Posts tonen met het label Mao Zedong. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Mao Zedong. Alle posts tonen

maandag 9 mei 2022

Poetin: rationeel of madman?

 


      Vandaag lees ik in Het Nieuwsblad een stuk over Abbas Gallyamov, een ex-speechschrijver van Poetin. De man voorspelt dat Poetin vandaag een nucleair ultimatum zal stellen. Ik ben benieuwd of die voorspelling zal uitkomen.
    Ik hou wel van die ex-speechschrijvers. Ik heb indertijd veel geleerd van de memoires van Peggy Noonan, een ex-speechschrijfster van Ronald Reagan. Ik haalde haar altijd aan in de klas, als ik over ‘de redevoering’ sprak. Noonan had de gewoonte om tijdens het schrijven van een speech – een karwei dat weken kan duren – urenlang jambische verzen te lezen. Dat leek mij erg slim. Een goede, moderne redevoering moet een jambisch karakter hebben. Vergelijk maar eens bij Shakespeare de redevoering van Brutus, naar het klassieke voorbeeld van Cicero, met de moderne aanpak van Marcus Antonius, die van de hak op de tak springt, maar alles mooi aan elkaar lijmt door het meeslepend metrum.
     Toch overheerste een gevoel van spijt toen ik het stuk in Het Nieuwsblad las. Het stelt de vraag in hoeverre we Poetins dreigementen als een madman strategy moeten bekijken. Ik had daar gisteren nog van alles over opgezocht om daar een stukje over te schrijven en nu is de auteur van Het Nieuwsblad, Peter Mijlemans nota bene, mij voor. Hij legt correct uit hoe Nixon tijdens de Vietnamese oorlog met opzet de indruk gaf van irrationeel en impulsief te reageren, zodat de communistische vijand zich verzoenend zou opstellen om een nucleair conflict te vermijden. Nixon verklaarde aan zijn stafchef Haldeman: ‘I call it the Madman Theory, Bob. I want the North Vietnamese to believe I've reached the point where I might do anything to stop the war. We'll just slip the word to them that, "for God's sake, you know Nixon is obsessed about communism. We can't restrain him when he's angry—and he has his hand on the nuclear button" and Ho Chi Minh himself will be in Paris in two days begging for peace.’
    Anti-Amerikaans links schreef toen gretig dat Nixon de wereld ‘op de rand van een kernoorlog’ bracht, en het was precies die indruk die de president wilden wekken. In werkelijkheid dácht hij er niet aan om een nucleaire escalatie op gang te brengen waar hij zelf het slachtoffer van kon worden. Tussen twee haakjes: Mao kon er ook iets van. Die liet herhaaldelijk optekenen dat hij niet bang was van een kernoorlog. Er waren toch – in die tijd – 600 miljoen Chinezen. Als er daarvan 300 miljoen omkwamen bleven er nog 300 miljoen over om zegevierend het socialisme op te bouwen.
     Er is aan die historische parallel één nadeel.  Terwijl we van Nixon ongeveer weten wat zich indertijd in zijn hoofd afspeelde, weten we dat niet van Poetin nu. Zijn extravagante praatjes over ‘Oekraïne bevrijden van de neonazi’s’ en zijn bespottelijk lange onderhandelingstafel lijken inderdaad die van een madman? Maar is die indruk juist? Is Poetin gek, of speelt hij voor gek, zoals Hamlet doet in dat toneelstuk en zoals Macchiavelli als wijs beleid aanprijst in de Discorsi? Er is een groot verschil tussen een kernoorlog beginnen – wat irrationeel en waanzinnig zou zijn – en een kernoorlog in het vooruitzicht te stellen – wat weliswaar gevaarlijk, maar helemaal niet waanzinnig of irrationeel hoeft te zijn.
     Professor Goddeeris, die anders wel ‘begrip’ wil opbrengen voor het Russische standpunt, heeft Poetin al verschillende keren ‘irrationeel’ genoemd. In De Standaard van 3 maart schreef hij: ‘Moskou is onverwachte dingen aan het doen … Poetin waagt zich aan een oorlog die hij niet kan winnen. Bij zoveel irrationaliteit moeten we escalatie vermijden.’
     Nou ja, onverwachte dingen… Goddeeris had de brutale agressie niet voorspeld, dat geef ik toe, maar gewezen schaakkampioen en politiek opposant Gari Kasparov voorspelde zo’n evolutie al in 2015 in zijn boek Winter is Coming. Ook is niet duidelijk waarom Poetin de oorlog niet kan – of kon – winnen. Door de westerse militaire steun aan Oekraïne is dat nù misschien zo, maar juist die substantiële westerse steun kwam nogal ‘onverwacht’. Van Amerika weet je nooit op voorhand welke reflex zal overheersen: de imperiale of de isolationistische. En wat kon Poetin van het slappe Europa verwachten? Veel geblaat en weinig wol? Ook Goddeeris had verwacht dat de ‘progressieve krachten’ – sociaaldemocraten en groenen – zich tegen wapenleveringen zouden verzetten en ze dus onmogelijk zouden maken.
     Wat Europa betreft heeft Poetin zich misrekend. Hij heeft zowel het humanitarisme als de folie des grandeurs van de Europese leiders onderschat. Dat humanitarisme, zul je zeggen, is faciel en hypocriet en die folie des grandeurs belachelijk en stuitend. ’t Is waar. Maar ondertussen doen de Oekraïense strijdkrachten er hun voordeel mee en moet Poetin op zoek naar een oplossing. Misschien kan hij zich spiegelen aan Nixon’s ‘peace with honor’, wat geloof ik, uiteindelijk op een algehele terugtrekking van zijn troepen neerkwam. ’t Is een te volgen voorbeeld.

maandag 28 februari 2022

Poetin, de PVDA en de de-escalatie*

 

     De PVDA heeft, zoals bekend, geweigerd om in het Vlaamse Parlement een resolutie over Oekraïne goed te keuren. De resolutie stelde voor om (1) de Russische agressie te veroordelen, (2) solidariteit te betuigen aan Oekraïne, (3) extra Europese sancties door te voeren, en (4) humanitaire en andere hulp aan Oekraïne te verlenen. De PVDA ging blijkbaar alleen akkoord met het eerste punt en vond de rest van de resolutie eenzijdig omdat ze de verantwoordelijkheid van de Navo niet belichtte. Die had zich immers uitgebreid met nieuwe lidstaten waardoor ‘Rusland zich bedreigd voelde’. Verder had Oekraïense regering zelf ook boter op het hoofd omdat ze geen autonomie had verleend aan de oostelijke gebieden.
     In de tijd dat PVDA nog een kleine sekte was zag je in de huizen van partijleden vaak een slagzin van Mao aan de muur hangen die luidde: ‘Tegen de stroom inroeien is een marxistisch principe.’ Dat principe hebben de PVDA’ers  in het Vlaamse parlement dus toegepast. Ze hadden kunnen doen zoals Vlaams Belang, waar nogal wat sympathie voor Poetin bestaat: ze hadden kunnen zwijgen. Maar die kans hebben ze gemist. Ze hadden ook een lange toespraak kunnen houden tegen de Navo en het Amerikaanse imperialisme om dan als slot de resolutie tóch goed te keuren. Maar ook dat hebben ze niet gedaan. Ze hebben zich stoutmoedig in de strijd geworpen: één tegen allen. 
     De politieke vijanden van de PVDA – alle partijen dus – grepen de politieke flater aan om de partij scherp te veroordelen. Ze stelden het voor alsof de PVDA de invasie goedkeurde. Dat was niet helemaal waar. Maar het PVDA-standpunt deed me wel denken aan wat gebeurde toen Hitler in 1939 Polen binnenviel. De Franse communisten voelden zich gebonden door het recente verdrag tussen Duitsland en de Sovjetunie. Ze keurden de nazi-inval weliswaar niet goed, maar ze wezen erop dat die het gevolg was van het ‘Engelse en Franse imperialisme’ en dat ‘het wereldproletariaat onmogelijk het fascistische Poolse regime kon verdedigen.’ 
     De Franse communisten van 1939  en de Vlaamse communisten van 2022 hebben de inval in respectievelijk Polen en Oekraïne niet ‘goedgekeurd’, maar hun standpunt zat zo vol nuances – helaas op een moment dat die nuances niet helemaal op hun plaats waren, en bovendien, op de keeper beschouwd, berustten op de bedenkelijke analyse van ‘fouten aan de twee kanten’. Een buitenstaander die niet doorkneed is in de marxistische dialectiek kan weinig met die nuances aanvangen op een ogenblik dat een zwak onafhankelijk land wordt binnengevallen door een sterke agressieve buur, en dàt onder het absurde voorwendsel dat die agressie nodig was om de regering van dat land te zuiveren van ‘neo-nazis’ en ‘druggebruikers.’
     De PVDA is geen klein sekte meer, maar een partij die rekening moet houden met buitenstaanders die niet in de marxistische dialectiek doorkneed zijn. Op het VRT-journaal van gisteren kreeg Raoul Hedelbouw uitgebreid de kans om een elegante pirouette uit te voeren. Bart Verhulst stelde hem de vraag waarom PVDA zoveel moeite had om Poetins inval te te veroordelen. Raoul stak van wal met een reeks scheldwoorden aan het adres van Poetin: autocraat, oligarch, man van de big business, crimineel. Hij was tegen de Russische ‘agressie’ en ‘voor de erkenning van de Oekraïense staat’ en gaf verder een lange uitleg over de Helsinki-akkoorden van 1975, de ontwapening, de vredesbeweging, het belang van de-escalatie, het gevaar voor een wereldoorlog, en de noodzaak voor België om als klein land een diplomatieke rol te spelen.
     Ik vond dat Bart Verhulst aan het einde van de tirade had moeten vragen of dat nu allemaal een reden was om de resolutie in het Vlaams Parlement niet te onderschrijven. In plaats daarvan besloot Verhulst: ‘Dank u, meneer Hedebouw. Ja, dat is wel een duidelijke boodschap nadat PVDA-PTB toch wat geïsoleerd stond in de politiek en het leek alsof ze die inval niet meteen veroordeelde; die veroordeling is er nu toch wel heel duidelijk gekomen.’ Ik vond dat een erg mooi cadeautje van de journalist aan de politicus.
    De pirouette van Raoul Hedebouw bestond trouwens niet in de veroordeling van Poetins agressie – die had de PVDA inderdaad al eerder uitgesproken – maar in de verschuiving van de stugge anti-Navo retoriek naar het aantrekkelijker vredesdiscours. Communisten kunnen inspiratie putten uit een rijk verleden waarin ze op verschillende momenten verschillende deuntjes zongen: in 1939 was het dat van het anti-imperialisme, van 1941 tot 1945 werd het dat van het patriottisme, en in de jaren 50 werd het dat van het pacifisme, met de vredesduif van Picasso als symbool.
     Nu we het toch over pirouettes hebben. Ik vond de herhaalde verwijzing, vijf of zes keer, van Raoul naar de de Helsinki-akkoorden bijzonder vermakelijk. De vader van Raoul, Berten Hedebouw, moet als oude Amadees en PVDA-er, aan tientallen betogingen hebben deelgenomen tégen de Helsinki-akkoorden. Die akkoorden brachten immers, volgens de Chinese communisten en Ludo Martens, niet de vrede maar de oorlog dichterbij. Amada-PVDA beschouwde indertijd de Sovjet-Unie als verraders van het echte communisme, en bovendien als de belangrijkste ‘oorlogsstoker’ in de wereld.  De argumentatie voor die laatste stelling sneed enig hout. De Sovjet-Unie, zo hield kameraad Ludo ons voor, raakte economisch achterop. De enig mogelijkheid om haar positie op het wereldtoneel te versterken, bestond erin de militaire kaart te spelen. 
    Vandaag is Rusland economisch nog meer achterop geraakt. Daardoor kon het Westen één na één de vorige vazalstaten van Rusland aan zich binden. Poetin kan daar weinig tegenover stellen behalve militair geweld. Wellicht is Rusland ondertussen dermate achterop geraakt, dat zelfs dat militaire geweld op een zwakkere basis berust dan in de tijd van Brezjnev. Wat zou betekenen dat het oorlogsgevaar vandaag heel wat minder is dan in 1975.
    Dit alles echter is speculatie, en op grond van zulke speculaties moeten beter onderlegde mensen dan ik beslissingen nemen en geostrategische keuzes maken. Escaleren of de-escaleren? Churchill of Chamberlain? Achteraf is het makkelijk praten. De diplomatieke voorgeschiedenis van de Eerste Wereldoorlog laat zien hoe de tragedie vermeden had kunnen worden door inbinden, wederzijdse toegevingen, begraven van ultimatums, verminderde achterdocht, en bereidheid om de ‘eer van de natie’ op de tweede plaats te stellen. De-escalatie had een wereldbrand kunnen voorkomen. Dat weten we we nù.
     Maar de voorgeschiedenis van de Tweede Wereldoorlog biedt, ook achteraf gezien, het tegenovergestelde beeld. Toen had men juist wel moeten grijpen naar hoge principes van moed en eer en naar een no passaràn-mentaliteit; men had Hitler kunnen stoppen – met dreigende ultimatums en desnoods met een oorlog – toen het nog kon, dat wil zeggen toen de opbouw van zijn leger nog niet voltooid was. Churchill bleek, achteraf, gelijk te hebben: men had veel vroeger moeten escaleren. Dat weten we nù. Maar wat we nu niet weten, althans niet met zekerheid, dat is wat we nù moeten doen. Aan mij moet je het niet vragen, want ik heb geen antwoorden. En aan Raoul Hedebouw moet je het zeker niet vragen, want die heeft àlle antwoorden.

* Zie ook het artikel van Boudewijn Bouckaert op Doorbraak of op de Facebookpagina van de professor.

vrijdag 14 januari 2022

Factcheck en nuances bij De Croo en Van Gucht

 

     Dat De Croo af en toe totaal verkeerde cijfers citeert als het over corona gaat, heb ik al een paar keer aangehaald*. Het eigenaardige is dat hij dat blijft doen. Hij leest natuurlijk mijn blog niet, maar is er dan niemand in zijn omgeving die hem op zijn blunders wijst? Is De Croo een soort Mao Zedong die door niemand wordt tegengesproken? En stuurt De Croo, zoals voornoemde Mao Zedong tijdens de Grote Sprong Voorwaarts, ingrijpende beslissingen aan zonder dat iemand hem de echte cijfers durft te geven waarop die beslissingen moeten voortbouwen? Ik was er niet gerust in.
     Ondertussen kan ik al wat beter slapen. In De Standaard stond een factcheck aangaande de De Croo zijn laatste enormiteit – een factcheck die de premier ongetwijfeld wél gelezen heeft. In De Morgen van 9 januari had hij gezegd: ‘Een gevaccineerde die besmet is [met omikron] heeft negen à tien keer minder kans om het virus over te dragen.’ Journalist Dries De Smet spreekt over die bewering, na een genuanceerde commentaar, het onverbiddelijke verdict uit: ‘Onwaar’. Niet ‘eerder onwaar’, maar ‘onwaar’. Hij wijst erop dat er geen Belgische cijfers bestaan, maar dat een Deense studie wijst dat die besmettingskans – in huiselijke kring – bij drie keer gevaccineerden, geboosterden dus, niet tien keer, maar twee keer minder is. Een heel verschil.
    Nu is het natuurlijk makkelijk om een politicus te factchecken. Ook leken zoals Dries De Smet en ikzelf kunnen dat. Maar hoe zit dat met uitspraken van experts? Mijn zoon-de-dokter zei onlangs dat een derde prik 60 tot 70 procent beschermt tegen omikronbesmetting. 60 tot 70 procent? Hij was onlangs op een feest geweest waarop een van de aanwezigen, ondanks een negatieve zelftest, achteraf met omikron besmet bleek. Maar alle andere aanwezigen waren drie keer geprikt, en niemand had een besmetting opgelopen. Oké, dacht ik: anecdotal evidence. En hoe weet men dat het een omikronbesmetting was?  En bovendien, als de zelftest negatief was, zal de besmette op dat ogenblik nog niet veel virus hebben geproduceerd. 
    Mijn-zoon-de-dokter-maar-geen-expert had, leerde ik achteraf uit de krant, zijn cijfers van iemand die wel een expert is: Van Gucht. Die had vorige week al gesproken van 60 tot 70 procent bescherming. ‘Wie drie dosissen gehad heeft, maakt tot drie keer minder kans om besmet te raken met omikron.’ Hoe weet Van Gucht dat? Ik neem aan dat hij de cijfers van de besmettingen neemt, dan het percentage van de geboosterden eruit haalt, en dan dat percentage vergelijkt met het percentage van niet-gevaccineerden. En die vergelijking levert een beschermingsgraad op van 60 tot 70 procent voor geboosterden. Volgens die berekening is de uitspraak van Van Gucht ongetwijfeld ‘waar’ – niet ‘eerder waar’, maar ‘waar’.
     Eigenlijk zou ik bij een factcheck een vijfde categorie willen toevoegen naast ‘waar’, ‘eerder waar’, ‘eerder onwaar’ en ‘onwaar’. Ik denk bijvoorbeeld aan een categorie ‘ongenuanceerd’, die geen veroordeling inhoudt, want je kunt niemand verwijten dat hij niet àltijd àlle nuances meegeeft. Maar het biedt de factchecker de mogelijkheid om die nuances dan zelf aan te brengen.
     Zo bekeken, lijkt de uitspraak van Van Gucht mij ‘ongenuanceerd’. Ten eerste geven de cijfers van Sciensano een momentopname. We hebben ondertussen geleerd dat de vaccinwerking geleidelijk aan afneemt. De beschermingsfactor zal binnen een maand niet meer dezelfde zijn als nu. Ten tweede beschikt Sciensano niet over de cijfers van de besmettingen, maar alleen over de cijfers van de positieve testen. Gezien de teststrategie mogen we aannemen dat de zwaardere gevallen in die cijfers oververtegenwoordigd zijn, en de asymptomatische gevallen– vaak bij geboosterden – ondervertegenwoordigd. Als dat klopt zijn er meer geboosterden besmet dan er opgenomen zijn in de cijfers waarmee Van Gucht zijn berekening heeft gemaakt. En ten derde houdt het Sciensano-cijfer geen rekening met de ongeziene besmettelijkheid van omikron. Het is logisch dat omikron in een eerste fase vooral circuleert onder de niet-gevaccineerden. Dat is voor het virus het laaghangende fruit. Maar als op termijn 50 procent van de bevolking besmet moet raken – en dat zijn de prognoses – dan zal het virus in een tweede fase zich moeten richten op de gevaccineerden en geboosterden. Op dat moment zal die beschermingsfactor van 60 tot 70 procent erg theoretisch worden.
    Daarmee zij niet gezegd dat Van Gucht ongenuanceerd communiceert. Ongeveer alles wat ik hierboven aanhaal, heb ik juist van hem geleerd. Maar als zijn procent zonder context in een krant wordt geciteerd, of als het zich als los cijfer in ons geheugen nestelt, is het dat wel. Je zou zelfs kunnen zeggen dat het onder geboosterden een ‘vals gevoel van veiligheid’ kan creëren. Maar misschien is dat in de gegeven omstandigheden beter dan een ‘vals gevoel van onveiligheid’.

 

Laatst nog hier

zaterdag 29 augustus 2020

De meeste mensen deugen (6)



      La Rochefoucauld wou indertijd in zijn ‘Maximes’ dolgraag laten zien dat de mensen dóór een dóór egoïstisch en slecht waren. ‘Onze deugden zijn meestal vermomde gebreken,’ schreef hij. ‘Vriendelijkheid is het gevolg van ijdelheid, luiheid of angst. Eerlijkheid is een list om het vertrouwen van anderen te winnen.’ Het is briljant geformuleerd, er zit bittere waarheid in, maar het is allemaal erg eenzijdig. Iemand die geld geeft aan een bedelaar, doet dat om geprezen te worden, of om er een goed gevoel aan over te houden, uit egoïsme dus. Tja,  akkoord. Iemand die een bedelaar vermoordt om met het vet van het nog warme lijk zijn laarzen in te smeren, doet dat om warme voeten te hebben, eveneens uit egoïsme dus*. Ook akkoord. Toch is er een aanmerkelijk ethisch verschil tussen de twee handelswijzen.
     Bregman** doet iets soortgelijks als hij het Milgram-experiment bespreekt. Iemand die weigert elektrische schokken toe te dienen doet dat uit empathie met het slachtoffer, iemand die die schokken wél toedient doet het uit empathie met de bevelvoerder. In de twee scenario’s is hij een ‘supersamenwerker’, zoals Dirk van Duppen dat noemde. Met dat ‘samenwerken’ kan dan elke slechte daad worden verantwoord. Zo geeft Bregman toe dat er in New Orleans, in de crisissituatie veroorzaakt door de orkaan Katrina, wel degelijk een en ander misliep. ‘Er was veel geplunderd’, schrijft hij, ‘maar vooral door groepen die samenwerkten.’ (blz. 26, mijn cursivering) Is dat nu een verzachtende of verzwarende omstandigheid, vraag ik mij af?
     Het is anders niet verwonderlijk dat mensen als Bregman en Van Duppen de bereidheid tot samenwerken zo hoog op hun waardenhiërachie plaatsen.  Hun vijand is de ‘neoliberale’ maatschappij en die werkt naar hun mening uitsluitend volgens het tegenovergestelde principe: dat van competitie. Die moet weg. En dan zijn er twee mogelijkheden: ofwel geloof je in de ‘maakbare mens’, waarvan je het egoïsme, individualisme, en competitieve streven door chirurgie, pillen of opvoeding kunt verwijderen, ofwel geloof je dat dat egoïsme een laagje vernis is dat door de 1 procent machthebbers over de overige 99 procent wordt gespoten. In dat geval volstaat het om de machthebbers onschadelijk te maken om het vernis spuiten te stoppen.
     Een maatschappelijk ideaal dat eenzijdig uitgaat van een álgoede of álslechte mens is onrealistisch en alleen daarom al gevaarlijk. Als de mens slecht is, moet de verdorven meerderheid worden onderdrukt door een deugdzame elite (waar gaat men die vinden?) en als hij fundamenteel goed is, moet een kleine slechte minderheid worden onderdrukt (door wie?) zodat de goedheid van velen kan opbloeien. Lukt het met dat opbloeien niet zo goed, dan moet de zoektocht naar de vijanden van het Goede worden uitgebreid van 1 procent naar 2 procent en zó verder, en raak je op de duur opgescheept met Robespierre, Stalin en Mao. 
     Is onze huidige samenleving gebaseerd op een álslecht mensbeeld, op de egoïstische homo economicus, zoals Bregman beweert? Dat geloof ik niet. Een groot deel van het maatschappelijk verkeer – liefdesleven, vriendenkring, betrekkingen tussen ouders en kinderen – hebben weinig met de goede of slechte, maar alles met de complexe mens te maken. En de economie zelf, die we ‘kapitalistisch’ noemen – een term uitgevonden door haar vijanden – drijft tegelijk op doelbewust teamwerk binnen één bedrijf, competitie tussen vergelijkbare bedrijven, en nog het meest op win-winrelaties tussen complementaire bedrijven, en tussen verkopers en klanten.  Sommige van die win-winrelaties, zoals die in een supermarkt, zijn onpersoonlijk en spelen zich af tussen mensen die onverschillig staan tegenover elkaar. Het zij zo. Ook dát ligt in de menselijke aard, en het was iets wat Rousseau bijvoorbeeld heel goed wist.
     En dan: zijn samenwerken in teamverband wel het summum bonum, en individualisme en competitie het summum malum die Bregman ervan maakt? In het onderwijs vond ik dat er wel eens te véél werd samengewerkt, in vakgroepen en zo, met overbodige ruzie als gevolg. Anderzijds zou ik niet álle samenwerking door competitie willen vervangen. Dat lijkt mij vermoeiend. Toch heb ik met die competitie niet zon groot probleem mee als Bregman. Die wordt al zenuwachtig van een titel als ‘The Selfish Gene’ terwijl die zich hoogstens aan een doorzichtig antropomorfisme bezondigt. Bregman is heel gelukkig als Dawkins later toegeeft dat ‘The Cooperative Gene’ een even goede titel was geweest. Maar wat doet dat er allemaal toe? Bregman moet toch ooit gehoord hebben van de drogreden van compositie, waarbij eigenschappen van onderdelen met eigenschappen van het geheel worden verward. Wat kan het mij schelen of spermatozoïden al concurrerend of samenwerkend naar de eicel zwemmen. Zelf ben ik nooit een goede zwemmer geweest.
     De eenvoudige waarheid is dat competitie een aardige manier is om de menselijke luiheid te compenseren.*** Misschien hebben we die luiheid wel van onze voorvader de jager-verzamelaar geërfd. Ik moet in elk geval noch de jager-verzamelaar, noch de hedendaagse Homo Sapiens grondig bestuderen om die luiheid geïllustreerd te zien. Ik moet er niet eens mijn geliefde sofa voor verlaten. Maar Bregman denkt een andere oplossing te hebben om de menselijke luiheid te omzeilen: de intrinsieke motivatie. Die zou sterker doorwegen dan financiële afwegingen en er zelfs omgekeerd evenredig aan zijn.  Hij citeert bekende psychologische experimenten die laten zien dat stoppen met roken slechter werkt als me ervoor betaald wordt, of dat men zich minder houdt aan de afgesproken uren van de crèche als men daar een boete voor betaalt. 
     Maar er bestaan ook psychologische experimenten die aantonen dat een combinatie van extrinsieke en intrinsieke motivatie de beste resultaten geeft. Die sluiten goed aan bij wat we om ons heen zien. Veel wielrenners zouden ook zonder bolletjestrui of prijzengeld met gehijg en gesteun de Tourmalet, de Mont Ventoux of de Alpe d’Huez oprijden. Dat doen wielertoeristen ten slotte ook. Maar dromen van prijzengeld en gele, groene en bolletjestruien helpt in elk geval om het daar in Frankrijk 20 etappes lang vol te houden, ondanks de soms felle zon.
     Extrinsieke motivatie, materiële beloning, winstprikkel, concurrentie en competitie wérken. Ongetwijfeld krioelt het bij Apple en Microsoft van gedreven programmeurs en technici die ook in hun vrije tijd niets liever doen dan programmeren en ontwerpen, en wordt het bedrijf geleid door ceo’s die los van mogelijke bonussen een zo goed mogelijk product willen maken. Maar als er ter wereld maar één computerbedrijf bestond, met mooi afgesproken loonschalen volgens anciënniteit, dan zouden onze computers nu trager, groter, lelijker en duurder zijn dan in een systeem mét concurrentie. Het zouden Sovjetcomputers zijn.
     De mooie, snelle computer waar ik dit stukje op heb getypt, is het gevolg van samenwerking én competitie, van en tussen mensen met goede en slechte eigenschappen, en die gedreven zijn door idealisme, intrinsieke motivatie, inhaligheid en eerzucht.  Ik ben hen dankbaar.


* Het beeld komt van Arthur Schopenhauer.
** Mijn andere Bregman-stukjes vind je hierhierhier en hier en hier
*** Luiheid, gedefinieerd als aversie van onaangename maar nuttige activiteiten. De econoom Galbraith schreef ooit dat het meeste werk repetitief, vervelend, pijnlijk vermoeiend en mentaal uitputtend’ is. Mensen met een leuk werk, zoals leraren of kunstenaars, hebben daar minder last van en hebben bijgevolg een grotere intrinsieke motivatie. Hopelijk zorgt de technologie ervoor dat de onaangenaamste soorten werk stilletjes aan verdwijnen.  


woensdag 13 november 2019

Losse bedenkingen bij de cultuursubsidies

** In mijn ideale maatschappij zijn er geen subsidies voor de kunsten. Operatickets zijn er duur, maar de liefhebbers van opera betalen ze graag, want ze houden hartstochtelijk van opera. Ook moet de operabezoeker niet besparen op brood, melk, vlees of groenten, want hij bespaart geld op andere manieren. Zo moet hij in mijn ideale maatschappij niet meebetalen aan subsidies voor een televisiezender waar hij nooit op afstemt, sportwedstrijden die hij nooit bijwoont of dansvoorstellingen die hem niet boeien.
                           
** Ik ben overigens niet zeker of ik in mijn ideale maatschappij zou willen leven. Ik moet even denken aan de fellow travelers die je ook met geen stokslagen naar Rusland kreeg,  of toch niet om er te gaan wonen.

** Ik ben een voorstander van ‘grote’ cijfers. Ik heb tientallen keren iets gehoord en gelezen over een subsidiedaling van 60 procent en ook enkele keren iets van een daling van 6 procent. Dat ene cijfer gaat geloof ik over de ‘eenmalige projectsubsidies’ en het andere over ‘werksubsidies’. Maar de ‘grote’ cijfers zijn deze. Het Vlaamse cultuurbudget bedroeg vorig jaar 518 miljoen en dit jaar 508 miljoen. Dat is een daling van 2 procent. 2 % en geen 60 %. Nu ja, ’t is een daling.

**  Andreas Thirez heeft onlangs nog eens herhaald wat we al wisten van Yes Minister: cultuursubsidies komen grotendeels ten goede aan een culturele elite die vaak tegelijk een financiële elite is. Helemaal rechtvaardig is dat niet, al betaalt die financiële elite natuurlijk meer belastingen dan de andere burgers.

** Er is in elke maatschappij een elite die haar stempel zet: uitvinders, ondernemers, politici, topambtenaren, professoren, architecten, journalisten, psychiaters … Als de andere omstandigheden gelijk zijn, heb ik liever dat die elite uit kunstlievende mensen bestaat die klassieke auteurs lezen, viool of piano spelen en een Rembrandt van een Vermeer kunnen onderscheiden. Nu ja, Heydrich speelde viool, Hitler was aardig thuis in ‘Die Welt als Wille und Vorstellung’, Lenin citeerde met gemak de grote Russische auteurs, en Mao koesterde in zijn privé-woningen de Chinese klassieken die hij in het openbaar door zijn handlangers liet vernietigen. Maar, zoals ik al zei, de andere omstandigheden moeten gelijk zijn.

** Ook is het fijn in een tijd te leven waarin de smaak van de elite en die van de volksmens niet te ver uit elkaar liggen. Dat moet zo geweest zijn bij het Griekse theater, en in de tijd van Shakespeare en Lope de Vega. Het is echter, vrees ik, niet in zo’n tijd dat we leven. Vandaag gaapt er een kloof tussen de twee soorten publiek. Films en vooral televisieseries – we leven in ‘the Golden Age of Television’ zegt men – lijken een uitzondering te vormen. Daar kunnen elitaire en populaire smaak soms nog samenvallen.

** Sanctorum heeft tegen de moderne gesubsidieerde kunst twee bezwaren ingebracht: de beoefenaren ervan zijn links en de producten ervan zijn decadent. Hij geeft daarvan enkele sprekende voorbeelden. Maar het hóeft niet zo te zijn, en zulke beoordelingen zijn nogal persoonlijk. Het stuk waar ik dit jaar met mijn leerlingen naar toe geweest ben, was er een van Tom Lanoye: ‘Wie is bang’. Die auteur mogen we, vermoedelijk met zijn welnemen, ‘links’ noemen. Maar de voorstelling vond ik daarom niet decadent. Het stuk was een herwerking van de klassieker ‘Who’s Afraid of Virginia Woolf’. Ook dat stuk zou ik niet decadent noemen. Maar Barbara Branden vond dat indertijd wel, terwijl ze verder ongeveer even ‘rechts’ was als ik nu.

** De voorstelling die wij hebben bijgewoond – een NTG-productie – moet op één of andere manier gesubsidieerd zijn geweest, want mijn leerlingen betaalden slechts 10 euro.  Wij hebben een van de vorige jaren ooit een niet-gesubsidieerde voorstelling van een klein gezelschap bijgewoond en toen betaalden we 30 euro.

** Het stuk van Lanoye ging overigens over subsidies aan theater. De boodschap was, als ik het goed heb, dat theatermakers zulke subsidies vernederend vinden. Ik zou het ook vernederend vinden. Een eenmalig projectvoorstel uitschrijven en indienen bij een commissie. Met twee woorden spreken. Pet in de hand houden. Rekening houden met het stokpaard van commissielid A en het idee-fixe van commissielid B. Bang afwachten of de subsidie er nu komt of niet. Dan had ik nog liever het mecenaat. Een glas gaan drinken met een excentrieke miljonair, en als die niet toehapt, een andere miljonair opzoeken. Ik geloof dat die miljonairs geen uitgeschreven projectvoorstellen vragen en in elk geval geen tijd hebben om ze te lezen.

** Een paar keer las ik de bewering dat je kunst niet kunt overlaten aan de vrije markt. Misschien niet helemaal, dat weet ik niet. Ik ben voor commerciële boekhandels, maar ook voor openbare bibliotheken. Toch heeft de vrije markt iets moois. Je zou het misschien beter de ‘vrijwillige markt’ noemen. De schrijver schrijft vrijwillig een boek en de lezer leest vrijwillig een boek, en betaalt ervoor, ook vrijwillig. En tussen de vrijwillige schrijver en de vrijwillige lezer staat de uitgever. Die probeert te raden wat de lezer vrijwillig wil lezen. Vaak raadt hij juist, en dan maakt hij winst, dan weer raadt hij fout, en maakt hij verlies. Er is echter een schaduwkant. In die omstandigheden gebeurt het namelijk al te vaak dat een prachtig boek onuitgegeven blijft. Een collega van mij heeft een korte graphic novel gemaakt, waarvan het moeilijk is om uit te maken is of nu de teksten erin dan wel de tekeningen het mooiste zijn. Hij krijgt het boek echter niet uitgegeven. Is er een gebrek aan verfijnde lezers voor zo’n werk of schatten de uitgevers hun lezers verkeerd in? De fout ligt in een van de twee kampen: de lezers of de uitgevers; de fout ligt in elk geval niet bij ‘de markt’. Een markt kan geen fouten maken. 

** Op de televisie hoorde ik een mevrouw die het ‘economisch argument’ hanteerde. Cultuur zorgt voor tewerkstelling, zei ze, en die tewerkgestelden betalen belastingen. Daar kwamen nog eens de ‘indirecte’ gevolgen bij. Mensen gingen naar het theater en bezochten daarna een café. Dat lijkt mij een foute redenering. Als we belastingen betalen om het toneel te ondersteunen, en als de mensen daarna een glas drinken op café, is dat allemaal geld dat ze niet kunnen gebruiken om op Zalando een paar nieuwe schoenen te bestellen. Op die manier vermindert de tewerkstelling in de schoenenindustrie en bij Zalando. Het is de oude parabel van het gebroken venster. Nu kun je het fijner vinden om in een maatschappij te leven waar we meer belang hechten aan cultuur, dan aan schoenen.  Maar dát is een heel andere zaak. 

** Tot slot. Geert van Oorschot heeft het Verzameld Werk van Multatuli uitgegeven zonder één gulden subsidie. Zijn zoon Wouter van Oorschot heeft het Verzameld Werk van Karel van het Reve uitgegeven, eveneens zonder één euro subsidie. Hoe die uitgevers dat geflikt hebben, moeten mijn leerlingen weten voor het examen Nederlands

maandag 21 oktober 2019

Citeren

     Wie graag citeert, kan aan de Faust van Goethe zijn hart ophalen.  Er is wellicht meer geciteerd uit de Bijbel, Shakespeare of Het Rode Boekje, maar dat zijn geen eerlijke vergelijkingen. De Bijbel bestaat uit 66 boeken, Shakespeare schreef 37 toneelstukken, en het Rode Boekje is geplukt uit de vier dikke delen van Maos Verzameld Werk. Daarmee vergeleken vormen Faust I en II samen maar een dun boekje.
     En dan is er nog iets. Als we ‘to be or not to be’ zeggen, weten we dat dat van Shakespeare komt. ‘De macht komt uit de loop van een geweer’ is van Mao. ‘Wie zonder zonden is werpe de eerste steen’ komt uit Johannes 8:7. Maar je kunt zoals ik je hele leven spreken over ‘des Pudels Kern’, de zorgen die we ons niet moeten maken om het Heilig Roomse Rijk, de ‘zwei Seelen in einer Brust’ en ‘das Ewig Weibliche’ zonder te weten waar die woorden vandaan komen.
     Nou ja, bij Shakespeare heb je dat ook. We hebben het over de ‘happy few’ of ‘het beest met de twee ruggen’, of we neuriën ‘Kiss me, Kate’ zonder te denken aan Henry V, Othello of The Taming of the Shrew. Maar bij Goethe’s Faust is het anders. Daar kom je in citaatvorm tegen wat je zelf altijd al gedacht hebt. Of vroeger dacht, en flauwtjes verwoordde. Toen ik vijftien was, herhaalde ik wel eens de yippie slagzin ‘Never trust anyone over thirty’. Goethe zegt het krachtiger: ‘Hat einer dreissig Jahr vorüber / Am besten wär’s, inh zeitig totzuschlagen’.
     Later, als ik oud word, ouder dan nu, zal ik vaker gaan wandelen. Dat denk ik toch. Ik koop mij dan een wandelstok en zeg met Faust: ‘Solang ich mich noch frisch auf meinen Beinen fühle / genügt mir dieser Knotenstock’. Dat lijkt mij wel wat. Ter afwisseling kan ik ook Jules Marchal citeren die mij ooit zei: ‘Hiermee,’ en hij zwaaide met zijn stok, loop ik als het moet tot in het hart van Afrika.’ Of ik citeer Jean-Pierre Rawie van wie de grootvader met zijn wandelstok, ‘naar verluidt half Java had bekeerd’.

zondag 28 april 2019

En, Peter, had Marx altíjd gelijk?

      ‘Als de mens geen klimaatactie onderneemt, is de Apocalyps dan onvermijdelijk?’ vroeg de journalist van De Zondag aan Peter Mertens (PVDA). ‘Ja’, antwoordde Peter resoluut. ‘Marx was daar trouwens ook al mee bezig.’
    
Marx bezig met het klimaat? De lezer is geneigd bij zo’n mededeling even te glimlachen. Waarom zou een Duitse filosoof-econoom uit de negentiende eeuw zich zorgen hebben gemaakt over een klimaatopwarming die men pas op het einde van de twintigste eeuw zou ontdekken? Dat is niet erg waarschijnlijk. Wellicht, denkt de lezer, haalt Mertens hier twee zaken door elkaar: de nieuwe kwestie van het klimaat dat opwarmt, en de oude kwestie van de mooie landschappen, de zuivere lucht, het heldere water en de fluitende vogels die door een verstedelijkte beschaving worden bedreigd. Marx, denkt de lezer dan, kan moeilijk een klimaatactivist geweest zijn zoals Anuna Dewever, maar misschien was hij wel een groene jongen avant la lettre, iemand die de natuur wou beschermen tegen de ‘oprukkende industrialisering’.
     Zulke groene jongens avant la lettre hebben bestaan. De Russissche schrijver Tsjechov bijvoorbeeld was op zijn landgoed in Melikhovo druk in de weer met het planten van bomen. In een van zijn toneelstukken komt een mooie lofzang op de natuur. ‘Bossen zijn een sieraad voor de aarde,’ zegt Astrov, of was het Sonja.  ‘Bossen leren de mens het schone te begrijpen. Ze verzachten een ruw klimaat en door een zacht klimaat worden de mensen milder en mooier en leniger en inniger van aard. Hun taal klinkt sierlijk, ze bewegen zich gracieus, hun wereldbeschouwing is niet somber, hun gedrag tegen vrouwen is hoffelijk.’ Je weet bij Tsjechov nooit of wat hij dénkt samenvalt met wat hij zégt, of wat hij zijn personages laat zeggen, maar het is duidelijk dat de schrijver op zijn manier ‘bezig was’ met natuurbehoud en zelfs met klimaat – of althans met wat we vandaag ‘microklimaat’ zouden noemen.
     Marx van zijn kant was daar helemaal niet mee bezig.  Om dat na te trekken hoeft de lezer niet eens de veertig delen van de Marx-Engels-Gesamtausgave door te nemen. Het volstaat vandaag om op Google de zoekterm ‘Marx and the Environment’ in te tikken. Zeker, je krijgt 2.560.000 resultaten op je zoekopdracht, maar je moet maar enkele van die resultaten aanklikken om te zien dat het allemaal artikels zijn over datzelfde ene zinnetje uit Het Kapitaal.  Marx zegt daarin dat de grond uitgeput raakt door de ‘kapitalistische landbouw’. Die uitputting van de grond was inderdaad een erg actuele kwestie in de 19de eeuw, maar heeft ondertussen veel aan actualiteit ingeboet door de ontdekking van kunstmest, verbeterde gewassen en genetische manipulatie. De groene revolutie heeft hier meer goeds gedaan dan de rode.
     Met je zoekterm op Google vind je ook artikels die gaan over de zogenaamde ‘Jonge Marx’ en wat die schreef over de Verhouding tussen Mens en Natuur. Een gepensioneerde sociologieprofessor is dan heel enthousiast over het diepe inzicht van Marx dat ‘de Mens zelf deel uitmaakt van de Natuur’. Maar hoe die professor ook trekt en wringt aan een of andere duistere passages, je hebt al snel door dat Marx bij het begrip ‘Natuur’ niet dacht aan mooie landschappen, zuivere lucht, helder water of zingende vogels die bedreigd worden door kernafval, maar aan de materiële wereld in zijn geheel, waar de mens dus deel van uitmaakte. Jawel, de mens was ook een brok materie. Dat wist Lucretius al, over wie Marx zijn doctoraatsthesis had geschreven.
     Communisten hadden vroeger de rare gewoonte om bij gelijk welke discussie enkele uitspraken van Marx aan te halen. Ze zochten in alle hoeken en kanten en vonden zo’n uitspraken over gelijk welk onderwerp. Ze stelden er zelfs brochures over samen: ‘Marx over het onderwijs’, ‘Marx over de klassieke oudheid’, ‘Marx over China’, ‘Marx over de geestelijke muziek’, ‘Marx over het seksuele vraagstuk’. In mijn opleiding germanistiek moest ik een opstel lezen van zekere Georg Lukacs. ‘Inleiding tot de esthetische werken van Marx en Engels’ heette het stuk. In de tweede zin moet die Lukács al toegeven dat Marx en Engels eigenlijk ‘nooit een samenhangend boek en nauwelijks een studie’ over esthetische problemen hadden geschreven*. En op dat niet-bestaande boek en die nauwelijks-bestaande studies had hij dan toch maar een flinke inleiding geschreven.
     Ook was er niet alleen Marx die je kon aanhalen. Als je zocht vond je wat je nodig evengoed had bij de andere ‘grondleggers’: bij Engels over goedkoop wonen,  bij Lenin over alcoholisme, bij Stalin over taalkunde en bij Mao over journalistieke stijl. Ook daar werden brochures van gemaakt. En in al die brochures ging men ervan uit dat die Marx enzovoort over onderwijs, goedkoop wonen, alcoholisme, taalkunde en journalistieke stijl altijd gelijk hadden gehad, dat was ze schreven altijd waar was.
     Voor dat dogmatische geloof zijn de communisten vaak uitgelachen. ’t Is ook is iets eigenaardigs. Zelf heb ik in een bepaalde periode van mijn leven veel gelezen van Schopenhauer, Popper en George Orwell. Die schreven ook over van alles en nog wat, en ik vond, na de taaie marxistische geschriften van mijn jeugd, alles wat die auteurs schreven bijzonder boeiend. Maar de gedachte kwam niet meer bij mij op dat dat allemaal ook waar was. Schopenhauer schreef bijvoorbeeld dat mannenlichamen mooier zijn dan vrouwenlichamen, en dat alleen de geslachtsdrift ervoor zorgt dat we dat anders zien. Ik vond dat een boeiende opmerking, maar was ze ook waar? Een vriendin wees mij erop dat de meeste vrouwen op een rustig moment ook de voorkeur geven aan een schilderij met een naakte vrouw erop boven dat met een naakte man.
     De uitspraak van Peter Mertens over Marx die ‘bezig was met het klimaat’ is, geloof ik, een restant van de communistische traditie. Meer is het niet. Ik zie de PVDA geen brochures meer uitgeven over ‘Marx en de transgenders’ of ‘Marx en de digitale maatschappij’. ‘Niet alles wat Marx neerschreef,’ zegt Peter, ‘is vandaag nog toepasbaar.’ Daarmee heeft Peter niet gezegd dat Marx zich over welke kwestie ook vergist zou kunnen hebben, maar de toegeving dat zijn ideeën niet allemaal meer ‘toepasbaar’ zijn, is een grote vooruitgang vergeleken met de PVDA die ik gekend heb.
    
* Dat opstel stond in de bundel Tekstboek algemene literatuurwetenschap van Bronzwaer, Fokkema en Ibsch. Daar kwam ook een opstel in voor van Karl Popper ‘De logica van de sociale wetenschappen’. Ik had van die Popper nog nooit gehoord, maar zijn stuk vond ik, toen nog marxist zijnde, veel interessanter dan het gejengel van Lukács.

dinsdag 6 maart 2018

Hoe bekeer je iemand tot het stalinisme?

     Gisteren 65 jaar geleden overleed Jozef Stalin. Dat was geen aardige man, want hij had vele, vele miljoenen Russen laten vermoorden. Ik moet dat geweten hebben toen ik voor het eerst, op zestien- of zeventienjarige leeftijd, het krantje kocht dat Alle Macht aan de Arbeiders heette. Op de eerste pagina van dat krantje prijkte een afbeelding van de ‘vijf koppen’. De vijf koppen,  dat waren die van vijf bekende communistische leiders: Marx, Engels, Lenin, Stalin en Mao. Thuis nam ik een rode stift en trok een kruis over de vierde kop. Nà. Daar had die wrede dictator niet van terug.
     Hoe wist ik eigenlijk dat die Stalin niet deugde? Onze geschiedenisleraar, Danny Desseyn, had ons weinig over de Russische leider verteld, en dat weinige was nog positief geweest ook: de wilskracht waarmee hij het hoofd had geboden aan de Duitse inval, de succesvolle vijfjarenplannen. Toch wist ik, of liever voelde ik, dat werkelijk iederéén, behalve die jongens van Alle Macht, het erover eens was dat Stalin een heel slecht mens was geweest. Er hing een soort eenstemmigheid in de lucht, en daar had ik ongetwijfeld iets van opgesnoven. Misschien ook had ik ergens een kritisch opstel van Boris Souvarine gelezen. ’t Is lang geleden.
     Ik was dus, toen ik zestien-zeventien was, antistalinist, zoals iedereen. Toch hadden handige bliksems als PdB, WM en sommige anderen van wie ik mij slechts één initiaal herinner, niet al te veel moeite om me in geen tijd in een klein stalinistje om te turnen. Enkele trucjes hielpen daarbij. De terreur van Stalin erkennen (‘hij heeft dertig procent fouten gemaakt’), ontkennen (‘leugens van de burgerlijke pers’), en minimaliseren (‘veel minder erg dan de miljoenen slachtoffers van het kolonialisme en de kapitalistische wereldoorlogen’). Een ander foefje bestond erin de aandacht af te leiden van de daden van de man naar de woorden van de schrijver. Want Stalin schrééf ook, net als de vier andere koppen. ‘Lees eens een boek van Stalin zelf,’ zei men mij, ‘in plaats van alleen maar negatieve dingen over hem te lezen.’ En ik kreeg iets in handen gestopt over het ‘dialectisch en historisch materialisme’ of over ‘het nationaliteitenvraagstuk’. En ja, het klonk allemaal behoorlijk marxistisch wat daarin stond, en ook dat marxisme hing in de lucht en daar had ik meer dan mijn deel van opgesnoven.
     Nauw in verband met de truc van de boeken, was de sterkste handgreep van allemaal: het begraven van de stalinistische moordpartijen onder een menigte ideologische haarkloverijen. Zo werd er eindeloos geargumenteerd waarom in het Rusland van de jaren 30, de ene keer meer middelen naar de landbouw en de andere keer meer middelen naar de industrie moesten gaan. Zulke discussies hadden geen wetenschappelijke basis omdat, zoals Ludwig von Mises al in 1920 had aangetoond, de socialistische economie geen wetenschappelijke basis heeft. Het socialisme vervangt een aanpak van gissen, missen en leren van je fouten, door een blindemanspelletje waarbij je niet eens wéét wanneer je raak of mis slaat. Maar het zijn natuurlijk net de discussies zónder wetenschappelijke basis die met de grootste passie worden gevoerd. En na een ideologisch seminarie van drie dagen waren we het er allemaal over eens dat Stalins landbouwpolitiek de enige juiste was, terwijl die van Trotski door links opportunisme, en die van Boecharin door rechts opportunisme was gekenmerkt. Dat die landbouwpolitiek uitmondde in de Oekraïense Hongersnood van 1932-1933 – drie tot zes miljoen slachtoffers* –, was een aspect dat op zo’n seminarie minder uitvoerig werd besproken.
     Die ideologische seminaries werden dan aangevuld door vlijtige zelfstudie van communistische of half-communistische boeken. Uit die boeken bleek dat het allemaal best meeviel met de stalinistische moordpartijen. Hier en daar was wel eens een klassenvijand naar een kamp gestuurd of een spion doodgeschoten, maar er was vooral veel goeds gerealiseerd: genoeg te eten, goedkope condooms, scholen, rusthuizen, de metro van Moskou, autowegen, en op tijd rijdende treinen. De boeken waarin dat goeds werd bezongen, waren vaak geschreven door figuren van het tweede garnituur:  Anna Louise Strong, Kostas Mavrakis, Nils Holmberg, Sayers & Kahn. Soms waren het ‘neutrale’ boeken zoals de memoires van Joseph E. Davis, de Amerikaanse ambassadeur in Rusland, of een reisverslag van Hewlett Johnson, de deken van Canterbury. En af en toe vond je boek van een auteur met een grote naam, waar je dus niet beschaamd over moest zijn, zoals dat van de Franse communist Louis Aragon, die, zoals iedereen moest toegeven, voor zijn vrouw mooie gedichten had geschreven. Als je dan tien of twintig van zulke boeken had gelezen, dan wist je over Stalin meer dan 99 procent van de bevolking, en meer dan 90 procent van de niet ter zake gespecialiseerde historici. Zoals een beetje holocaustontkenner ook meer weet over Hitler dan u en ik en de doorsnee geschiedenisleraar.
     Als zo’n holocaustontkenner of zo’n Stalinnegationist in gesprek raakt met een leek in de materie, doet zich een raar verschijnsel voor. De ontkenner haalt tientallen argumenten aan, sleept er de kolen- en staalproductie bij, bespreekt partijdagen en congressen, citeert uit rapporten van geheime diensten, wijst op tegenstrijdige en onmogelijke cijfers … en de leek haalt zijn schouders op. De ontkenner wordt wanhopig. Hij brengt de graanproductie, de alfabetisering en de nationaliteitenpolitiek ter sprake. De leek blijft onverstoorbaar. De ontkenner wordt nu emotioneel, barst in tranen uit, wijst op de heldhaftigheid van het Duitse of Russische volk en op de lage maneuvers van de vijand. Maar de leek geeft geen kik. Die Hitler of die Stalin was een massamoordenaar, punt. De leek weet dat zeker, zonder ook maar één boek gelezen te hebben.
     Razend werd ik ervan.

* Ik schreef oorspronkelijk 6 miljoen slachtoffers. Nl.Wikipedia spreekt van 2,5 tot 7,5 miljoen slachtoffers. En.Wikipedia heeft uitgebreid toelichting bij de verschillende schattingen.

zaterdag 7 januari 2017

De grove mond van voorzitter Mao

    
     Voorzitter Mao (1893-1976) was vaak grof in de mond en dat heeft minstens één keer geleid tot een grappige uitspraak. Dat was bij de campagne ‘Laat Honderd Bloemen Bloeien’ in 1957.
     Mao regeerde niet met wetten maar met ‘campagnes’. Die kwamen er meestal op neer dat in het hele land mensen in grote vergaderingen werden bijeengebracht waar ze vijanden of verraders moesten aanklagen en die vijanden of verraders werden vervolgens op een wrede manier gefolterd en gedood. Op het einde van zo’n campagne telde China dan een paar miljoen inwoners minder.
    Maar in 1957 was de tijd niet gunstig voor rode terreur. Stalin was dood en de Russische leiders drongen erop aan om met die moordpartijen op te houden. Mao moest voorzichtig zijn. Hij moest iets verzinnen. En hij verzon de ‘Honderd Bloemen’. Hij hield een lange toespraak waarin hij zei dat China meer pluralisme nodig had. Niet één soort bloem, maar honderd verschillende soorten bloemen. Dan konden ze er de mooiste uit kiezen. Iedereen werd uitgenodigd om vrank en vrij zijn mening te zeggen en kritiek te geven op de communistische partij.
     De respons kwam onmiddellijk. Vooral in de steden begonnen de hoger opgeleiden boze brieven te schrijven, en zelfgeschreven affiches op te hangen met kritiek op het regime. Mao liet gedurende vier maanden begaan en sloeg dan toe. Iedereen die kritiek gegeven had, werd een ‘rechts element’ genoemd en moest worden ‘onderdrukt’. 
     Aangezien het alleen om hoger opgeleiden ging, was de terreur dit keer beperkt. Mao werkte graag met quota en bepaalde dat slechts tien procent van de hoger opgeleiden moest worden onderdrukt en dan nog met mate. ‘Honderdduizend mensen aanklagen, tienduizend arresteren, duizend doden,’ zei hij. Die uitspraak betrof weliswaar maar één provincie, dus dat moet je vermenigvuldigen met vijf of met tien, maar er blijkt toch uit dat de terreur na de Honderd Bloemen, van omvang en wreedheid, een van de minste is geweest onder Mao’s regime.
      Achteraf legde de Grote Roerganger aan zijn vrienden uit dat hij de Honderd Bloemen altijd als valstrik bedoeld had. ‘Hoe konden we slangen vangen als ze niet uit hun holen kwamen? We wilden dat die hoerenzonen naar buiten kwamen en lachten en zongen en scheten lieten.’
     Ik heb hierboven twee woorden gebruikt die ik niet snel een tweede keer zal neerschrijven.
 

zondag 1 januari 2017

De PVDA en Noord-Korea


     Ik ben jarenlang geabonneerd geweest op Pékin Information, een wekelijkse uitgave in dundruk die vanuit China over de hele francofone wereld werd verspreid en vermoedelijk het saaiste blad was dat ooit heeft bestaan. De Engelse versie Peking Review was geen haar beter – het lag dus niet aan het Frans. Sommige nummers van De Wachttoren heb ik helemaal uitgelezen, terwijl die getuigen van Jehova mij van geen kanten interesseren, maar met dat berichtenblad uit China is me dat nooit gelukt. Zelfs mijn vader, die alles leest, keek alleen maar even naar de schaarse plaatjes.
     Naar die plaatjes keek ik ook. Op bladzijde drie stond vaak een foto van Mao die een buitenlandse bezoeker de hand schudde. Soms waren dat presidenten of eerste ministers. Dat boeide me niet. Maar soms ook waren het maoïstische leiders uit het Westen, en dan was ik jaloers. Mao poseerde dan met Pal Steigan (Noorwegen), Heduíno Vilar (Portugal) en Ernst Aust (Duitsland). Soms was het niet Mao zelf die op de foto stond, maar een andere lid van het Chinese ‘politburo’, maar daar ging het niet om. Waar het om ging was dat mijn maoïstische partij daar nooit bij was. Je zag nooit een foto van Mao, of van Yao Wen Yuan, met onze eigen voorzitter, Ludo Martens.
     Daar was een reden voor. China had in België al een partij. Dat was een onooglijk klein partijtje dat, met Chinese steun vermoed ik, een blaadje uitgaf dat Clarté heette. Ik heb het in mijn militantenleven maar één keer te koop weten aanbieden. Misschien had die Clarté-groep wel minder dan vijftig leden, terwijl mijn partij wel meer dan vijfhonderd leden had. Maar daar leken de Chinezen zich niets van aan te trekken. Als je zelf vijftig miljoen leden hebt, is het verschil tussen minder dan vijftig en meer dan vijfhonderd niet zo erg belangrijk.

PVDA-leiders worden in 1979 (eindelijk) ontvangen door Chinese
leiders van een lager echelon. Van links naar rechts: Kris Merckx,
Ludo Martens (†2011), Jo Cottenier, Herwig Lerouge.
De laatste twee behoren nog altijd tot de partijleiding.
     Zonder die Chinese erkenning was het voor de PVDA moeilijk om zich in de internationale communistische gemeenschap binnen te wurmen. Maar daar had voorzitter Ludo Martens een recept voor: de aanhouder wint. Terwijl overal elders in Europa de maoïstische partijen uit elkaar vielen, hield hij zijn volgelingen met eindeloze wilskracht en eindeloze vormingsvergaderingen op het rechte pad. Rond 1994 was hij ongeveer de enige communistische leider in Europa die nog het strakke stalinisme aanhield en dat bezorgde hem een uitnodiging van het ongeveer enige communistische land ter wereld dat datzelfde strakke stalinisme aanhield: Noord-Korea. Hij werd er ontvangen door Kim Il Sung, vader van het vaderland en  grootvader van de huidige Grote Leider. Martens zou de laatste buitenlander geweest zijn die met Kim gesproken heeft.

     Wij zijn ondertussen 22 jaar later en er is veel veranderd. De PVDA wil aan de regimes van Stalin of van Noord-Korea geen woorden meer vuil maken*. Stalin is al lang dood en Noord-Korea ligt ver weg. ‘Fuck Noord-Korea,’ zegt Peter Mertens, de opvolger van Ludo Martens. De partij wil voortaan alleen nog praten over een rijkentaks en over al het moois dat daarmee kan worden betaald, zoals: hogere pensioenen, hogere lonen en hogere werkloosheidsuitkeringen, met daarnaast lagere prijzen voor medicijnen, lagere prijzen voor geneeskundige zorgen en lagere prijzen voor water en elektriciteit. Ook op het lijstje staan een vroegere pensioenleeftijd, meer banen in de staatssector, minder werkuren per week en een groter budget om asielzoekers op te vangen. Dat wordt een fameuze taks, die rijkentaks*.
     Maar als de PVDA alleen nog wil praten over haar rijkentaks en wat je daarvoor kunt krijgen, waarom blijft ze dan hardnekkig deelnemen aan die communistische conferenties? Ze krijgen daar immers in de pers niks als last mee? In oktober laatstleden stuurden ze nog iemand naar een conferentie in communistisch Vietnam waar ook een Noord-Koreaanse afvaardiging aanwezig was, naast ander onguur volk. Dan vraag je toch om een pak slaag. Toch begrijp ik het ook. Bij de PVDA-leden en de PVDA-leiding zijn nog heel wat mensen die ik op de foto’s herken. Mensen die net als ik, jaloers waren toen ze week na week moesten vaststellen dat er in Pékin Information geen plaats voor hen was. Die kameraden hebben het wat moeilijk om afscheid te nemen van de wereld van bilaterale contacten en internationale conferenties, de wereld waar ze in de jaren ’90 eindelijk, na al die jaren in de woestijn, een deftig plaatsje hadden bedongen.
     Velen die in hun jeugd arm waren, kunnen in hun latere leven moeilijk afstand doen van centen.

* De Noord-Koreaanse connectie van de PVDA leidde deze week tot een fijn relletje in de pers. Bart De Wever gebruikte sterke woorden (hier) en Maarten Boudry sterke argumenten (hier). De PVDA antwoordde (hier) en (hier). De sp.a-man Tom Meeuws verdedigde de PVDA tegenover De Wever  (hier). In 2011 was er al een relletje geweest toen een PVDA-lid, zonder toestemming van de partijleiding,  op de televisie goedkeurende woorden sprak over het Noord-Koreaanse regime (hier). Ik herkende in dat PVDA-lid een oude strijdmakker. Het gezicht kon ik moeilijk thuisbrengen, maar de rustige stem en klare dictie des te meer, en al zeker de manier waarop hij zich door niets of niemand uit het lood liet slaan. Wie zich een idee wil vormen van de slappe manier waarop de PVDA zich distantieert van Noord-Korea kan hier terecht.


** Zelf raamt de PVDA haar programma op 22 miljard euro. Econoom Philippe Defeyt raamt het programma op 50 miljard  (hier). Ook dat is geloof ik een onderschatting omdat het programma flexibel wordt uitgebreid bij elke nieuwe ‘sociale actie’ en vooral omdat de economische hinder die een rijkentaks meebrengt niet in rekening is gebracht.

zondag 27 november 2016

De opgeheven vinger van Fidel Castro

     Hoewel ik niet op zijn graf zal dansen, spuwen of pissen, wil ik toch even kwijt dat ik Fidel Castro nooit erg gemogen heb.* Lenin kon een scherp polemiekje voeren, Stalin maakte graag cynische grapjes en Mao liet zich interviewen in zijn onderbroek en noemde zichzelf een ‘monnik onder een lekke paraplu’ wat, geloof ik, iets als ‘brutale vlerk’ betekent.  Maar Fidel leek altijd over zijn schouder te kijken om te zien wat de Geschiedenis van zijn optreden vond. Hij viel nooit uit zijn rol van moraliserende vader des vaderlands. Hij was geen communist van de gebalde vuist, maar van de opgeheven vinger.
     Later daagde bij mij het inzicht dat er niet alleen met Fidel maar met de hele toestand op Cuba iets niet pluis was.
     Ik ben maar één keer op Cuba geweest begin de jaren negentig. Ik heb er niet, zoals de vrienden van Cuba, diepe gesprekken gehad met arbeiders, boeren en welzijnswerkers. De enige diepe gesprekken die ik heb gehad waren met de gids van onze groepsreis. Ze heette, laten we zeggen Camila, want we kunnen niet voorzichtig genoeg zijn.
     Ze was de dochter van een revolutionaire strijder van het eerste uur, en kinderen van revolutionaire strijders van het eerste uur genieten op Cuba allerlei voorrechten. Ook kreeg ze als gids fooien in dollars waardoor ze af en toe wat kopen kon in een echte winkel. De andere winkels, waar je met Cubaanse pesos terecht kon, boden niets aan wat je echt wou. In het buitenland doet mijn vrouw niets liever dan de sfeer opsnuiven van voedingswinkels en supermarkten en op Cuba was die sfeer … euh … bevreemdend. Een Cubaanse pesowinkels deed denken aan een vervallen privé-museumpje in een achterafstraatje. In haar officiële rol legde Camila uit dat die winkels zo slecht voorzien waren vanwege de economische blokkade door de Verenigde Staten. Die ‘blokkade’ kwam erop neer dat de Cubanen vanuit bijna alle landen, behalve de VS, alles konden invoeren als ze de wereldmarktprijs betaalden en dat ze ook alles konden uitvoeren naar bijna alle landen, behalve de VS, maar alweer aan de wereldmarktprijs. De tijd dat ze boven de prijs verkochten en onder de prijs invoerden, vanuit het communistische Oostblok, was juist afgelopen en dat was, geloof ik, de echte reden van de economische crisis. Ondanks die crisis heb ik op Cuba geen bedelaars gezien. Wel nette, oude heren die op rommelmarkten boeken uit hun bibliotheek te koop aanboden. Daar zaten exemplaren bij die ik niet graag weg zou moeten doen.
     Wat vond Camila nu eigenlijk van Fidel? Moeilijk om te zeggen. Haar houding leek mij een beetje op die van een adolescent tegenover zijn vader of moeder. Trots, want Fidel was tenslotte een Cubaan. He may be a bastard, but he is our bastard, moet ze gedacht hebben. Maar ook schaamte. In het museum van de revolutie sprak ze zo weinig mogelijk over Fidel Castro en Che Guevara en zoveel mogelijk over Camilo Cienfuegos, die andere revolutionaire leider die op tijd overleed zodat hij niets met de communistische misère van na 1960 te maken heeft gehad. In een of ander kustdorpje vertelde Camila ons, in haar officiële rol, over een landelijke viswedstrijd die daar had plaatsgevonden. Fidel Castro en Ernest Hemingway hadden eraan deelgenomen en natuurlijk had hij gewonnen**. Wie was ‘hij’, wou ik weten. Ze mompelde zo stil mogelijk de naam van de líder máximo en ik zonk in de grond van schaamte omdat ik haar met mijn vraag in verlegenheid had gebracht.
     Verfrissend was dat Camila in persoonlijke gesprekken op geen enkel moment de líder máximo ernstig nam. Ik vroeg haar wat ze ervan vond dat hij mensen die wilden emigreren voor ‘gusanos’ – wormen – uitschold. ‘Och,’ zei ze, ‘hij houdt zo van dat woordje.’ Ik vroeg haar wat ze vond van de Cubaanse militairen in Angola. Camila keek mij vragend aan. Zoiets moest toch dagelijks op het nieuws geweest zijn, zei ik. Dat wel, maar Camila was ervan uitgegaan dat er helemaal geen Cubanen in Angola waren en dat het om de zoveelste opschepperij van Fidel ging.
     Er waren drie dingen die Camila erg vond in haar land. Het eerste was dat er ‘geen toekomst’ was. Je kon er niet ‘vooruit’ komen. Cuba was het land van de vlakke loopbaan. Nu zijn er overal ter wereld mensen die een vlakke loopbaan hebben en zich daar niet aan storen. Ik bijvoorbeeld sta in het onderwijs. Maar onder het communisme heb je de indruk dat die vlakke loopbaan van de wieg tot aan het graf wettelijk bindend is vastgelegd. Er is niet eens plaats voor de illusie dat men hogerop zou kunnen komen, als men hard zijn best deed. Sommige mensen storen zich daaraan.
     De tweede ergernis van Camila betrof de politieke toeristen in haar land. Je zag overal bussen met Mexicanen en Bolivianen van een of andere vakbond van onderwijzers of gezondheidswerkers. Die kwamen op Cuba ‘het socialistisch systeem bestuderen’, de dwaze halzen. Bovendien waren die vakbondsmensen vaak erg dik en van Indiaanse afkomst, zei Camila. In Cuba zag je weinig zwaarlijvigheid en, al was er weinig of geen discriminatie van de zwarte minderheid, met Indianen liepen ze daar niet hoog op.
    De derde reden tot kribbigheid was de corruptie. Wij kennen corruptie van de krant en het tv-nieuws maar zelf heb ik nog nooit iemand moeten omkopen. Ik heb ooit eens een bloemetje geschonken, achteraf, aan een loketbediende die een reispas vóór een moeilijke deadline georganiseerd kreeg en dat is alles. Op Cuba is dat anders. Voor alles moest je een abogado omkopen, vertelde Camila. Ik dacht eerst dat Cuba vergeven was van advocaten, zoals er in het land ook twee keer zoveel artsen zijn als bij ons***. Maar abogado’s bleken gewoon ambtenaren met een rechtendiploma. En daar waren er inderdaad veel van. In zekere zin leek Cuba op ons land. Voor alles had je een vergunning nodig en voor alles kwam je op een wachtlijst. Alleen, die vergunning kwam er nooit en je naam bleef voor eeuwig op de wachtlijst als je de juiste abogado geen geld toestopte. Sommige Cubanen renoveerden hun huis ’s nachts, en alleen aan de binnenkant, om de vergunningsplicht te ontlopen.
     Gunstig bij dit alles is dat Camila dat allemaal zomaar vertelde aan een buitenlandse toerist die ze van haar noch pluimen kende. Het bewijst dat de Castrodictatuur in dat opzicht meer op het hitleriaanse dan op het stalinistische regime leek. Onder Stalin was je zelfs niet veilig als je kritiek op het regime had in het bijzin van je zoon of dochter en ook je beste vriend en je eigen vrouw kon je maar beter niet vertrouwen. In het Duitse gastgezin waar mijn vader logeerde gedurende de laatste jaren van de oorlog had aan tafel iedereen kritiek op het regime. Alleen Frau Sacksenröder, die lid was van de nazipartij, zweeg. Niemand was bang dat ze zou klikken. In het kerkkoor van mijn grootvader werd bij elke repetitie de politieke en militaire toestand onder de loep genomen. Mijn grootvader was anglofiel en werd door een koorlid verraden. Hij kreeg van de autoriteiten een vermaning. Wellicht was dat ook de ergste straf die Camila kon krijgen voor haar indiscreties – een vermaning. In het Duitsland van Hitler moest je een openlijke opposant, een jood, een zigeuner of een homoseksueel zijn om vervolgd te worden. Of je moest je op het verkeerde moment op de verkeerde plaats bevinden. In het Cuba van Castro werd je alleen vervolgd als openlijke opposant. En als homoseksueel natuurlijk. Maar over dat laatste heeft Castro later zijn spijt betuigd.
    

Zie over Castro ook hier en hier.
** Fidel Castro was niet alleen een groot visser, maar ook een formidabele basketbalspeler. De Nederlandse auteur Harry Mulisch beschreef in zijn enthousiaste boek Het woord bij de daad hoe Fidel aan een stelletje zwarte spelers liet zien hoe het moest. ‘Soepel omspeeld door de snelle zwarte jongens, wier benen ergens bij hun oksel schenen te beginnen, maakte hij [Fidel] persoonlijk 24 punten, zonder dat hem speciaal de bal werd toegespeeld, want daar heb ik op gelet.’ Zonder dat hem speciaal de bal werd toegespeeld! Wat een kerel! 

*** Sp.a-volksvertegenwoordiger Kurt de Loor haalt in zijn lyrisch afscheid van Fidel de overvloed aan artsen aan als argument voor Cuba. Terwijl je juist van dat soort mensen vaak hoort dat het kapitalisme de mensen ziek maakt. Schreef Harry Mulisch niet dat op Cuba de ziekte was ‘afgeschaft’? Maar misschien brengt het socialisme zijn eigen kwaaltjes voort. Dan mogen we hopen dat de Cubaanse artsen niet alleen dubbel zo talrijk maar ook dubbel zo kundig zijn als de onze.