Posts tonen met het label Bijbel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Bijbel. Alle posts tonen

zaterdag 19 december 2020

Tien morele argumenten voor migratie



      De Rooms-Katholieke Kerk heeft bij een voorgenomen heiligverklaring de gewoonte om een advocatus diaboli aan te stellen, een advocaat van de duivel. Dat is een geestelijke die tijdelijk afstand doet van zijn eigen mening, om zoveel mogelijk argumenten te verzamelen waarom een verdienstelijke christen niet heilig mag worden verklaard. Misschien dronk die kandidaat-heilige wel eens een glas te veel, of keek hij een meisje te diep in de ogen. Ik probeer hier hetzelfde te doen voor de migratie-kwestie: afstand doen van mijn mening en argumenten verzamelen vóór immigratie. Ik denk daarbij niet aan praktische zaken zoals de economie, de demografie, de culturele verrijking, de wetgeving en de grenscontroles, want dat is iets voor specialisten. Nog minder denk ik aan emotionele impulsen, want dan moet ik beginnen wenen, of roepen, en dat is mijn stijl niet. Ik wil mij vooral bezinnen over mogelijke morele argumenten.
     Een eerste argument zou je het loterij-argument kunnen noemen. Wij in Europa leven toevallig in een rijk deel van de wereld, maar daar hebben we als individu geen speciale verdienste aan. Wij zijn geboren in een rijk gezin, we zijn lang naar school kunnen gaan, en in ons beroepsleven gebruiken we materiële en andere hulpmiddelen waardoor we met beperkte inspanningen een grote productiviteit te bereiken. Wie toevallig in een arm land geboren is, heeft al die voordelen niet. Wie zijn wij om die voordelen voor ons alleen te claimen – voordelen, ik herhaal het, waar we geen speciale verdienste aan hebben?
      Nauw verwant hieraan is het reïncarnatie-argument. Veronderstel dat ik zou reïncarneren in een wereld met een kleine groep rijke landen en een grote groep middel-arme en arme landen. Als ik niet wist in welk land ik zou herboren worden, zou ik een vrij migratiesysteem verkieslijk vinden, zodat ik bij pech de mogelijkheid had betere oorden op te zoeken.
    Dan heb je het concentrische cirkels-argument. David Hume had al opgemerkt dat onze empathie volgens concentrische cirkels georganiseerd is. We leven meer mee met onze huisgenoten dan met onze buren, meer met onze buren dan met onze stadsgenoten, meer met onze stadsgenoten dan met onze landgenoten enzovoort. Wij hebben weliswaar het beste voor met de arme drommel aan de andere kant van de wereld, maar we liggen niet wakker van zijn lot. Als die arme drommel echter van de andere kant van de wereld tot bij ons komt, dan is hij enkele cirkels dichterbij gekomen. Wie zijn wij om hem de toegang te weigeren als hij vlak voor onze deur staat? (Zie ook hier)
    Vervolgens heb je het weegschaalargument. Dat komt uit de utilitaristische denkwereld. Welke regeling zorgt voor het grootst mogelijke geluk van zoveel mogelijk mensen? Vrije migratie lijkt hier op het eerste gezicht goed te scoren. Voor het land van aankomst zijn er misschien kleine nadelen, voor het land van herkomst – voor de achterblijvers – zijn er misschien ook kleine nadelen, maar voor de migranten zelf is de verhuis naar een rijk land een zo groot voordeel, dat de nadelen meer dan gecompenseerd worden. De weegschaal slaat door naar de kant van de voordelen.
     Het gammele bootjes-argument verwijst naar de gevaarlijke overtocht die de migranten maken om in het gewenste land te komen. Daarbij staan die gammele bootjes voor alle gevaarlijke aspecten van de reis, of het nu gaat om een tocht over zee waarbij ze kunnen verdrinken, koelwagens waarin ze dood kunnen vriezen, busjes die door de politie achtervolgd en beschoten kunnen worden, of mensensmokkelaars die hen kunnen uitbuiten of vermoorden. Als immigratie vrij was, konden migranten het vliegtuig nemen, of de trein, of liften tot iemand hen meeneemt in zijn SUV. De mensensmokkelaars, dat is waar, zouden hun broodwinning kwijt zijn, wat dan weer in rekening moet worden gebracht bij het weegschaalargument.
     Het holocaust-argument zou je ook het Samy Mahdi-argument kunnen noemen omdat die laatste dat gebruikte bij zijn beleidsverklaring als staatssecretaris voor Asiel en Migratie. Het komt hierop neer dat migranten die een vluchtelingenstatuut aanvragen genereus ontvangen moeten worden, aangezien hen anders een vergelijkbaar lot wacht als de Joden tijdens de tweede wereldoorlog. Algemener geformuleerd komt het erop neer dat slachtoffers van politieke repressie en oorlog er zo erg aan toe zijn, dat alle andere consideraties vervallen. Net zoals de gammele bootjes en de  weegschaal, kan het in utilitaire termen geformuleerd worden.
     Het altruïsme-argument gaat ervan uit dat je de belangen van de ander niet afweegt tegen die van jezelf, maar er altijd onvoorwaardelijk voorrang verleent. Geen offer is te groot als je de ander kunt helpen. Het mooiste is als je, zoals Jezus, je leven geeft voor een ander. ‘Greater love hath no man than this, that a man lay down his life for his friends’, heet het in de King James Version, waarbij de vriendenkring zich over de hele wereld uitstrekt aangezien ‘there is neither Jew nor Greek, there is neither bond nor free, there is neither male nor female: for ye are all one in Christ Jesus.’ (Zie ook hier). 
     Het Romeo en Julia-argument betreft de huwelijksmigratie. Als een Vlaams-Marokkaanse Romeo verliefd wordt op een Marokkaans-Marokkaanse Julia dan is het niet aan de staat om als Montagues en Capulets die liefde te dwarsbomen. Bij uitbreiding is het niet aan de staat om door hardvochtige grenzen de heilige band tussen moeder en kind, of tussen ouders en grootouders te breken, en misschien zelfs tussen ooms, tantes, neven en nichten, want heilige banden reiken in extended family-culturen verder en dieper dan bij ons.
     Het schuld en boete-argument leeft vooral onder linkse activisten. Die gaan ervan uit dat de miserie in de arme landen onze schuld is, of althans de schuld van onze kolonialen vroeger en onze multinationals nu. De oorlogen worden veroorzaakt door onze imperialisten die uit zijn op goedkope grondstoffen en strategische partners. De lamentabele toestand van de landbouw komt door de klimaatopwarming die wij met onze CO2 veroorzaken. Het is niet meer dan normaal dat we openstaan voor mensen die de miserie ontvluchten die we zelf hebben veroorzaakt.
     Het vrijheid-blijheid-argument zal linkse activisten dan weer minder aanspreken. Men kijkt in die milieus meestal niet op een verbodsbepaling meer of een verscherpte controle minder. Maar vrijheid-blijheid is op zich een sterk principe. Ieder mens heeft recht op zelfbeschikking. Hij kan van iemand anders geen cadeaus eisen om een gemakkelijker leven te hebben, maar hij mag, zonder iemand lastig te vallen, zelf, met eigen inspanning, een leven opbouwen waar hem dat goed uitkomt. Ik ben van West-Vlaanderen naar Vlaams-Brabant verhuisd omdat mij dat goed uitkwam en niemand heeft mij dat verboden. Oost-Duitsers wilden graag naar West-Duitsland verhuizen omdat hen dat goed uitkwam, en we spreken er nog altijd schande van dat hen dat verboden werd. Waarom dan het IJzeren Gordijn tussen Oost en West vervangen door een Grote Muur tussen Noord en Zuid?
     Als ik goed mijn best doe, en veel opzoekingswerk verricht, en herlees wat ik vroeger geschreven heb maar weer ben vergeten, dan denk ik dat ik de meeste van die argumenten wel aankan. Zouden er nog zijn die ik over het hoofd heb gezien?

woensdag 26 augustus 2020

De meeste mensen deugen (4) - Het verloren paradijs

 


     Bregmans boek is niet vrijblijvend, in tegenstelling tot mijn badinerende commentaar erop. In de eerste paragraaf van het eerste hoofdstuk hoopt hij dat zijn idee ‘een revolutie ontketent’ die ‘de samenleving op haar kop zet’. Elders laat hij verstaan dat wij in zekere zin terug moeten naar de maatschappijvorm die we kenden vóór het ontstaan van de landbouw, tienduizend jaar geleden. Een maatschappij met meer gelijkheid, samenwerking en gemeenschappelijk eigendom; een maatschappij met minder elite, minder concurrentie, en minder privé-bezit.
     ’t Is een oude droom: de terugkeer naar de paradijselijke oertoestand: de tuin van Eden waar niet moest worden gewerkt in het zweet des aanschijns, de Gouden Eeuw van Ovidius waar de  bronzen tafelen van het strafrecht niet nodig waren, de Gelukkige Tijd van Don Quichot, toen de mensen ‘de woorden mijn en dijn nog niet kenden’ –  een formulering die aan onze eigen Jacob Van Maerlant doet denken.

        Twee woorden in de wereld zijn
        Dat
s allene mijn en dijn
        Mocht men die verdriven
        Pais ende vrede bleve fijn.”

     Heeft die Gelukkige Tijd van Adam en Eva, van Ovidius en van Don Quichot ook echt bestaan? Misschien was het wel de oorspronkelijke maatschappij van de jagers-verzamelaars. Maar was die zoveel beter dan de landbouwmaatschappij die erna kwam? De archeologen zijn over de vraag verdeeld, en je kunt het aan Bregman overlaten om enthousiast te gaan plukken in de kersentuin van hen die vinden van wel. De oervorm van de samenleving was er een van minder werken, minder stress, minder ruzie, minder straffende Goden, minder virale ziekten, beter dieet, beter ouderschap, beter seksleven. Dat is allemaal best mogelijk. Maar ik vind het onvoldoende vaste grond om van dáárop nú een revolutie te ontketenen.
     Ten eerste is er de kwestie van het geweld. De jagers-verzamelaars leefden in stammen en er is nogal wat archeologisch bewijs dat die stammen meer dan eens met elkaar in botsing kwamen. Bregman antwoordt dat het archeologisch materiaal verkeerd geïnterpreteerd wordt, of verkeerd gedateerd, of dat het anders om uitzonderingen gaat. Er zouden juist bewijzen zijn dat de stammen zich gemakkelijk met elkaar vermengden. Ook vindt hij het tekenend dat overblijvende maatschappijen van jagers-verzamelaars erg vreedzaam zijn. Als er dan een gevonden wordt waar dat niet zo is, vindt hij dat we die huidige toestand niet mogen extrapoleren naar het verleden.
     Ondertussen rijst er een andere vraag. Bregman geeft toe dat de moderne afstammeling van de jager-verzamelaar wel degelijk een voorkeur heeft voor de eigen groep van gelijken, en een afkeer van ánderen, en dat die gelijktijdige neiging tot solidariteit én vijandigheid al bij peuters kan worden vastgesteld. ‘We worden geboren met een tribale knop in ons hoofd,’ schrijft hij. ‘Er hoeft alleen maar op gedrukt te worden.’ Ik zou denken dat we die tribale knop dan toch van onze pre-diluviale voorouders moeten hebben geërfd. Van wie anders? En werd in hun tijd dan nooit op die knop gedrukt?
     Ten tweede moeten we, als we een revolutie overwegen, de jagers-verzamelaarsmaatschappij niet vergelijken met de despotische of feodale landbouwmaatschappij die erop volgde, maar met de moderne oplossingen die door de Verlichting werden gestimuleerd: vrije markt, rechtstaat, scheiding der machten, verlichte bureaucratie, representatieve democratie. Als Bregman wil aantonen dat er iets beters bestaat dan díe oplossingen, kan hij best niet te veel steunen op het argument van de oermaatschappij. Hij beschrijft enthousiast hoe in de huidige Venezolaanse stad Torres (205 000 inwoners) de budgettaire beslissingen niet worden genomen op een gemeenteraad, maar op ‘honderden’ volksvergaderingen. Als blijkt dat dat de goede methode is, mij goed, als ik maar niet aan die volksvergaderingen moet deelnemen en als de jagers-verzamelaars er maar buiten worden gelaten.
     Bregman bespreekt overigens wel de moderne oplossingen van de Verlichtingsfilosofen als David Hume en Adam Smith. Die filosofen gaan er, heel verstandig vind ik, van uit dat de mens zowel uit egoïstische als altruïstische motieven handelt. Maar door die egoïstische motieven alleen al te erkennen, wakkeren die filosofen volgens Bregman het egoïsme aan, als een selffulfilling prophecy. Dat is mogelijk. Zelf vind ik het interessanter dat Smith liet zien dat het egoïsme zijn goede kanten heeft, dat zelfs de meest egoïstische bakker, slager en brouwer ervoor zorgt dat we van brood, vlees en bier worden voorzien dat we niet zelf hadden kunnen bakken, uitbenen of brouwen. Die filosofen baanden met hun leer de weg voor het soort samenwerking, niet van honderd bij elkaar levende stamleden, maar van duizenden onbekenden verspreid over de hele wereld die samen in staat zijn bijvoorbeeld een potlood tot stand te brengen (hier). Als Bregman overigens wil uitleggen waarom zo’n potlood ook, en zelfs beter, kan worden geproduceerd door democratisch overleg tussen coöperatieve hout-, lak-, grafiet- en lijmbedrijven op de vijf continenten, zal ik aandachtig luisteren.
     Ik ben hier op het punt gekomen, beste lezer, waar ik Bregman ook een keer gelijk moet geven. De vroege mensenmaatschappij wás communistisch, collectivistisch en egalitair. Ook Friedrich Engels heeft dat in 1884 met veel geestdrift in de verf gezet. En vandaag weten we uit de evolutionaire psychologie dat die honderdduizenden jaren communisme sporen moeten hebben nagelaten in onze genen. Genetisch zijn we allemaal een beetje communisten, behept met de inequality aversion waar, zoals Bregman schrijft, ‘tienduizend wetenschappelijke artikelen’ over zijn geschreven.* 
     Is het communisme dan beter in overeenstemming met de menselijke natuur dan het kapitalisme? Ik geloof dat het antwoord dubbel is. We geven de voorkeur aan de materiële welvaart die het kapitalisme biedt en we hebben een hekel aan de ongelijkheid die ermee samenhangt – en er ook in zekere zin de basis van vormt. We willen leven in een kapitalistisch land, en daar willen we dan communistische eisen aan stellen.  Het is zoals in de Wilder-Lubitsch-film Ninotchka (zie ook hier). De Sovjetdiplomaten Iranov, Boeljanov en Kopalski vallen voor de decadente luxe van het westen, ontvluchten hun land, beginnen samen een restaurant, en het laatste beeld van de film toont een stakende Kopalski die voor het restaurant met een bordje zwaait waarop hij te kennen geeft dat hij ‘unfair’ behandeld wordt door Iranov en Boeljanov.
     Zelf zou ik liefst zien dat de moderne mens de inequality aversion van oermensen en primaten als ballast overboord gooide, of minstens moderniseerde tot een afkeer van privileges**, rechtsongelijkheid en machtsmisbruik. Maar ik geloof niet dat dat snel zal gebeuren. Zoals ik ook niet geloof dat Bregman gemakkelijk een performant alternatief zal vinden voor het huidige bestel. Op bladzijde 377 schrijft hij: ‘Laten we niet vergeten dat de opkomst van het kapitalisme in de afgelopen twee eeuwen gepaard ging met een enorme groei van de welvaart.’ En op bladzijde 301 vinden we eenzelfde geluid: ‘Het kapitalisme, de democratie, de rechtstaat en de bureaucratie hebben ons leven veel beter gemaakt. De statistieken liegen niet. De wereld is rijker, veiliger en gezonder dan ooit.’ Tja, probeer het dan maar eens beter te doen.
   Wij kúnnen het natuurlijk proberen. We hebben immers allemaal, zoals Bregman, veel kritiek op het bestel. Als Bregman kankert op ceo’s, zal hij applaus oogsten op de banken van links; als hij te keer gaat tegen beroepspolitici, mag hij gejuich verwachten van de libertariërs; en als hij de bureaucratie op de korrel neemt, zal ook de volgzaamste burger, ja zelfs de bureaucraat, instemmend knikken. Maar wat Bregman in de plaats stelt is magertjes. Hier en daar een bedrijf dat zonder ceo’s werkt. Good for them. Een stijging van de ‘zorgcoöperaties, broodfondsen en energiecoöperaties’. Daar is zeker plaats voor, maar als algemene aanpak? It’s been tried before.
     Het mooiste, of eigenlijk, het zwakste voorbeeld vond ik op bladzijde 379 waar Bregman spreekt over het Alaska Permanent Fund. De olievoorraden van Alaska zijn eigendom van alle inwoners van de staat. De dividenden daarvan worden uitgekeerd als een soort universeel basisinkomen aan alle inwoners, en kan tot 3000 dollar bedragen. Hij legt uit – terecht – dat aan zo’n systeem niet de nadelen kleven van de ‘ouderwetse verzorgingsstaat … die afhankelijkheid produceert’. En hij vraagt zich af wat niet allemaal mogelijk zou zijn als bijvoorbeeld ook grondwater en patenten tot gemeenschappelijk eigendom zouden worden verklaard, zodat ze dividenden opleveren voor de individuele burgers. Veel zou mogelijk zijn, geloof ik, maar in elk geval zouden die dividenden worden betaald door de gebruikers van dat water en van die gepatenteerde uitvindingen, dus door dezelfde mensen die de dividenden ontvangen. Alleen als je zoals de oliesjeiks of de inwoners van Alaska extra rente uit je grondstoffenvoorraad haalt, die je door anderen laat betalen, krijg je een overtuigende illusie van gratis geld.
     Misschien schrijf ik morgen nog iets over Bregmans verklaring van het Kwaad in de wereld. Hopelijk valt het dan wat korter uit.


* Zie ook Hayek, The Fatal Conceit, hoofdstuk 1 (hier) en Popper, The Open Society, hoofdstuk 10.
** Privileges in de betekenis van arbitraire voordelen toegekend door officiële instanties en sommige andere gezagsdragers.