Posts tonen met het label Woody Allen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Woody Allen. Alle posts tonen

zondag 13 maart 2022

Zou een Russische annexatie erg zijn voor de Oekraïense bevolking?

     Bij experts kom ik allerlei zaken te weten over geostrategie waar leken zoals ik geen kaas van hebben gegeten. Wat heeft Poetin toen en toen en toen gezegd? Hoe zijn zijn vorige militaire acties verlopen? Hoe zit dat met de betrekkingen tussen Rusland en China? Ik lees dan die gestoffeerde stukken over de krijgskansen, over risico op escalatie en over de waarschijnlijkheid of onwaarschijnlijkheid van een diplomatieke doorbraak. ’t Zijn stukken waarin de feiten aangevuld worden met speculatie – vaak niet meer dan ‘educated guesses’, maar dat is nog altijd beter dan feitenvrije speculatie en ‘ignorant guesses’.
     Daar tegenover staat dat de leek vragen durft stellen waar de geostrategische expert zijn neus voor ophaalt. Gerard Bodifee stelde onlangs de vraag of een mens het morele recht heeft om een soldaat van een invallend leger dood te schieten. Ook over díe soldaat zingt Willem Vermandere immers dat hij altijd iemands vader is (wat niet waar is) en altijd iemands kind (wat wél waar is, zelfs als het om een wees gaat). Het antwoord van Bodifee is geloof ik dat je die soldaat niet mag doodschieten, behalve als hij een weerloze vrouw probeert te verkrachten of op eigen initiatief aan het moorden slaat.
      Mijn Facebookvriend Michel Berger stelt een nog veel interessantere vraag. Hoe erg zou het eigenlijk zijn als Oekraïne onder controle komt van de Russen, niet voor het geostrategisch evenwicht, maar voor het belang van de gewone Oekraïense burger? Ik laat Michel even aan het woord.

“Dat er Oekraïners zijn die niet onder Russisch gezag willen leven is een feit. Er zijn er die dat niets kan schelen en er zijn er die dat willen. Het is ook een feit dat grote delen van de wereld onder Russisch gezag leven en geleefd hebben (dat laatste onder een regime dat vele malen nietsontziender was voor de eigen burgers dan het huidige). Kortom, dat Oekraïne terug onder Russisch gezag zou vallen is misschien vanuit democratisch oogpunt te betreuren maar hoeft niet erger te zijn dan dat al die Chinezen zuchten (doen ze dat?) onder Xi Yinping. Langer verzet kan alleen maar meer dode Oekraïners opleveren, meer verwoesting van hun infrastructuur … ?”

     In zijn film Love and Death – een parodie op Oorlog en vrede – laat Woody Allen een Russiche sergeant zijn troepen als volgt toespreken: ‘Imagine your loved ones conquered by Napoleon and forced to live under French rule. Do you want them to eat that rich food and those heavy sauces? Do you want them to have soufflé every meal and croissants?’ De soldaten antwoorden luidkeels: No! Die Russische sergeant doet denken aan de ‘What have the Romans ever done for us’-sketch van Monthy Python, over hoe de Joden onder de Romeinse bezetting te lijden kregen van … aquaducten, sanitaire voorzieningen, een puik wegennet, betere geneeskunde en vrede. Los van de satire is het verhelderend om oorlog en bezetting te benaderen vanuit de prozaïsche vraag: wat zijn de alledaagse gevolgen voor de burger?
    Dus – welke alledaagse gevolgen mogen de Oekraïners verwachten van een halve of hele Russische annextie? Wat hebben ze te verliezen? Hun welvaart? Maar in BBP per inwoner gerekend zijn de Oekraïners twee keer zo arm als de Russen. Hun vrijheid? Maar op de vrijheidsindex scoort Oekraïne amper beter dan Rusland (6.86 tegen 6.23)*. Hun nationale onafhankelijkheid? Maar zo’n verlies kun je vergelijken met jeuk: je voelt het vooral als je eraan denkt. Zo zijn er, naast Vlamingen die zuchten onder de onnatuurlijke unitaire staatsstructuur, ook veel anderen die daar nooit aan denken.
     Dat is allemaal wel waar. Ik wil evenwel niet al te vlug zaken als welvaart, vrijheid en onafhankelijkheid afdoen als een kwestie van graadverschillen of inbeelding. Een economische integratie in het Westen zou de Oekraïners op middellange termijn ongetwijfeld meer welvaart brengen dan een oriëntatie op de noordelijke buur. En misschien is die vrijheidsindex niet zo nauwkeurig – Oekraïne kent ten minste verkiezingen die af en toe een
ándere regering aan de macht brengen dan de vorige, wat in Rusland al lang niet meer het geval is, als het ooit zo is geweest.
     Ook zou de misschien lage Oekraïense vrijheidsindex nog veel lager worden als het land bezet wordt en een regimewissel wordt opgelegd. 
In 2014 kwamen de Oekraïners op straat tegen het Janoekovytsj toen die terugkwam op zijn belofte om een vrijhandelsakkoord te sluiten met de Europese Unie en zich wou integreren in de Euraziatische Economische Unie die Poetin wou oprichten. Janoekovytsj was weliswaar democratisch verkozen, maar manifestaties tegen een verkozen regering zijn een courante praktijk in landen die hoog op de vrijheidsindex scoren. De politie heeft toen 108 mensen gedood. We moeten er niet aan denken wat er onder een nieuwe Janoekovytsj zou gebeuren bij pogingen om antiregeringsdemonstraties te houden.
     We kunnen het ook anders verwoorden. Nationale onafhankelijkheid is meer dan alléén een idee; in het geval van Oekraïne, waar bij een in 1991 gehouden referendum een meerderheid van 92,3 % zich uitsprak voor het verlaten van de Russische Federatie, is onafhankelijkheid ook een noodzakelijke voorwaarde om zaken zoals welvaartsgroei en meer vrijheid te garanderen.
     Als de Oekraïeners hun verzet verderzetten, zullen de onmiddelijke verliezen in mensenlevens, infrastructuur en comfort erg groot zijn. Misschien kunnen ze later de vruchten van dat verzet plukken als ze de invaller verslaan. We zouden die vruchten – vrijheid en welvaart – kunnen afwegen tegen die verliezen. Zo’n afweging zou enige speculatie vergen, maar er zullen wel experts rondlopen die dat voor ons willen doen. Zelf stel ik mij echter een andere vraag,  namelijk of mensen in het werkelijke leven op die manier voor- en nadelen afwegen. Orwell, in zijn essay ‘New Words’, dacht van niet. 

 ‘Het hele Westerse denken sinds de eerste wereldoorlog nam impliciet aan dat mensen niets anders wensen dan zekerheid, een gemakkelijk leventje, en zo weinig mogelijk pijn. In zulke visie is geen plaats voor patriottisme en militaire deugden … Maar Hitler voelt in zijn eigen vreugdeloze geest zeer goed aan dat mensen niet alleen confort willen, zekerheid, kortere werktijden, hygiëne, gezinsplanning en, meer algemeen gesproken, gezond verstand. Mensen willen, minstens af en toe, ook strijd en zelfopoffering. Terwijl het socialisme en het kapitalisme tegen de mensen zeiden: ‘Wij beloven u een fijn leven’, zei Hitler: ‘Ik beloof u strijd, gevaar en dood’, en als gevolg daarvan wierp een hele natie zich aan zijn voeten.’

         Wellicht stelt Orwell de zaken wat te scherp. Maar het is opmerkelijk dat Hitler slechts kon worden verslagen toen hij aan de overkant met eenzelfde mentaliteit te maken kreeg, de mentaliteit van ‘I have nothing to offer but blood, toil, tears and sweat’. Dat is de mentaliteit van Zelensky en van vele Oekraïners nu. Of het voldoende is voor een overwinning is helemaal niet zeker. Of het een reden is om toegevingen te weigeren evenmin. Maar zeker is wel dat ik die mentaliteit liever zie bij mensen die hun land verdedigen dan bij mensen die een ander land aanvallen. 

 

* Voor BBP zie hier en voor Freedom Index zie hier. Overigens is de vergelijking van de BBP’en van Rusland en Oekraïne misleidend omdat in dat eerste land een veel groter deel van het inkomen bij de rijksten terechtkomt. Rusland heeft een Gini-coëfficiënt van 37,5, waar Oekraïne er een heeft van 26,6. Zie hier.

donderdag 11 maart 2021

Losse invallen over 'woke'


 1.  De Oxford English Dictionary definieert ‘woke’ als ‘alert to injustice in society, especially racism’. Ik voeg eraan toe  ‘and gender questions’. Je kunt ook alert zijn voor de rugbelasting van vrachtwagenchauffeurs, lucht- en bodemvervuiling, gebrekkige fietspaden, dierenmishandeling, afstompend werk aan ‘de lopende band’,  en lage lonen voor pakjesbezorgers. Maar die dingen schijnen mij niet tot de kernbetekenis van het woord te behoren.

2. ‘Woke’ heeft een tweede leven gekregen als scheldwoord* waarbij het verwijst naar een extreme vorm van politiek correct denken over bovenvermelde kwesties. Het wordt als dusdanig gebruikt door stromingen die zich afzetten tegen woke: extreemrechts, rechts, centrumrechts, traditioneel links, links-liberaal en traditioneel politiek correct. Ilja Leonard Pfeijffer nam afstand van woke als lid van die laatste categorie, Barack Obama als lid van de voorlaatste**.

3. Voorbeelden. Bij boeken van Pipi Langkous hoort een verwittiging dat ze racistisch kunnen worden geïnterpreteerd. Enkele kinderboeken van Dr. Seuss verdwijnen uit het aanbod. De VRT excuseert zich voor een flauw mopje over de ‘flietchinees’. Een Nederlandse schrijfster twittert dat ze geen boeken van Gerard Reve in huis wil hebben omdat ze hoorde dat hij een racist, een viezerik en een blasfemist is. Een Vlaamse schrijfster heeft gewetensproblemen als ze een Woody Allen-film ziet waarin vrouwen ‘stereotiep’ geportretteerd worden***. Een Amerikaanse studente die op Prom Night een Chinees ogende jurk draagt, wordt op sociale media beschuldigd van ‘cultural appropriation’. J.K. Rowling wordt door Harry Potter-acteurs verketterd nadat zij bezwaar maakte tegen een nieuwe, ‘neutrale’ term om vrouwen aan te duiden: ‘wezens die menstrueren’.

4. Eigenlijk moet dat allemaal kunnen. De bibliotheek mág een inlegvelletje in de Pipi Langkous-boeken stoppen. De steenrijke erfgenamen van Dr. Seuss mógen vrijwillig zes van de zestig boeken uit hun portefeuille opstoken. Die Nederlandse schrijfster móet Reve niet lezen. Die Vlaamse schrijfster mág gewetensproblemen hebben als ze naar Woody Allenfilms kijkt. Die twitteraars mógen kritiek hebben op elke Prom-jurk die hen om welke reden ook niet aanstaat. De Harry Potter-acteurs móeten niet levenslang bevriend blijven met de schrijfster van de boekenreeks. Toch erger ik mij blauw.

5. Blaise Pascal weet waar die ergernis vandaan komt. ‘D’où vient qu’un boiteux,’ schrijft hij, ‘ne nous irrite pas et un esprit boiteux nous irrite ? À cause qu’un boiteux reconnaît que nous allons droit et qu’un esprit boiteux dit que c’est nous qui boitons. Sans cela nous en aurions pitié, et non colère.’

6. Naast de ‘esprit boiteux’ van de woke-mensen is er nog hun onverdraagzaamheid om je aan te ergeren, hun morele zelfgenoegzaamheid en soms hun lafheid. Maar mij gaat het toch vooral om die ‘esprit boiteux’. Ik heb al gemerkt dat het geen verschil maakt of die mensen vrouw zijn of man, gekleurd of blank, en of ze zichzelf zien als slachtoffer dan wel als sympathisant met de slachtoffers. Ik discrimineer niet in deze.

7. Marieke Lucas Rijneveld, die eerst was aangezocht om gedichten van Amanda Gorman te vertalen, heeft de opdracht teruggegeven toen er protest kwam dat ze als ‘witte’ vrouw niet geschikt was om dat te doen. Enig gewetensonderzoek leert mij dat ik hetzelfde zou doen. De koppigheid van Rosa Parks is niet aan iedereen gegeven, vooral als je geen applaus kunt verwachten in de huizen waar je normaal komt.

8. Ik lees soms dat woke zal omkomen in de lawine van haar eigen belachelijkheid. Dat is te optimistisch. Om een Franse zegswijze te variëren: le ridicule tue, mais ne se suicide pas. En sommige voorbijgaande modes doen er heel veel tijd over om voorbij te gaan.

9. Sommigen denken dat woke het einde inluidt van ‘de heerschappij van de witte rijke mannen’. Dat is wat snel gedacht. Waar woke succesvol is, zullen genoeg ‘witte rijke mannen’ op het wagentje springen om mee te liften op dat succes. 

10. Woke zal in Europa wel een cultureel luxeprobleem blijven vergeleken met het veel grotere probleem van de islam. Hoe de islam evolueert, radicaliseert, moderniseert en seculariseert zal onze toekomst meer bepalen dan de opwinding van de woke-mensen en de ergernis erover van mensen zoals ik. Er zijn wel raakvlakken tussen de twee kwesties. Woke drijft op victimisme – de zwarte, de vrouw, de holebi, de transgender als slachtoffer****– en victimisme kan met een islamisme tot een erg giftige cocktail worden gemixt. Maar de islam op zich is allesbehalve woke.

11. In de Verenigde Staten is dat anders. Daar kan woke aansluiten bij de oudere generatie van race mongers, demagogen die van victimisme een – soms lucratief – beroep hebben gemaakt.

12.  Tegenstanders van woke wordt verweten dat zij mensen van kleur geen ruimte gunnen. ‘Voor witte mensen’, zei Daan Roovers op Klara, ‘is het pijnlijk dat ze een beetje plaats moeten maken, dat ze een beetje op moeten schuiven.’ ’t Is het zoveelste voorbeeld van zero sum denken van links. Als zwarten te weinig kansen krijgen in het onderwijs, op de arbeidsmarkt of op de huurmarkt, dan zal de oplossing er niet in bestaan om de blanken minder kans te geven. Men kan dat proberen met positieve discriminatie, maar zoiets zal veel kwaad bloed, en weinig zoden aan de dijk, zetten.

13. Misschien moeten we dat ‘plaats maken’ eerder figuurlijk en symbolisch opvatten. Meer mensen van kleur op de podia en in film en televisie. Daar heb ik geen problemen mee, als men de quota en de moedwil er buiten laat. (Zie ook hier).

14. Over hetzelfde. Paul Baeten schreef in Knack Focus een stuk waarin hij in de titel meegeeft dat ‘woke niet ver genoeg gaat.’ Het stuk zelf gaat meer over de moeilijkheid van literaire vertalen, maar dan eindigt hij als volgt: ‘Waarom stromen in Vlaanderen en Nederland nog steeds zo weinig mensen van kleur door naar de eretafels der Letteren? Waarom blijft dat nog steeds grotendeels de speeltuin voor witte middenklassezonen en -dochters?’ Ja, waarom? Ik kan een aantal redenen bedenken, en die zijn meest van tijdelijke aard. Discriminatie door uitgeverijen, recensenten en jury’s is er niet bij. Ook denk ik niet dat veel schrijvende middenklassezonen en –dochters bezwaren hebben tegen mensen van kleur. Juist bij die zonen en dochters heb je een nogal flinke vertegenwoordiging van de wokies. Maar dat bij hen een zekere naijver heerst jegens literaire concurrenten van álle kleuren, dat kan natuurlijk. En verder blijf ik de boeken lezen die ik wil.

15. Je kunt woke van links vergelijken met, geloof ik, alt-right van rechts. Woke heeft een zeker verlengstuk in linkse, links-liberale en links-groene politieke partijen, zoals alt-right een zeker verlengstuk heeft in de extreemrechtse partijen. Dat is een gelijkenis. Een verschil is dan weer dat woke tot op zekere hoogte aansluit bij de eerder politiek-correcte sfeer van de grote redactielokalen, terwijl alt-right daar in Europa geen aanknopingspunten heeft.

16. Woke wordt pas echt gevaarlijk als de beweging zich keert tegen de vrije meningsuiting en oproept tot censuur. Dan komen we bij de cancel cultuur, de knevelcultuur zoals Marc Vanfraechem ze noemt. Een treffend voorbeeld vind je in een interview met de afro-feministe Rachael Moore in De Standaard van 6 maart. Moore zegt daarin: ‘Wat mij betreft gaat de vrijheid van meningsuiting ver, maar ze stopt als je mijn menselijkheid aanvalt.’ ‘Menselijkheid niet aanvallen,’ dat klinkt redelijk als beperking. Maar dan volgt het voorbeeld. ‘Denk maar aan de Birther Movement van Donald Trump, die in twijfel trok dat Barack Obama in de Verenigde Staten was geboren. Door altijd maar weer documenten te vragen die konden bewijzen dat Obama in de VS was geboren, ontken je niet alleen zijn identiteit als Amerikaan, maar zijn bestaansrecht.’ Op welke manier, vraag de verbijsterde lezer zich af ‘ontkent’ een Birther ‘het bestaansrecht’ van Obama? Die Birther ontkent alleen de authenticiteit van zekere papieren. Er bestaan tegen de Birther-beweging veel, heel veel, goede argumenten, maar dit is er geen. Het is een voorbeeld hoe elk redelijk klinkende beperking van de vrije meningsuiting heel snel op oneigenlijke manier wordt misbruikt. Al gaat niet iedereen daarin zo ver als onze wokies.

 

* Ik heb niets tegen scheldwoorden, zolang ze niet gebruikt worden als surrogaat voor argumentatie. Iedereen mag mij bijvoorbeeld een neoliberaal noemen. (Zie hier).

 ** Pfeijffer schreef in De Standaard van 24 februari:  Het woke denken is een religie geworden … De cancel culture is geen activisme, maar een kwalijke uitwas van absolutisme. Liesbeth van Impe citeert in Het Nieuwsblad van 6 maart de raad die Obama aan een groep studenten gaf om de idee van woke zijn, zo snel mogelijk achter zich te laten. Vitten over woordgebruik en over ‘micro-agressies brachten volgens hem geen verandering te weeg.

 *** Alsof de mannen in Woody Allen-films minder stereotiep geportretteerd worden.

 **** Natuurlijk zijn die mensen ook soms slachtoffer. In het geval van holebi’s hebben we het marginale maar hardnekkige verschijnsel van gay bashing. Pinker wijst erop dat in de VS de homoseksuelen er veel beter aan toe zijn dan vroeger: afschaffing van wettelijk vervolging, afname van discriminatie, morele aanvaarding door een steeds groter deel van de bevolking, minder intimidatie op straat, maar dat anderzijds gewelddadige aanvallen door homohaters, niet afgenomen zijn.  

maandag 8 maart 2021

Oude genres in nieuw kostuumpje

 


     Het zou gemakkelijk zijn als vooruitgangsoptimisten - ik ben in Deirdre McCloskey aan het lezen - toegaven dat er vroeger ook wel eens iets beter was dan nu, niet voor iedereen, en niet in de ogen van iedereen, maar voor sommigen, en in de ogen van sommigen. Er moet toch een réden zijn waarom men af en toe een film of televisieserie maakt die zich in het verléden afspeelt, in een tijd waarin althans de kostuums de moeite waard waren. Waarom noemen we ze anders kostuumfilms?
     Vandaag zijn de decennia na de tweede wereldoorlog in de mode, geloof ik, met series als
The Queen’s Gambit, Rachet, Hollywood en het verrukkelijke The Marvellous Mrs. Maisel (zie ook hier). De vooruitgangsoptimist zal riposteren dat de series óver die tijd beter zijn dan de series ván die tijd. En weer heeft hij een punt. The Golden Age of Television is now.
     Voor films is het moeilijker. Jongere filmliefhebbers hebben de grootste moeite om een film van vóór 1980 uit te kijken, en oudere filmliefhebbers herinneren zich vooral de hoogtepunten van vroeger, de meesterwerken van Lubtisch, Wilder, Capra, Cukor … Maar dat geeft een vertekend beeld. Ik zag vorige week Heaven Can Wait, een film uit 1943 die indertijd veel ophef maakte. Ik vond hem bijzonder flauw, ook al was hij van Lubitsch.
     Een ding is zeker: de films vroeger waren ánders, wat je nog het best ziet aan de typische genres van die tijd: de komedie, het melodrama en de musical. Die zijn heel moeilijk na te bootsen. Een moderne romantische komedie gelijkt amper op de screwball zoals die tachtig jaar geleden werd gemaakt. Woody Allen komt soms in de buurt. Ik zag laatst She’s Funny That Way van Peter Bogdanovich. Ook dat kwam in de buurt. Voor musicals hebben we La La Land dat het oude model  in een fris zomerjurkje presenteerde*, maar daar staan nogal wat mislukte pogingen tegenover, en anders musicals die een heel andere richting uitgaan.
     Waar je helemáál vruchteloos naar zoekt, zijn de helden en heldinnen van het naïeve melodrama van vroeger (zie ook hier): de ideale geliefden die door het noodlot of liever nog door de schurk van dienst gescheiden worden, de nobele heldin of held die zich opoffert voor geliefde, kind of vaderland … het is heel moeilijk om vandaag zo’n verhaal in de juiste toonaard te zetten. Wij houden meer van de tragikomedie. Camille en Armand, kunnen we nog appreciëren, maar dan het liefst in hun oorspronkelijk milieu.**
     Toch doet men soms een poging om ook dat soort personages en plot nieuw leven in te blazen. In het weekend hebben we gekeken naar Sylvie’s Love (2020) van Eugene Ashe: Harlem, de fifties, jazz, technicolor. Sylvie en Robert zijn de ideale geliefden. Elk om beurt offeren ze hun eigen geluk op om, denken ze, het geluk van de ander veilig te stellen. Ook verzwijgen ze de waarheid, zoals dat in een melodrama hoort, zodat de ander van hun nobele beweegredenen onkundig blijft***. Hoe kan dit ooit  goed komen?
     De film is goed geacteerd en mooi in beeld gebracht, maar hij komt traag op gang, de keerpunten vallen op de verkeerde momenten en de eindscène biedt niet de emotie die je van een melodrama verwacht. Ik geloof dat de oude melodrama’s die fouten minder maakten.

    

* Je kunt onmogelijk aan La La Land denken, zonder ook aan frisse zomerjurkjes te denken.

** De op hen geïnspireerde helden Violetta en Alfredo, en Christian en Satine tellen niet mee. Als er muziek in het spel is, wordt het immers een ander verhaal. 

*** Dat trucje wordt ook gebruikt in de Taiwanese film A Sun (zie hier), maar daar wordt het tragisch en niet melodramatisch uitgewerkt.

zaterdag 21 december 2019

Examens verbeteren

     Laatst vroeg de kassierster in de supermarkt mij of ik nog veel examens te verbeteren had. Dat viel eigenlijk mee. Collega’s van biologie of aardrijkskunde moeten soms tweehonderd of driehonderd examens verbeteren, maar ik geef Nederlands, wat een vieruursvak is. Daardoor heb ik nooit veel meer dan honderd leerlingen en dus ook nooit veel meer dan honderd examens.
      Ook heb ik in de loop der jaren veel meerkeuzevragen bedacht die ik telkens opnieuw gebruik. De helft van mijn verbeterwerk bestaat erin om lange lijsten letters te overlopen die ik dan vergelijk met mijn eigen lijst. Ik moet alleen een beetje opletten dat ik een M niet lees als een H, of een U als een V.
     Als dat klaar is, kan ik aan de zogenaamde ‘open vragen’ beginnen, waar de leerlingen in korte opstelletjes moeten weergeven wat ze van de leerstof begrepen hebben. Soms staat daar iets grappigs bij, maar meestal niet. Dit jaar heb ik twee keer gelachen. Een leerling van het zesde jaar had bij een vraag over de Drie Musketiers iets geschreven over de Franse ‘Hunegoten’. ’t Is een leuk woord als je het uitspreekt. Bij een andere vraag mocht men zelf een auteur uitkiezen om te bespreken. Een leerling had de auteur van Oliver Twist uitgekozen en schreef: ‘Charles Dickens was een Engelsman die boeken schreef en heel rijk werd.’ Dat was de zuivere waarheid.
     Het lastige aan verbeteren, zoals aan veel lerarenwerk, is dat het mij vooral veel inspanning kost om eraan te beginnen. Ik geloof zelfs dat díe inspanning groter is dan die van het verbeteren zelf.* Ik leg de examens in stapels in mijn werkkamer, op de vloer, klas per klas, en ga dan in de woonkamer een appeltje schillen, mijn lesje op de piano spelen of wat tv kijken. Ik zou eigenlijk een stukje willen schrijven, maar dat kan niet, want dan moet ik in de werkkamer komen en van die kamer ben ik bang geworden, meer dan van de examens die er liggen. Meestal los ik mijn probleem op door mijn examens naar de woonkamer te verhuizen en het verbeterwerk daar te doen.
     Wat ook helpt is, als je jezelf beloont tijdens het werk. Ik zou, als ik wilde, een muziekje kunnen opzetten, af en toe van een glaasje wijn nippen, of om de zoveel bladen een chocolaatje te eten. Ik doe niets van dat alles. Wel heb ik mij jarenlang beloond door mijn verbeterinstrument met zorg uit te kiezen. Ik had een Scheaffer vulpen – Connoisseur 1920 – die ik vulde met een mengsel van rode en bruine inkt. Die lag goed in de hand en ik voelde mij een beetje alsof ik de beroemde advocaat Thierry Claeys was, mijn vroegere baas, die ook zo’n pen en zo’n inkt gebruikte. Toen ik die pen wat beu was, ben ik overgeschakeld op dikke rode potloden met een vettige schrijfpunt. Ik moet dan wat harder drukken, maar ik kan er mooi, dikke strepen mee trekken. Dan voel ik mij een beetje alsof ik Stalin ben die op namenlijsten met strepen en kruisen aanduidt wie er moet worden doodgeschoten.
     Een van de beloningen die ik mij gun, is wat eigenaardig. De open vragen, moet je weten, verbeter je niet examen per examen, maar vraag per vraag, zodat je beter onthoudt hoeveel punten je voor welke stommiteit precies aftrekt. Dat betekent dat dezelfde examens, met dezelfde namen van leerlingen, verschillende keren terugkomen. Sommige van die namen – niet allemaal – zeg ik dan als beloning luidop. Het eerste jaar dat ik les gaf, had ik een leerlinge die Carolien de Caboter heette. ‘Carolien de Caboter’, zei ik dan luid, telkens als ik een toets van haar verbeterde. Mijn vrouw werd dan boos.
     Ik heb ondertussen mijn systeem verfijnd en bij de meeste namen heb ik iets toegevoegd: een Philippe wordt ‘Philippe le Bon’; een Hannah wordt ‘Hannah and her sisters’, een Saartje wordt ‘Saartje en haar kaartje’ en een Zita wordt ‘de mooie Zita’, omdat mijn gedachten dan uitgaan naar de laatste keizerin van Oostenrijk. Bij Franse namen, Jacqueline of Pénélope bijvoorbeeld, gebeurt het dat ik een stuk van een liedje zing: ‘Jacqueline, jolie Jacqueline, belle fille’ of ‘Combien de Pénélopes passeront illico pour des fieffées salopes’. Soms doe ik alleen iets met de uitspraak van een naam. Alexander spreek ik op zijn Engels uit: ‘àlikgzànder’; en Willem wordt ‘wullum’.
     Het stelt allemaal niet veel voor, maar je wordt er niet dik van, zoals van chocolaatjes. 



* Ik had hier graag geschreven dat zoiets een klassiek geval van ‘egodepletie’ was, maar die theorie schijnt voort te bouwen op niet-redupliceerbare experimenten.  Jammer eigenlijk.


De Schaeffer Connoisseur 1920 met bijhorende balpen