Posts tonen met het label Marc Vanfraechem. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Marc Vanfraechem. Alle posts tonen

donderdag 11 maart 2021

Losse invallen over 'woke'


 1.  De Oxford English Dictionary definieert ‘woke’ als ‘alert to injustice in society, especially racism’. Ik voeg eraan toe  ‘and gender questions’. Je kunt ook alert zijn voor de rugbelasting van vrachtwagenchauffeurs, lucht- en bodemvervuiling, gebrekkige fietspaden, dierenmishandeling, afstompend werk aan ‘de lopende band’,  en lage lonen voor pakjesbezorgers. Maar die dingen schijnen mij niet tot de kernbetekenis van het woord te behoren.

2. ‘Woke’ heeft een tweede leven gekregen als scheldwoord* waarbij het verwijst naar een extreme vorm van politiek correct denken over bovenvermelde kwesties. Het wordt als dusdanig gebruikt door stromingen die zich afzetten tegen woke: extreemrechts, rechts, centrumrechts, traditioneel links, links-liberaal en traditioneel politiek correct. Ilja Leonard Pfeijffer nam afstand van woke als lid van die laatste categorie, Barack Obama als lid van de voorlaatste**.

3. Voorbeelden. Bij boeken van Pipi Langkous hoort een verwittiging dat ze racistisch kunnen worden geïnterpreteerd. Enkele kinderboeken van Dr. Seuss verdwijnen uit het aanbod. De VRT excuseert zich voor een flauw mopje over de ‘flietchinees’. Een Nederlandse schrijfster twittert dat ze geen boeken van Gerard Reve in huis wil hebben omdat ze hoorde dat hij een racist, een viezerik en een blasfemist is. Een Vlaamse schrijfster heeft gewetensproblemen als ze een Woody Allen-film ziet waarin vrouwen ‘stereotiep’ geportretteerd worden***. Een Amerikaanse studente die op Prom Night een Chinees ogende jurk draagt, wordt op sociale media beschuldigd van ‘cultural appropriation’. J.K. Rowling wordt door Harry Potter-acteurs verketterd nadat zij bezwaar maakte tegen een nieuwe, ‘neutrale’ term om vrouwen aan te duiden: ‘wezens die menstrueren’.

4. Eigenlijk moet dat allemaal kunnen. De bibliotheek mág een inlegvelletje in de Pipi Langkous-boeken stoppen. De steenrijke erfgenamen van Dr. Seuss mógen vrijwillig zes van de zestig boeken uit hun portefeuille opstoken. Die Nederlandse schrijfster móet Reve niet lezen. Die Vlaamse schrijfster mág gewetensproblemen hebben als ze naar Woody Allenfilms kijkt. Die twitteraars mógen kritiek hebben op elke Prom-jurk die hen om welke reden ook niet aanstaat. De Harry Potter-acteurs móeten niet levenslang bevriend blijven met de schrijfster van de boekenreeks. Toch erger ik mij blauw.

5. Blaise Pascal weet waar die ergernis vandaan komt. ‘D’où vient qu’un boiteux,’ schrijft hij, ‘ne nous irrite pas et un esprit boiteux nous irrite ? À cause qu’un boiteux reconnaît que nous allons droit et qu’un esprit boiteux dit que c’est nous qui boitons. Sans cela nous en aurions pitié, et non colère.’

6. Naast de ‘esprit boiteux’ van de woke-mensen is er nog hun onverdraagzaamheid om je aan te ergeren, hun morele zelfgenoegzaamheid en soms hun lafheid. Maar mij gaat het toch vooral om die ‘esprit boiteux’. Ik heb al gemerkt dat het geen verschil maakt of die mensen vrouw zijn of man, gekleurd of blank, en of ze zichzelf zien als slachtoffer dan wel als sympathisant met de slachtoffers. Ik discrimineer niet in deze.

7. Marieke Lucas Rijneveld, die eerst was aangezocht om gedichten van Amanda Gorman te vertalen, heeft de opdracht teruggegeven toen er protest kwam dat ze als ‘witte’ vrouw niet geschikt was om dat te doen. Enig gewetensonderzoek leert mij dat ik hetzelfde zou doen. De koppigheid van Rosa Parks is niet aan iedereen gegeven, vooral als je geen applaus kunt verwachten in de huizen waar je normaal komt.

8. Ik lees soms dat woke zal omkomen in de lawine van haar eigen belachelijkheid. Dat is te optimistisch. Om een Franse zegswijze te variëren: le ridicule tue, mais ne se suicide pas. En sommige voorbijgaande modes doen er heel veel tijd over om voorbij te gaan.

9. Sommigen denken dat woke het einde inluidt van ‘de heerschappij van de witte rijke mannen’. Dat is wat snel gedacht. Waar woke succesvol is, zullen genoeg ‘witte rijke mannen’ op het wagentje springen om mee te liften op dat succes. 

10. Woke zal in Europa wel een cultureel luxeprobleem blijven vergeleken met het veel grotere probleem van de islam. Hoe de islam evolueert, radicaliseert, moderniseert en seculariseert zal onze toekomst meer bepalen dan de opwinding van de woke-mensen en de ergernis erover van mensen zoals ik. Er zijn wel raakvlakken tussen de twee kwesties. Woke drijft op victimisme – de zwarte, de vrouw, de holebi, de transgender als slachtoffer****– en victimisme kan met een islamisme tot een erg giftige cocktail worden gemixt. Maar de islam op zich is allesbehalve woke.

11. In de Verenigde Staten is dat anders. Daar kan woke aansluiten bij de oudere generatie van race mongers, demagogen die van victimisme een – soms lucratief – beroep hebben gemaakt.

12.  Tegenstanders van woke wordt verweten dat zij mensen van kleur geen ruimte gunnen. ‘Voor witte mensen’, zei Daan Roovers op Klara, ‘is het pijnlijk dat ze een beetje plaats moeten maken, dat ze een beetje op moeten schuiven.’ ’t Is het zoveelste voorbeeld van zero sum denken van links. Als zwarten te weinig kansen krijgen in het onderwijs, op de arbeidsmarkt of op de huurmarkt, dan zal de oplossing er niet in bestaan om de blanken minder kans te geven. Men kan dat proberen met positieve discriminatie, maar zoiets zal veel kwaad bloed, en weinig zoden aan de dijk, zetten.

13. Misschien moeten we dat ‘plaats maken’ eerder figuurlijk en symbolisch opvatten. Meer mensen van kleur op de podia en in film en televisie. Daar heb ik geen problemen mee, als men de quota en de moedwil er buiten laat. (Zie ook hier).

14. Over hetzelfde. Paul Baeten schreef in Knack Focus een stuk waarin hij in de titel meegeeft dat ‘woke niet ver genoeg gaat.’ Het stuk zelf gaat meer over de moeilijkheid van literaire vertalen, maar dan eindigt hij als volgt: ‘Waarom stromen in Vlaanderen en Nederland nog steeds zo weinig mensen van kleur door naar de eretafels der Letteren? Waarom blijft dat nog steeds grotendeels de speeltuin voor witte middenklassezonen en -dochters?’ Ja, waarom? Ik kan een aantal redenen bedenken, en die zijn meest van tijdelijke aard. Discriminatie door uitgeverijen, recensenten en jury’s is er niet bij. Ook denk ik niet dat veel schrijvende middenklassezonen en –dochters bezwaren hebben tegen mensen van kleur. Juist bij die zonen en dochters heb je een nogal flinke vertegenwoordiging van de wokies. Maar dat bij hen een zekere naijver heerst jegens literaire concurrenten van álle kleuren, dat kan natuurlijk. En verder blijf ik de boeken lezen die ik wil.

15. Je kunt woke van links vergelijken met, geloof ik, alt-right van rechts. Woke heeft een zeker verlengstuk in linkse, links-liberale en links-groene politieke partijen, zoals alt-right een zeker verlengstuk heeft in de extreemrechtse partijen. Dat is een gelijkenis. Een verschil is dan weer dat woke tot op zekere hoogte aansluit bij de eerder politiek-correcte sfeer van de grote redactielokalen, terwijl alt-right daar in Europa geen aanknopingspunten heeft.

16. Woke wordt pas echt gevaarlijk als de beweging zich keert tegen de vrije meningsuiting en oproept tot censuur. Dan komen we bij de cancel cultuur, de knevelcultuur zoals Marc Vanfraechem ze noemt. Een treffend voorbeeld vind je in een interview met de afro-feministe Rachael Moore in De Standaard van 6 maart. Moore zegt daarin: ‘Wat mij betreft gaat de vrijheid van meningsuiting ver, maar ze stopt als je mijn menselijkheid aanvalt.’ ‘Menselijkheid niet aanvallen,’ dat klinkt redelijk als beperking. Maar dan volgt het voorbeeld. ‘Denk maar aan de Birther Movement van Donald Trump, die in twijfel trok dat Barack Obama in de Verenigde Staten was geboren. Door altijd maar weer documenten te vragen die konden bewijzen dat Obama in de VS was geboren, ontken je niet alleen zijn identiteit als Amerikaan, maar zijn bestaansrecht.’ Op welke manier, vraag de verbijsterde lezer zich af ‘ontkent’ een Birther ‘het bestaansrecht’ van Obama? Die Birther ontkent alleen de authenticiteit van zekere papieren. Er bestaan tegen de Birther-beweging veel, heel veel, goede argumenten, maar dit is er geen. Het is een voorbeeld hoe elk redelijk klinkende beperking van de vrije meningsuiting heel snel op oneigenlijke manier wordt misbruikt. Al gaat niet iedereen daarin zo ver als onze wokies.

 

* Ik heb niets tegen scheldwoorden, zolang ze niet gebruikt worden als surrogaat voor argumentatie. Iedereen mag mij bijvoorbeeld een neoliberaal noemen. (Zie hier).

 ** Pfeijffer schreef in De Standaard van 24 februari:  Het woke denken is een religie geworden … De cancel culture is geen activisme, maar een kwalijke uitwas van absolutisme. Liesbeth van Impe citeert in Het Nieuwsblad van 6 maart de raad die Obama aan een groep studenten gaf om de idee van woke zijn, zo snel mogelijk achter zich te laten. Vitten over woordgebruik en over ‘micro-agressies brachten volgens hem geen verandering te weeg.

 *** Alsof de mannen in Woody Allen-films minder stereotiep geportretteerd worden.

 **** Natuurlijk zijn die mensen ook soms slachtoffer. In het geval van holebi’s hebben we het marginale maar hardnekkige verschijnsel van gay bashing. Pinker wijst erop dat in de VS de homoseksuelen er veel beter aan toe zijn dan vroeger: afschaffing van wettelijk vervolging, afname van discriminatie, morele aanvaarding door een steeds groter deel van de bevolking, minder intimidatie op straat, maar dat anderzijds gewelddadige aanvallen door homohaters, niet afgenomen zijn.  

dinsdag 7 augustus 2018

Vrouwenvoetjes

     Flaubert was naar het schijnt een voet- en laarsjesfetisjist. Toen ik op het examen bij professor Beyen een fragment uit Madame Bovary van commentaar moest voorzien, mompelde ik dus iets over dat fetisjisme. De belangstelling van de professor was meteen gewekt. Où est-ce que vous voyez donc ce fétichisme?* Ik las een zin voor over een voet. Mais ce n’est pas du fétichisme ça. Est-ce que vous savez bien ce que c’est que le fétichisme du pied? C’est quand on préfère le pied de la femme à la femme elle-même, à l’exclusion du reste. Professor Beyen was erg geïnteresseerd in zulke zaken.
     Ook Poejskin was naar het schijnt een voetfetisjist. Men concludeert dat onder andere uit de strofen 30 tot 34 van  het eerste hoofdstuk van Jevgeni Onegin. De dichter bezingt daarin ‘twee voetjes die ik nooit vergeet / hoewel de tijd mijn passie sleet’. Hij verkiest verder ‘het voetje van Terpsichore’ boven de ‘borstjes van Diana, het blosje van Flora en de lippen van Armida’, en vindt het jammer dat je in Rusland met moeite drie paar fijngevormde vrouwenvoetjes vindt. Nabokov gebruikt in zijn vertaling van de bewuste strofen tien keer het woord ‘foot’ en ‘feet’. Die vertaling wordt weliswaar verfoeid door Edmund Wilson, Hans Boland en Marc Vanfraechem, maar dat Nabokov op zijn minst vertaalt wat er staat, wordt geloof ik door niemand ontkend.
     Vertalen wat er staat is evenwel niet zo gemakkelijk. In het Russisch van Poesjkin staat het woordje ‘нога’ (noga) dat zowel ‘voet’ als ‘been’ kan betekenen. Het is één van de vijf Russische woordjes die ik ken omdat ik er iets over zeg in mijn lessen taalkunde. De talen verschillen van elkaar, zeg ik dan, omdat de ene taal bijvoorbeeld wel een apart woord heeft voor ‘hand’ en ‘voet’ en een andere taal alleen in het algemeen spreekt van ‘arm’ en ‘been’, zonder een apart woord voor het uiteinde ervan.** Maar alle talen lijken dan weer wel op elkaar door de volgorde waarin ze woorden opnemen. Een taal vindt het bijvoorbeeld belangrijker om een woord te hebben voor ‘hand’ dan een woord voor ‘voet’. Of beter: als een taal, gelijk welke taal, een apart woord heeft voor ‘voet’ heeft ze ook gegarandeerd een apart woord voor ‘hand’.
     Maar het Russisch heeft dus géén apart woord – noch voor ‘hand’, noch voor ‘voet’. En toch hebben alle vertalers die ik ken Poesjkins ‘noga’ stelselmatig vertaald door ‘voet’: Nabokov, Boland, Jonkers, Mitchel, Van Stekelenburg-Van Agt, Toergenjev-Viardot. Het is de vertaling die zich opdringt. Het ‘vrouwenvoetje’ vervangen door een ‘vrouwenbeen’ zou van de vijf hierboven genoemde strofen een obsceen stuk hebben gemaakt, en Poesjkin spaarde zijn obsceniteiten op voor aparte gedichten. Als de dichter schrijft over Terpsichore denk je aan dansende voetjes, en niet aan benen. De Griekse godinnen dansten geloof ik niet in de stijl van Bob Fosse. Het zijn ook voetjes die sporen laten in de sneeuw. Het is aan die lieve voetjes dat de dichter zich neervlijt. Het is een voetje dat hij in de stijgbeugel helpt.
     Maar het kan anders. Douglas Hofstadter – professor in de computerwetenschappen en schrijver van Gödel, Esscher, Bach – heeft ook een vertaling gemaakt van Onegin. In de inleiding legt hij uit dat hij alleen een beetje schoolrussisch kent, maar dat hij na de dood van zijn vrouw de strofen van Onegin uit het hoofd begon te leren om zichzelf te troosten. Na enkele maanden was dat memoriseren niet genoeg meer en begon hij te vertalen. En omdat hij weinig van Poesjkin afweet – hij weet bijvoorbeeld niet dat diens manuscripten vol staan met getekende vrouwenvoetjes – gelooft hij dat de dichter bij ‘noga’ aan ‘benen’ dacht.*** ’t Is meteen een manier om zich van andere vertalers te onderscheiden en dat is ook iets waard. ‘Pushkin,’ schrijft Hofstadter, ‘is referring just as plausibly to “legs” as to “feet”. Indeed every single Russian friend whom I have consulted – mostly female I might add – has been absolutely convinced that “leg” and not “foot” is what Pushkin had in mind.’ Je zou daar kunnen op antwoorden dat Nabokov en Toergenjev, toch ook Russen, in hun vertaling wél ‘voet’ gebruikten.
     Hofstadter vindt de ‘voet’-vertaling ‘slightly puritanical’. Hij presenteert Poesjkin, zegt hij zelf, als een ‘leg man’*** en daarom vertaalt hij  ‘noga’ op verschillende manieren– limbs, legs, feet, ankle, thigh****. Hij spreekt van een ‘whole spectrum of words that run admiringly up and down milady’s limb, all the way from top to bottom.’
     Ik heb er verder niets mee te maken, maar ik vind ‘voetjes’ mooier.



* Zou Beyen mij echt gevousvoyeerd hebben? Zo herinner ik het mij toch.
**  In het Nederlands spreken wij van de ‘poot’ van een poes, terwijl het Engels een onderscheid kan maken tussen haar ‘leg’ en haar ‘paw’.

*** Nabokov noemt de vijf strofen ‘the pedal digression’. Iemand noemde Hofstadters versie een ‘iambic diversion’. Hoe goed moet een Amerikaan zijn Frans kennen en op de hoogte zijn van versificatie om die woordspeling te smaken? Hofstadter beledigt  trouwens door zijn keuze het grote Rusland en zijn inwoonsters als hij schrijft : ‘You’ll find in Russia three or fewer / Well-tapered pairs of legs.’ Met ‘voetjes’ vervalt naar mijn smaak de belediging. ‘Maar fijngevormde voetjes komen / In Rusland zelden voor – misschien / Kreeg ik er drie paar van te zien.’ Boland kreeg dan ook de grote Poesjkinprijs, en Hofstadter niet – prijs die Boland overigens weigerde omdat hij die uit handen van Poetin had moeten ontvangen.

**** De dansende dij van Terpsichore? Honestly?

vrijdag 26 januari 2018

Gedichten uit het hoofd kennen, in Calais en in Moskou

Links Vanfraechem - rechts: Gerd Wiesler
     Marc Vanfraechem stel ik mij voor als die Stasi-agent Gerd Wiesler uit Das Leben der Anderen. Die had opdracht zijn mogelijk subversieve buurman uren na elkaar af te luisteren. Marc, beeld ik mij in, laat zijn buurman met rust. Maar met een hoofdtelefoon om de oren  beluistert hij urenlang, zonder zich een ogenblik rust te gunnen, de Franse radiostations, daarbij om de paar minuten van golflengte veranderend, om een Française te betrappen op een schrandere uitspraak, of een Parijse bobo op een bêtise. Dankzij Marc weet ik nu ook wat Yann Moix, de beroemde schrijver, cineast en televisiepresentator, deze week op France Inter heeft gezegd. Marc heeft alles geregistreerd, getranscribeerd en vertaald. ‘Onder de Afghanen [die illegaal kamperen in Calais],’ zei Moix, ‘zijn er mensen die Victor Hugo kennen, die Victor Hugo in het Farsi gelezen hebben en hem op hun duimpje kennen, en die dáárom naar Frankrijk zijn gekomen. En dan komen ze hier, en men klopt erop.’ Die Fransen zijn dus naar Calais gekomen vanwege Victor Hugo! Nou, nou.
     Marc heeft daar allerlei vragen bij, en ik ook. Heeft Moix met die Afghanen gesproken?, is zo’n vraag. En was dat in het Farsi? En heeft hij die Afghanen dan verteld dat Hugo al lang overleden is en dat ze hem niet meer kunnen bezoeken. En waarom willen ze eigenlijk vooral naar Engeland, terwijl ze toch moeten weten dat de schrijver allesbehalve een anglofiel was? Het enige Engelse woordje dat hij kende was geloof ik ‘look-out’, en hij sprak het uit als ‘loekoet’. En waarom vragen onze Afghanen niet meteen een verblijfsvergunning aan voor het eiland Guernsey waar de grote man zo lang gedicht, geschilderd en bemind heeft? Dat zijn allemaal vragen die we aan de Afghanen zelf zouden moeten stellen, op een moment dat ze zich niet in de laadbak van een vrachtwagen hebben verstopt.
     Ik zou hun nog iets anders willen vragen. Hoe doen ze dat, om ál die gedichten van Hugo uit het hoofd te leren? Ik ken geen enkel gedicht van Hugo uit het hoofd. Soms probeer ik wel een gedicht uit het hoofd te leren, van Heine of van Yates, maar dat ben ik dan na enkele dagen weer vergeten. Is het een kwestie van volgehouden oefening? Of zijn andere mensen daar zoveel beter in dan ik? Ik zou het haast denken.

     Het begint al bij Alexander de Grote. Die kon de héle Ilias uit het hoofd opzeggen – alle zestienduizend verzen. Hitler kon héle hoofdstukken van Schopenhauer voordragen als hij iemand vond die wou luisteren. Fénélon kon álle poëzie van de Ouden uit zijn mouw schudden. Ik vind dat allemaal heel sterk. Zelf ken ik alleen iemand die een kwartiertje lang schunnige limericks kan afvuren.
     Het sterkste voorbeeld van dat uit het hoofd opzeggen vond ik bij de Engelse literatuurprofessor George Steiner. ’t Was in 1937, vertelt Steiner, het jaar van de grote zuiveringen in communistisch Rusland. Er was een grote bijeenkomst van de Bond van Sovjetschrijvers. Er waren tweeduizend genodigden. Twee dagen na elkaar komt de ene na de andere schrijver het podium op om met knikkende knieën kameraad Stalin te prijzen als de beste vriend van alle schrijvers en kunstenaars over de hele wereld. Vanuit de coulissen wordt alles gadegeslagen door Stalins gevreesde handlanger Andrej Zjdanov. Op de derde dag dan, na de zoveelste kruiperige rede van een literaire kontlikker, staat de half-dissidente schrijver Pasternak op en gaat naar voren. Pasternak is een boomlange kerel en ziet eruit – dixit Karel van het Reve – als een bronstige hengst. Een volkomen stilte daalt neer over Rusland – dixit Steiner. Dan roept Pasternak: ‘Nummer zesenzestig!’ De hele zaal veert recht en begint, met donderende cadans en zonder haperen, het zesenzestigste sonnet van Shakespeare voor te dragen:

                ‘… Hoe kunst door het gezag de mond gesnoerd
                Door dwaasheid die het hoge woord nu voert …’

’t Zijn woorden die in het Rusland van 1937 alleen kunnen worden geduid als een bijzonder dappere aanklacht tegen de rode dictatuur in het algemeen en tegen haar kunstpolitiek in het bijzonder.
     Je kunt nu zeggen: ’t is maar één sonnetje, dat nummer zesenzestig, veertien regeltjes – dat is niet veel. ’t Is waar.  Maar Steiner vertelde zijn verhaal ook wel eens met nummer dertig in de glansrol, als hij toevallig iets kwijt wou over ‘herinnering’ en ‘gemis’. Misschien werden die sonnetten wel allebei voorgedragen bij die unieke gelegenheid. Dat zijn dan al achtentwintig regels. En het aardigste is natuurlijk dat elk aanwezig lid van de schrijversbond toevallig nummer zesenzestig of nummer dertig of nummer zesenzestig én nummer dertig uit het hoofd kende, en wel allemaal in de vertaling van Pasternak zelf.
     In elk geval, ik blijf het sterk vinden, van die Afghanen, van Alexander, van Hitler, van Fénélon en vooral van die tweeduizend Russen in 1937. Als het allemaal waar is tenminste. Als ik bijvoorbeeld op dat congres van 1937 was geweest, had ik de sonnetten niet meegedreund. Omdat ik geen Russisch ken, omdat ik moeilijk gedichten onthoud, en omdat ik doodsbang zou zijn geweest van Zjdanov in de coulissen, en van het vuurpeloton om de hoek.

woensdag 25 oktober 2017

De cultuurfilosoof en het Biermuseum

Er bestaat een plan om in het Brusselse Beursgebouw een Biermuseum onder te brengen. Ik lees op Bruzz.be een stuk waarin cultuurfilosoof Lieven De Cauter zich negatief uitlaat over het project. Het sluit, vindt Lieven, een belangrijk deel van de Brusselse bevolking uit, namelijk de Islamieten, voor wie alcohol haram is. Ik werd vooral getroffen door de kop boven het stuk: ‘Over our dead bodies!’ Lieven gebruikt graag sterke Engelse uitdrukkingen als hij polemiseert. Dat was mij al opgevallen toen ik drie jaar geleden een stukje schreef waarin de cultuurfilosoof ter sprake kwam. Ook Marc Vanfraechem maakte zich vrolijk over dat Engels.

zondag 9 april 2017

Tom Lehrer

     Eer-eergisteren schreef ik een stukje over de regel van drie. Ik eindigde dat stukje met een terloopse verwijzing naar een lied van de Amerikaanse cabaretier Tom Lehrer. Dat was link van mij. Het gaf de indruk dat ik die Tom Lehrer al heel mijn leven ken. Dat ik, bij wijze van spreken, eind de jaren vijftig wel eens een optreden van hem heb bijgewoond in een Bostonse nachtclub. Niets is minder waar.
     Ik vernam het bestaan van Tom Lehrer eerst op 26 december 2010. Op 25 december kreeg ik van mijn vrouw Deel 5 van het Verzameld Werk van Karel van het Reve cadeau en op 26 december las ik daaruit in één ruk de afdeling ‘Ongebundeld Werk’, want de rest kende ik al. Die afdeling bevatte een transcriptie van een radio-uitzending waarin Karel zijn lievelingsmuziek voorstelde. Daar stonden, tussen nummertjes van Mozart, Schubert en Haydn, twee liederen van Tom Lehrer. Hé, dacht ik, Tom Lehrer? Karel had die in Amerika leren kennen. Wij denken bij Karel altijd aan dat jaar dat hij in Rusland heeft gewoond en wij vergeten dat hij ook een jaar in Amerika verbleef waar hij misschien nog meer heeft opgestoken dan in Rusland.
     Wat later ontdekte ik de blog Victa causa van Marc Vanfraechem. Daar stonden honderden stukjes op. Als het over muziek ging, was het vaak Georges Brassens die ter sprake werd gebracht. Maar in vijf van die stukjes ging het over Tom Lehrer. Hé dacht ik, Tom Lehrer! Marc beweerde dat hij alle nummers van Lehrer uit het hoofd kende.
     Het mooiste moest nog komen. Dat jaar kwam een leerling voor de klas het boek Lady Chatterley’s Lover voorstellen. Wie die leerling was, weet ik niet meer, maar het was een jongen. Ik geef D.H. Lawrence altijd op aan jongens, zoals ik Jane Austen altijd opgeef aan meisjes. Een jongen dus. En die jongen vertelde over de controverse rond het boek, en over de rechtszaken in Groot-Brittannië en Amerika, en langs zijn neus weg, zei hij ook nog dat Tom Lehrer het boek vermelde in zijn liedje Smut. Hé, dacht ik, dat heeft hij van Wikipedia. En ik zocht diezelfde avond nog op wat Wikipedia mij over Tom Lehrer kon vertellen en welke van zijn liedjes op YouTube te vinden waren. Ze bleken er allemaal op te staan.
     Eerst Wikipedia. Thomas Andrew (Tom) Lehrer was een slimme New-Yorkse jongen die op zijn vijftiende al naar Harvard trok om er wiskunde te studeren – later te doceren – en er piano te spelen op feestjes. Op die feestjes baarde hij opzien. In 1953 bracht hij zijn eerste plaat uit in eigen beheer, maar door campusoptredens en mond-aan-mondreclame werd hij na enige tijd beroemd in heel Amerika. Vanaf midden de jaren zestig werd zijn succes minder. Hij is een poosje bij het leger geweest en heeft een poosje op Los Alamos gewerkt, waar nucleair tuig ontwikkeld werd. Zijn doctoraat heeft hij nooit afgewerkt.
     Dan YouTube. Wat kwam ik daar te weten? Het genre van Tom Lehrer bleek de parodie en de satire. Hij gebruikt daarvoor brave muziek met stoute teksten, teksten die clichés op hun kop zetten en op een luchtige manier taboeonderwerpen behandelen. Lehrer pasticheert de muziek van een romantische musical en bezingt daarbij een verliefd paartje dat elke zondag naar het park trekt om duiven te vergiftigen. Of hij zingt over Agnes, Jim, Louise, Harry en Marie die elkaar om beurten ‘iets’ doorgeven. Wat dat ‘iets’ is, zegt Tom niet, maar een luisteraar die de wereld kent, begrijpt dat het om een geslachtsziekte gaat.
     Soms zijn de teksten meer ‘kritisch’ dan stout. Dan zingt Tom over de vervuiling van lucht en water, over de commercialisering van Kerstmis, over het leger en uiteraard over De Bom. Wij zijn tenslotte in de jaren zestig en eigenlijk heeft Tom in zijn Los Alamos-tijd een heel klein beetje meegewerkt aan die Bom. Dan is het maar gepast dat hij er liedjes over zingt.
     Een kunstgreep die Tom vaak toepast is die van grappige rijmwoorden.  Merry rijmt op disentery, li’l ol’ me rijmt op Robert E. Lee,  try an’ hide rijmt op cyanide en Oedipus Rex rijmt op Freud’s index. En misschien de mooiste: Harvard laat Tom rijmen op discovered. Hij spreekt daartoe de woorden uit als Hahvard en discahvered. Ook schrikt hij er niet voor terug om sombrero te laten rijmen op a pair o’ waarbij de volgende regel dan verdergaat met Levis.
     Op zijn optredens praatte Lehrer zijn liedjes aan elkaar met cynische teksten waarbij hij beurtelings zichzelf en zijn publiek op de hak nam. Dat levert mooie oneliners op. Ze doen soms denken aan Woody Allen.
  • Ik heb niet graag dat mensen denken dat ik moet zingen om mijn brood te verdienen. Ik ben een wiskundige. Als ik wilde verdiende ik misschien wel 3 000 dollar per jaar, alleen door les te geven.
  • De charme van een folksong zoals ik er nu een zal brengen, is dat iedereen mee kan zingen. Dus als er iemand mee wil zingen, hoepel op.
  • Natuurlijk kom ik op voor de goede zaak. Mijn goede zaak is smeerpijperij.
  • Door mensen als Mahler, Gropius en Werfel besef je hoe weinig je bereikt hebt in het leven. En Mozart. Toen Mozart mijn leeftijd had, was hij al twee jaar dood.
  • In die moderne toneelstukken zeuren de personages aan één stuk door over de moeilijkheid om met elkaar te communiceren. Ik vind, iemand die moeilijk kan communiceren, het minste wat hij kan doen is zijn mond houden.
  • We moeten onze naaste liefhebben. Ik weet dat er mensen zijn die hun naaste niet liefhebben  - ik haat zulke mensen.
  • Weet je nog de burgeroorlog tegen Franco? Hij won alle veldslagen, maar wij hadden alle goede liedjes.
     Vandaag is het veel te mooi weer, maar als je op een regenachtige zondag niks beters te doen hebt, dan kun je die liedjes van Tom Lehrer eens op YouTube gaan beluisteren. De mooiste zijn die van de eerste plaat ‘Songs by Tom Lehrer’. De tweede plaat, ‘More by Tom Lehrer’ is minder. Op de derde plaat ‘That Was The Year That Was’ staan weer een aantal onmisbare nummers.  
     Hiermee, beste lezer, hebt u al een mooie afspeellijst in handen*. Een handige link is die van Alexander Shektman waar bijna alle liedjes na elkaar kunnen worden afgespeeld terwijl de tekst op het scherm van je computer of mobiele telefoon verschijnt. Dat is erg handig voor als je wat hardhorig bent, of niet zo goed Engels kent, want Tom zingt soms erg snel, gebruikt rare woorden, of spreekt die op een rare manier uit. Als je als student of van beroepswege met scheikunde bezig bent, mag je zeker het liedje The Elements niet missen. Het bevat een onfeilbaar mnemotechnisch middeltje om nooit meer het periodiek stelsel te vergeten.

 
* Songs by Tom Lehrer: Fight Fiercely, Harvard - The Old Dope Peddler - Be Prepared - The Wild West Is Where I Want to Be - I Wanna Go Back to Dixie - Lobachevsky - The Irish Ballad - The Hunting Song - My Home Town - When You Are Old and Gray - I Hold Your Hand in Mine - The Wiener Schnitzel Waltz. More by Tom Lehrer: The Elements. That Was The Year That Was: National Brotherhood Week - The Folk Song Army - Smut - New Math - Wernher Von Braun - The Vatican Rag.

zondag 2 april 2017

Nationalisme en loyaliteit

     Op mijn eigen facebookpagina las ik onlangs een heftige discussie tussen een voor- en een tegenstander van het nationalisme – en van het Vlaamse nationalisme in het bijzonder. Ik hou mij in zo’n geval voorzichtig op de achtergrond. Wel blijft die kwestie dan weken rondspoken in mijn hoofd.
     Want wat is nationalisme? Misschien komt dit in de buurt: een speciaal gevoel van loyaliteit tegenover het eigen volk. Dat is dan wel een wonderlijk gevoel want het is meestal niet erg duidelijk waarin dat eigen volk nu precies verschilt van een ander en wat het juist gedaan heeft om die loyaliteit te verdienen.

     Zo’n onredelijke loyaliteit bestaat echter niet alleen bij naties. Je vindt ze bij politieke partijen, bij geloofsovertuigingen, bij voetbalclubs. In het Romeinse rijk had je ze bij het wagenrennen. In de arena bestreden de ‘blauwe’ en de ‘groene’ wagenmenners elkaar en achteraf leverden de supporters slag in de straten van Rome of Constantinopel. Plinius de Jongere vond dat belachelijk, maar Plinius was een snob.
     Ondertussen mogen we aannemen dat bij de nationalisten redelijke en onredelijke mensen bestaan. En bij de antinationalisten ook. Er bestaat een facebookgroep ‘Slechte Vlamingen’ en zelfs een groep ‘Extra Slechte Vlamingen’. Van die laatste weet ik het niet zeker, maar bij de eerste, de gewone Slechte, vind je wel eens een redelijke opmerking. Redelijke mensen zijn er namelijk overal. Je vindt ze bij de supporters van Stormvogels Haasrode en je vindt ze bij de supporters van – nou ja – Royal Sporting Anderlecht. De redelijk-loyalen zien de betrekkelijkheid van hun eigen standpunt, begrijpen dat de eigen club in de fout kan gaan en geven toe dat niet alles de schuld is van de scheidrechter. Boven alles schuwen de redelijk-loyalen het gebruik van geweld om hun trouw te bewijzen aan volk, partij, geloof of club.
     Je zou die loyaliteit – ook de redelijke – een vorm van tribalisme kunnen noemen. Dat is een wat negatief geladen woord. Maar je kunt het ook anders bekijken. ‘Tribalisme’ verwijst naar het begin van de menselijke beschaving. Gewoontes en gedragingen die toen ontstonden zijn diep ingesleten in onze natuur. Jonathan Haidt* bijvoorbeeld gelooft dat het gevoel voor loyaliteit evolutionair ontstaan is uit de noodzaak om coalities te vormen en hij noemt het een van de vijf of zes grondslagen van de moraal.
     Niet iedereen heeft een gelijke behoefte aan loyaliteit. Er loopt hier en daar wel een vaderlandsloze gezel rond, agnost in geloofszaken en strikt onpartijdig in de politiek en de sport. Maar of hij van geen énkele club lid is, durf ik betwijfelen. Misschien behoort hij net als ik tot de Reve-lezers-Mulisch-hatersclub of tot het Leve-Schopenhauer-weg-met-Hegelbroederschap, of tot nog een ander geheim genootschap – zo geheim dat zelfs de leden ervan niet weten dat het bestaat.
     Nee, niet iedereen heeft eenzelfde talent voor wij-en-zij-denken. Maar wie dat talent beslist in grote mate bezat, was Dr. Johnson (1709-1784) waar Marc Vanfraechem** altijd over schrijft. Toen hij in de havenstad Plymouth logeerde, had hij gezien dat er in de buurt een nieuw havenstadje was opgerezen dat ‘The Dock’ werd genoemd. Hij kantte zich onmiddellijk tegen de nieuwkomers. Als toerist in Plymouth vond hij het zijn plicht om op te komen voor de Oude Stad. Bij elke gelegenheid sprak hij kwaad van de ‘Dockers’. Toen hij hoorde dat de nieuwe stad had gevraagd om een deel van Plymouths watervoorraad te mogen gebruiken, riep hij, half voor de grap, maar met luide stem: ‘Nee, nee! Ik ben tegen die Dockers! Ik ben een Plymouth-man. De schurken. Dat ze omkomen van de dorst. Ze krijgen geen druppel.’
     Kijk, zo ver moet men het nationalisme niet drijven.
 
*Zie The Rightheous Mind (2012) en hier.
**Zoals hier bijvoorbeeld.


Dit stukje verscheen ook op Doorbraak.