In Knack van vorige week interviewt Walter
Pauli zijn collega Bart Brinckman van De
Standaard. Men moet daar geen gewoonte van maken vind ik, een journalist
die een journalist interviewt, maar voor één keertje is het fijn. De geïnterviewde
journalist wordt dan een mens van vlees en bloed die ‘zucht’ (eerste woord) en
‘lacht’ (laatste woord). Brinckman, leren we, voelt zich verwant met de kleine
jongen uit Road to Perdition die als
enige tegen de stroom van vertrekkende fabrieksarbeiders in fietst. Dat is
mooi, zo’n zelfbeeld.Ook vertelt Brinckman veel wetenswaardigheden. Omdat hij het wat moeilijk heeft om feiten van meningen te onderscheiden, heb ik dat hier zelf gedaan. Feiten:
-
Brinckman heeft als kind nog op de knie gereden van vader De Wever;
- sommige anonieme hooggeplaatste N-VA’ers raken zoon De Wever stilletjes aan beu;
- de redactie van De Standaard heeft in 2010 beslist om de regering Di Rupo te steunen.*
Dan Brinckmans meningen:
- Bart De Wever heeft het recht om in het openbaar te zeggen wat hij van Brinckman vindt;
- een burgemeester van Antwerpen moet zijn taak niet combineren met partijvoorzitterschap en marathonlopen;
-
het is
onvermijdelijk dat de grens tussen berichtgeving en opinievorming in kranten versmalt.
Brinckman gelooft dat het door de opkomst van het internet is dat de gedrukte media meer naar opinievorming neigen. De ‘feitelijke berichten, zegt hij, belanden op onze websites, waar ze gratis worden gelezen door iedereen die constant op zijn smartphone checkt of er nog nieuws is’. Dat is juist. Ik doe dat en mijn vrouw doet het nog veel meer. We bevinden ons met deze uitspraak in het rijk van de onweerlegbare feiten. Maar dan voegt Brinckman er een mening aan toe: ‘Een modern krantenbericht moet ‘meerwaarde’ hebben. En dus moet je, als journalist, het nieuws duiden, er extra uitleg bij verschaffen en achtergronden aandragen … Natuurlijk versmalt de grens tussen berichtgeving en opinie dan.’
Hélà, hola! En wat is duiden? Wat is extra uitleg? Wat zijn achtergronden? Mij lijkt het dat voor duiding, uitleg en achtergrond een journalist juist méér feiten moet opdiepen dan die die je ook in een Belga-bericht vindt. Daarvoor moet je telefoneren, archieven raadplegen, erop uit trekken, getuigen en specialisten spreken, enfin, Brinckman weet dat zelf ook wel. Natuurlijk is het moeilijk om bij die tweede feitenronde even objectief te blijven als bij het korte bericht. De achtergrondfeiten moeten worden gekozen uit een schier eindeloze voorraad. Het ene feit moet als belangrijk worden weerhouden en het andere als niet ter zake doend aan de kant geschoven. En wie bepaalt wat belangrijk is en wat niet ter zake doet? Vanzelfsprekend de journalist, met zijn onvermijdelijke vooroordelen, voorkeuren en overtuigingen. Dat is allemaal waar, maar ik hoop dat Brinckman zelf ook wel inziet dat de ‘meerwaarde’ van zo’n achtergrondsjournalistiek juist niet ligt in die vooroordelen en voorkeuren, maar daarentegen afhangt van de mate waarin de journalist die ter zijde schuift en ze bewaart voor een écht opiniestuk.
Er is een tweede reden waarom Brinckmans uitleg over het internet niet bevredigt. Het is zeker waar dat we op onze schermen en schermpjes overstelpt worden met feiten; we worden evenwel nog veel meer overstelpt met meningen. Je zou het argument van Brinckman dus heel gemakkelijk kunnen omdraaien: in een tijd waarin we digitaal bedolven worden onder meningen en opinies, moeten kranten zich op hun core business terugtrekken: het aanleveren van harde, betrouwbare data.
De verklaring van Brinckman mist dus plausibiliteit. Maar daarmee zijn de feiten die hij aangeeft nog niet van de baan. We kunnen allemaal zelf ook wel zien dat de kranten wel degelijk opschuiven van berichtgeving naar opinieverstrekking. Hoe kunnen we dat verschijnsel dan wél verklaren?
Zoals bij meer ongewenste ontwikkelingen, ligt de verklaring ervan ten dele bij consument. Er loopt ergens wel een enkeling rond die ‘alle theorieën ter wereld zou opgeven voor één feit’, maar de meesten van ons – ‘le commun des mortels’ zoals professor Jozef Mertens altijd zei – zijn dol op meningen. Ik heb zopas een dik boek over Thomas Jefferson gelezen. Dat boek stond vol feiten: over Jefferson als landbouwkundige, als ruiter, als vioolspeler, als architect, als uitvinder, als diplomaat, als president. Maar wat ik eigenlijk wou weten was dit: was die Jefferson nu een fidele kerel of eerder een berekende klootzak zoals we die leren kennen in de roman Burr van Gore Vidal? Ik ben nu weer een dik boek aan het lezen over de Russische revolutie. Ik wil al die feiten er graag bij nemen: die die ik al kende, die die ik vergeten was, en die die ik nooit geweten heb. Maar ik wil ook graag dat de auteur af en toe zegt of suggereert dat die revolutie een ramp was voor de mensheid, want dat is wat ik ervan vind. Als hij zegt dat die revolutie geen ramp was voor de mensheid, maar een zegen: ook goed, want dan kan ik mij over dat standpunt opwinden en dat is voor mijn gezondheid even bevorderlijk.**
Dat De Standaard de laatste tijd meer opinie brengt, moet ons dus niet verwonderen.*** De klant is koning en de klant wil meningen. Evenmin verwonderlijk is het dat de krant daarvoor beloond wordt met een licht stijgend lezersaantal in een nochtans krimpende markt. Meer opiniëring voldoet aan een vraag.
Maar naast de vraag, is er ook de kwestie van het aanbod, en meer bepaald de kostprijs om dat aanbod tot stand te brengen. Ik doel hiermee niet zozeer op de geldelijke kostprijs maar op de kostprijs berekend in menselijke inspanning. Feiten verzamelen, ziften, ordenen en zo uitleggen dat de gemiddelde lezer ze begrijpt, is moeilijk. In bijna elk krantenbericht dat ik lees, staan dingen die ik niet begrijp, vooral als het over ‘regeringsmaatregelen’ gaat. Dat heeft twee redenen: mijn trage hersenen én de gebrekkige uitleg van de journalist: te snelle overgangen, lacunes, onduidelijke verbanden, schijnbare tegenstrijdigheden, gebrekkige achtergrondinformatie. Nee, iets goed uitleggen is niet gemakkelijk, ook al omdat je het eerst zelf begrijpen moet. Hoeveel gemakkelijker is het niet voor een journalist om, in plaats van een goed gestructureerd informatief stuk, gauw-gauw een mening neer te schrijven, of om een stelletje magere feiten met enkele pikante meningen op te sieren?
Erasmus vatte het mooi samen in hoofdstuk XLV van zijn Lof der Zotheid: ‘De zaken zelf moet men zich vaak met grote moeite eigen maken … Maar een mening kan men gemakkelijk opvatten’.**** Dat heeft die oude humanist goed gezien. Meningen zijn inderdaad gemakkelijk. Als dat niet zo was, lieve lezer, zou deze blog niet bestaan.
***De opiniërende strategie van De Standaard is evenwel niet perfect. De
krant zou geloof ik nog meer gelezen worden als de opiniëring wat minder
eenzijdig was, wat evenwichtiger gespreid over politiek correct en politiek recalcitrant
dus, en als de kwaliteit van die
opiniëring wat hoger was … en die van de berichtgeving ook, want de klant is
lastig en wil alles tegelijk.
*** Quandoquidem res ipsas aliquoties magno negotio pares
oportet … At opinio facillime sumitur.
Dit stukje verscheen ook op https://doorbraak.be/
Dit stukje verscheen ook op https://doorbraak.be/
