Posts tonen met het label Tom Naegels. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Tom Naegels. Alle posts tonen

dinsdag 13 april 2021

Populisme en elitisme

 

     Er wordt al jaren gesproken en geschreven over populisme, maar veel minder over de noodzakelijke pendant ervan: het elitisme. Het zijn blijkbaar allebei vieze dingen. Slechts een moedige enkeling zoals Marc Ernst of Koenraad Elst durft het ene dan wel het andere onbeschroomd bepleiten.
     Ik heb weinig moeite met ‘welbegrepen’ populisme of elitisme. In het leger was ik lid van een regiment – hét regiment – dat zich trots tot de elite van het leger had uitgeroepen. Jan speelde in het jeugdvoetbal in de zogenaamde nationale ‘elite’-reeks. Doe je iets fout als je beter een pas opvangt of doorgeeft dan je vriendjes, of godbetert vaker scoort, of als je een speedmars en een hindernissenparcours in een heroïsche tijd aflegt terwijl je, in tegenstelling tot in die Amerikaanse films, je geweer en ‘stormgordel’ meesleurt?
     Tom Naegels verwondert er zich op zijn facebookpagina over dat gewezen Vlaams Blok-kopstuk Roeland Raes in 1973 zonder schroom opriep tot het vormen van een ‘elite’. ‘Men zou er maar eens mee moeten ophouden, schreef Raes toen,  om iedereen te willen overtuigen dat de massa gezag, wijsheid en collectieve wil bezit … Het tegendeel is waar: de massabeweging is verward, onzeker, manipuleerbaar.’ Mij verwondert het helemaal niet dat Raes dat schreef, want ’t was de zuivere waarheid, toen en nu. Akkoord, Tom van Grieken zou zoiets nu niet meer zeggen, maar de elite waar Raes over schreef was een andere dan die waar hedendaagse populisten tegen te keer gaan. 
     Wél fout is de conclusie die Raes, en met hem het Vlaams Blok van de begindagen, aan de stelling verbond: dat democratie, in die tijd door sommigen ook ‘domocratie’ genoemd, een slecht systeem was. Ik heb lang geleden Jurgen Ceder op een meeting nog rustig horen uitleggen dat je staatszaken niet aan de democratie moest overlaten, net zomin als je een medische diagnose overliet aan de schoonmaakploeg van het ziekenhuis. Ik heb toen heftig geprotesteerd vanuit de zaal, terwijl mijn eigen democratische overtuiging in die tijd vooral de ‘leidende rol van de voorhoedepartij’ behelsde, een extreem elitisme dat was uitgewerkt door Lenin in Que faire?
    Het is gewoon erg moeilijk om je een maatschappij voor te stellen met helemaal géén elites die een stempel zetten op de gehele samenleving. Zo’n maatschappij zou voortdurend de spontaan opduikende elites moeten onderdrukken, en dat onderdrukken zou ook weer door een elite moeten gebeuren. In zulke omstandigheden is het beste nog om het bestaan van elites te aanvaarden als een fact of life, en om de aandacht te verplaatsen naar de vraag hóe de elites tot stand komen en wát ze doen.
     Er zijn om te beginnen soorten elites: de financiële elite, de culturele elite, de artistieke elite, de onderwijzende elite, de intellectuele elite, de technologische elite, de sportieve elite, de politieke elite, de bureaucratische elite, en wie wil kan er nog veel meer bedenken. Er heeft wellicht nooit een samenleving bestaan waar de verschillende elites mooi samenvielen, en dat is vandaag evenmin het geval. Ik had bijna geschreven: vandaag, minder dan ooit, maar zoiets zou ik dan weer moeten gaan controleren en hoe begin je dááraan?
     Met dat alles verwant is de kwestie van de toetredingsvoorwaarden. Hoe word je lid van een elite? Is het je aristocratische afkomst die het hem doet? Moet je een staatsexamen afleggen zoals de Chinese mandarijnen? Kun je een entreekaartje kopen als je veel geld hebt? Hoe belangrijk zijn de netwerken van ons-kent-ons? Word je makkelijker notaris, apotheker of dokter als een van je ouders notaris, apotheker of dokter is? Jan studeert geneeskunde en de meeste van zijn vrienden zijn dokterskinderen. In Spanje, liet ik mij vertellen, gebeurde het wel eens dat een universitaire leerstoel overging van vader op zoon. Zelf hou ik nogal van het meritocratisch beginsel – ‘la carrière ouverte aux talents’ zoals Napoleon het verwoordde – maar ook dat heeft zijn nadelen: als je er niets van terecht brengt, kun je de schuld niet geven aan het milieu waarin je geboren werd, het kastesysteem waarin je opgesloten bent, het glazen plafond waar je tegenaan botst of de ‘structurele’ discriminatie die in het systeem zit ‘ingebakken’.
     Toen Roeland Raes in 1973 scheef over de noodzaak van een elite, dacht hij ongetwijfeld niet aan een sportieve, financiële of technologische elite, maar aan een morele elite, in de traditie van Plato en, zeg, Joris Van Seeveren, Dát is een heikel punt. Er bestaan ongetwijfeld mensen die hogere morele principes hebben dan andere, en er ook naar leven. Maar zoeken die mensen elkaar op? Vormen ze samen een club? En wat gebeurt er áls ze samen een club vormen? Zoals de Farizeeën waar Jezus tegen te keer ging, of de Brahmanen waar Boeddha zo kritisch over was. Bij zo’n club rijst al snel de vraag of het om ‘heiligen’ of ‘schijnheiligen’ gaat. De ‘Compagnie du Saint-Sacrement’ had Tartuffe als vooraanstaand lid. De puriteinen van Salem waren op hun manier erg deugdzaam, maar verdraagzaamheid stond op hun deugdenlijstje niet bovenaan.
     En wat gebeurt er verder als je moraal, elite en politieke macht in één discours probeert te vatten? Daar schrijf ik morgen misschien een stukje over.

 

woensdag 13 februari 2019

Stakers en de psychologische wetenschap

     Staken doen de mensen om allerlei redenen. Leraar Peter Van Menen, lees ik in Het Nieuwsblad, staakt vanwege zijn ‘gevoel dat leraars te weinig respect krijgen’. Dat gevoel ken ik. Anderen doen het misschien uit opstandigheid, uit solidariteit of om een overleden vader of moeder te eren die hen geleerd heeft ‘never to cross a picketline’. Over dat soort persoonlijke gevoelens heb ik niets te melden.
    Mij gaat het hier om lui die zeggen hun ‘koopkracht’ te willen verdedigen. Die koopkracht heeft onder andere te maken met de hoogte van de lonen en die wordt in ons land afgesproken bij onderhandelingen tussen werkgevers en werknemers. Maar de staat legt bij die onderhandelingen een ‘marge’ op voor mogelijke verhogingen– dit keer een marge van 0,8 procent.  De vakbonden vinden dat te weinig en zelf vind ik het ook niet veel.
     Maar eigenlijk vind ik die hele staatstussenkomst maar niks. Ik vind het verkeerd als bedrijven door de staat verplicht worden om loonsverhogingen toe te kennen – bij indexoverschrijding – maar ik vind het ook verkeerd als het aan bedrijven verboden wordt loonsverhogingen toe te kennen boven een zekere marge. Anderzijds zal zo’n dubbele aanpak ook wel zijn voordelen hebben. Voor de werknemer telt in elk geval alleen het eindresultaat, zijn koopkracht, waarin hij, zoals iedereen, graag een stijgende lijn ziet.
     En is die lijn nu stijgend of dalend? Om dat te weten moet er gerekend worden. Lonen – en in mindere mate uitkeringen – zijn sinds 2013 flink gestegen, maar de prijzen zijn ook flink gestegen.  Je moet die prijsstijgingen dus aftrekken van de inkomensstijging om de verandering in koopkracht te kennen. Dat is allemaal erg ingewikkeld. In zo’n geval kijk ik naar de consensus binnen de wetenschap, want dat moet van Tom Naegels. De economen van het planbureau hebben uitgerekend dat de gemiddelde koopkracht sinds 2013 gestegen is met 3,5 procent*. En econoom Philip Defeyt heeft uitgerekend dat de koopkracht sinds 1998 gestegen is met 16 procent. (hier) Die cijfers betreffen dus de netto stijging van de inkomens, nadat de prijsstijgingen zijn afgetrokken.
     Maar als onze koopkracht gestegen is, waarvandaan komt dan het gevoel bij de stakers, en bij de anderen, dat die gedaald is? Daarmee komen we aan de psychologische wetenschap. Amos Tversky en Daniel Kahneman beschreven voor het eerst het verschijnsel van ‘loss aversion’. Dat verschijnsel houdt in dat we meer verdriet hebben als we een briefje van 50 euro verliezen, dan vreugde als we een briefje van 50 euro vinden. Ik heb als student ooit een briefje van 2000 frank verloren en als ik daaraan terugdenk voel ik nog altijd de pijn.

     Veronderstel dat ik boeken verzamel van Jean Ray. Ik bezit een mooie eerste uitgave van Les contes du Whisky en een andere verzamelaar wil er mij 120 euro voor betalen. Ik denk er niet aan om het boek te verkopen. Wat later zie ik bij De Slegte, in de glazen kast, een mooie eerste uitgave van Les derniers contes de Canterbury. Die zou ik eigenlijk nog liever hebben, maar de prijs schrikt mij af: 100 euro. Ik koop het boek dan maar niet. Dat is heel irrationeel van mij. Had ik die Canterburyverhalen gékocht en mijn Whiskyverhalen vérkocht, dan had ik nog 20 euro over om mij een goedkope uitgave van Le grand nocturne aan te schaven.
     Die ‘aversion loss’ maakt het voor een regering moeilijk om beleid te voeren. De tax shift was een gezond economisch beginsel. Voor werknemers betekende het een broekzak-vestzakkwestie. We betalen minder directe belastingen, en meer indirecte belastingen – in de vorm van prijsstijgingen. Wat we winnen aan de ene kant, verliezen we aan de andere kant. Maar, en daar gaat het over, ook al is het bedrag dat we winnen en verliezen hetzelfde, het verlies weegt psychologisch zwaarder. Voor wie prijsbewust door het leven gaat, is het nog erger, want zo iemand ziet zijn winst één keer per maand op zijn loonbriefje, maar hij voelt het verlies elke keer opnieuw als hij naar de winkel gaat.
      Mijn vrouw heeft een grote, luxueuze firma-auto met tankkaart. Er is sprake van dat die auto’s worden afgeschaft en vervangen door een gelijkwaardige geldelijke vergoeding. Verstandelijk bekeken is dat voor ons een verbetering. We kunnen dan zelf beslissen of we met dat geld weer een grote luxueuze auto kopen, of omgekeerd voor een goedkoop karretje kiezen dat ons even goed van A naar B brengt. Met het geld dat we over hebben gaan we dan naar New York. Maar iedere keer dat we met de nieuwe auto bij de benzinepomp staan – zonder tankkaart – zal dat een steek zijn door ons hart.
     Bij onze koopkracht speelt nog een ander pschychologisch verschijnsel. Hans Rosling noemt het ons ‘grootte-instinct’, dat een onderdeel is van ons ‘drama-instinct’. We zijn bijzonder onder de indruk van grote getallen en spectaculaire veranderingen. Bij de prijsstijgingen van de laatste 20 jaar zijn nogal wat van die grote getallen: elektriciteit: + 97 procent, brandstof + 95,7 procent, brood + 69, 1 procent, groenten + 47,1 procent. Maar dat zijn de uitschieters. We moeten die zien in het geheel van onze aankopen, en daarvan zijn de prijzen veel, veel minder snel gestegen, en soms zelfs gedaald. Maar gevoelsmatig hebben we dat overzicht niet. Wij zijn blind voor gemiddeldes.
    En daarom moeten we ons verlaten op de ‘consensus binnen de wetenschap’.

    

* Die 3,5 procent is een gemiddelde en is vooral representatief voor de middeninkomens. De 10 procent rijksten kregen er maar 3,1 procent bij, en de 10 procent armsten maar 0,7 procent. Dat laatste houdt, geloof ik, verband de regeringspolitiek die meer belang gaf aan lonen dan aan uitkeringen.

 ** De vakbond aanvaardt die consensus niet, verwijst naar de jaren 2016 en 2017 en haalt er de indexsprong bij. Misschien denkt de vakbond dat een niet gekregen loonstijging hetzelfde is als een loondaling.  Of dat het planbureau en Defeyt die overgeslagen loonindexering niet in rekening hebben gebracht.

zondag 27 januari 2019

Ik ben een klimaatoptimist

     Vanmorgen aan de ontbijttafel kwam het gesprek op de klimaatbetoging van vandaag. Jan dacht dat er wel honderdduizend deelnemers zouden zijn. Om te beginnen zouden al die spijbelende scholieren er zeker bij zijn, zei hij, al was het maar om te bewijzen dat het hen niet om een wekelijks dagje vrij te doen was. Wel twijfelde hij eraan of Brussel groot genoeg was om honderdduizend betogers te omvatten. Mijn vrouw wees erop dat de rakettenbetoging van 1983 wel vierhonderdduizend mensen naar Brussel kreeg. Dat is waar. Ik heb ze met eigen ogen gezien.
     Mij maakt het eigenlijk niet veel uit hoeveel betogers er voor het klimaat op straat komen. Als het er maar honderd zijn, en ze hebben gelijk, dan doet hun kleine aantal niets van dat gelijk af. En als het er een miljoen zijn, en ze hebben ongelijk, dan wordt dat ongelijk niet verholpen door hun grote aantal. De grote geestdrift in de late middelleeuwen voor heksenverbranding zegt niets over de waarschijnlijkheid dat excentrieke vrouwen omgang hebben met de duivel. Hoogstens kunnen wij uit zo’n massale geestdrift besluiten dat er onder de bevolking misschien wel een brede consensus bestond of bestaat over die heksen, die raketten en dat klimaat. Maar als maatstaf voor de waarheid is zo’n consensus waardeloos.
     Anders is het gesteld met een wetenschappelijke consensus. Rond het klimaat is een wetenschap ontstaan die een beroep doet op bevindingen uit de biologie, chemie en fysica en verder op metingen allerhande. Op die gegevens worden statistische analyses losgelaten die een verklaring opleveren van wat er recent met het klimaat gebeurd is, en wat er in de toekomst zal gebeuren. Een aantal van die gegevens zijn
  • CO2 heeft de eigenschap om stralingswarmte te absorberen; die eigenschap werd in 1869 al vastgesteld door de Engelse natuurkundige John Tyndall
  • de aanwezigheid van CO2 in de atmosfeer is gestegen: van 0,03 % in 1959 tot 0,04 % in 2016
  • jaarlijks zorgt industriële activiteit voor een CO2-uitstoot van 0,0004 % van de atmosfeer en de menselijke ademhaling voor één van 0,00003 %*
  • de temperatuur op aarde is nu 0,9 % hoger dan in 1880
    Zelfs een leek ziet met die cijfers dat er minstens een mogelijk verband is tussen de menselijke activiteit, de stijging van CO2-concentratie en de stijging van de temperatuur. Er is zelfs een verklaring voor dat verband. CO2 functioneert als het glas van een serre of broeikas, die de warme zonnestralen binnenlaat, maar daarna in die kleine ruimte vasthoudt. Die broeikastheorie, toegepast op de hele aarde, laat toe om voorspellingen te doen, en die dan te testen. Zo moet volgens het model de stijgende temperatuur in de lagere atmosfeer samengaan met een dalende temperatuur in hogere stratosfeer. Men heeft dat gecontroleerd en het klopt, beweren de geleerden.
     Dát soort voorspellingen zijn eigenlijk hypothesen. Men kan die onmiddellijk testen door experimenten of metingen. Andere voorspellingen gaan écht over de toekomst. Hoeveel zal de temperatuur verder stijgen? Wat zullen de gevolgen zijn voor de zeespiegel, de vegetatie, de windkracht? Die voorspellingen kan men niet onmiddellijk testen. Wij moeten de gebeurtenissen afwachten om zekerheid te hebben, en als die dan catastrofaal blijken te zijn, is het misschien te laat. Die laatste gedachte is het, geloof ik, die vandaag Anuna De Wever, Tine Hens en Tom Naegels op straat brengt. 
     Zelf ben ik optimistischer. Om te beginnen zijn die klimaatgeleerden het ook niet allemaal met elkaar eens. Er is een ruime mate van consensus, maar de voorspellingen van temperatuurstijging van nu tot 2100 variëren van 0 °C tot 1,4 °C mét sterke CO2-reductie en van 0,8° tot 4,5 graden zonder CO2-reductie.** Bijna iedereen is het ermee eens dat menselijke activiteit een invloed heeft op de temperatuurstijging, maar daarmee is nog niet gezegd hoe gróót die invloed is. En ook die invloed zelf wordt volgens metastudies nog altijd aangevochten door 3 à 10 % van de klimatologen.***
          Het relatieve karakter van de consensus is begrijpelijk. Klimaatwetenschap is niet vergelijkbaar met fysica, waarbij het verband wordt onderzocht tussen een klein aantal grootheden zoals snelheid, massa en energie. Het is een toegepaste wetenschap waar heel veel – soms moeilijk meetbare – gegevens een rol spelen: andere broeikasgassen zoals damp, zonneactiviteit, aerosolen, vulkaanuitbarstingen, vegetatie, CO2-uitwisseling tussen atmosfeer en oceaan**** en nog veel, veel meer.
     Al die gegevens worden ingebracht in computermodellen. Dat is een prima methode want er is geen alternatief. Maar die computermodellen hebben dezelfde nadelen als elke statistische analyse. Je weet nooit helemaal zeker of je voldoende dan wel te veel gegevens hebt ingebracht en of je wel de juiste gegevens gekozen hebt. Wetenschappen die sterk van statistiek afhankelijk zijn, lijken mij daarom kwetsbaar voor eenzijdigheid, subjectiviteit, vooroordelen en conformisme – eventueel ook voor tegendraadsheid. Bovendien opereert de klimaatwetenschap in een gebied waar publieke opinie, beleidsmakers en internationale bureaucratie zich laten gelden. Bij mij komt dan als vanzelf de vergelijking op met wetenschappen als epidemiologie, criminologie of – maar nu overdrijf ik misschien – pedagogie.
         Aan de andere kant is de klimaatwetenschap het beste wat we hebben. Die mensen kunnen  best gelijk hebben***** en dan ziet het er maar slecht uit. Elchardus somt in De Morgen op wat een echte beperking van de CO2-productie betekent: ‘minder vrije markt, een meer sturende overheid, strakkere regulering, zwaardere belastingen voor iedereen minder consumptie’.****** Of concreter: als we niet in de marge willen rommelen met een isolatiepremie hier en een fietspremie daar, zit er niets anders op dan iedereen in een levensstijl te dwingen die ver onder de huidige armoededrempel ligt: klein appartementje, geen bad, geen douche, geen vlees, geen reizen, geen auto, geen nieuwe kleren – want helemaal plaatselijk gefabriceerd en dus duur – en weinig verwarming. China en Indië moeten stoppen met groeien en Afrika moet blijven zoals het is, maar met minder mensen. Elchardus betwijfelt overigens of het zover zal komen. ‘Als dat tot iedereen doordringt, is de kans groot dat mensen zich de vraag gaan stellen wat nu het pijnlijkste is: de gevolgen van de opwarming of de gevolgen van de het beleid nodig om de opwarming te beperken? Misschien opteren sommigen voor het leren leven met opwarming.’ ‘Misschien’, schrijft hij, en ‘sommigen’, maar dat is wel heel voorzichtig.
     Gelukkig sta ik voor mijn optimisme op vastere grond. Dat zit zo. Ik ben al geruime tijd voorstander van meer kernenergie. Ik heb mij laten overtuigen dat dat de goedkoopste en efficiëntste energievorm is. Tot voor enkele maanden was ik pessimistisch omdat én de publieke opinie én de klimaatmensen er tegen waren. Maar nu wordt kernenergie langzamerhand ontdekt door de klimaatmensen zelf omdat ze er een werkbaar alternatief in zien voor de CO2-uitstotende brandstofenergie. Wat zie ik vandaag bijvoorbeeld op de voorpagina van De Zondag? Professor De Grauwe die in grote letters verklaart: ‘Ik ben voor kernenergie vanuit milieuoverwegingen.’ Dat is realistisch bekeken van de professor.
     Op dit ogenblik wordt 87 % van de energie in de wereld geleverd door fossiele brandstof, 7 % door waterkracht en slechts 4 % door kernreactoren.  Op dat laatste terrein is echter veel meer mogelijk en dat wordt nu al bewezen door landen als België, Frankrijk, Oekraïne en Hongarije die meer dan 50 % van hun elektriciteit uit kernenergie halen. Er is eigenlijk geen reden waarom dat, ook op wereldvlak, geen 100 % kan worden. Dan zijn we er nog niet, want dan moeten transportmiddelen, verwarming, hoogovens en dergelijke ook nog op die door kernenergie opgewekte elektriciteit overschakelen, maar ‘t is al een hele stap naar een échte daling van onze CO2-productie. Helemáál weg krijgen we CO2 nooit, want we blijven ademen natuurlijk. Bij leven en welzijn.

* Die cijfers als percentage van de atmosfeer heb ik zelf uitgerekend rekening houdend met een totale hoeveelheid van CO2 van 708 gigaton en een industriële productie die goed is voor 7,56 gigaton en een collectieve ademhaling van 0,6 gigaton. Hopelijk heb ik geen rekenfouten gemaakt.

 ** Dit zijn cijfers die uitgaan van een sterke vermindering van broeikasgasuitstoot. Nl.Wikipedia spreekt van een temperatuurstijgingen tussen 0,9°- 2,3° enerzijds en van 1,7°- 5,4° anderzijds. Daarbij wordt vergeleken met de periode tussen 1850 en 1900. Ik heb van die cijfers de 0,9 °C afgetrokken die sinds 1880 heeft plaatsgevonden.

 *** Cook (2013) geeft 3 % dissidenten. Verheggen (2014) geeft 9 % dissidenten (zie hier). Slechts een minderheid van de klimatologische artikels behandelen overigens de rol van de mens in de klimaatwijziging.

 **** De jaarlijkse CO2-uitwisseling tussen oceanen en atmosfeer is 10 keer zo groot als de uitstoot veroorzaakt door de mens. De uitwisseling tussen atmosfeer en vegetatie is 12 keer zo groot. (Zie hier)

***** Mijn zuivere klimaatscepticisme dat mij ooit kwam aangewaaid, kreeg flinke tegenwind toen ik een keer een namiddag heb doorgebracht op de polemische maar goed gemaakte site van skepticalscience. (Zie hier en hier)

****** Zouden er mensen bestaan die zo’n toekomst in abstracto aantrekkelijk vinden? Ik geloof bijna van wel.



maandag 30 april 2018

Argumenteren over Latijn en Grieks

Lieven Scheire en Tom Naegels spraken zich op de sociale
media uit tegen Latijn en Grieks
     Mijn zoon is een fan van Lieven Scheire. Toen Lieven enkele jaren geleden op Twitter stelling nam tegen Latijn en Grieks in het middelbaar, heeft hij boos teruggetwitterd. Nu neemt Tom Naegels op Facebook afstand van de klassieke talen. Maar op Tom kun je moeilijk boos zijn. ’t Ligt ook allemaal erg ingewikkeld.
     Verdedigers van Grieks en Latijn als schoolvakken, zouden het beter meteen toegeven: ze hebben geen doorslaggevende bewijsvoering. Er zijn nochtans redelijke argumenten genoeg. Ik noem er enkele. Latijn en Grieks zijn vakken die de leerlingen zelf gekozen hebben en graag doen. Ze zitten samen met klasgenootjes die ook aardigheid in studeren hebben. Dagelijks woordjes leren, traint hun geheugen en brengt hen studiediscipline bij. Hun intellect wordt gestimuleerd door het lezen van moeilijke teksten. Ze krijgen dieper inzicht in grammatica. Hun schrijfvaardigheid neemt toe. Ze leren retorische trucjes doorzien ... en gebruiken. Ze maken kennis met geïnspireerde dichters, interessante filosofen en kritische geschiedschrijvers. Ze kunnen met hun Latijn sneller vorderingen maken in Frans, Spaans en Italiaans. Ze pikken iets op over oude rechtssystemen. Ze behalen de beste cijfers in het hoger onderwijs. En tenslotte, ze komen in aanraking met de Grondslagen van onze Beschaving.
     Tegen al die argumenten valt ook iets in te brengen. In de eerste jaren komen in de Latijnse klas ook heel wat kinderen die het vak bij nader inzien niet graag doen. Ook in niet-Latijnse klassen zitten leerlingen die graag leren. Je geheugen kun je ook anders trainen dan met woordjes leren. Inzicht in de grammatica moet in de Nederlandse les worden aangebracht. Je kunt ook in moderne talen moeilijke teksten leren lezen. Schrijfvaardigheid verwerf je vooral door goede teksten in de moedertaal te lezen en te herlezen. Retorische trucjes kun je illustreren met gelijk welk debatprogramma op de televisie. Je leert sneller Frans, Spaans en Italiaans door meteen Frans, Spaans en Italiaans te leren. De meest gelezen auteur van het curriculum, Julius Caesar, was noch een dichter, noch een filosoof, noch een kritische geschiedschrijver. En die oude dichters, filosofen en geschiedschrijvers kun je evengoed in een vertaling lezen. Een inleiding in het Belgische recht, is nuttiger dan een in het Romeinse recht. Die beste cijfers in het hoger onderwijs zouden diezelfde leerlingen anders ook behaald hebben. En voor de Grondslagen van onze Cultuur kunnen we zover teruggaan in de tijd als maar mogelijk is, of omgekeerd, zo dicht mogelijk bij onze eigen tijd blijven als we maar willen. In plaats van Vergilius kunnen we net zo goed Dante lezen, of, om bij de Engelsen te blijven: Chaucer, Shakespeare, Milton, Pope, Byron en Joyce. En Cicero kunnen we vervangen door Hobbes, Locke, Montesquieu, Voltaire, Schopenhauer en Popper.*
     De aandachtige lezer zal opgemerkt hebben dat zowel de argumenten als de tegenargumenten enig hout snijden. Maar als argument én tegenargument juist zijn, wordt het een moeilijke zaak. In plaats van pure logica te hanteren, moet je gaan afwegen, en bij dat afwegen laat je je meestal leiden door twijfelachtige intuïties en emoties. De ene wil een mooie traditie niet verloren zien gaan. Dat heb ík een beetje. Mijn vader is Latijnse begonnen in 1936, ikzelf in 1967 en mijn zoon in 2006. ‘Zo is het goed, zo moet het zijn,’ dichtte Jan van Nijlen.
     Maar sommige ouders van vandaag willen het roer omgooien. Het oude gebruik waarbij de leerlingen met de beste punten vanzelf in de Latijnse klas terechtkwamen, zegt hen niets. Ze willen niet meewerken aan de instandhouding van een ‘elitaire prestigemodel’. Ze vergelijken programma’s en lessentabellen, bespreken de kwestie uitvoerig met zoon- of dochterlief, vragen of die geïnteresseerd zijn in de nominatieven, accusatieven en de conjunctieven, en verwerpen ten slotte de Latijnse keuze als irrationeel. Als ze een slecht karakter hebben, houden ze ook af en toe een pleidooi tégen Latijn.
     Waar logica en emoties niet helpen, rest bezinning. Je haalt er je persoonlijke ervaringen bij. Mijn eigen klassieke studies heb ik vijfenveertig jaar geleden afgesloten, zoals je zelf kunt uitrekenen met bovenvermelde aanvangsdatum. Mijn herinneringen daaraan zullen dus niet erg betrouwbaar zijn. Eén zaak is duidelijk als ik op de onderstrepingen in mijn oude Geerebaert afga: de onregelmatige werkwoorden heb ik véle keren herhaald.
      Van Jan zijn studies herinner ik mij meer. Het komt hierop neer dat hij in de eerste vier jaar van het middelbaar eigenlijk alleen voor Latijn en Grieks echt moest léren.** Voor andere vakken, kreeg hij ‘taken’. Ik zeg dat nu een beetje grof, want bij toetsen en examens moest hij natuurlijk ook voor de andere vakken wel eens een boek openslaan, maar door de week ging het toch vooral om Latijn en Grieks. Zijn beste vriend gaf na één jaar zijn Grieks op met de woorden: ‘Twee talen is te veel.’ Nu werd dat vanaf het vijfde jaar wel anders. Jan koos toen – ‘met het oog op de toekomst’ – Grieks-Wiskunde. Daardoor viel het Latijn alvast weg. En in de latere jaren bouwt Grieks verder op de soliede grammaticale kennis van de eerste vier jaar. Er treedt een zekere ontspanning op. Tijdens de dagelijkse rit van en naar de voetbaltraining werden minder verbuigingen, vervoegingen en stamtijden ingeoefend. Die waren nu wel gekend. En dat was niet eens het belangrijkste. Het belangrijkste was dat wiskunde, fysica, chemie en biologie zoetjesaan ernstige vakken geworden waren die het inzicht van een zestienjarige stevig op de proef stelden. Daar ging de meeste energie voortaan naartoe.
     Genoeg bezinning voor vandaag; laten we terugkeren naar de argumentatie. Als je de pleidooien tégen klassieke-talenonderwijs nader bekijkt, zie je dat er drie hoofdargumenten zijn: die talen zijn nutteloos; door die talen eruit te gooien maak je ruimte voor andere vakken; en, wat je met die talen bereikt, kun je ook en beter met een ander vak bereiken. Dat eerste argument is grotendeels juist.*** Latijn en Grieks zijn nutteloos in die zin dat je die talen niet kunt gebruiken om in het buitenland koffiekoeken te bestellen. Als je naar Rome wil, leer je beter Italiaans en als je naar Griekenland wil, Nieuwgrieks dat, geloof ik, met Oudgrieks vooral de lettertekens gemeen heeft. Ook zullen de meeste leerlingen na hun middelbaar geen Latijnse of Griekse teksten meer lezen, behalve misschien opschriften in kerken en oude gebouwen.
     Het tweede argument lijkt mij heel wat minder soliede. Men wil de klassieke talen eruit gooien om plaats te maken voor andere vakken zoals economie, filosofie, sociologie, logica, esthetica, informatica, technologie, muziek, sport. Zo hebben we allemaal wel een stokpaardje. Zelf vind ik, op goede gronden natuurlijk, dat er in het middelbaar veel meer statistiek moet worden gegeven. Maar ik wil de onderwijswereld niet omgooien vanwege mijn idée fixe, en zou het fijn vinden als anderen dat ook niet doen.  Daar komt nog iets bij. Op sommige vakken staat een leeftijd, en op andere vakken minder. Muziek en talen begin je best jong, maar inzichtelijke vakken kun je toch pas vanaf vanaf vijftien of zestien jaar aanleren. Dat geldt voor échte wiskunde en échte wetenschappen, maar ook voor de vakken waarvoor men Latijn en Grieks wil inruilen: filosofie, economie, sociologie, logica. Die vakken zijn eigenlijk niet geschikt zijn voor de eerste twee jaar van het middelbaar onderwijs, en amper geschikt voor de twee volgende jaren. Als je die vakken te vroeg aanvat, verzand je in een uit het hoofd leren van losse feitjes en bezigheidstherapie, in afwachting van het echte werk. Het wordt iets van het niveau van postzegels verzamelen en kastelen bouwen in de zandbak. Latijn en Grieks en ook Nederlands zijn daarentegen vakken waarvan je de diepgang soepel kunt aanpassen aan de leeftijd van je doelgroep, of die nu twaalf of achttien jaar is.
     Dat je ten slotte de gunstige leereffecten van Latijn en Grieks ook en beter kunt bereiken met andere vakken en methoden, vind ik heel aanvechtbaar. Je zou natuurlijk best de klassieke talen kunnen vervangen door bijvoorbeeld een vak ‘Antieke Cultuur’. En je zou in dat vak de integrale oude teksten kunnen lezen in een moderne vertaling, in plaats van fragmentjes in het origineel. Meer nog: dat vak heeft geloof ik bestaan en werd algemeen ‘antieke kul’ genoemd, want in die tijd mocht ‘cultuur’ nog met een ‘k’ gespeld worden. Ik heb nooit van een leerling gehoord die het als zijn lievelingsvak had. En dat men er integrale teksten las, zou me erg verbazen. Het is net omgekeerd. Die integrale teksten hoorden net bij de klassieke taallessen. In de klas lazen we fragmentjes van de Aeneis ‘dans le texte’, en thuis lazen we de integrale vertaling van De Wilderode. In de Griekse les lazen we fragmenten uit Antigone, en thuis lazen we de integrale Franse bewerking van Anouilh. En dan moesten we ook nog eens op een woensdag- en een zondag-avond de verfilming van Oedipus Koning en Electra komen bekijken. En zoiets gebeurt vandaag nog altijd. Jan is met zijn klas vijf avonden op rij gaan luisteren naar de integrale voordracht van de Illias. Kom daar maar eens om in een vak als ‘antieke kul’.
     Het grammaticale inzicht dat klassieke talen bijbrengen is nog zoiets. Wie in het middelbaar talen onderwijst, weet dat veel leerlingen vandaag de eenvoudigste spraakkundige begrippen niet meer kennen. Het is dan erg moeilijk om aan zo’n leerling het gebruik van bijvoorbeeld de leestekens uit te leggen, want daarvoor moet je een beetje weten wat een zin is, en hoe die in elkaar steekt. Hier is natuurlijk iets fout gelopen in het lager onderwijs. Toen ik naar school ging, leerden we de eenvoudige begrippen (onderwerp, lijdend voorwerp, meewerkend voorwerp) vanaf het derde leerjaar. In de eerste jaren van het middelbaar kregen we dan in het vak Nederlands de syntactische ontleding van lange, samengestelde zinnen, volgens het systeem van Paardekooper. Dat waren veruit de saaiste lessen die ik ooit heb gehad. In dezelfde jaren deden we aan zinsontleding in de Latijnse les. Die zinnen waren ook samengesteld en lang, langer zelfs dan die van Paardekooper, maar de ontleding had iets frivools. Het was als werken aan een puzzel. En aan het einde werd je beloond, want je begreep de zin. Bij Paardekooper was er geen beloning, want je had de zin al begrepen vóór je aan de grammaticale ontleding begon. Waarom nog ontleden, vraagt een veertienjarige leerling zich dan af.
     Een nieuw argument tegen Latijn was voor mij dat van Tom Naegels. Hij heeft zijn zoon, waarvoor hij niet is gaan kamperen aan de schoolpoort, uiteindelijk ook niet ingeschreven in de Latijnse, hoewel dat nog kan veranderen als hij mijn blog leest. Tom is vooral verwonderd over het gewicht van het vak. ‘Kinderen kunnen kiezen,’ schrijft hij, ‘voor een module van vier uur waarin ze allerlei interessante vakken krijgen: economie en wetenschappen en kunst en techniek, afwisselend en concreet bruikbaar en rijk en uitdagend. Of ze kunnen kiezen voor vier uur Latijn. Niks anders. Gewoon Latijn. Woordjes blokken en naamvallen van buiten leren.**** Stel je voor dat je in het eerste middelbaar kon kiezen tussen een blok met economie, wetenschap, kunst, talen, etc. ofwel een blok met vier uur chemie.’
     Ik heb hier wel wat tegen in te brengen. Ten eerste is vier uur Latijn in het eerste jaar veel te weinig. Wij kregen negen uur Latijn. Gelukkig is de didactiek van het Latijn ondertussen verbeterd – net zoals die van wiskunde verbeterd is, en die van modern talen verslechterd – zodat de leerlingen op het einde van het derde jaar toch al kleine stukjes Caesar kunnen lezen. Ten tweede: het is niet omdat iets op papier interessant en concreet en bruikbaar en rijk en uitdagend is, dat die eigenschappen zich ook in het klaslokaal zullen manifesteren. En ten derde: met de keuze tussen vier uur chemie of vier uur van alles en nog wat, zou ik, na enig aarzelen, toch voor de chemie kiezen. Chemie is geen vak voor twaalfjarigen, vind ik, maar als men het goed aanpakt, het leerplan laat uitwerken door serieuze mensen, twintig jaar experimenteert en bijschaaft, dan kan men misschien een redelijke didactiek ontwikkelen voor het eerste jaar middelbaar. In een parodie op de Latijnverdedigers schrijft Tom: ‘Chemie is vast heel erg interessant, en je kan er vast een redenering rond opbouwen die aantoont dat je zonder chemie, geen echt beschaafd persoon kunt zijn. Dat ontleden van die moleculen, dat leert je analytisch denken ... Die tabel van Mendljev, die traint je geheugen... Het hele leven bestaat uiteindelijk uit chemische bouwstenen ...’ ’t Is geloof ik als reductio ad absurdum bedoeld, maar bij mij slaat de argumentatie aan. Als vier uur Latijn echt niet kan, geef mij dan maar vier uur chemie. Maar bespaar de kinderen die vier uur van alles en nog wat.

 
* Een van mijn redenen om vast te houden aan het Latijn is dat, als Vergilius en Cicero ooit verdwijnen uit de klas, dat ze dan niet zullen worden vervangen door Dante, Chaucer, Voltaire en Popper. De lezer kan zelf best raden welk soort ‘actuele’ teksten er dan wel in de plaats zouden komen.

** Professor Wouter Duyck zegt daarover in De Standaard van 2 mei: ‘Het grootste geheim van de klassieke talen bestaat erin dat zij als een van de weinige richtingen zijn ontsnapt aan de teloorgang van de hoge verwachtigen en doelstellingen die ons onderwijs aan leerlingen oplegt. In Latijn wordt de lat nog hoog gelegd.’ Dat geldt zeker voor de eerste vier jaar.

*** Als men dat argument – dat Latijn en Grieks geen praktisch nut hebben – doortrekt, zou men de invoering van een vak als Chinees kunnen voorstaan, dat dan culmineert in het lezen van de klassieke teksten van Confucius. Zo’n vak zou de meeste voordelen van Latijn of Grieks koppelen aan een zeker praktisch nut. Maar we kunnen het onderwijs natuurlijk niet herscheppen in het luchtledige.

**** Hier geeft Tom een verkeerd beeld van het vak zoals het in het eerste jaar gegeven wordt. Toen Jan het eerste jaar Latijn volgde, las hij in de klas een vereenvoudigde versie van de Aulularia van Plautus. Bijna al mijn leerlingen in het zesde jaar - ik geef les in de wiskundige richtingen en die leerlingen zijn bijna allemaal minstens met een of twee jaar Latijn gestart - bijna al die leerlingen dus, herinneren zich dat verhaal nog van het eerste jaar. 't Is vaak het enige dat ze zich nog van dat jaar nog herinneren, op academisch vlak dan toch.

dinsdag 13 februari 2018

Nogmaals over schoolpoortkamperen

   Onder mijn stukje over kamperen voor de schoolpoort heeft Tom Naegels een kritisch maar vriendelijk antwoord geplaatst, wat bewijst dat hij niet alleen een Gutmensch is, zoals hij zelf verklaart, maar ook een goeie mens – of toch minstens een vriendelijke mens, wat ook niet te versmaden is. Dat hij het scheldwoord ‘Gutmensch’ als geuzennaam voor zichzelf claimt, bewijst dat hij niet nerveus wordt van woorden, en dat vind ik fijn. Ik word ook niet nerveus van woorden en durf mijzelf desnoods ‘neoliberaal’  of ‘rechts’ noemen als ik daar iemand een plezier mee kan doen.
     Die vrijmoedige omgang met woorden heeft Naegels altijd gehad, geloof ik. Ik las eens, misschien wel twintig jaar geleden, een stuk van hem in een of ander baldadig tijdschrift waarin hij de lezer opriep geen hoge borst op te zetten en moreel niet boven zijn stand te leven. Het stuk eindigde met een krachtig: ‘Laat de fascist in u los’, of woorden van die strekking, maar ‘fascist’ kwam erin voor. Of heb ik mij dat allemaal ingebeeld?
     In zijn antwoord schrijft Naegels dat de schoolpoortkampeerders hun kind blijkbaar ‘uniek’ en ‘onwaarschijnlijk speciaal vinden’. Daar zit iets in. Zelf vind ik mijn zoon (20) ook onwaarschijnlijk speciaal. Hij kan allerlei dingen die ik niet kan: hij voert statistische toetsen uit, voetbalt, staat op de dansvloer als hij uitgaat, en hij begrijpt vrouwen. In de lente heeft hij als eerste een bruin kleurtje, en in de herfst is hij de laatste die dat kleurtje behoudt. Als de zon door zijn haren schijnt, lijkt hij op de antieke stripheld Alex. Weliswaar is die gelijkenis de jongste jaren wat afgenomen, want zijn haar wordt nu donkerder. Maar ik dwaal af.
     Naegels maakt van het schoolpoortkamperen een financiële kwestie. Rijke mensen kunnen een mobilhome huren, schrijft hij, en ze kunnen het zich makkelijker veroorloven om enkele dagen vrij te nemen. Een collega van mij vertelde zelfs dat rijke autochtonen soms allochtonen inhuren om in hun plaats te kamperen. Een beetje zoals een 19de-eeuwse rijkaard die, als hij uitgeloot was voor legerdienst, een arme boerenzoon kon inhuren om in zijn plaats drie jaar soldaat te spelen.
     Maar de meeste kampeerders doen het geloof ik zonder mobilhome; en als die allochtonen kunnen worden ingehuurd om te kamperen voor andermans kinderen, kunnen ze, denk ik dan, ook tijd maken om voor hun eigen kinderen te kamperen. De enigen die volgens mij echt benadeeld zijn in het kampeersysteem zijn alleenstaande ouders, mensen met een klein netwerk, en inwijkelingen zoals mijn vrouw en ik, die hun geboortestreek hebben verlaten waar hun ouders, ooms, tantes, neven en nichten zijn blijven wonen.
     Ik heb in mijn vorige stukje nagelaten om iets te zeggen over de kwestie van de solidariteit. Naegels wijst mij daarop in zijn antwoord, want dat is voor hem is het ‘essentiële punt’, des Pudels Kern om ook Goethe te citeren. Solidariteit … tja, wat kan ik daar ook over zeggen? Ik ben in elk geval bereid om elke vorm van vrijwillige solidariteit te prijzen. Ik ben ook bereid toe te geven dat zelfs een opgelegde solidariteit soms tot een aanvaardbare oplossing leidt. Maar ik geloof vooral, met Adam Smith, dat het op een redelijke wijze nastreven van eigenbelang vaak de beste uitkomst oplevert voor iedereen.
     Naegels betwist dat laatste als het om schoolkeuze gaat. Ouders die gaan kamperen voor een school berokkenen volgens hem schade aan ouders die dat niet doen. Een school die niet meedoet aan het centrale aanmeldingssysteem, vergroot de schaarste voor de rest. Dat is ‘wiskundige logica’, schrijft hij.
     Die wiskundige logica betwijfel ik. Ik zie het zo. Als een derde van de ouders door flink te kamperen hun kind kunnen binnenloodsen in de school van hun voorkeur, dan hebben die allemaal, dus 100 procent, hun eerste keuze gekregen. Ouders die het centrale systeem gebruiken –  de overige twee derde dus –  zullen misschien maar in 60 procent van de gevallen hun eerste keuze krijgen. Een heel verschil. Maar alles samen genomen krijgt in zo’n scenario 73 procent van de ouders hun eerste keuze, als ik dat tenminste goed heb uitgerekend.* Als alle ouders daarentegen gedwongen worden aan de centrale aanmelding meedoen, krijgt slechts 60 procent van de totale groep hun eerste keuze. Mij lijkt een totale tevredenheid van 73 procent beter dan een totale tevredenheid van 60 procent.
     Is het rechtvaardig als in de eerste groep een tevredenheid heerst van 100 procent en in de tweede slechts van 60 procent? Ik vind van wel. In de twee groepen heersen andere spelregels, dat is waar. Aan de eerste groep worden bijzondere eisen gesteld, met name de bereidheid om te kamperen. Maar de rechtvaardigheid bestaat erin dat iedereen de kans krijgt om te kiezen voor een van de twee groepen, en voor de spelregels die erbij horen.
     De wiskundige kant van het probleem blijft mij achtervolgen. Klopt het dat de tevredenheid van de ouders die in het centrale systeem stappen gelijk blijft – bijvoorbeeld 60 % – als er meer of minder scholen aan deelnemen? In zekere zin wel. Als 2000 leerlingen zich inschrijven in 40 scholen via een centrale aanmelding, of 3000 leerlingen in 60 scholen, moet dat eenzelfde aantal eerste keuzes, tweede keuzes, enzovoort opleveren, en eenzelfde algemene tevredenheid. Aangezien ik indertijd slecht heb opgelet in de wiskundeles, heb ik het probleem eens voorgelegd aan enkele wiskundige en wetenschappelijke collega’s en die gaven mij gelijk.
     Maar het klopt ook niet helemáál – dus weer heeft Naegels een beetje gelijk. Als ik binnen eenzelfde oppervlakte – Antwerpen – tussen minder scholen kan kiezen, dan wordt de kans wat kleiner dat ik een school vlakbij de deur vind. Ook kunnen het juist de beste scholen zijn die zich uit het systeem terugtrekken en wat heb je aan een eerste keus binnen het systeem als dat niet je échte eerste keus is? Niet veel natuurlijk. Maar dan kun je je afvragen:  wat is precies de beste school?** De moeilijkste? De makkelijkste? De zorgzaamste? De zakelijkste? De strengste? De toegeeflijkste? De meest elitaire? De minst elitaire? Ik ken in elk geval ouders die, net als Tom Naegels, hun kind nooit naar een elitaire dikke-nekkenschool zouden sturen. Dat is voor hen dan zeker níet de beste school. Ook ken ik ouders die hun ene kind naar ónze school stuurden – Onze-Lieve-Vrouw-Waver, Bosstraat 9 – omdat die het beste paste bij dát kind, terwijl ze dan hun andere kind naar de concurrentie stuurden, waar het op zijn beurt, hoopten ze, beter op zijn plaats zou zijn.
     Toch blijft er, als je wil, iets oneerlijks kleven aan een regeling waarbij sommige scholen wél en andere niet aan een centrale aanmelding meedoen.*** Ouders die de nabijheid van de school boven alle andere eigenschappen stellen, worden een beetje benadeeld. En omgekeerd.**** Bovendien worden ouders die heel veel moeite willen doen om de school van hun keuze te krijgen, door de regeling bevoordeeld. Dat zijn dan ouders die, om het alweer met de woorden van Naegels te zeggen, ‘na eerst de hele procedure van het aanmeldingsysteem te hebben doorlopen, ook nog eens gaan kamperen.’ Hij voegt eraan toe: ‘Zo gek is niemand.’
    Maar dat weet ik nog zo niet.



* 100 % tevredenheid van bijvoorbeeld 1000 ouderparen, en 60 % tevredenheid van 2000 ouderparen levert een gemiddelde tevredenheid op van (100 % x 1000 + 60 % x 2000) / 3000 = 73 %.

** Een lezer reageerde op mijn stukje dat onze maatschappij erin moet slagen ‘alle scholen op hetzelfde hoge niveau te brengen’ en dat het ‘niet verdedigbaar is dat er goede en slechte scholen zijn.’ Daar moest ik even over nadenken. Er zullen, geloof ik, altijd wel goede en minder goede scholen zijn, zoals er goede en minder goede restaurants zijn, goede en minder goede auto’s en goede en minder goede kleurpotloden. Als je om het even welk nummer van Testaankoop openslaat, zie je dat er ook bij gelijkgeprijsde producten grote kwaliteitsverschillen optreden. In scholen, net als in bedrijven, worden bepaalde beslissingen genomen, om de kwaliteit te verbeteren. Je weet niet goed waarheen die beslissingen zullen leiden. ’t Is een proces van gissen en missen, van trial and error. Sommige beslissingen draaien goed uit, andere minder goed. En daardoor komt het, onder andere, dat er goede en minder goede scholen zijn. Het leuke is echter dat de minder goede altijd kunnen leren van de goede en zo kunnen ze er allemaal op vooruitgaan.

*** Natuurlijk had ik liever gehad dat er helemaal géén aanmeldingssysteem bestond. Maar als scholen daar vrijwillig aan deelnemen, kan ik hen moeilijk tegenhouden.

**** Zie bijvoorbeeld de ontroerende getuigenis van Jonathan Holslag over ouders die de nabijheid van de school niet als hoogste goed beschouwen.

donderdag 8 februari 2018

Kamperen voor de schoolpoort

     Toen wij een middelbare school moesten kiezen voor Jan, hebben we daar niet lang over moeten nadenken. Het Sint-Ursula-Instituut in Onze-Lieve-Vrouw-Waver, Bosstraat 9, was uitermate geschikt. Ik kende die school – ik geef er zelf les –, ze was bereikbaar met bus, fiets en auto, en het onderwijs was er, ondanks verwoede innovatieve pogingen van de toenmalige directie, redelijk traditioneel. Het niveau lag er naar verluidt hoger dan bij de dichtstbijgelegen concurrent wiens naam en adres de lezer niet hoeft te weten. Ook voor Jan was het een uitgemaakte zaak, want elke donderdag stonden er in Waver frietjes op het menu, een argument waarmee hij driekwart van zijn klasgenootjes overtuigde om dezelfde schoolkeuze te maken.
     In Antwerpen – en op andere plaatsen – gaat dat allemaal wat moeilijker, lees ik. Er is in Antwerpen een zekere schaarste aan scholen. Veel ouders willen hun kinderen allemaal naar dezelfde school sturen, waar dan onvoldoende plaats is. Om het probleem op te lossen is er een centraal ‘Meld je aan’-systeem uitgedacht. Alle scholen komen op één lijst en de ouders kunnen in de volgorde van hun voorkeur vijf scholen aanduiden. Dan wordt op die keuzes een computeralgoritme toegepast, en krijg je thuis een melding welke school zich uiteindelijk over jouw kind zal ontfermen. Heb je geluk, dan krijg je keuze 1, heb je ongeluk, dan krijg je keuze 5 – iedereen heeft evenveel kans op een geschikte of minder geschikte school.* Het heeft iets eerlijks, zoals ook Russische roulette iets eerlijks heeft.**
     Nu hebben 20 van de 66 Antwerpse scholen geweigerd om deel te nemen aan het centrale systeem. Journalist en schrijver Tom Naegels maakt zich over die weigering erg druk. Hij heeft er op zijn Facebookpagina over geschreven en hij heeft er een stukje over gepubliceerd in de Gazet van Antwerpen. Het ‘Meld je aan’-systeem, schrijft Tom, is ‘niet ideaal, maar het is ver te verkiezen boven het oude systeem, waarin de rijke, goed opgeleide, haast voor de volle 100 % blanke ouders alle mooie plaatsen weggristen voor de neus van de anderen, omdat zij gingen kamperen.’ ***
     Oh, dat kamperen! Bij ons in de buurt wordt weinig gekampeerd voor schoolpoorten, maar ik zie dat wel eens op de televisie. Ouders trekken enkele dagen voor de inschrijvingen beginnen, naar de schoolpoort, om zeker bij de eersten te zijn als die eindelijk opengaat. Er worden strandstoelen, stroken plastiek, en grote paraplu’s aangesleept. Onder een sombere lucht worden tentjes opgezet. Er wordt hete soep rondgedeeld. Ik vind dat hartverwarmend.**** Dat zijn dus allemaal ouders die de ellende van de kou, en de verveling van het wachten, ondergaan om hun kind toch maar te kunnen inschrijven aan de school waarvan ze denken dat het de meest geschikte is. Zulke mensen verdienen die inschrijving, vind ik. En als directeur zou ik zulke ouders aan het hart drukken, liever dan iemand die mijn school misschien als vijfde keuze op een formulier heeft aangeduid.
     Maar, zal de lezer opwerpen, wat doe je dan met de kritiek van Naegels? Bestaan die kampeerders immers niet uit rijke, goed opgeleide, blanke ouders, wat dan weer leidt tot elitescholen met allemaal blanke rijkeluiskinderen? Dat schijnt nogal mee te vallen. Een ex-kampeerster antwoordde op Facebook dat in háár rij zeker een derde niet blank was. Ook moet je voor dat kamperen geen dure campingkaart kopen zoals op toeristische plaatsen, en zijn er geen andere speciale kosten die kleinverdieners kunnen afschrikken. En in de scholen zelf waartoe de kampeerders toegang hebben afgedwongen, blijkt de sociale samenstelling achteraf niet zo homogeen blank en rijk als Naegels had gevreesd.
     Toch geloof ik dat Naegels een beetje gelijk heeft. De scholen die niet meedoen met het centrale systeem zullen wellicht iets blankere, iets rijkere en vooral iets beter opgeleide ouders aantrekken. Het tegendeel zou me verwonderen. Het zijn vaak goed opgeleide mensen die het meest gemotiveerd zijn om hun kinderen diezelfde goede opleiding te laten genieten. En die goed opgeleide mensen hebben vaker een hoog inkomen en zijn wellicht ook vaker blank. Zeker, veel laagopgeleide en allochtone ouders zullen er ook alles aan doen om hun kinderen de best mogelijke opleiding te bezorgen. Maar het zou me verwonderen als de aandacht voor opleiding precies evenredig verdeeld zou zijn over de verschillende geledingen van de samenleving.
     Naegels heeft dus een beetje gelijk als hij meent dat voor de schoolpoort kamperen niet de beste garantie is voor een perfecte ‘sociale mix’. Maar dat is het ‘Meld  je aan’-systeem eigenlijk ook niet. Heel gemotiveerde ouders zullen desnoods alle scholen van Antwerpen bezoeken vóór zij hun lijstje van vijf voorkeurscholen opstellen*****, of desnoods uitwijken naar andere gemeenten, terwijl minder gemotiveerde ouders misschien gewoon de vijf dichtstbijzijnde scholen invullen. En voor je het weet verwijder je je weer van de ideale school die, zoals Naegels dat verwoordt ‘een mooie sociaaleconomische dwarsdoorsnede van de Antwerpse bevolking’ vertoont. Zó’n school krijg je maar als je, zoals in zoveel andere landen gebeurt, elke keuzemogelijkheid voor ouders afschaft, en alle scholen van alle gemeenten in een centraal systeem betrekt. Dan kan een algoritme worden uitgewerkt waarbij elke school precies dezelfde sociale samenstelling heeft. Het ideaal van de vrije schoolkeuze wordt dan opgeofferd aan het ideaal van de schoolse gelijkheid. De concurrentie tussen de scholen verdwijnt, verschillen in pedagogische projecten worden onbelangrijk, verschillen in schoolkwaliteit eveneens. Alle scholen zullen dan even goed zijn. Of even slecht.

*Ik begrijp niet goed hoe men kan garanderen dat je één van de vijf scholen toegewezen krijgt. Als bijvoorbeeld alle ouders de vijf zelfde scholen aanduiden, dan loopt het systeem toch in de soep?

** Naast ‘eerlijk’ is het aanmeldsysteem ook efficiënt. Je voorkomt ermee dat ouders hun leerlingen op meerdere scholen inschrijven om hun kansen open te houden. Vandaag gebeurt dat wel vaker, en het zorgt voor chaos bij het begin van het schooljaar.

*** Eigenlijk moet Naegels zich niet opwinden over de schooldirecties maar eerder over de ouders die door die schooldirecties op hun wenken worden bediend. Dat zijn dan ouders die, zoals ik, het academische niveau van een school belangijker vinden dan een correcte multiculturele samenstelling. Ik heb de indruk dat Naegels die twee minstens even belangrijk vindt. Net zoals hij er, misschien paradoxaal, van overtuigd is dat er geen verband bestaat tussen het academisch niveau van een school en het aantal allochtone leerlingen. Over dat laatste schreef ik al iets bij een vorige gelegenheid.

**** Sommige mensen worden boos dat die ouders ‘moeten’ kamperen, terwijl het fijne juist is dat ze dat vrijwillig doen. Misschien zijn die mensen wel een beetje jaloers op die kampeerders die zoveel over hebben voor de school van hun kinderen. Zoals ik een beetje jaloers ben op het idealisme van Tom Naegels die bij zijn schoolkeuze even begaan is met de opvoedkundige belangen van zijn eigen zoon als met die van de allochtone buurjongen. 

***** Naegels bijvoorbeeld schijnt dat van plan te zijn.