Posts tonen met het label Jan Jambon. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jan Jambon. Alle posts tonen

donderdag 13 mei 2021

Festival-angst

  


   Ikzelf heb met die zomerfestivals niets te maken. Het is een kwestie tussen de regering, de organisatoren van dat soort evenementen, en de liefhebbers van dat soort muziek. Maar ook mij slaat de angst om het hart als ik op televisie grote groepen mensen zie. Ik ben door veertien maanden lockdown zo geconditioneerd. Als ik in een oude film twee mannen zie die elkaar de hand schudden, wil ik roepen: ‘Doe dat niet!’ Als ik voetbalspelers of trainers zie die elkaar na een doelpunt omhelzen, moet ik een lichte neiging onderdrukken om de politie op te bellen. Nu, dat had ik vroeger ook. Als ik die omhelzingen zie vanop de tribune, heb ik er geen probleem mee, maar zo maar op televisie, heeft het iets obsceens.
    Om maar te zeggen dat plaatsvervangende smetvrees en ochlofobie zich ook in mijn ziel hebben ingevreten. Ik word angstig bij de gedachte aan festivals, aan juichende voetbalsupporters verzameld op een plein, en aan donkere zalen waar massa’s jongeren bijeenkomen om op het ritme van ophitsende muziek te springen, te zwieren en vooral te zweten. Bij zo’n angst is het geloof ik best om even een stapje achteruit te zetten, zoals men doet als men een pointillistisch schilderij bekijkt, en de feiten kalmpjes op een rij te zetten. Een eerste feit is dat het coronavirus zich niet verspreidt langs menselijk zweet.
     Toen Jambon en De Croo, en later de federale regering, aangaven dat ze de zomerfestivals zouden toelaten, was ik heel even verbijsterd. Was dat niet te vroeg? In veel gemeenten moet je op straat nog met een mondkapje rondlopen, winkelen is aan allerlei restricties onderworpen, we mogen haast niemand in huis ontvangen, we moeten thuiswerken, kinderen mogen maar één hobby hebben, en dan plots … festivals. 
     Mijn verbijstering had, zoals wel vaker, veel te maken met mijn gebrek aan voorstellingsvermogen. Als ik aan de rand van een zwembad sta, kan ik mij nauwelijks voorstellen hoe het is om mij na een duiksprong ín dat zwembad te bevinden. Nochtans ben ik dan maar enkele seconden van die duiksprong verwijderd. Die festivals zoals Pukkelpop en Tomorrowland daarentegen, die zijn nog meer dan drie maanden verwijderd. Omdat de aankondiging nú komt, stellen we ons die massafeesten voor in de omstandigheden van mei, terwijl ze plaats zullen vinden in de omstandigheden van eind augustus.
     Psychologisch bekeken was het misschien niet slim van Jambon en De Croo, en later van  Conner Rousseau die ‘achter de schermen voor de festivals geijverd had’, om de spectaculaire festivals zo in de verf te zetten. Daar winnen ze de sympathie mee van de tienduizenden festivalgangers, maar het is wrang voor de honderdduizenden anderen die een tuinfeest willen organiseren en dat nog niet mogen. Eigenlijk had men duidelijk moeten zeggen dat in augustus ook grote tuinfeesten mogelijk worden. Die aankondiging was niet zo dringend als die over de festivals, want voor een tuinfeest heb je geen drie maanden voorbereiding nodig, maar het had voor meer evenwicht gezorgd.
      Welbeschouwd is het groene licht voor de festivals in augustus een blijk van vertrouwen in de vaccinatie. Je verwacht eigenlijk dat de virologen en Frank Vandenbroucke luid mee zouden zingen in het koor van Jambon en De Croo. Dat ze de boodschap zouden uitdragen: laat je vaccineren, en dan mag je naar de festivalweide, het tuinfeest, het restaurant, de bioscoop, het fitnesscentrum en het bordeel, al naar gelang je eigen voorkeur. In de plaats daarvan preken ze voorzichtigheid: de festivalweide, het tuinfeest en het bordeel, het is allemaal goed en wel, maar we moeten eerst de cijfers afwachten? Vertrouwen ze er dan niet op dat die cijfers naar beneden zúllen gaan door de vaccinatie?
     Mijn vrouw en mijn zoon vinden dat de regering te optimistisch is in de hele kwestie. Ze wijzen mij erop dat ik ook al een paar keer te optimistisch ben geweest over corona. Ze vinden dat de regering een risico neemt met die festivals. Ze hebben natuurlijk gelijk dat er risico’s zijn. Een storm kan opsteken op Pukkelpop waardoor de grote tent instort. Het is nog gebeurd. Brokstukken van een kaduuk Chinees ruimtetuig kunnen terechtkomen op de weide van Tomorrowland. Maar die risico’s zijn tamelijk klein. Waar men écht aan denkt is het risico dat de vaccins niet zijn wat ‘they are cracked up to be.’*
     Omdat ik er af en toe iets over lees, heb ik begrepen dat men door een vaccin beschermd is tegen ernstige covid, maar dat ook een dubbele vaccinatie de besmetting door, en de verspreiding van, het coronavirus niet tegenhoudt**. De verspreiding vermindert misschien met 80 procent, maar die 20 procent die overblijft, dat is niet niets. Goed, dan is dat maar zo. Op een festival van 66 000 bezoekers per dag zullen er dus heel wat virussen verspreid worden door gevaccineerden en door vals negatief getesten. De vraag is alleen of die vespreiding erg is. De jonge mensen óp de weide lopen amper kans op ernstige covid, of ze nu besmet worden of niet, en de oudere mensen náást de weide zijn gevaccineerd, waardoor ook zij amper kans maken op ernstige covid als ze in contact komen met jongeren die op de weide werden besmet.
     De festivals, de tuinfeesten, de restaurants, de bioscopen enzovoort zullen dus voor vele tienduizenden besmettingen zorgen, voor honderden ziekenhuisopnames, voor tientallen opnames op intensieve zorgen, en voor enkele doden. Dat is aanvaardbaar. Of vergis ik mij? Is het een andere ordegrootte die we kunnen verwachten op grond van wat we nu weten over het virus en de vaccins? Op díe vraag moet een beetje viroloog of epidemioloog het antwoord ondertussen toch kennen. Er moet toch al een en ander geweten zijn na de massale vaccinaties in Israël, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten. Men kan zich toch niet blijven verschuilen achter onzekerheid.
     Waar ik de onzekerheid van de virologen wel aanvaard, dat is over alles wat te maken heeft met nieuwe virusvarianten in de toekomst. Alleen de aller-aller-allerknapste astrologen kunnen voorspellen of er al dan niet varianten zullen ontstaan waar onze vaccins geheel of gedeeltelijk machteloos tegenover staan. Dat is vervelend want je weet niet of de astroloog die je raadpleegt tot de aller-aller-allerknapste behoort. Gewone astrologen, virologen en wijzelf kunnen de toekomst van het virus en zijn varianten, of van iets anders, nooit met zekerheid voorspellen.
      Maar díe onzekerheid strekt zich niet alleen uit tot augustus van dit jaar. Ze strekt zich ook uit tot  augustus 2022. Als we met het risico op toekomstige resistente varianten rekening willen houden, dan kunnen de festivals in 2022 ook geen toestemming krijgen drie maanden op voorhand. En evenmin in 2023, 2024 en 2025. Dat gaat mij te ver en ik grijp dus terug naar een oude wijsheid van Jean-Luc Dehaene: de problemen oplossen als ze zich stellen.
     En als het probleem zich nu eens stelt vóór augustus 2021? Als een resistent supervirus nu eens opduikt in een van de maanden die ons van de festivals scheiden? Ja, dan zal Frank Vandenbroucke ongetwijfeld hard op tafel slaan, zijn gelijk halen, en alle weiden weer voor gesloten verklaren. Niets aan te doen. Vreselijk vervelend voor iedereen. Hopelijk kan hij dan een triomfantelijk lachje bedwingen. Of zit het verborgen achter een supermondkapje.

* Of dat de vaccinbevoorrading begint te haperen.
** Nog een reden waarom echte 
groepsimmuniteit onbereikbaar is geworden. Zie hier.

woensdag 19 februari 2020

Aktie Tomaat


Toen ik voor het eerst hoorde over de Ultima Cultuurprijzen was ik erg boos. Het ging mij vooral over de naam. Je moet weten dat leraren Nederlands zoals ik, les horen te geven over literaire prijzen. Als het om buitenlandse prijzen gaat, is er geen probleem. We kennen de Nobelprijs, de Bookerprijs, de Pulitzerprijzen, de Prix Goncourt … Met die laatste prijs moeten mijn leerlingen altijd lachen als ze horen dat er een bedrag van 10 euro aan verbonden is. Maar de prijs wordt wel mooi elk jaar onder dezelfde naam uitgereikt, en dat sinds 1903.
   In ons taalgebied loopt dat anders. Daar gaat vernieuwing in de literatuur hand in hand met vernieuwing van de prijsnamen. Zo bestaat er een Nederlandse prijs die achtereenvolgens de naam droeg van AKO-prijs, Generale Bank-prijs, Fortis-prijs, weer AKO-prijs, ECI-prijs om ten slotte, voorlopig, te eindigen als Book Spot-prijs. Onze eigen Gouden Uil heet nu Fintro-prijs.
     Enkele jaren geleden heb ik uitgezocht hoe dat allemaal werkte in Vlaanderen. Daar waren de ‘Belgische Staatsprijzen’ voor toneel, fictie, essay, vertalingen en poëzie in 2003 vervangen door een rijtje ‘Vlaamse Cultuurprijzen’  van 12.500 euro. ’t Was behoorlijk ingewikkeld, want elk jaar kwamen er prijzen bij en vielen er andere weg. Zo werd er in 2006 een ‘Cultuurprijs voor Smaakcultuur’ ingevoerd – twee keer cultuur in de naam –, maar die werd na 2009 weer afgeschaft. En andere Cultuurprijzen waren driejaarlijks, wat het ook niet eenvoudiger maakte.
    Nu echter blijkt dat de Vlaamse Cultuurprijzen achter mijn rug om alweer van naam veranderd zijn, zoals ook de naam van mijn bank, van mijn school en van de studierichtingen in mijn school van naam veranderd zijn, zonder dat mij iets werd gevraagd. Onze Vlaamse cultuurprijzen zijn nu dus de Ultima Cultuurprijzen.   Niemand had mij gewaarschuwd.  Ik heb vorig jaar mijn leerlingen nog wijsgemaakt dat er een ‘Vlaamse Cultuurprijs voor de Strip’  bestond, terwijl er op dat moment alleen nog Ultimas werden uitgereikt en er bij die Ultimas geen meer is die speciaal voor stripverhalen wordt toegekend.
     Eigenlijk mag ik blij zijn dat enkele ontevreden cultuurmensen gisteren op de Ultima prijsuitreiking met tomaten hebben gegooid naar Jan Jambon, en hem ‘fascist’ hebben toegeroepen. Zulke incidenten komen breed in de krant en daardoor heb ik nu weet van die nieuwe naam. Ik vind het daarbij minder erg als die tomaten naar een minister-president worden gegooid dan naar een kunstenaar, schrijver of acteur.
     In 1969 was dat anders. Toen had je in Nederland 
Aktie Tomaat’ - aktie gespeld met een k. Rebelse cultuurmensen  waren ontevreden over de spellingsregels, de consumptiemaatschappij, en de theatersubsidies.  Ze vonden dat die subsidies onvoldoende naar ‘vernieuwende’ en ‘geëngageerde’ projecten gingen. Ze trokken naar de theaterzaal en gooiden dáár hun tomaten, niet naar de subsidieverstrekkende minister, maar rechtstreeks naar subsidie-ontvangende acteurs die met niet-geëngageerde en niet-vernieuwende projecten bezig waren. Verkeerde projecten dus. De minister begreep de boodschap en sindsdien gaan subsidies, beurzen en prijzen vooral naar goede projecten, zowel in Nederland als bij ons, want wij volgen het gidsland.
     En Jambon in dat alles?  Hij doet braaf wat hij moet doen. Als een bevoegde commissie prijzen toekent aan zijn tegenstanders – PVDA-sympathisant Walter Swennen, boerkaverdedigster Rachida Lamrabet, arrogante zak Luc Tuymans – dan legt hij lijdzaam de centen op tafel. Als hem op de radio iets over die Tuymans wordt gevraagd,  zegt hij beleefd dat dat een groot kunstenaar is met een internationale reputatie. En als hij een prijs moet uitreiken, trekt hij zijn goeie pak aan, reikt hij de prijs uit met een glimlach en hoopt hij dat mogelijke tomatengooiers de krachtige, trefzekere arm ontberen die bij dergelijke ondernemingen het verschil maakt tussen briljant succes en jammerlijke mislukking. 


zaterdag 1 februari 2020

Mark en de broodjeaapverhalen

     Vanmorgen was ik te lui om voor bij het ontbijt – havermout met yoghurt, banaan en peer – de krant uit de brievenbus te halen. Op tafel lag een nummer van Brandpunt, het tijdschrift van de christelijke onderwijsvakbond waar ik lid van ben. Je moet daar niet mee lachen, lieve lezer, want mijn vrouw ontvangt wekelijks De Nieuwe Werker, het blad van de rode vakbond. Dat is nog wat anders!
     Ik bladerde vanmorgen dus bij mijn havermout, yoghurt, banaan en peer wat in dat Brandpuntnummer. Op de laatste bladzijde stond een column van Mark Van de Voorde. Ha, dacht ik, daar is Mark. De titel van de column luidde: ‘Een broodjeaapverhaal en de vraag naar de waarheid’ Ha, dacht ik weer, dat gaat over Jambon; dat wil ik wel eens lezen. De kwestie interesseert mij*, en Mark kan wel ik aan.
     Ik had gelijk. Het begin en het einde van het artikel gingen over Jambon en het middenstuk eigenlijk ook, maar daar kwam eveneens Karl Popper ter sprake, en Pontius Pilatus, Dmitri Mendeljev en Edgar Morin. Mark citeert uit de losse pols een uitspraak van Popper en illustreert die uitspraak daarna met een voorbeeld. Dat voorbeeld laat vermoeden dat hij Popper anders begrepen heeft dan de meeste lezers Popper begrijpen. Popper zou gezegd hebben dat ‘feiten gebaseerd zijn op redeneringen’ en Mark geeft als voorbeeld dat het armoedepercentage van de bevolking (feit) afhangt van het inkomen dat men hanteert als armoedegrens (redenering). Met een andere definitie van de minimale inkomensgrens zou er dus meer of minder armoede zijn.  Nou ja, die definitie van de armoedegrens, dat is goed gevonden, maar als voorbeeld heeft het bitter weinig met Popper te maken. Popper heeft vaak het tegenovergestelde betoogd: dat definities niet helpen om de waarheid te achterhalen.**
     Nu, misschien heeft Mark dat voorbeeld niet bedoeld als illustratie van Poppers waarheidsleer. In een column  mag je wat van de hak op de tak springen, van Popper naar de armoedegrens, en dan weer naar Popper. Zelf doe ik dat  te weinig. En uiteindelijk schrijft Mark ‘voor de eigen achterban’ en dan moet niet alles ‘wetenschappelijk correct’ zijn, zoals Wilfried Vandaele het wat ongelukkig verwoordde toen hij Jambon te hulp wilde schieten. Zelf zou ik het zo zeggen: je moet niet preciezer willen zijn dan de context vereist.***
     In het middenstuk van zijn column doet Mark een stevige uitspraak: ‘Over dat broodjeaapverhaal van Jambon bestaat geen twijfel: dat was verzonnen, een leugen, fictie, onwaar, niet correct.’ Denkt Mark dat je door een stelling vijf keer te herhalen haar waarheidsgehalte verhoogt? Dat is een misvatting. Of denkt hij dat het een leuke stijlfiguur is om vlak na elkaar vijf keer hetzelfde te zeggen met ongeveer synonieme woorden. In dat geval heeft hij gelijk. Wat mij hier echter interesseert, is iets anders. Mark schijnt te denken dat ‘broodjeaapverhaal’ en ‘leugen’ ongeveer synoniemen zijn. Dat is niet zo. Een leugen berust op een opzettelijke verdraaiing van de feiten. Je zegt iets dat waarvan je weet dat het niet waar is. Bij een broodjeaapverhaal is dat anders. Daar vertel je een sterk verhaal verder dat je van iemand gehoord hebt, en dat je zelf gelooft.
     Ik heb jarenlang het verhaal verteld van wat in de straat van P.M. gebeurd was. Toen de bewoners van zeker huis in die straat al enkele dagen niet meer gezien waren, al stond hun auto voor de deur, werden de politie en de brandweer erbij gehaald. De deur werd opengebroken, men hoorde geroep vanuit de slaapkamer en daar trof men de vrouw des huizes aan, helemaal naakt en vastgebonden aan de spijlen van het bed. Haar man zat met een gebroken been in de kleerkast geklemd. Hij had zich – in het kader van een rollenspel – als Zorro verkleed, was op de kast geklommen, door de afdekplaat gezakt en kon zich daarna niet meer uit de kast bevrijden.
    Ik had geen reden om aan het verhaal te twijfelen. Ik had het gehoord van T.C, een vriend van P.M. Het bevatte geen fysieke onmogelijkheden, telepathie of andere hocus-pocus. Seksueel rollenspel met vastbinden en verkleedpartijen komt naar het schijnt in de beste families voor. Pas toen ik les begon te geven over broodjeaapverhalen, in het vierde middelbaar, begon het mij te dagen dat ik erin was getuind. Ik had me laten vangen aan die achteraf bekeken erg onwaarschijnlijke historie. Ik was al die jaren daarom nog geen leugenaar geweest, net zomin als Jambon een leugenaar was toen hij verder vertelde wat hij tijdens de regeringsonderhandelingen had gehoord – naar het schijnt van een CD&V’er – namelijk dat een asielgezin een zo groot bedrag aan achterstallig kindergeld had ontvangen dat het er een huis mee had gekocht.
     Eigenlijk doet Mark in zijn column een beetje hetzelfde als wat ik in mijn stukjes vaak doe: een tegenstrever te pakken nemen, en daar dan wat algemene beschouwingen rond ontwikkelen die je eigenlijk meer interesseren dan die tegenstrever zelf. Als gelovig christen vindt Mark het probleem van de waarheid interessant en weidt hij graag uit over waarheidsgradaties en over het verschil tussen feitenwaarheid, onderzoekswaarheid, waardewaarheid, relatieve waarheid en transcendente waarheid. Maar over het probleem van onwaarheid, en van leugen, waar ik dan weer in ben geïnteresseerd, heeft hij weinig te vertellen.
    Daarom nog dit. Ik schreef hierboven dat je bij een leugen iets zegt waarvan je weet dat het niet waar is. Dat is te streng. Je kunt ook liegen als je iets met zekerheid poneert, terwijl je die zekerheid niet hebt, en de bewering zelf grote onwaarschijnlijkheden bevat. Dat is misschien een minder erge vorm van liegen, maar het komt toch in de buurt. Welnu, om, zoals Mark, bij het einde van mijn stukje naar Jambon terug te keren: ook dat heeft onze minister-president niet gedaan. Hij heeft zijn bewering niet met zekerheid geponeerd, maar ze –  zoals wij taalkundigen dat noemen – gemodaliseerd met de uitdrukking ‘ik heb gehoord dat’. Verder moet Jambon geweten hebben dat het achterstallige kindergeld voor asielzoekers tot vele tienduizenden euro kon oplopen, waardoor de grote onwaarschijnlijkheid wegviel dat er ooit een huis mee was aangekocht.
     Het was met andere woorden niet zomaar broodjeaapverhaal.
     Maar dat weet Mark ook wel.


* Ik heb er al over geschreven hier, hier en hier.

** Definities brengen ons niet dichter bij de waarheid, maar we hebben ze natuurlijk wel nodig om onderscheidingen aan te brengen en misverstanden te vermijden.

*** Mark interpreteert de woorden van Vandaele anders. Volgens Mark zegt Vandaele dat je leugens mag vertellen om je punt te maken.

zondag 12 januari 2020

Tom en Jan

     De boeken en toneelstukken van Tom Lanoye heb ik altijd graag gelezen en gezien, maar de schrijver zelf mocht ik niet zo. Hij had van die rare brillen op. Ook sprak hij erg plat als hij op de televisie kwam. Dat een gevelschilder als Louis-Paul Boon plat praatte, dat vond ik normaal. Maar als zo’n afgestudeerde germanist dat doet, moet ik aan die Humphrey Bogart-film denken, met die Mexicaanse bandiet die zegt:  ‘We don’t need no stinking badges’. Bij Lanoye is het: ‘We don’t need no stinking ABN.’
     Die bril en dat platte praten wekten dus mijn ergernis. Later is daar de politiek bijgekomen. Dat is niet de schuld van Tom, maar van mij, omdat ik van extreemlinks naar rechts-liberaal geëvolueerd ben en Tom is links gebleven.
     Meestal heb ik van Tom geen last, hij zit vaak in Kaapstad, maar een linkse vriend vestigde mijn aandacht op een stuk van Tom in Humo van 7 januari. ’t Is een scherp stuk tegen Jan Jambon, over wie Tom opmerkt ‘dat de wonderen der plastische chirurgie aan zijn neus zijn voorbijgegaan.’ Zijn neus, snap je ’m? Ik vind dat zoiets moet kunnen in een polemiek. Een opmerking over het uiterlijk of de geaardheid van je opponent, kan grappig zijn. Maar, zoals Karel van het Reve opmerkt, je moet er dan ‘iets leuks mee doen.’ Naar mijn smaak is dat hier niet gebeurd.
     In zijn stuk formuleert Tom het verwijt dat Jambon in de vorige regering een ‘keihard besparingsbeleid jegens álle Belgen heeft gevoerd.’ Dat is ongeveer het enige zinnetje met inhoudelijke kritiek. Zou dat eigenlijk erg zijn, vraag ik mij af, zo’n ‘keihard besparingsbeleid’? En tegen álle Belgen nog wel? Voor mij is het in elk geval nog meegevallen, al ben ik een van die Belgen. Mijn inkomen is omhoog gegaan en aan het einde van de maand hield ik, ondanks alle prijsstijgingen, meer centen over. En ik ben de enige niet. Volgens economen zijn de ‘reële’ inkomens voor álle werkende Belgen gestegen, en voor de kleinverdieners nog het meest. Als keihard besparen betekent dat iedereen die werkt, een hoger inkomen krijgt, én dat er meer werk is, dan vind ik dat zo slecht nog niet. Tom mag daar gerust anders over denken.
     Tom heeft trouwens nog meer te vertellen over besparingen, maar dan in het minder ernstige register. Hij vindt het erg belangrijk dat Jambon, als hoofd van een Vlaamse regering die op allerlei posten zes procent bespaart, zelf ook zes procent zou besparen op zijn brutojaarwedde van 253 000 euro. Die wedde komt, geloof ik, neer op 11 000 euro netto per maand en dat is nogal veel. Misschien verdiende Jambon als bedrijfsleider nog meer, maar ondertussen is het  meer dan het dubbele van wat ik en mijn vrouw samen verdienen. Het is geloof ik zelfs meer dan wat de meeste slagers en slagerszonen verdienenIk begrijp dus de woede en misschien zelfs de afgunst van Tom. Dat alles heeft echter niet veel met Jambon zelf te maken, want een Groene of Rode minister-president zou hetzelfde hebben verdiend. Maar als Tom vindt dat het inkomen van Jan met zes procent naar beneden moet, is dat voor mij in orde. Zolang hij, of Jambon, met zijn vuile vingers maar van mijn inkomen blijft (1).
    Behalve door de centenkwestie is Tom ook erg geboeid door een aantal uitspraken van de minister-president. Het zijn dezelfde uitspraken die je op Wikipedia becommentarieerd vindt – de dansende moslims, het kindergeldhuis – en eentje dat Tom zelf uit de oude doos haalt: de Atoma-schriftjes. Jambon had op een bijeenkomst van KVHV gezegd dat er bij de regeringsvorming van 2014 bindende afspraken waren gemaakt om na 2019 een grote staatshervorming mogelijk te maken. Verwijzend naar het bekende schandaal van Leo Delcroix had hij er grappend bij gezegd dat die afspraken genoteerd stonden in ‘geheime Atoma-schriftjes die in de kluizen liggen van alle meerderheidspartijen’.
    Nu zaten er in het KVHV-publiek undercoverjournalisten die die woorden opschreven en ze de dag erna in de krant plaatsten. Jambon gaf onmiddellijk toe dat hij dat van die Atoma-schriftjes niet letterlijk bedoeld had. Je moest dat in de context zien. Je moest een onderscheid maken tussen wát hij wilde zeggen en het cynisme, de beeldspraak en de humor waarméé hij het gezegd had. De journalisten hadden hem ‘te letterlijk geciteerd.’
    ‘Te letterlijk geciteerd’ … Tom vindt dat belachelijk. Ik niet. Ik maak het bij elk schriftelijk examen weer mee. In de klas zeg ik in het vuur van mijn betoog, dat er rond 1830 een oorlog woedde tussen de classicisten en de romantici, en op een examen lees ik dat ‘in 1830 de oorlog uitbrak tussen classicisten en romantici’. Of ik zeg dat Shakespeare in dat of dat fragment de oorlog beschrijft als het leukste wat je kunt doen zonder er je broek voor uit te trekken, en op het examen lees ik dan over Shakespeare en over die broek. Dan voel ik mij ook ‘te letterlijk geciteerd.’ Gelukkig zitten er bij mij geen undercoverjournalisten in de klas, en moet ik het de volgende dag niet gaan uitleggen op een persconferentie.
     Over het kindergeldhuis zegt Tom nog iets interessants. ‘Jambon legitimeert extreemrechtse leugenpropaganda door ze als topminister keer op keer klakkeloos na te kwekken. In de hoop zodoende zijn politieke concurrenten te counteren, overhandigt hij hun de leidsels van zijn kiesvee. Gratis en voor niets.’ Als we de scheldwoorden en de hyperbolen weglaten, krijgen we de volgende analyse: Jan Jambon maakte veel ophef over het kindergeld om op die manier Vlaams Belang voor te zijn, terwijl juist Vlaams Belang het meeste electorale baat heeft bij de rel.
     Dat laatste is juist. Het Vlaams Belang is hier de winnaar want het verhaal van de ‘profiterende vreemdeling’ is vooral hún verhaal, niet dat van N-VA. Dat is ook de analyse van Bart Eeckhout. Het eerste deel van de analyse is echter fout. Het was niet Jan die ophef maakte rond het kindergeld. Hij had alleen één zinnetje gezegd, ter illustratie van het regeringsbeleid, en nog wel in een zaal waar hij niet bepaald de hete adem van Vlaams Belang in de nek voelde. Het waren de vijanden van Jan – o.a. de krant van Bart Eeckhout – die er dagenlang honderden zinnen over produceerden, waarbij de ene foute factcheck op de andere volgde, totdat uiteindelijk de ware cijfers naar boven kwamen, tot vermaak van Vlaams Belang (2). Het is de linkerzijde, en enkele journalisten,  die met hun dagenlang kabaal ‘de leidsels van het kiesvee’ hebben overhandigd.
     Het is eigenlijk merkwaardig dat de anti-N-VA-linkerzijde blind is voor de rol die ze zelf speelt bij het succes van Vlaams Belang. Toen doodzwijgen niet hielp, schakelde ze over op het soort sensationele berichtgeving dat Dries Van Langenhove groot heeft gemaakt. Toen Vlaams Belang in de touwen lag, stelde zij N-VA voor als het nieuwe extreem-rechts. Een aantal kiezers heeft daaruit onthouden dat ze, of ze nu voor de ene of de andere partij stemmen, in elk geval het foute DNA bezitten. En nu Vlaams Belang weer groot is, blijft de linkerzijde vooral op N-VA schieten, uit gewoonte (3).
     Ik hoop dat de anti-N-VA-linkerzijde mij niet verkeerd begrijpt. Zij moet blijven schrijven wat ze zelf gelooft. Als ze gelooft dat Jan liegt, moet ze schrijven dat Jan liegt. Als ze vindt dat dat dagelijks moet worden herhaald, moet ze dat dagelijks herhalen. Als ze vindt dat N-VA voor hetzelfde staat als Vlaams Belang, dan moet ze daar geen doekjes om doen. En als met name Tom nog veel stukken in Humo wil schrijven over N-VA als de verpersoonlijking van extreem-rechts, mag hij dat blijven doen tot hij er evenveel geld mee verzameld heeft als de minister-president verdient op een jaar. Misschien wordt Tom Van Grieken dan opnieuw ‘politicus van het jaar’ in Humo’s Pop Poll. 

(1) Mijn mening over hoge lonen voor politici heb ik hier neergeschreven.

(2) Dat is wellicht de reden dat bijvoorbeeld Het Nieuwsblad met die cijfers uiteindelijk zo discreet omging

(3)Toen Filip De Winter twitterde:  Vreemdelingen hebben twee rechten: recht op niks en recht op terugkeer, is daar in de pers weinig stennis rond gemaakt. Mij goed. En veronderstel nu dat Theo Francken iets zou twitteren dat een héél, héél klein beetje in de buurt komt van die tweet … Zie hier.

woensdag 8 januari 2020

Jambon geframed door Het Nieuwsblad

     Voor Jan Jambon heb ik een zekere sympathie sinds ik hem op 7 mei 2007 hoorde spreken op het O-Zon-symposium over onderwijs. Ik had van de man, die voorgesteld werd als bestuurslid van VOKA, nog nooit gehoord. Andere sprekers hielden een praatje voor de vuist, maar Jambon las zijn tussenkomst voor van een papiertje. Zoiets maakt op mij een slechte indruk. Maar wàt hij zei was helder en juist. Hij kende de onderwijsvernieuwing vooral langs zijn schoolgaande kinderen en hij had er een hekel aan. Hij was als bedrijfsleider groot voorstander van vernieuwing, zei hij, maar als een bedrijf op zo’n willekeurige manier aan vernieuwing zou doen als het onderwijs –  vernieuwing om de vernieuwing dus – dan zou dat bedrijf snel failliet zijn.
     En nu is die ondernemer met zijn papiertje minister-president. In de wereld van de politiek heeft hij de reputatie van een efficiënt bestuurder te zijn, waar iedereen graag mee samenwerkt. Maar in het openbare debat gaat het vaker over drie zinnetjes die hij ooit heeft gezegd. Iets over een significant deel van moslimjongeren dat gedanst had na de terreuraanslag in Zaventem (het bleek een marginaal deel te zijn), een sneer naar de oppositie in het Parlement (1) (‘dat gaat gij niet bepalen’) en een zinnetje over het achterstallige kindergeld voor asielzoekers dat door zijn regering zou worden afgeschaft. Hij had, zei op een lezing, “het verhaal gehoord van een familie die meteen een huis kon kopen van dat kindergeld.” Dat zinnetje werd opgepakt door De Tijd, en door de commotie er rond kreeg je de indruk dat de minister-president wekenlang elk café in Vlaanderen had bezocht waar hij altijd maar zijn verhaal vertelde over dat huis dat met kindergeld was aangekocht. (Zie ook hier)
     Dat de oppositie die laatste uitspraak aangreep om de minister-president in verlegenheid te brengen, is normaal en redelijk. The duty of Her Majesty’s opposition is to oppose Her Majesty’s government. Hannelore Goeman  van sp.a zei dat Jambon ‘hard om zich heen slaat’ en Bjorn Rzoska van Groen sprak van ‘een zeer gratuite uitspraak’. Gwendolyn Rutten, die formeel niet tot de oppositie behoort, sprak van een ‘extreem-rechts broodje-aapverhaal’.  Ik vraag mij of ze die woorden zal blijven gebruiken, nu is gebleken dat er inderdaad gedurende jaren tientallen keren achterstallig kindergeld werd uitgekeerd aan asielzoekers ten bedrage van 50, 60, 70 en 80 000 euro; en één keer zelfs van 91 309 euro. Voor mij moet ze het niet laten.
      Ook redelijk vind ik wat commentaarschrijver Matthias Vanderaspoilden van Het Nieuwsblad schrijft. Die vindt dat Jambon ‘een loopje heeft genomen met de waarheid’. Prima. Zo’n commentaarschrijver mag dat schrijven. Hij heeft zoals iedereen het recht op een eigen mening. Als hij de situatie graag zo samenvat, waarom niet? Comments are free. 

     Anders zit dat met het informatieve stuk in dezelfde krant. Daar verwachten we feitelijke berichtgeving. Maar dat valt tegen. De kop ervan luidt: ‘Cijfers Beke bewijzen Jambons ongelijk.’ (2) Bij zo’n ongenuanceerde kop word ik een beetje kregelig. Ik doe er dan beter aan het stuk zelf te lezen en niet meer aan die kop te denken. Maar ook het stuk valt tegen, vooral de cijfers die beloofd werden in de kop. De eenmalige betaling van de 91.309 wordt vermeld en verder dat er – tussen 2014 en 2019 – ‘2 524 aanvragen voor retroactieve kinderslag voor meer dan 10 000 euro geweest zijn’. Meer dan 10 000 euro, dat vind ik een beetje vaag. Ik moet naar Het Laatste Nieuws gaan om de details te krijgen. Dit zijn de aanvragen:
  • 2 038 betalingen tussen 10 000 en 20 000 euro
  • 369 betalingen tussen 20 000 en 30 000 euro
  • 76 betalingen tussen 30 000 en 40 000 euro
  • 29 betalingen tussen 50 000 en 60 000 euro
  • 1 betaling tussen 60 000 en 70 000 euro
  • 3 betalingen tussen 70 000 en 80 000 euro
  • 1 betaling tussen 80 000 en 90 000 euro.
    Heeft Het Nieuwsblad gelogen door alleen te spreken over betalingen van ‘meer dan 10 ooo euro’ ? Eigenlijk niet, want 50, 60, 70, 80 en 90 000 is inderdaad meer dan 10 000. Maar ’t is wel heel gemakkelijk om met dat ‘meer dan 10 000 euro’ te laten verstaan dat ‘Jambon op zijn minst flink overdreef’.  Die andere cijfers zouden, geloof ik, het glasheldere verhaal hebben vertroebeld.
     Het wordt nog sterker. Het Nieuwsblad herhaalt ook de uitspraak van Jambon en herhaalt ze fout. Jambon had weet (3), schrijf de krant, van ‘asielzoekers die met het achterstallige kindergeld … een huis had kunnen kopen.’ De ‘familie’ – enkelvoud – waar De Tijd over berichtte, is vervangen door ‘asielzoekers’ – meervoud –, alsof Jambon gesuggereerd had dat hij ‘weet had’ van meerdere dossiers. Ja, als hij dát had gesuggereerd, zou je van een ‘flinke overdrijving’ kunnen spreken.
     Niet tevreden met Het Nieuwsblad, heb ik de hele geschiedenis ook nog eens op Wikipedia opgezocht. En ook dat viel tegen. We lezen, onder het lemma ‘Jan Jambon’: ‘In december 2019 beweerde Jambon in verschillende lezingen dat een familie asielzoekers met het kindergeld dat ze gekregen heeft een huis heeft kunnen kopen. De Tijd berekende dat dit onmogelijk is, aangezien zo maximaal € 32.000 aan kindergeld kan verkregen worden, wat onvoldoende is voor het aanschaffen van een huis in Vlaanderen.

     Wat Wikipedia hier schrijft, is de zuivere waarheid. De Tijd hééft dat berekend. Maar wàt De Tijd berekend had, was fout (4). De bron waar Jambon zijn verhaal vandaan haalde – naar het schijnt een CD&V-er die aan de regeringsonderhandelingen deelnam – was hopelijk alerter dan Wikipedia, beter op de hoogte dan De Tijd, en, vooral, minder tot framing geneigd dan Het Nieuwsblad.




(1) Door de tv-beelden van dat incident kreeg ik de indruk dat Jambon antwoordde op een uithaal van Jos DHaese van PVDA. D'Haese zelf beweert dat de Jambon uithaalde tegen Meyrem Almaci.

(2) De kop stond in de krant van woensdag 8 januari, editie Leuven-Hageland. Op de website van de krant is de kop ondertussen: Wouter Beke geeft cijfers over retroactieve kinderbijslag vrij na heisa over uitspraak Jambon.

(3) ‘Weet hebben van’ is naar mijn smaak niet hetzelfde als ‘het verhaal gehoord hebben van’, maar zo blijven we aan de gang.


(4) Er was nogal wat verwarring, waar ik toen enkele bedenkingen bij heb geformuleerd op mijn blog (hier).


maandag 30 december 2019

Bij een controversiële uitspraak van Jambon

* Ik had tot voor gisteren nog nooit gehoord van het retroactieve kindergeld dat asielzoekers in één keer krijgen na het doorlopen van de asielprocedure. En nu wordt de regeling alweer afgeschaft. 
* Ik heb even moeten zoeken voor ik de uitspraak van Jambon te pakken kreeg in haar oorspronkelijke vorm en context. Een journalist van de De Tijd had ze opgetekend bij een uiteenzetting van de minister-president over het regeerakkoord. Hij had daarbij ook iets gezegd over het retroactieve kindergeld voor vluchtelingen. ‘En dat terwijl ze heel die tijd bad, brood en bed van de overheid kregen. Ik heb het verhaal gehoord van een familie die meteen een huis kon kopen van dat kindergeld. Dat kan toch niet de bedoeling zijn?’ Dat was het dus.
* Er is rond die uitspraak veel factchecking gebeurd, waarvan de kwaliteit in stijgende lijn ging. Eerst had De Tijd uitgerekend dat een gezin met vijf kinderen – zulke gezinnen bestaan – na een asielprocedure van twee jaar 32 000 euro ontving, wat dus te weinig was voor een huis. Daarna had Theo Francken uitgerekend dat zo’n gezin na een asielprocedure van 10 jaar – zulke asielprocedures komen voor –een som kon ontvangen van 160 000 euro, wat dus wel genoeg was voor een huis. Ten slotte rekende de Yves Coemans van de Gezinsbond uit dat zo’n gezin maximum 87.375 euro kon krijgen omdat het retroactieve kindergeld beperkt is tot vijf jaar. ‘Met dat bedrag kan je in ons land in sommige streken inderdaad een klein te renoveren huis kopen,’ zei Coemans.
* Een oude vriend van mij vatte het als volgt samen: Voilà, volgens de Gezinsbond een erg onwaarschijnlijke situatie, door de Jambon voorgesteld als een reële mogelijkheid. Een leugen dus.
* Van mijn kant gebruik ik het woord leugen minder gemakkelijk, zeker als het een politieke context betreft. De reden heb ik uitgelegd in een vorig stukje ‘De leugen van Joke Schauvlieghe’ (hier). Ook toen werd een politicus in mijn ogen al te lichtzinnig van leugen beschuldigd. 
* Vier jaar geleden organiseerde de vakbond op onze school een informatievergadering waarin werd uitgelegd dat niet alleen onze pensioenleeftijd omhoog ging, maar dat ook onze pensioenen zouden dalen. Wij kregen gedetailleerd uitgewerkte voorbeelden aangereikt van leraar X en lerares Y die allebei vele tienduizenden euro zouden verliezen. Ik heb daar toen een stukje over geschreven (hier) en ik ben er nog altijd trots op dat ik het woord ‘leugen’ niet heb gebruikt.
Wilfried Vandaele (N-VA) zei  dat de uitspraak Jambon niet meer was dan ‘een boutade, die niet  wetenschappelijk correct moet zijn.’ Dat is een dubieuze formulering. Een uitspraak moet niet wetenschappelijk correct zijn, maar ze moet juist zijn, of zo juist mogelijk. Ofwel heeft Jambon dat verhaal gehoord, ofwel heeft hij het niet gehoord. Paul Cordy (ook N-VA) drukte het op Facebook correcter uit. ‘De anekdote, die blijkbaar ook aan de onderhandelingstafel is verteld (door wie?) maakt deel uit van een lezing van bijna twee uur bedoeld om het Vlaams regeerakkoord uit te leggen. Ongetwijfeld zitten er nog detailfouten in, of sluipen er detailfouten in, omdat je in zo’n lezing wel eens het script verlaat’. Dat lijkt mij realistisch. Die detailfouten maken een lezing niet tot ‘cafépraat’, maar hoe minder van die fouten, hoe beter.
* Jambon heeft laten weten dat hij het verhaal niet gecontroleerd heeft. Dat vind ik niet zo erg. Hij heeft zijn verhaal niet voorgesteld als de gemiddelde situatie. Hij moet de regeling genoeg gekend hebben om in te schatten dat het verhaal mogelijk was. Dat is voor mij genoeg. Maar Jambon heeft ook laten weten dat niet het verhaal en de precieze cijfers belangrijk zijn, maar wel het principe erachter.  Dat is flauw. Daarmee wordt, in de woorden van Luc Van Braekel, de nefaste invloed van fake news in het algemeen geminimaliseerd.'
* Dat het verhaal en de cijfers niet de ‘essentie’ zijn, maar dat het gaat om de ‘principes erachter’, kreeg ik ook als reactie van een andere oude vriend. De essentie voor hem was, net als voor Jambon, dat het retroactieve kindergeld werd afgeschaft. Mijn linkse vriend vond die afschaffing een geval van discriminatie en schending van de universele mensenrechten. Zelf vind ik de  essentie’ van de hele geschiedenis dat zo’n gunstige financiële ondersteuning meer nieuwe asielzoekers aantrekt.
* Een vriendin vond de uitspraak van Jambon dan weer ‘opruiend’. Daar moest ik over nadenken. Uiteindelijk begreep ik wat ze bedoelde. Je kunt zo’n uitspraak beschouwen als een klacht over het ‘profitariaat’ van de asielzoekers, ook al is de uitspraak wellicht niet zo bedoeld. Zulke klachten over profitariaat helpen ons niet vooruit. Het zijn immers niet de asielzoekers die het retroactieve kindergeld hebben uitgevonden. Het was een systeem opgezet door onze regering. Je kon van die asielzoekers niet verwachten dat ze het geld weigerden. Ikzelf heb indertijd ook nooit de jaarlijkse ‘woonbonus’ geweigerd, alhoewel ik er in principe tegen was. Het systeem zelf was fout.
* De kwestie van de opruiing stelt een regeringspartij voor een dilemma. Zo’n partij moet, als ze een ernstig beleid wil voeren, strikte maatregelen uitwerken om migratie te beperken. Dan zijn er twee scenario’s. Ze kan over die maatregelen ophef maken en dan geeft ze voedsel aan vijandige gevoelens tegen ‘profiterende’ migranten. Ze kan er ook discreet over blijven en dan geeft ze voedsel aan gevoelens van frustratie en onmacht – omdat ‘niemand iets doet’. Of er zijn anderen die er wél ophef over maken, en dan eindigen we weer bij scenario één.

donderdag 26 december 2019

Het 'vingertje' en de nazi's in de Reichstag

     Het Nieuwsblad van 24 december had een kerstwens voor politici. Ze mochten wat beleefder zijn tegenover elkaar. Er mocht wat meer fatsoen, hoffelijkheid, beleefdheid en respect komen, en minder gescheld, gedreig en vijandigheid. Daarbij werd, zoals dat vaak gaat, gesuggereerd dat het vroeger beter was. ‘Er was een tijd dat politici …’ begint Mijlemans een van zijn zinnen op bladzijde 2. ‘De politiek gaat er veel grover aan toe dan vroeger,’ beweert Mark Eyskens op bladzijde 9, en alsof hij zijn uitspraak wou logenstraffen door te bewijzen hoe grof hij zelf kan zijn, voegt hij eraan toe dat de huidige generatie politici – waar hij niet toe behoort – duidelijk laten zien ‘dat de mens van de aap afstamt’.
     Ik weet niet of dat waar is, dat het er vroeger zoveel beschaafder aan toe ging. Slechte manieren in de politiek lijken mij iets van alle tijden en alle plaatsen. Gaston Eyskens, de slimme vader van Mark, zei ooit dat politiek ‘geen stiel was voor blozende maagden’. Hij zal daar zijn redenen voor hebben gehad. In het middelbaar las ik het boek van Mieke Claeys-Van Hagendoren ‘25 jaar Belgisch socialisme’ en daarin staat beschreven hoe in ons Parlement werd gevóchten. Ik kan het niet opzoeken, want ik heb het boek uitgeleend aan een vriend die kort daarna bij een auto-ongeluk is omgekomen. In de jaren twintig van vorige eeuw namen Japanse parlementairen hun eigen knokploegen mee naar de zittingen om niet al het vechtwerk zelf te moeten doen. En in de prille Verenigde Staten verweten de Amerikaanse senatoren elkaar voor ‘boef’, ‘schoft’, ‘fraudeur’, ‘desperado’ en ‘schelm’, zoals je op bijgaande plaatje kunt zien.




     Zulke ruzies zijn zowel gespeeld als gemeend. Een parlementaire democratie is een spel van wisselende coalities, met wisselende vrienden en vijanden, en door theatrale ruzies maakt men duidelijk met wie men een coalitie tijdelijk uitgesloten acht. Dat is het spelgedeelte. Maar politiek is ook een kwestie van hartstocht. Dat zal op sommige familiefeesten van 24 december pijnlijk duidelijk geworden zijn, ondanks de goede voornemens die de N-VA-gezinde oom en de Spa-gezinde neef op voorhand hadden gemaakt. Ik ken collega’s bij wie je op café beter elk politiek onderwerp vermijdt als je geen glas bier over je hoofd wil krijgen.  Als die collega, die oom en die neef zich al zo laten meeslepen, waarom zou dat bij politici – of all people – beter gaan.
     Ik heb dus enig begrip voor dat geruzie. Een poos geleden wou de nieuwe Vlaamse regering het begrotingsdebat in het Parlement eerst over de principes voeren en daarna pas over de cijfers. Jambon beloofde de cijfers binnen enkele dagen op punt te hebben. ‘Te laat,’ riep PVDA-parlementair Jos D’Haese als een rebels ettertje. ‘Dat gaat gij niet bepalen,’ antwoordde Jambon als een autoritaire schooldirecteur. Ik vond dat goed gespeeld van beide heren, maar toch vooral van D’Haese. Ik heb met andere woorden weliswaar liever wat meer fatsoen en wat meer inhoud, maar ik vind het geen drama als er wat drama wordt opgevoerd. Als Karel de Gucht het Vlaams Belang uitmaakt voor ‘mestkevers’, ach ja, ’t is Karel maar, en als Tom Lannoye zijn burgemeester een ‘oude hoer’ noemt, ach ja, we kennen Tom, of als als die burgemeester zelf het woord ‘watermeloen’ bovenhaalt om de voorzitter van Ecolo te typeren, ach ja, zo spreekt die burgemeester nu eenmaal, en ’t is nog waar ook.
    Maar er zijn grenzen. Op de Antwerpse gemeenteraad riep Sam van Rooy (Vlaams Belang) laatst iets naar Hicham El Mzaihr (sp.a) dat ik niet aanvaardbaar vind. El Mzaihr had de partijen van de oppositie scherp aangevallen: de Groenen, de PVDA en hief daarna de vinger op om ook Vlaams Belang de mantel uit te vegen. ‘Doe dat vingertje weg, reageerde Van Rooy, je bent hier niet in Marokko’. Bart De Wever noemde die uitval een schande en ik vind dat terecht.
     Dat opgestoken vingertje behoort geloof ik tot de moslimretoriek. Mijn collega’s van godsdienst zitten bij nascholingen wel eens tegenover een inspecteur-adviseur van het islamonderwijs. Dat blijkt dan een vriendelijke, verdraagzame man te zijn, maar, zeggen ze erbij, hij heeft de vervelende gewoonte bij het spreken met de vinger naar de hemel te wijzen. Dat gebaar is overigens niet exclusief islamitisch want Castro gebruikte het ook (hier) en die was geen islamiet, kwam niet uit Marokko en was niet verdraagzaam. Maar dat ongelukkige gebaar aangrijpen om de Marokkaanse afkomst van een politieke opponent ter sprake te brengen, zelfs in een scherpe polemiek, is fout. Ik weet niet hoe we in ons land ooit een betere verstandhouding tot stand zullen brengen tussen wat De Wever ‘oudkomers’ en nieuwkomers, noemt maar dát is zeker niet de manier.
     Een andere grens werd overtreden toen Filip Dewinter en Bart Somers ruzie maakten in het Vlaams Parlement. Er was brand gesticht in een gebouw in Bilzen dat zou worden gebruikt om asielzoekers op te vangen. Filip Dewinter veroordeelde de brandstichting, maar verweet Bart Somers vooral dat hij de brandstichting misbruikte om een reclame te maken voor een ruim asielbeleid. De tussenkomst van Dewinter deed denken aan de halfslachtige manier waarop sommige moslimpropagandisten een terreuraanslag door hun geloofsgenoten veroordelen en daarbij vooral spreken over het gevaar van de islamofobie. (Zie ook hier).
     Ik vond de tussenkomst van Dewinter ongepast, maar het antwoord van Somers was veel erger. ‘
Laat ons afstand nemen van dat clubje daar, zei hij, ‘dat zich op een moment dat we discussiëren over brandstichting gedraagt als een bepaalde fractie in de Reichstag. ‘Mijn vader, voegde hij eraan toe,  is in de oorlog weggevoerd om verplicht te worden tewerkgesteld in de Messerschmitt-fabriek in Duitsland.
     Dat is een lage streek die niet thuishoort in een politiek debat. Mijn eigen vader is net als de vader van Somers weggevoerd om te gaan werken in een Duitse wapenfabriek. Maar dat geeft mij niet het recht om Vlaams Belang van 2019 gelijk te stellen aan de terroristische nazimoordenaars van 1933 en later. Mijn vader zelf zou er, ondanks – of eerder juist vanwege – zijn wegvoering, niet aan denken om die twee aan elkaar gelijk te stellen. Ik heb dat als jonge, linkse propagandist aan de universiteit wel gedaan: in de aula’s gaan oproepen om een bijeenkomst van Vlaams Blok-jongeren te verstoren, ‘omdat het nazi’s waren’.  Ik schaam mij daar een beetje voor, maar niet heel erg, want zo dacht ik nu eenmaal. Maar dat ik bij die oproepen ook mijn vader ter sprake bracht, en die verplichte tewerkstelling, en dat ik daar applaus voor kreeg, dáár schaamde ik mij toen al voor, al liet ik het niet blijken.

Links een autoritaire leraar - rechts een autoritaire architect

woensdag 13 november 2019

Losse bedenkingen bij de cultuursubsidies

** In mijn ideale maatschappij zijn er geen subsidies voor de kunsten. Operatickets zijn er duur, maar de liefhebbers van opera betalen ze graag, want ze houden hartstochtelijk van opera. Ook moet de operabezoeker niet besparen op brood, melk, vlees of groenten, want hij bespaart geld op andere manieren. Zo moet hij in mijn ideale maatschappij niet meebetalen aan subsidies voor een televisiezender waar hij nooit op afstemt, sportwedstrijden die hij nooit bijwoont of dansvoorstellingen die hem niet boeien.
                           
** Ik ben overigens niet zeker of ik in mijn ideale maatschappij zou willen leven. Ik moet even denken aan de fellow travelers die je ook met geen stokslagen naar Rusland kreeg,  of toch niet om er te gaan wonen.

** Ik ben een voorstander van ‘grote’ cijfers. Ik heb tientallen keren iets gehoord en gelezen over een subsidiedaling van 60 procent en ook enkele keren iets van een daling van 6 procent. Dat ene cijfer gaat geloof ik over de ‘eenmalige projectsubsidies’ en het andere over ‘werksubsidies’. Maar de ‘grote’ cijfers zijn deze. Het Vlaamse cultuurbudget bedroeg vorig jaar 518 miljoen en dit jaar 508 miljoen. Dat is een daling van 2 procent. 2 % en geen 60 %. Nu ja, ’t is een daling.

**  Andreas Thirez heeft onlangs nog eens herhaald wat we al wisten van Yes Minister: cultuursubsidies komen grotendeels ten goede aan een culturele elite die vaak tegelijk een financiële elite is. Helemaal rechtvaardig is dat niet, al betaalt die financiële elite natuurlijk meer belastingen dan de andere burgers.

** Er is in elke maatschappij een elite die haar stempel zet: uitvinders, ondernemers, politici, topambtenaren, professoren, architecten, journalisten, psychiaters … Als de andere omstandigheden gelijk zijn, heb ik liever dat die elite uit kunstlievende mensen bestaat die klassieke auteurs lezen, viool of piano spelen en een Rembrandt van een Vermeer kunnen onderscheiden. Nu ja, Heydrich speelde viool, Hitler was aardig thuis in ‘Die Welt als Wille und Vorstellung’, Lenin citeerde met gemak de grote Russische auteurs, en Mao koesterde in zijn privé-woningen de Chinese klassieken die hij in het openbaar door zijn handlangers liet vernietigen. Maar, zoals ik al zei, de andere omstandigheden moeten gelijk zijn.

** Ook is het fijn in een tijd te leven waarin de smaak van de elite en die van de volksmens niet te ver uit elkaar liggen. Dat moet zo geweest zijn bij het Griekse theater, en in de tijd van Shakespeare en Lope de Vega. Het is echter, vrees ik, niet in zo’n tijd dat we leven. Vandaag gaapt er een kloof tussen de twee soorten publiek. Films en vooral televisieseries – we leven in ‘the Golden Age of Television’ zegt men – lijken een uitzondering te vormen. Daar kunnen elitaire en populaire smaak soms nog samenvallen.

** Sanctorum heeft tegen de moderne gesubsidieerde kunst twee bezwaren ingebracht: de beoefenaren ervan zijn links en de producten ervan zijn decadent. Hij geeft daarvan enkele sprekende voorbeelden. Maar het hóeft niet zo te zijn, en zulke beoordelingen zijn nogal persoonlijk. Het stuk waar ik dit jaar met mijn leerlingen naar toe geweest ben, was er een van Tom Lanoye: ‘Wie is bang’. Die auteur mogen we, vermoedelijk met zijn welnemen, ‘links’ noemen. Maar de voorstelling vond ik daarom niet decadent. Het stuk was een herwerking van de klassieker ‘Who’s Afraid of Virginia Woolf’. Ook dat stuk zou ik niet decadent noemen. Maar Barbara Branden vond dat indertijd wel, terwijl ze verder ongeveer even ‘rechts’ was als ik nu.

** De voorstelling die wij hebben bijgewoond – een NTG-productie – moet op één of andere manier gesubsidieerd zijn geweest, want mijn leerlingen betaalden slechts 10 euro.  Wij hebben een van de vorige jaren ooit een niet-gesubsidieerde voorstelling van een klein gezelschap bijgewoond en toen betaalden we 30 euro.

** Het stuk van Lanoye ging overigens over subsidies aan theater. De boodschap was, als ik het goed heb, dat theatermakers zulke subsidies vernederend vinden. Ik zou het ook vernederend vinden. Een eenmalig projectvoorstel uitschrijven en indienen bij een commissie. Met twee woorden spreken. Pet in de hand houden. Rekening houden met het stokpaard van commissielid A en het idee-fixe van commissielid B. Bang afwachten of de subsidie er nu komt of niet. Dan had ik nog liever het mecenaat. Een glas gaan drinken met een excentrieke miljonair, en als die niet toehapt, een andere miljonair opzoeken. Ik geloof dat die miljonairs geen uitgeschreven projectvoorstellen vragen en in elk geval geen tijd hebben om ze te lezen.

** Een paar keer las ik de bewering dat je kunst niet kunt overlaten aan de vrije markt. Misschien niet helemaal, dat weet ik niet. Ik ben voor commerciële boekhandels, maar ook voor openbare bibliotheken. Toch heeft de vrije markt iets moois. Je zou het misschien beter de ‘vrijwillige markt’ noemen. De schrijver schrijft vrijwillig een boek en de lezer leest vrijwillig een boek, en betaalt ervoor, ook vrijwillig. En tussen de vrijwillige schrijver en de vrijwillige lezer staat de uitgever. Die probeert te raden wat de lezer vrijwillig wil lezen. Vaak raadt hij juist, en dan maakt hij winst, dan weer raadt hij fout, en maakt hij verlies. Er is echter een schaduwkant. In die omstandigheden gebeurt het namelijk al te vaak dat een prachtig boek onuitgegeven blijft. Een collega van mij heeft een korte graphic novel gemaakt, waarvan het moeilijk is om uit te maken is of nu de teksten erin dan wel de tekeningen het mooiste zijn. Hij krijgt het boek echter niet uitgegeven. Is er een gebrek aan verfijnde lezers voor zo’n werk of schatten de uitgevers hun lezers verkeerd in? De fout ligt in een van de twee kampen: de lezers of de uitgevers; de fout ligt in elk geval niet bij ‘de markt’. Een markt kan geen fouten maken. 

** Op de televisie hoorde ik een mevrouw die het ‘economisch argument’ hanteerde. Cultuur zorgt voor tewerkstelling, zei ze, en die tewerkgestelden betalen belastingen. Daar kwamen nog eens de ‘indirecte’ gevolgen bij. Mensen gingen naar het theater en bezochten daarna een café. Dat lijkt mij een foute redenering. Als we belastingen betalen om het toneel te ondersteunen, en als de mensen daarna een glas drinken op café, is dat allemaal geld dat ze niet kunnen gebruiken om op Zalando een paar nieuwe schoenen te bestellen. Op die manier vermindert de tewerkstelling in de schoenenindustrie en bij Zalando. Het is de oude parabel van het gebroken venster. Nu kun je het fijner vinden om in een maatschappij te leven waar we meer belang hechten aan cultuur, dan aan schoenen.  Maar dát is een heel andere zaak. 

** Tot slot. Geert van Oorschot heeft het Verzameld Werk van Multatuli uitgegeven zonder één gulden subsidie. Zijn zoon Wouter van Oorschot heeft het Verzameld Werk van Karel van het Reve uitgegeven, eveneens zonder één euro subsidie. Hoe die uitgevers dat geflikt hebben, moeten mijn leerlingen weten voor het examen Nederlands

zondag 13 oktober 2019

De 'kille' regering, de woonbonus en de jobbonus

     Tegen de nieuwe Vlaamse regering wordt aangevoerd dat ze ‘kil’ is. Je komt het woord overal tegen. Rzoska van Groen zegt bijvoorbeeld in de De Zondag: ‘Nieuwkomers moeten hogere drempels over … Werklozen moeten voortaan gemeenschapsdienst doen … De bouwmeester moet zich bezighouden met zijn kernopdracht … De regering wil spijbelen harder aanpakken … De VRT wordt in een [financieel] keurslijf gestopt. Ik vrees voor een kil en hardvochtig Vlaanderen.’
    Is dat wel een redelijke conclusie uit de opsomming die eraan voorafgaat? Het is alsof je zegt: mijn likdoorns doen pijn, onze kat heeft een muis gevangen, Rzoska is een sympathieke kerel, kortom: ik vrees voor een olielek in mijn auto.  Rzoska somt allemaal maatregelen op waar hij tegen en ik voor ben. Ben ik dan ook ‘kil’ en ‘hardvochtig’? Dat is wel een streng oordeel. En moet de warmte in ons land komen van de bouwmeester en van de VRT-directeuren? Ik heb hun foto’s eens bekeken.
     Rzoska heeft zich geloof ik laten meeslepen door het automatisme om van een kille regering te spreken ook als de context er zich niet goed toe leent. Maar als hij zijn best doet, kan hij wel betere voorbeelden vinden voor zijn stelling. Hij moet dan zwijgen over de gemeenschapsdienst, de bouwmeester en de VRT. In plaats daarvan moet hij de begroting afspeuren naar alle besparingen en besparinkjes. Want waar bespaard wordt is er altijd iemand die minder krijgt dan vroeger. Zo iemand voelt zich – heel begrijpelijk – in de kou gezet en zal in die barre toestand ontvankelijk zijn voor metaforen van een ‘kille’ regering. Als Rzoska even zoekt in de begrotingstabellen zal hij gemakkelijk veel van die maatregelen vinden.
     Bij die werkwijze zijn echter twee moeilijkheden. Ten eerste staan tegenover die besparingen – twee miljard  – ongeveer evenveel nieuwe uitgaven – ook twee miljard. Er zijn ongeveer evenveel besparingen als nieuwe uitgaven. Als elke besparing bewijst hoe ‘kil’ en ‘hardvochtig’ de regering is, dan bewijst elke nieuwe uitgave hoe ‘gul’ en ‘ruimhartig’ ze is.
     En dat is niet het enige. Onze linkse vrienden kijken niet enkel naar de hoeveelheid van besparingen en uitgaven, maar ook naar wie er slechter en wie er beter van wordt. Als de hoge inkomens er slechter van worden en de lage inkomens beter, dan wordt dat een sociaal ‘herverdelingsbeleid’ genoemd.
     Hoe staan de zaken ervoor op dit terrein? Erg sociaal eigenlijk. Ik heb tijd noch zin om, zoals sommige van mijn collega’s, het héle regeerakkoord te lezen. Ook ga ik de begrotingstabellen, die Jambon op zijn bureau had laten liggen, niet uitvlooien naar elk miljoen meer of minder. Ik heb geleerd dat je veel kunt begrijpen door alleen naar de grote cijfers te kijken. En de grootste cijfers bij de twee miljard verschuivingen zijn: 320 miljoen meer inkomsten door de afschaffing van de woonbonus en 350 miljoen meer uitgaven* door het invoeren van een jobbonus. Huizenkopers verliezen een bonus, en mensen met een laagbetaalde job krijgen er een.
     Het is zonneklaar dat de geldstroom hier van rijker naar armer gaat. Wie een huis koopt of laat bouwen behoort, mogen we aannemen, tot de 75 procent hoogste inkomens*, en wie een jobbonus krijgt, tot de 40 procent laagste**. Er is een ruime overlapping tussen de twee groepen – ook kleinverdieners kopen en bouwen huizen – maar de richting van de ‘herverdeling’ is ondubbelzinnig. Links zou moeten juichen.
     Zelfs ik, die niet links ben, juich een beetje. Die woonbonus heb ik namelijk altijd een onrecht gevonden. Mijn vrouw en ik hebben voor ons landhuisje indertijd een flinke lening moeten aangaan tegen een interest die jonge huizenkopers van nu zich niet meer kunnen voorstellen. Op vijftien jaar tijd moesten we twee keer zoveel afbetalen als wat we hadden geleend. Om dat een beetje goed te maken had de toenmalige regering in haar welwillendheid ervoor gezorgd dat we die afbetalingen fiscaal konden aftrekken van ons inkomen. Elk jaar kregen wij daardoor in april duizenden euro’s terug van wat het vorige jaar van ons loon was afgehouden. ’t Had werkelijk iets van een jaarlijkse bonus. ’t Was een moment van onverdeeld geluk en dán kniezen ware ongepast geweest.
    Anders was dat enkele maanden ervoor, bij het invullen van de belastingbrief. Op dát moment maakte ik mij telkens weer dezelfde bedenking: waarom moeten wij, die ons een eigen huis kunnen permitteren, een gunstiger belastingregeling genieten dan huurders die dat niet kunnen? Ten slotte waren we zelf ook vijftien jaar huurder geweest.




* Strikt genomen is de jobbonus geen uitgave, maar een minderinkomst door belastingverlaging.

** Dat lijkt mij een redelijke aanname als je weet dat 75 procent van de Belgen een eigen huis bezitten.

*** De jobbonus geldt voor mensen die tot maximaal 1.700 € bruto per maand verdienen, waarmee je je ongeveer in het vierde inkomensdeciel bevindt.