Posts tonen met het label Theodore Dalrymple. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Theodore Dalrymple. Alle posts tonen

zondag 15 november 2020

Boeken verzamelen

 

    Theodore Dalrymple is vooral bekend als de conservatieve schrijver die in veel van zijn boeken venijnig hamert op hetzelfde spijkertje: de situatie van de onderklasse – de vierde wereld zeg maar – zal niet veel verbeteren, als die mensen zelf niets aan hun gedrag doen, en als de mensen van andere klassen en werelden daar niet onbeschroomd het voorbeeld toe geven.
     Dalrymple heeft naast dat hameren nog andere hobby’s, reizen bijvoorbeeld, en boeken verzamelen. Zo heeft hij in de loop der jaren een bibliotheek opgebouwd van meer dan 15 000 boeken, over de meest uiteenlopende onderwerpen. En over die boeken heeft hij zelf weer een boek geschreven. Over het verschil in geur bijvoorbeeld tussen een Frans en een Engels boek.
     Als dokter en gevangenispsychiater heeft Dalrymple interesse voor nogal griezelige onderwerpen zoals builenpest, moord door arsenicum en terechtstelling door ophanging.  Uit boeken over zulke onderwerpen haal je natuurlijk een schat van anekdotes. Zo vertelt hij over de gifmenger William Palmer die in 1856 werd opgehangen in Stafford “in aanwezigheid van een menigte van twintig- tot dertigduizend mensen (de stad telde indertijd tienduizend inwoners)”. Het collectieve vermaak is de laatste 150 jaar erg veranderd: van publieke terechtstelling tot Tomorrowland. ’t Is een evolutie die Dalrymple als conservatief wellicht betreurt. De misdaad had vroeger bovendien enige klasse. Victoriaanse veroordeelden bijvoorbeeld bezorgden de beul weinig last. Af en toe was er eentje die tegenstribbelde, “maar dat was dan een buitenlander”.
     De anekdotes die Dalrymple vertelt, komen lang niet allemaal uit zijn boeken. Het verzamelen van boeken zelf kan ook een avontuur zijn. In één boekhandel komt hij terecht onder een omkantelende boekenmassa. De verkoper die hem komt bevrijden stelt hem gerust: ‘Dat gebeurt hier dagelijks, meneer’. En op reis door een Zuid-Amerikaanse dictatuur, komt hij, zo rechts als hij is, in de gevangenis omdat de bibliofiel in hem geen weerstand had kunnen bieden aan een zeldzaam en mooi gedrukt links boek.
     Ontroerend is het verhaal van collega-bibliofiel en collega-arts dr. Hastings Banda. Als arme Afrikaanse student Geneeskunde in het Amerika van de jaren dertig, spaarde die Banda zich het eten uit de mond om zeldzame oude boeken over geneeskunde te kopen. Hij bezat een eerste editie van The Anatomy of Melancholy die nu, beweert Dalrymple, 50 000 dollar zou opbrengen. Later wordt de arme student opperhoofd en president-voor-het-leven van Malawi. Wanneer Dalrymple in 1976 in Malawi verblijft, krijgt hij een brochure in handen gestopt met de volgende waarschuwing: ‘Het volk van Malawi houdt zo veel van hun opperhoofd dat een bezoeker die in Malawi is gekomen om Zijne Excellentie te doden, door dat volk in stukken zal worden gehakt en voor de krokodillen geworpen.’
     ‘Uit de loopbaan van de president-voor-het-leven,’ besluit Dalrymple, ‘valt op te maken dat bibliomanie niet onverenigbaar is met megalomanie en andere onwenselijke karaktertrekken.’ Laat de boekenverzamelende medemens zich dat goed in de oren knopen.





dinsdag 19 september 2017

De troost van de muziek


     Ik was niet van plan om zondag naar de uitzending over Theodore Dalrymple te kijken. Ik zou ze wel opnemen en er later eens naar kijken. Maar omdat mijn vrouw en mijn zoon wel aan het kijken waren, heb ik me ook maar in de sofa genesteld. Dalrymple was vriendelijk – met een tikje zelfspot –,  minder zelfzeker dan in zijn boeken, aarzelend zelfs. Over de godsdienst was hij erg middle-of-the-road. Hij was niet gelovig, dat niet, maar hij was ook niet antireligieus. Veel mensen haalden troost uit hun geloof, zei hij.
     Zou dat waar zijn, van die troost? In de generatie van mijn ouders en grootouders geloofden ze allemaal min of meer – toch in mijn familie. Zouden die allemaal troost in hun godsdienst hebben gevonden? Je kunt zoiets aan de gelovigen zelf vragen natuurlijk, maar de antwoorden die je dan krijgt, zijn niet erg betrouwbaar. De mensen zijn slecht ingelicht over hun eigen motieven, schreef Karel van het Reve.
     Waar ik wel in geloof is de troost van de muziek, en wel op die ogenblikken dat je troost nodig hebt. Niemand zal mij kunnen verwijten dat ik te veel aandacht besteed aan huishoudelijk werk. Als ik gegeten heb, laat ik gewoon alles op de eettafel staan, behalve de bederfelijke waren die in de koelkast moeten. Soms breng ik iets naar het aanrecht. Maar een uur voor mijn vrouw thuiskomt – en dat is ‘s avonds laat – slaat de angst toe. Dan begin ik met tegenzin de tafel af te ruimen, bruikbare etensresten op te bergen, de vaatwas van gisteren leeg te maken, de nieuwe vaat voor te spoelen, de vaatwas te vullen, pannen schoon te maken, enzovoort. Ik doe dat niet graag. En omdat ik heel traag werk, en mijn werk voortdurend onderbreek, duurt het ook nog eens lang. Schopenhauer beweert dat de mens heen en weer wordt geslingerd tussen ellende en verveling, maar tijdens huishoudelijk werk slaag ik erin me tegelijk ellendig te voelen én me te vervelen.
     Dat is nu allemaal anders. Ik heb onlangs het Wohltemperierte Klavier in huis gehaald, in de versie van Glenn Gould. Sindsdien verlang ik bijna naar de avondlijke huishoudklus, want het is een reden om de preludes en de fuga’s in de woonkamer te laten weerklinken. Wat is dat toch voor wonderlijke muziek! Nochtans was er een tijd dat ik dat Wohltemperierte niet lustte. De stukjes muziek leken mij een onbegrijpelijke klankenbrei. Ik heb ze eens, vijftien jaar geleden ongeveer, allemaal beluisterd op een lange busreis. Ik werd er lichtjes misselijk van. Dat kan natuurlijk ook aan het geschommel van de bus hebben gelegen.
     In een beroemd gedicht* schrijft Lars Gustafsson dat er ooit een wereld moet hebben bestaan waar de muziek van Bach nog niet bestond. Dat kan best waar zijn voor laat ons zeggen de Brandenburgse Concerten. Prachtige muziek, maar ‘t is muziek uit de pruikentijd. Die muziek bestond niet in de vroege middeleeuwen, en ook niet in de antieke wereld. Maar Das Wohltemperierte Klavier? Die muziek moet altijd hebben bestaan, zoals het Amerikaanse continent en het periodieke stelsel altijd hebben bestaan. Alleen moest ze nog worden ontdekt, net zoals dat continent en dat stelsel. Bach heeft hier de rol gespeeld van Columbus vóór hem en Mendeljev na hem.
     Gufstafsson moet dat geweten hebben. Als je het gedicht aandachtig leest, zegt hij nergens dat de muziek vroeger niet bestond – alleen dat hij niet werd gehoord, dat hij niet werd gespeeld. Het Muzikalisches Opfer en het Wohltemperierte ‘waren nog nooit over een claviatuur gegaan,’ schrijft hij. Overal had je ‘onwetende instrumenten’. En dat is waar natuurlijk. Maar die noten, die volgorde en die samenklank, die moeten altijd hebben bestaan. Die zijn eeuwig.


Zie ook hier en hier.

De stilte van de wereld voor Bach

Er moet een wereld bestaan hebben voor
de Triosonate in D, een wereld voor de partita in A mineur,
maar hoe zag die wereld eruit? Een Europa van grote lege vertrekken zonder weerklank,
overal onwetende instrumenten
waar Musikalisches Opfer en Das Wohltemperierte Klavier
nooit over een claviatuur waren gegaan.
Eenzaam gelegen kerken
waar de sopraanstem uit de Johannes Passion
zich nimmer in hulpeloze liefde slingerde
rond de mildere windingen van de fluit,

weidse zachtmoedige landschappen
waar alleen oude houthakkers met hun bijlen horen te zijn
het gezonde geluid van sterke honden in de winter
en - als een slingerklok - schaatsen klauwend in glansijs;
zwaluwen zwermend in zomerlucht
schelp waar het kind aan luistert en nergens Bach, nergens Bach
schaatsstilte van de wereld voor Bach.

De stilte van de wereld voor Bach



















zaterdag 15 juli 2017

Buskruit, slangen en de niqab*

    In de vroege 19de eeuw was Yale een soort High School waar Latijn, Grieks en Hebreeuws werden aangeleerd, en verder opstel schrijven, rekenen en een beetje scheikunde. De leerlingen waren vijftien jaar en ouder en waren afkomstig van rijke ouders, maar dat wilde in Amerika niet zo veel zeggen –  behalve dan dat ze rijk waren. In de eetzaal, waar alleen onbreekbaar servies werd gebruikt,  kwam het vaak tot stevige gevechten, terwijl de leraren bang toekeken vanop hun podium. Die leraren mochten al blij zijn als ze bij het verlaten van de eetzaal in het gedrum gespaard bleven van elleboogstoten of vuistslagen. Er is een verhaal bekend van een leraar die op zijn kamer werd belaagd door studenten en door het sleutelgat een kogel afvuurde om de deugnieten af te schrikken.
     Met dat alles was rekening gehouden toen het schoolreglement van Yale werd opgesteld. Het verbood expressis verbis om  ‘vuurwapens of buskruit op de kamer te hebben’ en eveneens om ‘buskruit op het collegeplein of in de buurt ervan tot ontploffing te brengen.’ Dàt is ondubbelzinnig verwoord. Je krijgt er geen speld tussen. Een leerling die een deur van de school met buskruit opblies  werd onverbiddelijk van school getrapt, wat bijvoorbeeld gebeurde met de zestienjarige James Fenimore Cooper, de latere auteur van de Lederkousverhalen.
     Dat buskruit stond dus in het schoolreglement. Maar je kunt nooit met alles rekening houden. Albert Jay Nock (1870-1945) vertelt in zijn memoires hoe er op zijn school, het Stephen’s College, een medestudent was die slangen op zijn kamer hield en er ook meestal een paar onder zijn  hemd bij zich had. Toen de rector daarvan hoorde, schrok hij vreselijk. ‘Most revolting! Abominable’. Maar er bleek niets over in het reglement te staan. De jongen mocht de slangen houden. ‘I can’t see but that he is within his rights,’ zei de rector. Nock bewonderde de rechtvaardigheid van zijn rector.
     Een laatste schoolreglementverhaal brengt heden en verleden samen. Theodore Dalrymple (1949) vertelt ergens van een Britse medische faculteit waar enkele meisjesstudenten plots gesluierd in de aula verschenen en wel op zodanige manier dat alleen hun ogen zichtbaar bleven. Zo’n sluier heet een niqab geloof ik. Wat nu? De decaan kon moeilijk die niqab verbieden als religieus symbool van vrouwenvernedering of segregatie. Een decaan die zoiets doet, zou beschuldigd worden van racisme, discriminatie en islamofobie. Gelukkig vond hij een oud en eerbiedwaardig reglement van 1857 waarin bepaald werd dat artsen en artsen in opleiding altijd hun volledige gezicht moeten tonen aan hun patiënten. Hoe kon de patiënt anders weten of die arts eerlijk was over zijn ziekte, over de behandeling ervan of over het ereloon?
     Dankzij het oude reglement verschenen de meisjes weer op school zonder niqab. De decaan was opgelucht, Dalrymple was opgelucht, de meisjes wellicht ook, en zelf ben ik er evenmin rouwig om. Op school, geen buskruit, geen slangen en geen niqab.
 
*  Enige tijd geleden wou ik iets schrijven over de schoolreglementen van Yale College en Stephens College. Daarbij viel mij van alles te binnen over de schoolreglementen in mijn tijd, vergeleken met de schoolreglementen van nu, en over de toen actuele kwestie van ‘dampen op school’. Het gedeelte over Yale en Stephens liep een beetje verloren tussen de andere beschouwingen. Toch wou ik het niet loslaten.
Toen ik mijn stukje echter naar De Bron opstuurde kreeg ik een korzelig antwoord van eindredacteur Eddy Daniëls. Die ‘flauwekul’ over Yale en Stephens moest eruit. Kill your Darlings, voegde hij er nog aan toe.
Eddy had gelijk. Maar hij moest niet denken dat ik mijn lievelingen zomaar als geaborteerde foetussen in de vuilnisemmer zou gooien. Hier krijgen ze een ordentelijke begrafenis.

Dit stukje verscheen ook op http://doorbraak.be/


woensdag 8 maart 2017

Tweedehandsboekhandelaars en kibboets

    Toen ik een jaar of vijftien was begon ik marxistische boekjes te lezen. Daarin werd verteld over de communistische en de kapitalistische productiewijze. Het verschil tussen die twee is immens. Onder het communisme wordt geproduceerd om rechtstreeks de noden van ‘de mensen’ te bevredigen. Wie honger heeft krijgt brood en melk, wie dorst heeft of verslaafd is krijgt bier of wodka, en wie van zoet houdt, krijgt limonade en koekjes. Onder het kapitalisme verloopt dat allemaal via een omweg. Brood, melk, bier, wodka, limonade en koekjes moeten eerst winst opbrengen. De belangen van de hongerigen, de dorstigen, de alcoholisten en de suikerjunkies komen pas op de tweede plaats.
     Daar kwam nog iets bij. Onder het communisme verdient iedereen ongeveer evenveel. Modelarbeiders die meer steenkool bovenhalen dan anderen mogen gerust wat meer krijgen, maar er is geen enkele reden om bijvoorbeeld bedrijfsleiders zo royaal te vergoeden als onder het kapitalisme. Lenin heeft in Staat en Revolutie fijntjes uitgelegd dat het leiden van een bedrijf door de moderne organisatie en techniek ‘buitengewoon eenvoudig’ is geworden. Iedere boekhouder kan het. Eigenlijk iedereen die kan lezen, schrijven en rekenen.
     Kort samengevat: het communisme betekent dat (1) er niet voor de winst gewerkt wordt en dat (2) iedereen ongeveer gelijk verdient*. Daar zijn twee eenvoudige bezwaren tegen geformuleerd: (1) een economie met winst werkt beter en (2) de meeste mensen houden in de praktijk niet zo van gelijke inkomens.
     Dat een economie met winst beter werkt, zie je onder andere aan de tweedehandsboekenmarkt. Ik las daarover bij Theodore Dalrymple**. Je hebt enerzijds tweedehandsboekhandelaars die werken voor de winst: ze huren een pand, timmeren rekken, kopen oude boeken in die op zolders liggen te beschimmelen, betalen hun medewerkers een loon uit, vereffenen hun belastingen en maken, ondanks al die kosten, nog eens 20 % winst per boek. Daartegenover staan de non-profitzaken zoals Oxfam. Die krijgen hun tweedehandsboeken gratis, werken met onbetaalde vrijwilligers en betalen heel wat minder belasting. Toch is hun opbrengst per boek ook maar rond de 20 %. Dat betekent niet dat Oxfam slecht werkt – dat betekent wel dat die handelaars-voor-de-winst verduiveld goed werken.
     En dan die gelijke lonen. Dat de meeste mensen daar in de praktijk niet zo van houden, zie je onder andere aan de kibboets in Israël. Ik las daarover bij Robert Nozick***. In Israël kunnen Joden vrij kiezen tussen kapitalisme en communisme. Dat communisme neemt de vorm aan van kibboets, gemeenschappen die werken op communistische basis en waarvan het ledenaantal varieert tussen 80 en 2000. Die kibboets hebben een eerbiedwaardige traditie, worden ondersteund vanuit de staat en zijn economisch succesvol. Toch kiest slechts 3,5 % van de Joden om in zulke kibboets te leven. Als anticommunist zou Nozick nu kunnen triomferen met dat lage cijfer, maar hij doet juist het tegenovergestelde. Hij probeert de zaak van de tegenpartij zo gunstig mogelijk voor te stellen. Door allerlei nuances aan te brengen maakt hij aannemelijk dat niet 3,5 maar misschien zelfs tot 9 % van de bevolking voor een bestaan in de kibboets zou kunnen kiezen. Maar toch zeker niet meer dan 9 %.
    Het stuk van Nozick dateert van 1978. Het aantal bewoners van de kibboets is intussen gedaald tot 2,8 %. Maar een belangrijker ontwikkeling is deze: de meeste kibboets hebben al jaren het communistische ideaal verlaten. In 2007 had alvast 61 % van de kibboetsbewoners gekozen voor een kapitalistisch winstmodel. Vooral de jonge generatie was de gelijke inkomens beu.
     Het succes van de tweedehandsboekenmarkt en de mislukking van de kibboets, het zijn de twee eenvoudigste argumenten tegen de communistische productiewijze die ik ooit ben tegengekomen.
 
* Voetballer, schrijver en televisiefiguur Jan Mulder formuleerde het ooit zo: ‘Ik vind het best als iedereen gelijk verdient. Daar stem ik direct voor. Allemaal dertig- of veertigduizend gulden verdienen. Iedereen. Ben ik direct voor.’
** Door en door verwend, blz. 251. Dalrymple merkt op dat een filantroop zijn zolderboeken beter verkoopt aan een echte boekhandelaar. Daar krijgt hij dan een derde tot de helft van de verkoopprijs van en dat geld kan hij dan aan Oxfam schenken.
*** ‘Who Would Choose Socialism’, Reason, May 1978, blz. 22-23.

(Dit stukje verscheen ook op De Bron.)