vrijdag 27 januari 2023

In memoriam Wim Liekens - Na het fatale fietsongeluk ...


     In De Morgen beschrijft oud-leerling Jeroen Maris hoe hij Wim Liekens gekend heeft: als meneer Liekens, die hij na al die jaren nog altijd geen ‘Wim’ kan noemen, als iemand die je kon vervoegen, maar niet verbuigen, als iemand die geestdriftig kon zwaaien met bundels papier, als iemand die milde rebellie even noodzakelijk vond als ijver en plichtsbesef, als iemand die zijn leerlingen kon bekijken met geamuseerde verbazing, maar die ook 
mooi ontgoocheld kon zijn. 
      Leerlingen hebben graag, geloof ik, dat er een mens vooraan staat in de klas, of misschien zelfs een Mensch zoals New-Yorkers zeggen, zeker als ze van Joodse komaf zijn. Wim was dat, een Mensch, en ik denk zelfs dat hij daar trots op was, hoezeer hij anders bescheidenheid hoogachtte en betrachtte, en hoezeer hij ook eigenwaan verfoeide.
    Toen ik aan het Sint-Ursula-Instituut begon les te geven was ik tien jaar ouder dan Wim, maar hij had op mij tien jaar anciënniteit voor. Hij was al, zoals dat in directeursjargon heet, een ‘gewaardeerde collega’. Wij wisselden voor het eerst enkele woorden in het fotokopielokaal. Hij was Griekse teksten aan het kopiëren, uit de Illias, die, zei hij, op hem meer indruk maakte dan de Odyssee, vanwege het ‘massieve’. Ha, dacht ik, een leraar die zich voor zijn vak interesseert. Wat later kwam ik Wim tegen in de bibliotheek van Mechelen, aan het snuisteren in kunstboeken met natuurschilderijen. ‘Op zoek naar illustraties voor een les over de locus amoenus?’ vroeg ik. Ha, dacht hij wellicht, een leraar die zich voor mijn vak interesseert.
    Wim was in die tijd erg begaan met medezeggenschap en inspraak en lerarenparticipatie. Ik lachte hem daarvoor een beetje uit. ‘Nog aan het participeren, Wim?’ vroeg ik wel eens. Later werd ik zelf in dat participatienet gevangen en vonden wij elkaar in onze afkeer van de pedagogische nieuwlichterij waar we op personeelsvergaderingen mee om de oren werden geslagen. Bij mij gaf die afkeer aanleiding tot theoretische redeneringen, bij Wim was het meer een viscerale afkeer, maar we kwamen tot dezelfde conclusies en waren uren bezig met vergaderen en telefoneren over die belangrijke vraag die ook Lenin zich stelde: ‘Wat kunnen we eraan doen?’ Wij zijn ongeveer allebei op hetzelfde moment gestopt met ons druk te maken.
     Wij verschilden nogal van elkaar, als leraar en als collega. Ik stond, behalve als ik lachte, met een stuurs gezicht voor de klas. Wim had, zoals een leerling van hem dichtte, ‘de grootste glimlach van de klas’. Ik zag mijn klassen eerder als een geheel, Wim zag in elke klas een verzameling van individuen. Hij kon zich verschrikkelijk ergeren aan het gedrag van een leerling, maar evengoed kon hij verschrikkelijk enthousiast zijn als een leerling iets goed deed. Als een van zijn leerlingen een vertaalprijs won, stond hij – letterlijk, heb ik horen vertellen door zo’n leerling – te springen van vreugde. Als een andere van zijn leerlingen door een moeilijke periode ging, ging hij met die leerling lange gesprekken aan. Ook was hij niet, zoals ik, dwangmatig bezig met een eenmaal voorgenomen programma af te werken. Hij vertelde wel eens trots dat hij een hele les lang geen les had gegeven, maar een ‘zinrijk’ gesprek had gevoerd met zijn leerlingen. Ik zou zoiets nooit hebben gedaan. Vijf minuutjes, misschien. 
     In de lerarenkamer zocht ik altijd het gezelschap op van dezelfde collega’s, en bij een happy hour na het werk, maakte ik mij snel uit de voeten. Wim was daarin helemaal anders. Bij zo’n happy hour trok hij, als een ware dorpsburgemeester – hij had een scoutsverleden – van groepje tot groepje en van tafeltje tot tafeltje, om met iedereen een praatje te slaan. Al had hij wel graag af en toe een exclusief mannengroepje rond zich, om eens flink te lullen en onzin te verkopen en dan luidruchtig te lachen. Maar dat maakte hem niet tot een vrouwenhater. Meer dan eens heb ik hem over een of andere collega bewonderend horen zuchten: ‘Wat een vrouw, Philippe! Wat een vrouw!’ Ik meen zelfs aan te voelen welke combinatie van eigenschappen en kleine gebreken zijn bewondering inspireerde.
     Wim was een man van veel interesses, wat hem tot een goed quizzer, én organisator van quiz-avonden, maakte: boeken lezen – hij was ook lid van een leesclub –, klassieke muziek beluisteren, Griekenlandreizen organiseren, teppeschieten in de tuin, wandel- en fietstochten uitstippelen. Vooral zijn gebetenheid om iets bij te leren was groot. Mijn zoon, die enkele jaren les van hem kreeg, vertelt dat hij bij een gerezen moeilijkheid een les kon onderbreken om gedurende vijf of tien minuten allerlei op te zoeken tot hij precies wist hoe de vork in de steel zat. Op een keer vroeg hij mij of ik wist wat ‘reincultuur’ was. Nee, dat wist ik niet. Ik was het woord wel eens tegengekomen, maar was te lui geweest om het te op te zoeken. Wij zijn dan samen twee, drie uur bezig geweest om de precieze betekenis van de term te achterhalen, met voldoende voorbeelden voor de verduidelijking. Daarna hebben we vaak tegen elkaar gezegd: ‘Een prachtig voorbeeld van reincultuur, nietwaar?’ of ‘Nee, beste collega, dat kun je écht geen reincultuur noemen.’
     Wim was ook een ware jongen van de streek.  Onze collega J-P is dat ook, maar Wim was het nog meer. Als we toevallig samen uit de fietstalling van de school kwamen, stelde hij mij altijd voor om een stukje samen te fietsen, waarbij hij iedere keer een andere route volgde. Hij kende elke straat, elk bos, elke helling, elk café. Van veel van zijn leerlingen kende hij de familiale achtergrond. Ook wist hij hij meestal hoe zijn leerlingen later terechtkwamen. Zelfs op dat vlak was hij mijn tegenpool.
     Maar we vonden elkaar in gemeenschappelijke interesses. Wij spraken graag over Bach, die we allebei bewonderden, maar Wim deed dat met meer kennis van zaken. Als hij iets vertelde over het Musikalisches Opfer, illustreerde hij dat door een paar maten te zingen – hij was ook koorzanger, een tenor geloof ik. Hij vond zichzelf niet erg muzikaal, want hij vergeleek zich met andere leden van zijn gezin en familie die op dat gebied nog meer uitblonken dan hijzelf. ‘Als die een glas horen breken,’ zei hij, ‘kunnen die zeggen welke noot dat is.’ Ik wist niet eens dat het geluid van een brekend glas eigenlijk een noot is. Hij had als volwassene piano geleerd en was door zijn leraren, zei hij spijtig, vooral geprezen geweest voor zijn vlijt en inzet. Dat is bij mij net zo, maar hij heeft uiteindelijk kleine fuga’s en driestemmige inventies in zijn vingers gekregen. Daar moet ik niet op hopen.
     Wim en ik hadden allebei interesse voor retoriek en vooral voor drogredenen. We gaven elkaar literatuurtips over dat onderwerp. Hij kwam me wel eens, terwijl hij vertalingen verbeterde, raad vragen over een subtiliteit van de Nederlandse grammatica. Als hij dan mijn uitleg gehoord had, was zijn besluit steevast: ‘Ik dacht al zoiets. Jouw uitleg gaat die leerling een punt kosten.’ Waardoor ik mij schuldig voelde. Omgekeerd citeerde ik tegenover hem wel eens een Latijns vers, omdat ik wist dat hij dan zou uitweiden over de grammaticale bijzonderheden ervan. Ik wist hoeveel plezier hij daaraan zou beleven. Zoals ik al zei: hij interesseerde zich voor zijn vak.
     En hij dus ook voor mijn vak. Spelen met Nederlands vond hij heerlijk. In zijn studententijd was hij op kamers geweest met een aantal gelijkgestemde geesten en die konden, vertelde hij, makkelijk een namiddag zoek maken met het vindingrijk verhaspelen van het ene na het andere cliché, of met het doen van de allereenvoudige mededelingen in de meest exotische woorden en in de meest vergezochte zinsconstructies.  Hij was, zoals ik, opgegroeid met de Kopstukken van Godfried Bomans en hij kon eruit citeren alsof het Tacitus was. Uit Tacitus citeren deed hij uiteraard ook, eraan toevoegend hoe heerlijk hij die ironie vond. ‘Cicero wiegt je in slaap,’ zei hij, maar ‘Tacitus houdt je wakker.’
     Wim heeft tien jaar langer lesgegeven dan ik en hij heeft dan ook meer zien veranderen dan ik, en meer onder die veranderingen geleden. Naast de pedagogische nieuwlichterij, waarin hij vooral verwaandheid zag, had hij de indruk dat de leerlingen zelf ook veranderden. Ze waren, vond hij, in de loop der jaren minder taalvaardig geworden. Ze konden misschien nog evengoed schrijven en vertalen, maar de subtiliteit van taalgevoel was een beetje verloren gegaan. Ze hadden het moeilijk om ironie van ernst te onderscheiden – misschien niet in een meme op sociale media – maar in een uitleg voor de klas. Hij had als jonge leraar niets leukers gevonden dan ernst en ironie te mengen of af te wisselen, en dan vast te stellen dat minstens een op de twee leerlingen aan het glimlachen was. Dat was de laatste jaren anders, en dat viel hem zwaar.
     Wim had, zoals ieder van ons, zijn demonen. Het minste dat je kunt zeggen is dat hij er anderen niet lastig mee viel. Hij kon lichtgeraakt zijn. Hij verdroeg moeilijk gezag van iemand die in zijn ogen dat gezag niet waard was of die er niet terughoudend mee omging. Maar hij kon zijn ergernissen met humor overstijgen. Op school wordt nog altijd gesproken over de ‘roze memo’, al moeten we toegeven dat Wim er zelf het vaakst over begon. t Was een initiatief geweest van Wim en enkele kompanen.
     Dat zat zo. De school gaf wekelijks een memo-boekje uit, en het gebeurde wel eens dat daar hoogdravende onzin stond. Hoe leuk was het dan toen we in ons laatje op een keer een rooskleurige memo vonden, met dezelfde lay-out als de officiële, maar waarin elke hoogdravendheid met zwier en vitriool – is dit eigenlijk een zeugma, Wim? – werd afgestraft. Er zijn denk ik maar drie of vier van die roze memo’s verschenen, maar zij zijn dieper in het geheugen gegrift dan de vele honderden andere. Wim vatte de wijsheid van de roze memo’s ooit samen met de woorden: ‘Als je er niets aan kunt veranderen, dan kun je er ten minste eens goed mee lachen.’ ’t Is een variant van Epictetus’ stoïcijnse gedragsregel. Dat moet Wim geweten hebben. Het doorgeven van de stoïcijnse en epicurische wijsheid was een van zijn jaarlijkse betrachtingen. 
     Ik heb sinds mijn pensioen de gewoonte aangenomen om elke dinsdag of donderdag naar het café tegenover mijn oude school te fietsen. Rond de middag zie ik dan enkele collega’s van vroeger, soms op verschillende uren vanwege de verschillende lesroosters. Rond drie uur kwam Wim en dat was dan een gelegenheid om de oude onderwerpen weer eens aan te snijden: de pedagogische nieuwlichterij, de roze memo, drogredenen, taalclichés, de accusatief van betrekking, Tacitus, Bach, Bomans, Karel van het Reve (ik), Gerard Reve (Wim), de Illias versus de Odyssee, en reincultuur. En we brachten ook wel eens een nieuw onderwerp mee. De laatste keer had Wim Virginie Loveling meegebracht.
     Wim zal volgende week niets nieuws meebrengen. Ik zal de oude vertrouwde onderwerpen op mijn eentje moeten herkauwen. Maar je zult er in mijn gedachten bij zijn, Wim. 

dinsdag 24 januari 2023

Het verhaal van Vlaanderen


     Ik had nog zo gezworen om niets over Het verhaal van Vlaanderen te schrijven. Maar nu Reynebeau er zich mee gemoeid heeft … 
    Zelf vind ik het een goede reeks. Tom Waes is een boeiend verteller, zij het in tussentaal, de interviewtjes met specialisten zijn kort en leerrijk, er is een verscheidenheid aan interessante locaties, en de nagespeelde scènes, ach, die horen erbij; ze brengen wat afwisseling, en voor zo’n pedagogische stukjes gebruik je niet dezelfde normen als voor een Hollywoodfilm.
    Wat mij het meeste bevalt is dat de makers nauwgezet de regel volgen die ik aan mijn leerlingen meegaf als ze een presentatie moesten geven: vertel veel over weinig in plaats van weinig over veel. Je moet als je voor een publiek over Tolstoj spreekt niet alles willen vertellen over die auteur: hoeveel broers en zussen hij had, waar hij naar school ging, wat hij studeerde aan de universiteit, welke schrijvers hij bewonderde, hoe vaak hij verhuisde, welke reizen hij ondernam, met wie hij allemaal bevriend is geweest, hoeveel talen hij sprak, hoeveel uur per dag hij piano speelde. Geef vooral geen lijst van al zijn boeken. 
     Als je van alles aanraakt zonder uit te werken, zei ik aan mijn leerlingen, klink je als een encyclopedie. Je geeft een opsomming, die misschien interessant is om te lezen, maar niet om te beluisteren. Kies een aantal thema’s eruit, geef daar de krachtlijnen van aan, stel het wat simpeler voor, overdrijf een beetje maar doe daar ironisch over, herhaal alles een paar keer met andere woorden – hier bracht ik de woorden ‘parafrase’ en ‘redundantie’ aan – en tenslotte: zoek anekdotes die met je gekozen thema’s te maken hebben.
     En verdorie: Tom Waes doet dat allemaal. Ik ben erg tevreden 
     Het is begrijpelijk dat gevormde historici minder tevreden zijn. Die Waes komt op hun terrein en vertelt, in de woorden van Marc Reynebeau, maar het ‘halve verhaal’. Of eigenlijk, een tiende of een honderdste, of een duizendste van het verhaal. En dat kiest maar raak. Tientallen minuten over Judith van Vlaanderen en bijvoorbeeld geen woord over Karel de Grote. Zelf vond ik dat fijn, want over Karel de Grote weet ik genoeg vind ik, maar als je toevallig gedoctoreerd hebt op de Karolingische renaissance, kun je moeilijk de neiging onderdrukken om je vinger op te steken als het over de 8ste en 9de eeuw gaat.
    Op het eerste gezicht is dat ook wat Reynebeau doet: een ellenlange opsomming van wat in de vierde aflevering – die over de Guldensporenslag – niet aan bod kwam: de Duitse keizer, de Luikse prins-bisschop, de slag bij Woeringen, het Charter van Kortenberg, de feodale rechten van de Franse koning, de rol van de Gentenaars in de Guldensporenslag, het ontstaan van de Zuidelijke Nederlanden*. Als dat allemaal wél ter sprake was gekomen, zou de aflevering natuurlijk vijf keer zo lang geworden zijn, maar laten we hier enig begrip opbrengen en het gezeur toeschrijven aan de beroepsmisvorming van de historicus.
     Het ware fijn geweest had Reynebeau ook enig begrip opgebracht voor de beroepsmisvorming van een entertainer als Tom Waes. Maar helaas, zo zit Reynebeau niet in elkaar. Hij ruikt boos opzet. De reeks is ‘tot nu toe erg eenzijdig en onvolledig. Maar allicht is dat geen toeval.’ Nee, in geborneerde linkse en rechtse kringen is niets ‘toeval’. Reynebeau’s belangrijkste argument luidt als volgt:  ‘Tot nu toe heeft de reeks het uitsluitend over … het oude graafschap Vlaanderen … Over het hertogdom Brabant en het Land van Loon (Limburg), viel tot in de vierde aflevering geen woord.’ Dit verwijt ben ik ook bij veel anderen tegengekomen.
     Ik vind dat verwijt onrechtvaardig, want het gaat niet om vier afleveringen maar slechts om twee. Bij de aflevering over de IJstijd en die over de Romeinen deden het hertogdom Brabant en het land van Loon even weinig terzake als het graafschap Vlaanderen. En de twee overblijvende afleveringen, die de 7de tot de 13de eeuw behandelden, ja, daar ging het inderdaad vooral over het graafschap Vlaanderen. Dat was in de geschiedenisles die ik kreeg van meester Bernard niet anders. Vanaf de 14de eeuw ging het bijna nooit meer over het graafschap, en ik voorspel dat het bij Waes net zo zal gaan.
    Reynebeau ziet dat anders en het strekt hem tot eer dat hij het wijdverbeide verwijt ondubbelzinnig verwoordt. ‘Aangezien het toch alleen over het graafschap gaat … kan de serie het onbelemmerd over ‘Vlaanderen’ en ‘de Vlamingen’ hebben. Die nomenclatuur past bij de identiteitspolitieke framing van de serie, die sterk wordt gepromoot door de Vlaams-nationalistische sponsors ervan in de Vlaamse regering. De reeks wordt zo een schoolvoorbeeld van wat de Britse socioloog Michael Billig als ‘banaal ­nationalisme’ muntte.’
     Hoe mooi is dat? Men kiest met opzet gebeurtenissen die zich in West- en Oost-Vlaanderen afspelen omdat men dan de woorden ‘Vlaanderen’ en ‘Vlamingen’ kan gebruiken. Ik zie zo voor mij hoe het is gegaan. Tom Waes komt bij Jan Jambon zijn plannen voorleggen? ‘Waar zal die vierde aflevering over gaan?’ vraagt Jambon. ‘Over de slag bij Woeringen’, antwoordt Waes, ‘met Jan I in de glansrol. Ik dacht zo, die heet ook Jan, dat zal u als sponsor wel zou bevallen.’ ‘Nee, nee, nee!’ antwoordt Jambon. ‘Het gaat niet om mij. Het gaat om Vlaanderen. Bij die slag van Woeringen moet je voortdurend zeggen, die Brababanders deden dit, en die Limburgers deden dat. Daarmee komen we er niet. Ik wil de woorden ‘Vlamingen’ en ‘Vlaanderen’ horen. Dus Oost-Vlaanderen en West-Vlaanderen, begrepen? En doe maar vooral West-Vlaanderen voor de zekerheid.’ Waes kijkt beteuterd. En hij denkt vooruit: ‘Hoe moeten we dat dan doen als we aan de aflevering komen over de Brabantse Omwenteling?’ ‘Ja, dat zien we dan wel,’ antwoordt Jambon. ‘Lees ondertussen maar eens wat de Britse socioloog Michael Billig schrijft over hoe je banaal nationalisme aan de man brengt.’ Mooi, mooi, mooi.
     Ook mooi is dat Reynebeau de makers van de serie een gebrek aan durf verwijt. De serie is niet ‘dapper’ genoeg om historische ‘mythen te onmaskeren’. Neem bijvoorbeeld Jan Breydel. Ik weet al heel lang dat die bij wijze van spreken niet bestaan heeft. Hij is grotendeels een mythische figuur, verzonnen en geromantiseerd door Hendrik Conscience. Wat doet Het verhaal van Vlaanderen? Ze zwijgen erover. Waarom zouden ze een figuur opvoeren die niet heeft bestaan of die geen rol heeft gespeeld. En ’t is een slimme stunt, want iedereen zal de dag na de uitzending vragen: waar was Jan Breydel? De pret is verzekerd.
     Maar voor pret moet je niet bij Reynebeau zijn. ‘Over Jan Breydel valt geen woord. Dat het programma het niet kan opbrengen om te vertellen dat zijn rol allicht is verzonnen, is een zwaktebod.’ Dat is wel heel streng. Je moet dus niet alleen de helft van de vierde aflevering aan de slag van Woeringen afstaan, je moet ook nog eens de helft van de overblijvende helft besteden aan rechtzetten van misvattingen, weerleggen van mythen, en uitleggen waarom personen die niet bestaan hebben geen plaats hebben gekregen in de aflevering. 
     Goed, ieder zijn meug, en een ontmaskering op zijn tijd is fijn. Maar je kunt met zulke ontmaskeringen ook flink zeuren hoor**. Ik herinner mij een uitzending met Geert Hoste over de Guldensporenslag en het boek van Conscience daarover. Er waren collega’s die dat in de klas lieten zien als commentaar bij De leeuw van Vlaanderen. De uitleg van Hoste was saai, betweterig, pompeus, platvloers, en onnauwkeurig. Geef mij dan maar Waes. De eerste twee gebreken heeft hij niet, en de drie andere in veel mindere mate.

 

* Waarom die Zuidelijke Nederlanden van 300 jaar later in een uitzending over de 13de/14de eeuw aan bod moesten komen is mij niet geheel duidelijk. Beter had Reynebeau, die ook goed thuis is in Dante (zie mijn stukje hier) geëist dat de partijenstrijd in Italië tussen Ghibellijnen en Welfen, en tussen Zwarte en Witte Welfen, in de reeks werd behandeld. Was Dante, als Witte Welf, geen sympathisant van de Vlaamse Groeningestrijders, zoals blijkt uit Purgatorio XX, 46-47, waar hij, zogezegd in 1300, voorspelt wat er in 1302 te gebeuren staat.

Ma se Doagio, Lilla, Guanto e Bruggia

potesser, tosto ne saria vendetta;

Maar als Douwai, Gent, Brugge en Lille konden

dan zouden zij zich weldra wreken. (Op de Franse koning wel te verstaan).


** Ik heb geloof ik als leraar meer mythes doorgegeven dan ontmaskerd.

zondag 22 januari 2023

Oekraïne en het would-be realisme van Tom Sauer


    
 Tom Sauer – ik weet bij zo’n naam niet waar ik eerst aan denk: Tom Sawyer* of sauerkraut – is Hoogleraar internationale politiek aan de universiteit van Antwerpen. Vorige week schreef hij een opiniestuk in De Standaard waarin hij zijn hoop uitsprak dat Oekraïne voor Poetin zou capituleren. Hij koos zijn woorden voorzichtig, maar daar kwam het op neer. Op de DeWereldMorgen.be – een nogal PVDA-achtige site – werd hij uitgebreid geprezen voor zijn ‘dissonante stem’ en zijn ‘gedetailleerde’ uiteenzetting.
     Sauer lijkt in zijn stuk dezelfde kant uit te gaan als de Amerikaanse geleerde John Mearsheimer, die net als Sauer, een bovengemiddeld begrip heeft voor Poetin en Westerse provocaties als verklaring voor diens agressie ziet. Sauer citeert zelfs een van Mearsheimers metaforen om de Oekraïne-oorlog te duiden: ‘Als een kleine aap met een stok in de ogen van een grote gorilla peutert, moet dat aapje niet schrikken wanneer het een serieuze mep terugkrijgt.’ Sauer wil het conflict benaderen met een ‘nuchtere kijk’. Hij wil de ‘emoties en waarden’ er buiten houden, want ‘zo werkt het niet in de internationale politiek … Als puntje bij paaltje komt, gaat het voor elke staat om de eigen veiligheid en macht.’ 
    Mearsheimer heeft met zijn boeken over internationale politiek en oorlog een diepe indruk op mij gemaakt door zijn solide uitgangspunt, zijn afgewogen argumenten, en vooral door de foutloze logica waarmee hij doorredeneert tot de bittere eindconclusie. Dat is bij Sauer allemaal wat minder.  Hij wil, schrijft hij, dat het Westen zich niet laat leiden door ‘emoties en waarden’, maar heeft het ondertussen wel graag over Poetin die zich ‘vernederd en genegeerd’ voelt en die nogal gemakkelijk in ‘woede’ ontsteekt. Zijn dat dat geen ‘emoties’? Of zijn het alleen de ‘emoties en waarden’ van het Westen die wij tussen haakjes moeten zetten?  En wat moet ik aan met Sauers pleidooi voor Westerse ‘empathie’ voor Rusland. Dicteert het realisme niet om vooral ‘empathie’ te hebben voor  onze ‘eigen veiligheid en macht’? Ik zal niet beweren dat wederzijdse empathie geen rol moet spelen in diplomatie, maar in Poetin heeft het Westen, geloof ik, een tegenstander die in deze eigenschap althans niet uitblinkt.
     Sauer wil het ‘dominante oorlogsnarratief’ ondergraven als zou Poetin de ‘enige schuldige’ zijn. Minstens even zwaar weegt voor Sauer de manier waarop het Westen zich heeft gedragen na de Koude Oorlog. Het Westen heeft Rusland onheus behandeld en Rusland heeft daarop gereageerd. Of die voorstelling juist is, weet ik niet. Steven Van Hecke van de KU Leuven, toont in zijn antwoord in De Standaard aan dat zo’n voorstelling minstens eenzijdig is.
    Een leek als ik, moet zich in zo’n feitendiscussie niet moeien. Ik wil echter wel wijzen op twee zwakheden terzake in het betoog van Sauer zelf. In een poging om de schuld te verdelen, schetst Sauer de zonden van beide partijen. De zwaarste zonde aan Westerse kant is dat George W. Bush in 2008, tegen mondelinge beloften in, aan Oekraïne en Georgië toezegde dat ze, als ze dat wilden, lid konden worden van de Navo. De zwaarste zonde aan Russische kant was dat de grootmacht een bloedige oorlog voerde in Georgië, massaal militair infiltreerde in Oost-Oekraïne, de Krim annexeerde, en ten slotte Oekraïne binnenviel, oprukte naar Kiev en het Oosten annexeerde. Het minste dat we hier kunnen zeggen dat Sauer er in zijn eigen schets niet helemaal in geslaagd is om de schuld gelijk te verdelen over de partijen.
     Een tweede zwakheid gaat veel verder. Sauer verwijt het Westen dat ze bewust nagelaten heeft om na de Koude Oorlog, samen met Rusland, ‘een systeem van collectieve veiligheid uit te werken waarbij op gelijke voet samengewerkt wordt’ en waarbij ‘het klassieke machtspel van bufferstaten en invloedssferen’ overstegen wordt. Kijk, zo’n zinnetje illustreert het verschil tussen Sauer en een échte realist als Mearsheimer. Het heeft geen zin je te beroepen op ‘nuchtere’ vaststelling dat ‘er geen wereldregering bestaat’ en dat grootmachten ‘hun eigen macht en veiligheid nastreven’, als je in een andere alinea de illusie aanhangt dat diezelfde grootmachten toch een of andere ‘federatie voor de vrede’ kunnen oprichten. Mearsheimer toont nogal overtuigend aan dat staten en grootmachten geen vredesfederaties aangaan, maar bondgenootschappen, opzegbare bondgenootschappen, die geen vredesgarantie inhouden maar die gericht zijn tegen een gemeenschappelijke vijand. Tegen welke gemeenschappelijke vijand hadden het Westen en Rusland zich na de Koude Oorlog moeten verenigen? Tegen China? Dan had Sauer dat er wel even bij mogen vermelden.
     Er zit ook een sterk punt in de redenering van Sauer. Hij schrijft dat Poetin bezorgd is om de veiligheid van zijn land. Dat is juist. Poetin zag dat de Russische bufferzone na de Koude Oorlog afbrokkelde en dat die van het Westen groter werd. Zelf ga ik ervan uit dat de Baltische staten, Polen, Hongarije, enzovoort niet als springplank zullen worden gebruikt om een agressie-oorlog tegen Rusland te beginnen, maar ik kan daar geen garanties voor geven. En Poetin heeft die garanties al helemaal niet. Het is dus begrijpelijk dat hij graag een zo groot mogelijke bufferzone heeft. Maar dezelfde redenering geldt ook voor het Westen. Welke garanties heeft het Westen eigenlijk dat het in de toekomst niet het slachtoffer wordt van een Russische agressie? Maar één: de zwakte van Rusland. Vanuit die redenering heeft het Westen alle redenen om Rusland zwak te houden en diens oude bondgenoten los te weken uit de vroegere invloedssfeer.
     Dat het Westen na de Koude Oorlog een foutloos parcours heeft afgelegd, durf ik niet beweren. Ik weet dat niet. Misschien hadden de Westerse landen vriendelijker moeten zijn tegen Rusland. Misschien ook hadden ze juist waakzamer en fermer moeten zijn. Sauer citeert een hele reeks autoriteiten uit de diplomatieke wereld die de eerste stelling aanhangen: Condoleeza Rice, Henry Kissinger, George Kennan, William Burns. Hij heeft dat recht. Maar als argument is het niet sterk, aangezien in zo’n controversiële materie gemakkelijk voldoende autoriteiten te vinden zijn die ongeveer het tegenovergestelde beweren. Bovendien nodigt zoiets uit tot cherrypicking: je haalt Kissinger aan op een punt waar je het met hem mee eens bent; ben je het niet met hem eens, dan wijk je uit naar Kennan.
     Het hoogtepunt van zijn argumentatie bereikt Sauer als hij de mogelijke afloop van het conflict beschrijft. De oorlog kan eindigen met een Oekraïense miltaire overwinning, met een Russische miltaire overwinning, met onderhandelingen of met een totale kernoorlog. Een ander scenario, dat van een aanslepend conflict met een uiteindelijke terugtrekking – zoals in de Vietnam-oorlog en de twee Afghaanse oorlogen – brengt Sauer niet ter sprake. Maar ik volg even zijn logica.
     Een militaire overwinning van de Oekraïners vindt Sauer niet waarschijnlijk. Hij citeert een Oekraïnse topgeneraal die verklaart de oorlog te kunnen winnen als hij 300 tanks krijgt, 700 infanteriegevechtsvoertuigen en 500 Houwitsers. Sauer lijkt dat onmogelijk te vinden. 300 tanks, dat is meer dan wat de meeste Europese legers hebben, citeert hij een journalist van The Economist. Ik zou dat argument eerder omdraaien. Als Frankrijk 400 tanks heeft in vredestijd, dan zie ik niet in waarom we in oorlogstijd geen 300 tanks zouden kunnen leveren aan Oekraïne. De vraag is echter: hoeveel tanks zullen de Russen daartegenover kunnen stellen? En de vraag is natuurlijk ook of we topgeneraals moeten geloven, of het nu Oekraïeners of Russen zijn?
     Een militaire overwinning van de Russen vindt Sauer al waarschijnlijker omdat Rusland ‘machtiger is dan Oekraïne in termen van aantal militairen, economie, grondstoffen en wapenindustrie.’ Bovendien is Rusland meer gemotiveerd dan het Westen om de oorlog te winnen gezien de grotere geografische en historische betrokkenheid. Dat laatste is zeker waar. Maar de betrokkenheid van de Oekraïners is nog groter, en die maakt het gebrek van Westerse motivatie zeker ten dele goed.
     Bij de onderhandelingen wordt het interessant. Sauer vindt dat Oekraïne moet toegeven aan de Russische eisen ook al zijn die niet helemaal ‘fair’. Het land moet dus beloven om geen Navo-lid te worden, om te verzaken aan de daaruit volgende bescherming, en om de Krim en de oostelijke gebieden voorgoed in Russische handen te laten. Op welke Russische toegevingen mogen ze hopen: ‘een iets kleiner soeverein land, waarschijnlijk zelfs met dezelfde leider.’ Ben ik nu stout als ik dat herformuleer als ‘een vazalstaat met eventueel Zelensky als president van een Vichy-regering?’ 
     Veronderstel nu even dat ik inderdaad stout ben en overdrijf, en dat Oekraïne na zulke onderhandelingen soeverein blijft, behalve in zijn keuze van militaire bondgenootschappen. Dat de Oekraïeners zich economisch mogen oriënteren op het Westen. Dat ze hun eigen leger onbeperkt mogen uitbouwen. Dat ze een cultureel beleid mogen voeren naar eigen smaak. Dat ze mogen optreden tegen Russische bemoeienissen bij de verkiezingen. Dat hun media berichten mogen publiceren die niet vriendelijk zijn voor Rusland. Dat lijkt mij allemaal redelijk. Maar wie garandeert dat Poetin, of zijn opvolger, het akkoord respecteert en niet opnieuw militair ingrijpt om Oekraïne nog dichter aan zich te binden of gewoon helemaal te annexeren, naar het roemrijke voorbeeld van de Russische tsaren? Die garantie zal dan in elk geval niet komen van de bittere les die de Russen uit een militair-diplomatieke nederlaag hadden kunnen trekken**. 
    Eigenlijk heeft Sauer maar drie argumenten voor zijn capitulatiepolitiek, en die hebben geen van alle veel uitstaans met nuchter realisme. Het eerste is de onuitgesproken hoop dat Rusland zich bij en na het beëindigen van het conflict redelijk zal opstellen en geen verdere expansionistische plannen heeft dan de Krim en Oost-Oekraïne. Het tweede is het humanitaire argument: hoe sneller Oekraïne capituleert – bijvoorbeeld omdat Westerse wapenleveringen achterblijven – hoe sneller er een einde komt aan de ramp met ‘tienduizenden doden en gewonden, miljoenen vluchtelingen, voedsel­tekorten’ enzovoort. Daar valt niets tegen in te brengen, behalve dat veel Oekraïners een andere afweging maken. Hier hebben we wat Mearsheimer noemt een meningsverschil over ‘first principles’ en zo’n meningsverschil, zegt Mearsheimer, is onoverbrugbaar.
     Blijft het argument van de kans op een totale kernoorlog die Poetin zou kunnen starten als Oekraïne, dankzij Westerse steun, op een overwinning zou afstevenen. Ook dat is een valabele afweging. Het houdt in dat Poetin als het erop aankomt een onberekenbare zot is die het voortbestaan van zijn land ondergeschikt maakt aan zijn onbereikbare droom. Maar juist die hypothese heeft Sauer met klem verworpen. Poetin is volgens hem ‘helemaal niet zot of ziek’, en ik denk dat hij daarin gelijk heeft. 
     Mearsheimer sluit niet uit dat een zot ooit in staat zou zijn om een totale kernoorlog te starten, maar hij acht het, om realistische redenen, weinig waarschijnlijk. Hoe weinig waarschijnlijk, dat valt niet te voorspellen. Maar als ook de allerkleinste kans op een kernoorlog een reden voor capitulatie is, dan moeten de Russen in Oekraïne inderdaad hun zin krijgen. Willen ze morgen Moldavië innemen, dan moet dat om dezelfde reden worden toegestaan. Willen ze de Baltische staten, idem. Willen ze Finland, idem. Willen ze alle vroegere Oostbloklanden, idem. En willen ze West-Europa er ook nog eens bij? Tja, ook idem. Volgens de logica van Mearsheimers realisme zouden de Russische ambities pas stoppen aan de Atlantische Oceaan. Zijn ze daar eens aanbeland, dan kunnen de Russen zich eindelijk veilig voelen, beschermd en tegengehouden door de ‘stopping power of large bodies of water’.

 

* Tom Sawyer is de jeugdige held in een roman van Mark Twain. Die Tom  heeft de wereld een fameuze manipulatietruc geschonken. Hij moest van zijn tante het tuinhek schilderen, een hoogst vervelende klus. Hij ging echter te werk alsof het zo’n interessant werk was, dat voorbijkomende vriendjes smeekten, en ten slotte betaalden, om het werk te mogen overnemen. Zo ook lijkt Tom Sauer te geloven dat de Russische interesse in Oekraïne alleen komt doordat het Westen zich voor Oekraïne interesseerde. Geopolitiek is dat een juiste redenering, maar het is tegelijk een onderschatting van het eeuwenoude Groot-Russische nationalisme dat niet alleen geopolitiek maar ook ideologisch is. Overigens heeft de hele geopolitieke analyse niet veel zin als de factor van nationalisme niet in rekening wordt gebracht.


** Om eerlijk te zijn, Poetin lijkt mij niet het type dat zich van lessen veel aantrekt. Hij volgt zijn eigen agenda, onder het motto: In defeat, malice. In victory, revenge. Maar dan in het Russisch.

woensdag 18 januari 2023

Ben Weyts en het Nederlands van de kleuters


   Ben Weyts heeft in wezen gelijk over de ouderlijke verantwoordelijkheid bij de taalontwikkeling van hun kinderen. In mijn lessen over taalontwikkeling stelde ik mijn leerlingen gerust: ze konden niet veel fout doen. Als ze babytaal spraken tegen hun kinderen, zoals moeders vaak doen, dan was dat goed; spraken ze volwassenentaal, zoals vaders vaak doen, dan was dat ook goed. Spraken ze weinig, dan was dat genoeg; spraken ze veel, dan was dat nog beter. Alleen moesten ze ervoor zorgen dat de radio en televisie niet de hele dag aanstonden, zodat de baby’s en peuters woorden en zinnen konden horen zonder andere stemmen als chaotisch achtergrondgeluid.
     Maar Weyts verwees natuurlijk naar de bijzondere situatie van migrantenkinderen die, na de schooluren, geen Nederlands meer te horen krijgen. Mijn Facebookvriend Simon Gelten vat het zo samen: ‘Veel leerlingen waarover het nu gaat, groeien op in een gezin waarvan de ouders nauwelijks Nederlands spreken, ongeletterd zijn, en in veel gevallen ook nog een taal spreken (Tamazight/Berbers) die slechts beperkt op schrift is gezet. Ze groeien dus op in een linguïstische chaos, thuis Berbers en op school Nederlands, terwijl het Arabisch via de satelietzenders binnenkomt. Op straat wordt vaak onderling een soort mengtaaltje gehanteerd. Dat die situatie verre van ideaal is, zal wel duidelijk zijn. Ik begrijp dat men daar vanuit de politiek iets aan wil doen.’
     De vraag is alleen: wát kan de politiek hieraan doen? Mijn antwoord is: weinig. Het voorstel van Weyts om met financiële sancties te dreigen is geloof ik geen oplossing om veel redenen: politieke onhaalbaarheid, praktische onuitvoerbaarheid, bedenkelijke ethiek en voorspelbare ondoeltreffendheid. Ik had daar oorspronkelijk nog willen aan toevoegen: juridische onmogelijkheid, maar dat klopt niet helemaal. 
    Het balonnetje van Weyts wordt vaak voorgesteld als een voorstel om te snoeien in het ‘groeipakket’, het vroegere kindergeld, en dat is inderdaad juridisch bijna onmogelijk. Het groeipakket is een onvoorwaardelijk recht voor elk kind dat voor minstens 3 maanden verblijfsrecht heeft in ons land. Maar het gaat in het voorstel van Weyts om iets anders: de schooltoeslag. Dat is een soort studiebeurs voor kleuters en kinderen uit gezinnen met lage inkomens. Die toeslag bedraagt 108 euro voor de kleuterschool en tussen 125 en 253 euro voor de lagere school. Daar zijn echter wél voorwaarden aan verbonden, zoals een pedagogisch engagement van de ouders. Een kind dat vaak afwezig is, verliest het recht op schooltoeslag voor het daaropvolgende jaar. Juridisch moet het mogelijk zijn om door nieuwe wetgeving strengere voorwaarden op te leggen.
     Maar mijn andere bezwaren tegen het voorstel-Weyts blijven. De politieke onhaalbaarheid is het makkelijkst om vast te stellen. CD&V, Open-Vld, Vooruit en Groen hebben zich onmiddellijk tegen het voorstel uitgesproken, en echt veel instemming van N-VA-kant heb ik nog niet gezien. 
     Bij de praktische onuitvoerbaarheid denk ik aan het lijstje dat Koen Daniëls, partijgenoot van Ben Weyts, opgesteld heeft –  een lijstje met voorstellen hoe ouders hun kind kunnen helpen met de taalontwikkeling van het kind. De ouders kunnen 
  •       interesse tonen in het Nederlands*
  •       met hun kind Nederlands oefenen 
  •       ingaan op schoolinitiatieven om het Nederlands te verbeteren
  •       Ketnet opzetten op tv 
  •       hun kind naar een Nederlandstalige sportclub, jeugdbeweging of jeugdhuis sturen 
  •       hun kind meenemen naar de bibliotheek 
  •       hun kind inschrijven in zomerscholen.
     Ik vind dat één voor één prachtige voorstellen, maar ik zie niet in hoe men op een redelijke manier kan controleren en evalueren of ouders dat nu doen of niet. Daniëls maakt daarbij de typische fout dat hij het probleem eerst erg groot voorstelt en daarna weer onderschat als het op oplossingen aankomt. Eerst schrijft hij dat in sommige grootsteden 1 op 3 kleuters onvoldoende Nederlands kent om lager onderwijs te volgen. Maar wat verder schrijft hij: ‘Helaas is er een beperkte groep ouders die niet aan de zijde van leerkrachten en school het Nederlands mee stimuleert.’ Kijk, als het echt om een beperkte groep ging, dan zouden er geen problemen zijn met 1 op 3 kleuters in de grootsteden. In werkelijkheid gaat het om tienduizenden gezinnen waar geen van de hierboven vermelde voorstellen in de praktijk worden gebracht. Gaan we bij die tienduizenden gezinnen één voor één gaan controleren of Ketnet opstaat, dan een mondelinge waarschuwing geven, dan een schriftelijke, enzovoort? En hoeveel kinderen zullen dáárdoor beter Nederlands praten?
     Ethisch is het voorstel van Weyts te kaderen in het verhaal van rechten en plichten, en in dit geval van speciale rechten en speciale plichten. Ik weet dat dat een ethische formule is die voor velen aanvaardbaar is. Paul Collier, die ik in migratiemateries heel hoog inschat, redeneert ook binnen dat kader. De redenering gaat zo. Nieuwkomers en de kinderen van nieuwkomers hebben speciale noden, bijvoorbeeld taalontwikkeling. Die speciale noden creëren speciale rechten, namelijk dat de staat, langs de scholen, extra geld vrij maakt voor taalontwikkeling. Het nieuwkomerskind met taalproblemen wordt daardoor meer gesubsidieerd dan een ‘oudkomers’-kind zonder taalproblemen. Maar die speciale rechten, zo gaat de redenering verder, doen speciale plichten ontstaan. Een ‘oudkomer’ zoals ik kan zelf beslissen of hij zijn kind naar de jeugdbeweging stuurt, of naar de Simpsons laat kijken, of ermee op vakantie gaat naar New-York; de nieuwkomer daarentegen heeft de plicht zijn kind bij een jeugdbeweging in te schrijven, naar Ketnet te laten kijken, en naar een zomerschool sturen – waardoor de jaarlijkse vakantie naar Marokko niet kan doorgaan.
     De hierboven geschetste speciale rechten en plichten zijn op zichzelf, als een soort vrijwillige afspraken, als louter morele rechten en plichten dus, heel redelijk. Maar als ze een dwingend karakter, krijgen verliezen ze die redelijkheid**. Ik vind niet dat het migrantenkind een dwingend recht heeft op meer subsidie en speciale taallessen; ik zie wel het maatschappelijk nut van zo’n subsidie: hoe sneller de integratie via taal verloopt, hoe beter voor iedereen, en dus ook voor mij. Ik ben vóór die subsidie, niet omdat ze een afdwingbaar recht is, maar uit welbegrepen eigenbelang. 
     Omgekeerd heeft het weinig zin om tegenover een recht dat geen recht is een plicht te stellen die geen plicht is. Zijn de migrantenouders eigenlijk wel vragende partij voor de extra demarches die de school doet voor taal? Of worden die aan hen opgedrongen zonder dat ze erom gevraagd hebben? Als ze echt het recht op extra taalonderwijs opeisten, dan zou dat betekenen dat ze inzien dat die in hun eigen belang is en in dat van hun kind, en dan zouden ze niet op de voorstellen van Weyts en Daniels wachten om zelf, naar godsvrucht en vermogen, iets aan de taalontwikkeling van hun kinderen te doen. Maar dat inzicht ontbreekt, en dat probeert men op te vangen met een discours over plichten, dat dan ondersteund moet worden met sancties, zoals ‘rechten’ ondersteund worden met geld***. 
     Ik zou het ook zo kunnen zeggen: in deze materie zal dwang niet werken en preken niet helpen. De automatismen die aansluiten bij welbegrepen eigenbelang zullen langzaam, heel langzaam, moeten groeien. Ik voerde ooit een emaildiscussie met Sam Van Rooy van Vlaams Belang. Op een bepaald moment reed Sam mij klem met de vraag: ‘Geloof jij dan zo sterk in social engineering?’ Daar had hij mij goed te pakken. Nee, als ik eerlijk moet zijn, social engineering werkt niet, zeker niet op korte termijn, en al helemaal zeker niet als er een diepgaande culturele mentaliteitswijziging voor nodig is. Initiatieven als OKAN – onthaalklassen voor anderstalige nieuwkomers – werken goed als de integratiementaliteit op voorhand al aanwezig is bij ouders en kinderen, wat vaak het geval is. Maar in gezinnen waar men na drie generaties nog steeds de taal van het land van oorsprong spreekt, daar zit inzichtelijk en emotioneel iets fout dat niet snel zal veranderen. Daar ontbreekt het inzicht dat integratie noodzakelijk en wenselijk is. En die noodzaak en wenselijkheid worden des te minder aangevoeld als  immigratiegemeenschappen omvangrijk en expansief zijn. Waarom je integreren in de Vlaamse gemeenschap als je al geïntegreerd bent in je eigen grote gemeenschap? Waarom Nederlands leren als je dat niet nodig hebt in je gezin, bij je vrienden, op straat, en in een uitgestrekt gebied van wijken die bijna je hele leefwereld omvatten? 
    ’t Zou voor onze bestuurders een goede reden moeten zijn om de immigratiegemeenschappen niet verder te laten groeien en om nieuwe vluchtelingen- en gezinsherenigingsimmigratie veel, veel strenger te beperken. De demografische groei van de migrantengemeenschappen zal nog wel even verder gaan, waardoor het taalprobleem eerst nog zal toenemen voordat het kan afnemen. En daarna moeten we hopen dat de tijd zijn werk zal doen. Heeft het zin om nog meer geld investeren in Nederlands in de kleuterklas, in OKAN, in taalklassen enzovoort? Zeker, alle beetjes helpen. En heeft het zin om de migrantenouders te ‘sensibiliseren’ voor het probleem? Ach, het kan geen kwaad. Het gebaar telt ook.

 

* Het is niet voor iedereen weggelegd, maar ze zouden ‘interesse voor het Nederlands’ kunnen laten zien door zelf die taal zo goed en zo kwaad als het kan te leren. Linguïstisch zou dat voor de kinderen niet veel voordeel opleveren, maar wel emotioneel. Iedere leraar die Frans onderwijst, en a fortiori Duits, weet dat het vaak emotionele barrières zijn die leerlingen tegenhouden om zich op die talen toe te leggen.

** Er zijn veel minder problemen als het om gelijke (en niet: speciale) dwingende rechten en plichten gaat. Zie volgende voetnoot.

*** Er is een andere versie van het rechten-plichtendiscours mogelijk. Die zou inhouden dat de schooltoeslag een recht is dat slechts toegekend wordt na een examen zoals vroeger gebeurde met het Fonds van de Meestbegaafden. Alle kinderen uit lage-inkomensgezinnen zouden dan in dit geval een taalexamen moeten afleggen. Wie niet slaagt, krijgt de toeslag slechts op voorwaarden van een af te spreken parcours. Mijn ethisch bezwaar valt dan weg; mijn andere bezwaren blijven.  

maandag 16 januari 2023

Is winstzucht slecht?

 


    Een ervaren krantenlezer weet het antwoord al dat ik op de hierboven gestelde vraag zal geven. Hij kent intuïtief de ‘wet van Betteridge’ die stelt dat elke kop die eindigt met een vraagteken beantwoord wordt met het woord ‘nee’. Dat is dan ook mijn antwoord: nee, winstzicht – die ik in de rest van mijn stuk ‘winststreven’ noem – is niet slecht. In de film Wall Street is Gordon Gekko een schurk en een oplichter en hij vertelt baarlijke nonsens over politiek en economie, maar in zijn ‘Greed is good’-speech kan ik redelijk goed inkomen, ondanks de karikatuur die van de grondgedachte wordt gemaakt*.
     Op Facebook raak ik soms in discussie met mijn oude klasgenoot Filip D., die, in tegenstelling tot mijzelf, zijn marxistisch geloof trouw is gebleven. Hij stelt de vraag liefst in de volgende termen: ‘Ofwel heb je een economie in dienst van de winst, ofwel heb je een economie in dienst van de mensen.’ Ik voel een zekere weerzin om de verwoording in dienst van over te nemen, maar ik doe het hier voor de duidelijkheid toch, en dan beweer ik ferm: de beste manier om de economie in dienst van de mensen te stellen is om de bedrijven te laten werken in dienst van de winst. Er is geen tegenstelling tussen die twee.**
     Dat valt het makkelijkst te begrijpen als we over ‘de mensen’ als consumenten spreken. Er kunnen heel wat omwegen zijn, maar uiteindelijk kan er slechts winst worden gemaakt als er een klant is die voor een eindproduct of dienst wil betalen. Die klant moeten dus tevreden worden gehouden met goede kwaliteit en lage prijzen, anders gaat hij bij een concurrent zoeken wat hij denkt nodig te hebben. Tevreden klanten betekent winst, ontevreden klanten verlies. Meer zelfs: een ondernemer kan aan zijn winst ongeveer aflezen hoe tevreden zijn klant is. De winst doet dienst als barometer.
     Moeilijker wordt het als we ‘de mensen’ als producenten, en meer bepaald als werknemers, bekijken. Natuurlijk zijn die werknemers ook consument, en profiteren zij mee van het winststreven zoals ik dat hierboven heb geschetst. Maar als werknemer is er voor hen ook een andere kant. Hoe minder de eigenaar betaalt aan de werknemers – van arbeiders tot CEO – hoe groter de potentiële winst voor de eigenaar. Het winststreven kan dus, aan zichzelf overgelaten, leiden tot lagere lonen en slechtere arbeidsvoorwaarden. De werknemers moeten daar op een of andere manier tegen worden beschermd.
     Er zijn veel vormen van bescherming voorgesteld. De staat kan lonen en arbeidsomstandigheden reglementeren, de werknemers kunnen druk uitoefenen door vakbondsacties en stakingen, de economische wetenschap kan de werkgevers bijbrengen meer loon betalen zodat de werknemers in staat zijn om de producten van het eigen bedrijf te kopen. Die laatste ‘bescherming’ is de meest absurde, want een autofabrikant weet natuurlijk nooit of zijn werknemer zijn hoge loon wel aan een auto zal besteden, en niet aan een fiets en verre vliegtuigreizen. Maar ook de andere beschermingen lijken mij zwak. Wetten doen vaak niet meer dan de gewijzigde toestand vastleggen. Als er bijna geen kinderen meer werken, wordt kinderarbeid afgeschaft. En vakbondsacties zijn vooral succesvol als ze drijven op een sterke grondstroom***.
     Die grondstroom – die tegelijk de beste bescherming vormt – is het bestaan van een vrije arbeidsmarkt. Als een arbeider in de 19de eeuw door een ‘werkmansboekje’ niet de vrijheid had om van werk te veranderen, dan moest hij zich de laagst mogelijke lonen laten welgevallen. Maar als hij wel die vrijheid heeft, kan hij altijd op zoek gaan naar een werk waar de voorwaarden beter zijn, en doet hij zijn voordeel met een concurrentie tussen werkgevers. Vandaag zie je werkgevers grossieren in ‘extralegale voordelen’ om afgestudeerde IT-architecten aan te trekken, maar hetzelfde mechanisme geldt voor metselaars, monteurs en kelners****.
    Als je het een beetje anders bekijkt, is het eigenlijk weer het winststreven dat de lonen in de hoogte duwt. Die werkgevers die hogere lonen aanbieden aan IT-architecten, metselaars, monteurs en kelners doen dat alweer niet uit menslievendheid, maar omdat ze uitgerekend hebben dat die werknemers, zelfs met die hogere lonen, meer winst zullen opbrengen dan als ze die werknemers zouden moeten missen door een gierig loonbeleid. 
     Ik had tot nu toe niets dan goede dingen te melden over het winststreven als grondslag voor het welzijn van ‘de mensen’. Er zijn in de loop der tijden ook een aantal nadelen geformuleerd. Marxisten en keynesianen beweren dat ‘ongebreideld’ winststreven tot economische crisissen leidt. Ethici als Antoon Vande Velde wijzen erop dat het winststreven een ongelijke verdeling van welvaart teweegbrengt. En Jan-met-de-pet vindt dat er geen ‘overdreven’ winsten mogen worden gemaakt.
    Met marxisten, keynesianen en Anton Vande Velde durf ik hier op deze plek geen discussie aangaan. Jan-met-de-pet zou ik kunnen antwoorden dat ‘overdreven’ winsten uitzonderingen zijn, snel verdwijnen en niet kunnen worden voorspeld. Anders hadden we Paul D’Hoore niet nodig om ons geld te beleggen en om in één jaar stinkend rijk te worden.
      Maar je kunt het bezwaar van Jan-met-de-pet ook anders lezen: als een sentimenteel bezwaar tegen winst als énige motief, zonder andere warme, menselijke overwegingen, een bezwaar tegen het beenharde, hardvochtige kapitalisme: prijsonderhandelingen op het scherp van de snee, afdanken van wie niet productief is, verloning naar verdienste – terwijl we allemaal graag iets meer willen krijgen dan we eigenlijk verdienen. Om Oscar Wilde te parafraseren: ‘Als we alleen krijgen wat we verdienen, dan zijn we er slecht aan toe.’
       Dát sentimenteel bezwaar is ook het mijne. Maar als ik eerlijk moet zijn, ben ik in die zaken niet erg rechtlijnig. Ik heb graag de voordelen van een menselijke, warme aanpak maar dan met het lage prijskaartje van het beenharde kapitalisme. In de televisiereeks Olive Kitteridge is er een heel menselijke, warme apotheker die op pensioen gaat. In de plaats komt een supermarkt-apotheek. De mensen in het dorp klagen dat menselijkheid en warmte verdwenen zijn. ‘Ja,’ zegt de apotheker, ‘maar ze zijn wel goedkoper.’ En voorzover ik kon zien was de bediende in de nieuwe supermarkt-apotheek ook niet onvriendelijk.
     Zou ik nu mijn oude vriend Filip D. overtuigd hebben om zich met mij achter het zwarte vaandel met het gouden dollarteken te scharen? Ik betwijfel het. Ik denk dat hij schamper zal lachen met het lage prijskaartje van het beenharde kapitalisme*. ‘Ja, de energieprijzen zeker?’ hoor ik hem al sneren. ‘Met dank aan de vrije markt!’ Ja, dát wordt een moeilijke discussie. Als je, zoals wij in Europa, een gemengde economie hebt, met een onontwarbaar kluwen van vrije markt en staatsinterventie, is het niet makkelijk om de oorzaak van allerlei euvels terug te vinden: is het de markt, is het de staatsinterventie, of is het mengsel zelf? Het is geloof ik niet het winststreven, of ik moet hierboven ergens een redeneerfout hebben gemaakt.

 

* Dit is de inhoud van die nogal klassiek-liberale speech, die haaks staat op het gedraag van Gordon Gekko zelf in de film. Let ook op de aanval op de hoge lonen van de CEOs. 

Well, I appreciate the opportunity youre giving me Mr. Cromwell as the single largest shareholder in Teldar Paper, to speak. Well, ladies and gentlemen were not here to indulge in fantasy but in political and economic reality. America, America has become a second-rate power. Its trade deficit and its fiscal deficit are at nightmare proportions. Now, in the days of the free market when our country was a top industrial power, there was accountability to the stockholder. The Carnegies, the Mellons, the men that built this great industrial empire, made sure of it because it was their money at stake. Today, management has no stake in the company! All together, these men sitting up here own less than three percent of the company. And where does Mr. Cromwell put his million-dollar salary? Not in Teldar stock; he owns less than one percent. You own the company. Thats right, you, the stockholder. And you are all being royally screwed over by these, these bureaucrats, with their luncheons, their hunting and fishing trips, their corporate jets and golden parachutes.

Teldar Paper has 33 different vice presidents each earning over 200 thousand dollars a year. Now, I have spent the last two months analyzing what all these guys do, and I still cant figure it out. One thing I do know is that our paper company lost 110 million dollars last year, and I'll bet that half of that was spent in all the paperwork going back and forth between all these vice presidents. The new law of evolution in corporate America seems to be survival of the unfittest. Well, in my book you either do it right or you get eliminated. In the last seven deals that Ive been involved with, there were 2.5 million stockholders who have made a pretax profit of 12 billion dollars. Thank you. I am not a destroyer of companies. I am a liberator of them! The point is, ladies and gentleman, that greed, for lack of a better word, is good. Greed is right, greed works. Greed clarifies, cuts through, and captures the essence of the evolutionary spirit. Greed, in all of its forms; greed for life, for money, for love, knowledge has marked the upward surge of mankind. And greed, you mark my words, will not only save Teldar Paper, but that other malfunctioning corporation called the USA. Thank you very much.


** Er is een lichte tegenstelling in de zin dat winsten kunnen leiden tot het ontstaan van superrijken die extravagante consumptie-uitgaven doen, terwijl dat geld misschien ook naar ‘de mensen’ had kunnen gaan, voor hún consumptie-uitgaven. Maar in het geheel van de economie zijn de extravagante consumptie-uitgaven van de superrijken verwaarloosbaar.


*** Als het economisch goed gaat kunnen vakbondsacties loonsverhogingen versnellen, als het economisch slecht gaat kunnen vakbondsacties loonsverlagingen afremmen, maar dan ten koste van grotere werkloosheid.


**** Iedereen die zich de opkomst van de computers herinnert, zal begrijpen wat ik bedoel met ‘laag prijskaartje’. Ik heb indertijd voor een extra set lettertekens voor mijn printer evenveel betaald als ik nu betaal voor een hele printer. Om verder de gestaag stijgende prijzen juist te interpreteren, moeten we ‘door de geldsluier heen kijken’, zoals een decaan aan de Economische faculteit van de KUL mij ooit toebeet.  


zaterdag 14 januari 2023

De 'graaidag' van de PVDA en andere kortjes


De ‘graaidag’ van de PVDA.
 Klassiek-liberalen trekken graag de aandacht op de fiscale bevrijdingsdag, de dag dat we genoeg gewerkt hebben om alle belastingen van het hele jaar te betalen, en we dus eindelijk kunnen beginnen te werken voor ons eigen vrij te besteden zakgeld. Die dag valt in ons land erg laat, ergens in augustus. De PVDA heeft ook zo’n dag, de ‘graaidag’. Dat is de dag dat de CEO van een Bel-20 bedrijf evenveel verdiend heeft als wat een gemiddelde werknemer in zijn bedrijf verdient in de rest van het jaar. Die dag blijkt op 9 januari te vallen. Met andere woorden, na vijfenhalve werkdag heeft zo’n CEO evenveel verdiend als de anderen in 260 dagen. Zoiets stuit tegen de borst. Die 30.000 mensen van bijvoorbeeld Colruyt hebben samen een bepaald resultaat bereikt, en één van die 30.000 krijgt daar een vijftig keer groter stuk van de anderen. 
   Wij redeneren in zulke zaken gemakkelijk als mammoetjagers die na een succesvolle jacht de buit in gelijke delen verdelen. Maar als werknemer van Colruyt zou ik er toch liever een excel rekenblad bijhalen. Dan kan ik uitrekenen dat ik bij een verdeling van het CEO-loon over alle werknemers ongeveer 0,17 procent meer zou verdienen. Dat is niet veel. Dan heb ik liever een goede CEO die het bedrijf gezond houdt. Hebben we een CEO die op een failliet afstuurt, dan donderen we die eruit en nemen een betere, ook al kost die dubbel zoveel, en moet ik nog eens 0,17 procent van mijn loon inleveren. 

De paradoxen van Groen-Links. Als linksen zijn de Groenen tegen de bedrijfswagens; als groenen moeten ze vaststellen dat bijna alle elektrische auto’s bedrijfswagens zijn. Als linksen zijn ze tegen ‘kansarmoede’; als groenen willen ze de hele bevolking een autoloos, kleinbehuisd bestaan opdringen, zonder vliegtuigvakanties  een bestaan dus typisch voor de kansarmoede. Als linksen zijn de Groenen voor een sociaal beleid dat gefinancierd wordt door staatsschulden; als groenen zijn ze tegen ‘ongebreidelde’ economische groei – het enige middel om die schulden af te betalen. Pieter Laleman noemt dat op zijn FB-pagina de ‘catch-22’ van de Groenen.

Kansarmoede. ‘Kansarmoede’ is een neologisme voor ‘armoede’. Het vorige woord was beter, want armoede betekent niet alleen dat je arm bent aan kansen – uiteraard – maar dat je ook arm bent op alle andere gebieden: kwaliteitsvoedsel, behuizing, vervoersmiddelen, elektronische apparatuur, mogelijkheid om te reizen. Het nieuwe woord schept ook verwarring tussen ‘kansen krijgen’ en ‘kansen grijpen’. In de 19de eeuw zag men in de arme een individu dat weigerde kansen te grijpen, in de 21ste eeuw ziet men de arme als een slachtoffer van de maatschappij die weigert om kansen te geven. Geen van beide visies biedt een evenwichtige verklaring van de armoede.

Tot slaaf gemaakten. Ik heb taalkundige en stilistische bezwaren tegen het woke neologisme tot-slaaf-gemaakte.  Vroeger kon je in de geschiedenisles zeggen: ‘Caesar liet een miljoen Galliërs vermoorden en liet een ander miljoen als slaven wegvoeren en verkopen. Ook de kinderen en verdere afstammelingen van die slaven werden als slaaf geboren.’ Nu zou je moeten zeggen dat Caesar een miljoen Galliers als tot-slaaf-gemaakten liet wegvoeren en verkopen en dat ook de kinderen en verdere afstammelingen van die tot-slaaf-gemaakten als tot-slaaf-gemaakten werden geboren. Iemand legde mij onlangs uit waarom die laatste verwoording beter is. ‘Slavernij is een door mensen gemaakt sociaal systeem. Dus ook de pas geborene wordt door dat systeem tot slaaf gemaakt.’ Ik denk dat dat met de oude verwoording ook duidelijk was. 

Doel en middel. Bertolt Brecht had volgens Hannah Arendt – ik las dat op de FB-pagina van Jan van Duppen – al snel begrepen dat de communisten waar hij zich bij aansloot moreel slechte middelen gebruikten om het communistisch paradijs naderbij te brengen. Hij keurde dat goed. Dat bewijst dat Brecht redeneerde als een cynisch pragmaticus en niet als een echte communist. De cynische pragmaticus vindt dat je slechte middelen mag gebruiken om een goed doel te bereiken. Een echte communist redeneert anders. Die vindt dat alle middelen om het goede doel te bereiken meteen ook moreel goed zijn. Een klassiek-liberaal ziet dat nog anders. Die heeft liever dat er géén algemeen doel wordt vastgelegd, en hij kijkt vooral naar de middelen zelf. Voor hem óntheiligen slechte middelen een zogenaamd goed doel.

Verslaving. Wanneer ben je van een verslaving af? Toen ik gestopt was met roken, droomde ik ’s nachts vaak dat ik een sigaret opstak en dan onmiddellijk vervuld werd van een immens maar vaag schuldgevoel – het gevoel dat ik iets onherroepelijk kapot had gemaakt, zonder goed te beseffen wát ik juist kapot had gemaakt. Ik heb die droom al meer dan twintig jaar niet meer gehad. Ben ik nu van mijn verslaving af?

Boek en film. Ik heb vorig jaar minder dan dertig boeken gelezen en meer dan driehonderd films gezien. Gelukkig voor mij scheef Paul van Ostaijen, in een parodie op Lukas 7:47, ‘U zal veel vergeven worden want ge hebt veel films gezien.’

Cash geld. Ik lees op FB af en toe een oproep om meer met cash geld te betalen. Digitaal betalen vergroot de controle van de overheid over ons geld. Maar wat doe je met cash geld in huis? Een veel gebruikte oplossing is om de bankbiljetten tussen de bladen van een boek te verbergen. Heb je maar tien boeken in huis, dan is dat natuurlijk geen veilige methode. De dieven hebben het geld zo gevonden. Heb je meer dan tien boekenkásten in huis, dan kun je eraan beginnen. Pas op: niet alle geld in één boek verbergen! Spreid je risico’s.

Ons brein. Immanuel Kant heeft de vraag opgeworpen of ons brein wel uitgerust is om de wereld, het ‘Ding an sich’, te doorgronden. De moderne wetenschap heeft die kwestie concreter gemaakt door theorieën te ontwerpen zoals de quantummechanica die wel ‘werken’, maar die zo tegen onze intuïtieve categorieën ingaan dat we ze niet echt ‘begrijpen’, zodat die hele microcosmos een mysterie blijft. Maarten Boudry doet daar heel optimistisch over. ‘De mysterie-mensen vergeten te gemakkelijk dat vroegere wetenschappelijke theorieën de mensheid even verbijsterd achterlieten: de relativiteitstheorie, de evolutieleer, het heliocentrisme.’
 
    Over de mensheid durf ik niets te zeggen, maar de evolutieleer heb ikzelf in ieder geval onmiddellijk begrepen toen men ze mij voor het eerst uitlegde. Niks verbijstering. Die theorie is zo eenvoudig, té eenvoudig eigenlijk, dat je de essentie ervan in twee alinea’s uitgelegd krijgt. Wil je de technische details, dan heb je minstens tien boeken nodig. En probeer je iets tussenin, dan krijg je een misbaksel als Kaas en de evolutieleer van Bas Haring, die dan weer een absoluut schitterende inleiding in de economische theorie heeft geschreven.

vrijdag 13 januari 2023

Een beetje luxe moet er zijn!


    De schrijver Christophe Vekeman, die ook wel eens de voortreffelijke Vekeman wordt genoemd, voelde zich, in De Standaard van vorige week, oud. De snaak is vijftig geworden. Met die leeftijd in gedachten, en met de komst van het nieuwe jaar, heeft hij zoals zovelen een lijstje met goede voornemens gemaakt. Sommige van die voornemens laten mij koud. Vekeman zal niet meer kuieren met de handen gevouwen op de onderrug. Hij doet maar. ’t Is misschien streng om jezelf zoiets te verbieden, maar hij moet dat nu zelf weten. Hij is oud genoeg. Vijftig!
    Andere voornemens betreur ik. Hij schrijft dat hij niet meer wil worstelen met ‘tijdrovende vraagstukken als: verbruikt de televisie eigenlijk meer stroom als je hem luider zet.’ Dat is jammer. Ik vind het juist heel geruststellend als ik weet dat, ergens, iemand met zulke vraagstukken worstelt. En dat die dat niet onmiddellijk op het internet opzoekt. Karel van het Reve vroeg zich af of luisteren naar zachte muziek even slecht was voor de oren als lezen bij slecht licht voor de ogen. Dat is ook zo’n mooie vraag. Maar Karel stelt die vragen nu niet meer, want hij is dood, en nu houdt Vekeman er ook mee op.
     Verder wil Vekeman kappen met de gewoonte om jonge mensen ‘ongevraagd advies te verschaffen’. Hoe jammer is dat! Zelf heb ik daar amper nog de gelegenheid toe, nu ik geen les meer geef en mijn zoon uit het huis is, maar dat moet Vekeman toch niet tegenhouden? En daar komt bij dat hij zo’n uitgesproken aanleg voor advies heeft. Zo placht hij jonge mannen toe te spreken: ‘Je moet jezelf op een peperdure, chique paraplu trakteren, zoon, dan kun je vervolgens weken- of misschien wel maandenlang blij zijn telkens als het regent.’ Is dat niet enig?
     De raad van Vekeman is trouwens niet alleen geschikt voor jonge mannen, maar ook voor jonge vrouwen. De Amerikaanse schrijver Max Eastman vertelt in zijn mémoires over zijn voortreffelijke moeder, Annis Ford Eastman (1852-1910). Een feministe, bevriend met Mark Twain, een van de eerste vrouwelijke dominees. Ze was vrolijk als een heiden, principieel en tolerant, altijd tactvol, had altijd een kwinkslag achter de hand. Toen men haar mensen aanwees die niet naar de kerk gingen zei ze dat ze ook niet zo vaak zou gaan als ze geen dominee was. Ze nam voortdurend zwerfkinderen op in huis en bleef altijd bereid om iets bij te leren en te ‘groeien’. In het laatste jaar van haar leven was ze ernstig ziek. Toch leerde zij nog zwemmen, ging voor het eerst improviserend preken, liet zij zich analyseren door een psychiater en begon een nieuwe loopbaan als deken aan een universiteit.
     Zo’n vrouw was natuurlijk niet gebrand op enigerlei vorm van luxe. Maar over paraplu’s had ze een ondubbelzinnige mening. ‘Er bestaat niets ter wereld,’ zei ze, ‘waardoor een vrouw die over straat loopt zo wordt opgebeurd als door de gedachte dat ze een zijden paraplu bij zich heeft.’