereldvreemde rechters’ van de tweet maar moeilijk verteren. Als het over de toepassing van de wet gaat, kunnen de rechters voor mij niet wereldvreemd genoeg zijn. Ze hebben liefst zoveel mogelijk mensenkennis, gezond verstand en een rijk gevoelsleven, maar wanneer de wet A zegt, moeten ze niet op basis van dat gemoedsleven B zeggen.
     Maar maak ik de kwestie even los van de agressieve NVA-tweet, dan laat zich wel iets zeggen voor het verwijt van wereldvreemdheid. Ten gronde berust de hele zaak van het Syrische gezin op artikel 3 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (ERVM). Dat artikel luidt: ‘Verbod op foltering. Niemand mag worden onderworpen aan folteringen of aan onmenselijk of vernederende behandelingen of bestraffingen.’ Dat lijkt mij een goeie wet want ik ben tegen foltering. België is ondertekenaar van het Verdrag en onze ordediensten mogen dus onder geen enkel voorwendsel foltering toepassen. Ik zou het niet anders willen. Verder neem ik aan dat rechters soms diep zullen moeten nadenken over wat nu juist foltering is, en wanneer een gedrag vernederend is en wat vandaag de dag een onmenselijke bestraffing is. Je kunt interpretatie nu eenmaal niet uitsluiten en daar dienen rechters voor. Maar hoe kan deze wet – verbod op foltering – nu zo geïnterpreteerd worden dat de Belgische regering erdoor verplicht wordt een gezin binnen te laten dat in Syrië woont en dat in Libanon een visum aanvraagt? Om tot dat resultaat te komen moeten rechters wel erg vergezochte redeneringen op de wet loslaten. Misschien is het zelfs niet overdreven om zulke redeneringen wereldvreemd te noemen.***  
     Liekendael werd wereldvreemdheid aangewreven – ten onrechte volgens mij – omdat ze teveel rekening hield met de wet en te weinig met de realiteit. Rond artikel 3 lijkt het omgekeerde aan de hand: rechters die te weinig rekening houden met de wet en te veel met de realiteit, en vooral met hoe die realiteit er volgens hen uit zou moeten zien. En dan ontwikkelen ze ingewikkelde redeneringen om de wet om te buigen tot hij past bij een asielbeleid dat zij voldoende humanitair vinden. Maar uitmaken welk beleid humanitair genoeg is, en realistisch, dat komt niet de rechters toe. Dat komt de politici toe. Ook dat is scheiding der machten.
 

* Een dag later verscheen een beargumenteerd stuk van Bart De Wever over het ‘gouvernement des juges’ waar het woord ‘wereldvreemd’ niet meer in voorkwam. In plaats daarvan schreef De Wever over ‘activistische rechters’. Dat begrip was ik al eerder tegengekomen bij Roger Scruton en bij ‘Thomas Sowell. De Wever deed zijn uitleg nog eens dunnetjes over op TerzakeEn een paar dagen later las ik een heel helder stuk van Boudewijn Bouckaert over gerechtelijk activisme.

 **De Amerikaanse president Roosevelt ging hierin veel verder. Toen het Supreme Court herhaaldelijk zijn wetsvoorstellen ongrondwettelijk verklaarde, deed hij een poging om de samenstelling van het Hof te veranderen. Die poging mislukte, maar sommige leden begonnen wel voorzichtiger te stemmen.
 
*** Een voorbeeld van dergelijke vergezochte redeneringen is de manier waarop in de Verenigde Staten de ‘Commerce Clause’ gebruikt werd en wordt om allerlei federale wetgeving door te drukken die niets met die ‘commerce’ te maken heeft.

zaterdag 23 januari 2016

Slachtoffercultuur

Achilles belichaamde voor de Grieken
de eercultuur
     Toen ik zestien, zeventien jaar was, ‘my younger and more vulnerable years’, voelde ik mij vaak verongelijkt. Dat is daar ook de leeftijd voor. ‘Hij speelt weer de martelaar,’ zei mijn vader – en dan voelde ik mij betrapt. Hoe wist mijn vader nu zoiets? Hoe kon hij zo goed doorzien dat bij mijn slachtofferschap een flink stukje komedie kwam kijken? Pas later begreep ik dat hij ook zestien, zeventien jaar was geweest.
     Ik geef nu les aan zestien- en zeventienjarigen en nog altijd voelen die zich makkelijk verongelijkt, vooral de jongens, maar ’t is meestal iets van korte duur. Iemand die voortdurend het slachtoffer speelt, wordt door zijn leeftijdgenoten maar matig gewaardeerd. Hij is een ‘wener’. En als hij zo doorgaat zelfs een ‘loser’ – en dat is het ergste. Zo’n jongen heeft dat door, past zich aan, laat zijn verongelijkte gezicht thuis en wordt volwassen.
     Over dat verongelijkt zijn las ik onlangs iets verontrustends. Twee Amerikaanse onderzoekers, Campbell en Manning, denken dat onze zedelijke beschaving aan het verschuiven is. Zij zien drie grote beschavingstypes: de eercultuur, de burgerlijke cultuur en de nieuw opkomende slachtoffercultuur. Die beschavingen verschillen bijvoorbeeld door de manier waarop hun leden omgaan met beledigingen en kwetsende uitlatingen. Hieronder vat ik de stelling van Campbell en Manning in eigen woorden samen. De lezer die tot controle geneigd is, kan hier het originele artikel en hier een uitgebreide samenvatting vinden. Daar gaan we.
     De oudste van de drie beschavingstypes is de eercultuur. In een eercultuur gaat het om de krijger. Hij staat in het middelpunt. Een belediging jegens hem, groot of klein, moet worden gewroken. De krijger heeft lange tenen en een sterke arm – elke belediging wordt opgemerkt en elke belediging wordt bestraft, en wel door hemzelf. Als dat om een of andere reden niet kan, dan is dat heel, heel erg. Dan zit een gekrenkte Achilles mokkend voor zijn tent en het hele Griekse leger mag omkomen en de rest van de wereld vergaan.
     In de burgerlijke cultuur, vanaf de zeventiende en achttiende eeuw, loopt het zo’n vaart niet meer. De bakker en de slager van Adam Smith hebben een dikke huid en zijn misschien zelfs een heel klein beetje laf. Zij maken zich minder zorgen om hun reputatie dan om het cijfer onderaan in het kasboek. En wat dan nog als een klant – of een mogelijke klant, en dat is iedereen – wat grof in de mond is, als hij maar betaalt. Het gevoel van eigenwaarde van de burger kan tegen een stootje. In de wijsbegeerte vinden we die gedragslijn weerspiegeld in Immanuel Kants opvatting van menselijke waardigheid: redelijkheid, fatsoen en gecontroleerde passie. Die deugden liggen binnen het bereik van iedereen, en zijn niet alleen weggelegd voor een opvliegende vechtjas met snelle voeten en een stalen arm. Iedereen kan redelijk en fatsoenlijk zijn en iedereen heeft er recht op om redelijk en fatsoenlijk behandeld te worden. En als dat niet gebeurt, dan kun je dat onredelijke en onfatsoenlijke gedrag best gewoon … negeren1. De kinderen van de burgers worden opgevoed met het kinderrijmpje ‘Sticks and stones may break my bones, but words will never hurt me’.
     Volgens Campbell en Manning is zich nu uit de restanten van de twee vorige culturen een nieuwe cultuur aan het vormen: de slachtoffercultuur. Helaas gebeurt dat niet volgens de mooie driehoek van Hegel – these, antithese, synthese – maar volgens het scenario dat je in de echte wereld wel vaker ziet: het samenvoegen van ‘the worst of both worlds’. De lichtgeraaktheid van de eercultuur koppelt zich aan de lafheid van de burgercultuur. Bij krenking van gevoelens gaat men het meningsverschil niet uitvechten als heren, in een ochtendlijk duel, zoals men dat tot laat in de negentiende eeuw deed. In plaats van naar het pistool te grijpen, klampt men nu een derde partij aan om zijn beklag aan te doen. Die derde partij kan een gezagdrager zijn, of de media, of de publieke opinie of nog iets anders. En er is nóg een verschil: de nieuwerwetse krenking van gevoelens wordt niet veroorzaakt door persoonlijke beledigingen. Je bent pas een Volwaardig Slachtoffer als je je kunt presenteren als lid van een Vervolgde Groep, als moslim, als vrouw, als homo, als gehandicapte, als bejaarde, als kansarme …
     Op Amerikaanse campussen zie je nog een andere kant van het verschijnsel. Daar zie je dat zelfs de meest bevoorrechte leden van de samenleving – en zo mogen we studenten aan de topuniversiteiten best wel noemen -  dat zelfs die meest bevoorrechte leden dus maar al te graag in de slachtofferrol willen stappen2. In augustus 2014 werd in Ferguson een zwarte jongeman, Michael Brown, doodgeschoten door een politieagent. Ook al had die Brown zopas een diefstal met geweld gepleegd en had hij geprobeerd het pistool van de politieagent af te nemen, je kunt hem met recht en reden een slachtoffer noemen. Hij is tenslotte doodgeschoten. Maar nu. Op 24 november 2014 werd de politieagent die Brown had gedood vrijgesproken door de rechtbank. Onmiddellijk waren er op de campussen een groot aantal studenten die zich nu ook ‘slachtoffer’ voelden, en wel van de uitspraak van de rechtbank. De Columbia Law School, die tot de vijf beste advocatenopleidingen van Amerika behoort, verwittigde haar studenten dat ze uitstel van examens konden aanvragen om eerst van de schok te bekomen. De Harvard Law School wou aan zo’n uitstel van examens niet meedoen, en kreeg om die reden af te rekenen met een protestbeweging gesteund door meer dan twintig organisaties, zoals de Harvard Black Law Students Association, de Harvard Muslim Law Students Association  en de Allianza van studenten met Latijns-Amerikaanse achtergrond. Zij eisten dat elke student die zich door de uitspraak van de rechtbank getraumatiseerd voelde, zijn examens kon uitstellen binnen de periode van 20 december tot 15 januari. ‘Door op dit moment onze examens te moeten voorbereiden en afleggen,’ schreven ze in een petitie aan de rector, ‘wordt ons gevraagd een daad van dissociatie te stellen.’
     Nóg meer dissociatie – ja, dat zou jammer zijn.
 
1 Als het té erg wordt natuurlijk, stapt de burger naar de rechtbank. We moeten ook niet overdrijven. 

2 De Britse socioloog Frank Furedi legt in een recent stuk (hier) uit hoe de slachtoffercultuur aan de universiteiten samengaat met een vergaande opstand tegen het vrije verkeer van meningen. Er is een hele verzameling nieuwe woorden en begrippen ontstaan om uitdrukking te geven aan de nieuwe onverdraagzaamheid: ‘micro-aggression’, ‘safe spaces’, ‘trigger warning’ …