Posts tonen met het label Trump. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Trump. Alle posts tonen

vrijdag 29 januari 2021

Marc en het populisme


      Ik vroeg aan mijn vrouw of ze de laatste column van Reynebeau wou doorsturen. Ha, die column  van Marc, zei ze. Ze noemt hem dus Marc! Dat zal ik dan ook maar doen. ’t Is een korte naam en dat is gemakkelijk als je hem vaak moet herhalen. Bovendien, in een polemisch stukje klinkt zo’n voornaam een beetje denigrerend, wat mooi meegenomen is.
     Marc heeft dus een column geschreven over de Nederlandse rellen tegen de avondklok, en voor hem is het een gelegenheid om eens flink zijn mening te zeggen over het populisme en de populisten. Hij is er tegen*. Hij is meer van het politiek-correcte kamp. Binnen dat kamp is hij de tegenpool van Tom Naegels. Die laatste redeneert zorgvuldig, stap voor stap, genuanceerd; hij formuleert slim, soms geestig, zoekt dekking als het nodig is, en wist zijn sporen. Vaak wil ik antwoorden, hem aanvallen op de flank, maar dan zie ik dat hij ook daar een goed gecamoufleerd verdedigingsmuurtje heeft opgetrokken. Maar voor Marc is dat allemaal tijdverlies. Hij werkt anders: identificatie van de slechteriken (Trump! Steve Bannon!), schermutselingen in het luchtledige, stromannen, hyperbolen, sarcasme, intentieprocessen, en af en toe een exotische term die we al lang niet meer hadden gehoord zoals sociaaleconomische ‘vervreemding’.
     De relschoppers in Nederland, beweert Marc, zijn ‘misschien’ de voorhoede van het Europese populisme 2.0. Dat ‘misschien’ is het tweede woord van de tekst, en staat daar goed op zijn plaats. Als redenering is het immers een doodlopend straatje en dat weet Marc ook. Het corona-probleem is er een op korte termijn en is niet, zoals migratie, een kwestie die al enkele generaties aansleept en die dat nog enkele generaties zal blijven doen. Bovendien zegt Marc zelf, en hij citeert heuse ‘in de VS docerende politicologen’, dat populistische ideeën slechts aanslaan als ze worden overgenomen door politiek centrumrechts. Dat is met corona niet gebeurd, en dat zal nu ook niet meer gebeuren. 
     Vervolgens, ook niet onbelangrijk, past de ‘coronascepsis’ niet zo goed in de definitie die Marc van het populisme geeft: nativistisch, nationalistisch, autoritair en illiberaal. Die eerste twee kenmerken hebben met de corona-acties weinig te maken, en die laatste twee zijn eerder van toepassing op de corona-politiek van de regeringen dan op het verzet ertegen. En ten slotte: wie de relschoppers op de filmpjes bezig heeft gezien zal zich twee vragen stellen. Waarom stelen die lui nu prularia in plaats van nuttige voorwerpen zoals televisies – wat je altijd ziet bij rellen in de VS? En wat heeft dat allemaal met politiek te maken? Maar dat is weer een ander verhaal.
     Midden in zijn stukje verandert Marc dus wijselijk van onderwerp en bezint zich over de vraag waar het populisme vandaan komt. Ja, waar komt het vandaan? Volgens Marc komt het bijvoorbeeld van de blanke Europeaan die vreest dat men ‘oude tradities’ zou verbieden, zoals Zwarte Piet, en ‘warempel, nu ook Pippi Langkous’. Ik begrijp niet goed waarom Marc hier ‘zou’ gebruikt. Zwarte Piet ís ondertussen verboden op Facebook, en nu wil men in de Gentse bibliotheken ‘warempel ook’ waarschuwen voor de Pippi Langkous-boeken. Mij lijkt het dat het hier de verbieders en de waarschuwers zijn die zich illiberaal en autoritair opstellen.
     Aan het einde van zijn tekst, in zijn zevende alinea, graaft Marc nog wat dieper. Bart De Wever zei onlangs op de televisie dat populisme een reactie is van de ‘verliezers van de globalisering’. Zoiets zit Marc dwars. Dat moet worden weerlegd als het ‘ultieme cliché’. Alleen, die weerlegging komt er niet. Iets een cliché noemen is onvoldoende. Iets met ‘zou’ formuleren, bewijst niet dat het onwaar is. En iets als een afleidingsmaneuver omschrijven om ‘geen aandacht te moeten hebben voor de groeiende sociale ongelijkheid’ – zoiets telt evenmin als argument.
     Het is nochtans een eenvoudige vraag: bestaan ze echt, de ‘verliezers van de globalisering’ die de lasten krijgen van  ‘de moeilijke diversiteit’? Als Marc vindt dat die verliezers niet bestaan, dat hij het dan zegt. Als Marc vindt dat migranten op de arbeidsmarkt géén neerwaartse druk uitoefenen op de lonen** en dat migranten met vervangingsinkomens géén probleem vormen voor de sociale zekerheid, dat hij dan als een man opstaat, op tafel slaat en dat luidop zégt. Of schrijft, want ik laat mij weer meeslepen door mijn verbeelding.
     Maar Marc zegt of schrijft dat niet. In plaats daarvan schrijft hij dat het populisme een reactie is op telkens herhaalde vernederende uitspraken. Daar zit een kern van waarheid in als je denkt aan uitspraken als die van Hillary Clinton over de deplorables. Maar Marc denkt aan andere uitspraken. Hij maakt er een lijstje van en plaatst ze onder de noemer 
opinions chics  een uitdrukking die hij overneemt van Bart De Wever.
     Eigenlijk zouden die ‘opinions chics’ uitspraken moeten zijn die je vaak letterlijk hoort of zegt in een burgerlijke conversatie - anders zijn ze niet 
chic. Ik citeer het hele lijstje en heb het voor de aardigheid gerubriceerd: ‘dat arbeid niets mag kosten (a), dat coöperatie moet wijken voor concurrentie (b), dat tegenslag altijd aan eigen falen is te wijten (c), dat collectieve voorzieningen te duur zijn (d), dat armoede slechts voortvloeit uit verkwisting en luiheid (e), dat aanpassing en integratie maar van één kant moeten komen, die van de machtelozen (f), en dat wie het moet stellen met een uitkering slechts een potentiële fraudeur is die desnoods met detectives moet worden opgespoord (g).’ Dat is het discours dat ‘de waardigheid en het zelfbeeld van zoveel mensen aantast.’
     De status van het lijstje is onduidelijk. Beschrijft Marc veelgehoorde uitspraken? Of heeft hij het over bestaande praktijken. Of probeert hij weer te geven wat rechtse mensen denken in het diepst van hun gedachten? Alleen dat eerste – veelgehoorde uitspraken –  zou eventueel als vernederend ‘discours’ kunnen worden aangemerkt en als dusdanig verantwoordelijk zijn voor een populistische reactie.  In dat geval komen (c) en (e) in aanmerking, het ‘eigen falen’ en de ‘verkwisting en luiheid’. Maar die verwijtende uitspraken hoorde je, geloof ik, vooral in de negentiende eeuw. Dat uitkeringstrekkers ‘potentiële fraudeurs’ zijn (g) heb ik wel eens gehoord in een échte conversatie, maar die was niet burgerlijk. De linkse tegenhanger ervan, dat elke ondernemer een potentiële fiscale fraudeur is, heb ik vaker gehoord. De vraag ten slotte dat migranten zich zouden aanpassen aan het land van aankomst (f) is inderdaad een veelgehoorde uitspraak. Maar ik geloof niet dat ze behoort tot het discours waar de populistische kiezer zich aan stoort. Die stoort zich eerder aan het tegenovergestelde discours: dat hij zich moet aanpassen.
     De items (a) en (d), de lage lonen*** dus en de dure collectieve voorzieningen, die kunnen volgens mij moeilijk als vernederende ‘opinions’ worden omschreven. Het zijn eerder bestaande praktijken, wat niet wegneemt dat ze ook tot ontevredenheid kunnen leiden. Maar hier kun je andere vragen stellen. Zijn die lonen inderdaad te laag, en die voorzieningen te schaars? Vergeleken waarmee? Hoe moet daaraan worden verholpen? En, in de context van de populismediscussie: heeft een grote migratie-instroom daar een gunstige of ongunstige invloed op? Het loont de moeite om eens te lezen wat migratiespecialist Paul Collier daarover schrijft****. Ik geloof in elk geval niet dat (a) komt door (b), met andere woorden dat de lage inkomens veroorzaakt worden door de economische concurrentie en mededinging.
     Eigenlijk lijkt het of Marc met zijn lijstje vooral gepoogd heeft om de geheime gedachten van rechts weer te geven. Daar is hij dan niet goed in geslaagd. Op alle punten die Marc opsomt heb ik een behoorlijk rechts standpunt, meestal rechts van N-VA en O-Vld, maar de verwoordingen zijn zo gekozen dat ik er weinig in kan ontdekken van wat ik ongeveer denk. Ik maak een uitzondering voor (f): dat migranten zich best zo goed mogelijk aanpassen aan het land van aankomst. Dát vind ik wel. Ze moeten dat niet doen, zoals Marc schrijft, omdat ze ‘machteloos’ zijn, maar omgekeerd omdat ze dan zo snel mogelijk die toestand van machteloosheid achter zich zouden laten.
     Ik wil graag op een positieve noot eindigen: met de slotzin van de column kan ik akkoord gaan: een samenleving moet ‘zorgzaam en inclusief’ zijn. Daar vinden vinden Marc en ik elkaar. En in onze afkeer van clichés natuurlijk.

 

* Marc doet trouwens ook uit de hoogte tegen de anti-populisten want die ‘zwaaien’ met het woord ‘om zelf veilig, weldenkend, maar ook zeer onproductief, in het politieke centrum beschutting te zoeken.’ Het politieke centrum? Foei!

** De relatie tussen migratie en lonen is een moeilijke kwestie. Een kleine tot matige arbeidsimmigratie heeft volgens de meeste economen een gunstige invloed op de gehele economie en dus op het reële inkomen van iedereen, maar door de druk op de lonen, profiteren sommige bevolkingslagen, bijvoorbeeld de laaggeschoolden, er minder van dan de andere. Een te grote immigratie die niet goed is afgestemd op de arbeidsmarkt heeft een ongunstige invloed op de economie.

*** Je hoort werkgevers inderdaad zeuren over te hoge loonlasten, maar die worden dan in verband gebracht met de concurrentiepositie en de verhouding bruto-nettolonen, twee contexten die, geloof ik, niet ‘de waardigheid en het zelfbeeld’ van de werknemer aantasten.

**** Zie over Collier ook  hierhierhierhier en hier en hier.

zaterdag 22 februari 2020

Hollywood-propaganda


     Een leerling had mij aangeraden om de film Vice te bekijken. Ik had eerst nog wat moeilijk gedaan. Zou het geen typische Hollywood-propaganda zijn? Ex-vice-president Cheney als de grote slechterik, want Republikeins en rechts? Nee, zei de leerling, ’t is een erg goede film.
     Maar voor mij startte de film slecht. Vooral bij de eerste seconden heb ik mij geërgerd. Er was een vertelstem die uitlegde waarom gewone mensen zich niet voor politieke kwesties interesseren: ze hebben er de tijd niet voor; ze moeten altijd maar langer werken voor altijd maar minder loon. Ik heb daar een en ander over gelezen, en dat is niet waar: ze werken korter en het loon stijgt.
     Of de rest van de film evenveel onwaarheid bevat, weet ik niet. Cheney wordt verantwoordelijk gesteld voor zowat alles wat misloopt in de wereld: oorlog, leugen, corruptie, sportvisserij, Fox News, milieuvervuiling, vastgoedcrisis, islamistische terreur, bestrijding van islamistische terreur, en nog veel meer. ’t Is wat veel voor één man, vind ik, 
maar ik ben niet goed op de hoogte van de Amerikaanse politiek.
     Volgens de film heeft Cheney een juridische interpretatie van de grondwet ingevoerd, de Unitary Executive Theory, waardoor een president onbeperkt, zonder ‘checks and balances’, kan doen wat hij wil. De Verenigde Staten zouden door Cheney nu een tirannie geworden zijn. De film illustreert dat door de camera in te laten zoemen op het fronton van het Amerikaanse hooggerechtshof, waarin de spreuk gebeiteld is: ‘Where law ends, tyranny begins’. Als dat waar is,  hadden zowel G.W. Bush als Obama als Trump zonder moeite alle maatregelen kunnen doorvoeren die ze wilden. Maar zo schijnt het niet te zijn gegaan.
     Soms wordt in de film iets voorgesteld als heel slecht, wat ik zelf als heel goed ervaar. De film is zo gemonteerd dat het lijkt of Cheney een rol heeft gespeeld bij het ontstaan van conservatieve en libertarische denktanks. Je ziet de gebouwen en de publicaties in beeld verschijnen van Cato Institute, American Heritage en American Enterprise Institute. Die gebouwen kunnen mij gestolen worden, maar die publicaties zijn vaak erg interessant en je kunt ze gratis downloaden. Ze worden gesubsidieerd, zegt de film, door de rijke broers Charles en David Koch. Dat vind ik sympathiek van die broers. Waarom zou alle geld naar de linkse denktanks moeten gaan?
     De film deed mij af en toe aan ‘Death of Stalin’ denken, met veel flauwe en surrealistische mopjes. Ik hou daar wel van. Er is een moment van pillow talk waarin Cheney en zijn vrouw hun gesprek voeren in jambische pentameters. Dat is mooi meegenomen, al is scenarioschrijver en regisseur Adam McKay geen Shakespeare. Die laatste brengt, lijkt mij, wel wat meer sympathie op voor Macbeth en zijn Lady, of stelt hun motieven in elk geval genuanceerder voor. McKay ziet bij Cheney alleen ambitie. Zouden die bestaan, de politici die alleen uit ambitie handelen?
     Er wordt van Cheney verteld dat hij de meest extreme beleidsdaden kon voorstellen als praktijken van gezond verstand. Dat lijkt mij een aardige eigenschap om te hebben. Als fictief voorbeeld zie je in de film een ernstige Cheney die op rustige toon bepleit dat de regeringsleden in de tuin van het Witte Huis een collectieve masturbatie-oefening zouden uitvoeren voor de camera’s.  Er komen veel details bij kijken. Je voelt dat er overtuigingskracht uitgaat van de stem, de houding en de mimiek van Cheney, en dat wát hij vertelt daar min of meer los van staat.
     Cheney wordt voortreffelijk vertolkt door Christian Bale. Hij loopt, praat en maakt gebaren, zegt men, precies zoals Cheney dat deed. In de film kijkt hij altijd somber, terwijl de echte Cheney op de televisie wel eens lacht, maar zo’n film mag gerust een eigen accent leggen. Rumsfeld en G.W. Bush zijn niet veel meer dan karikaturen. De vrouw die Condoleeza Rice speelt lijkt sprekend op haar voorbeeld.

maandag 22 juli 2019

De racistische tweet van Trump

  In het verre Amerika is vorige week veel te doen geweest rond een Twitterbericht van Trump. Daarin stond dat zekere leden van het Congres beter naar hun eigen land konden terugkeren om daar orde op zaken stellen; daarna konden ze nog altijd terugkomen om de Amerikanen te vertellen hoe een en ander moest worden aangepakt. De president zei er niet bij wíe hij precies bedoelde, maar er wordt meestal gedacht aan een aantal vrouwelijke Congresleden met een immigratieachtergrond zoals Alexandria Ocasio-Cortez, Rashida Tlaib en Ilhan Omar. De twee eerste zijn in Amerika geboren maar zijn van respectievelijk Puerto-Ricaanse en Palestijnse afkomst. De derde is in Somalië geboren, maar woont sinds haar twaalfde in de VS en is staatsburger sinds 2000.
     Een van de vragen die men zich stelde was deze. Is zo’n bericht nu eigenlijk racistisch? Het Amerikaans congres heeft daar een stemming over georganiseerd, en, ja, de meerderheid – waaronder ook enkele Republikeinen – vonden het bericht racistisch.
     Die racismevraag interesseert mij niet zo erg. Als het bericht niet racistisch was, was het xenofoob, en als het niet xenofoob was, was het nativistisch, of nog iets anders dat ook erg is. Mij stoort bij het bericht vooral de demagogische kant. Ik heb, toen ik nog communist was, tientallen keren een vergelijkbare opmerking moeten aanhoren: ‘Als het hier niet goed is, waarom ga je dan niet in Rusland of China wonen?’ Dat was, achteraf beschouwd, geen onaardige plaagstoot, maar als argument reikte het niet verder dan een ‘ad hominem’. Ik had iets gezegd over de lage lonen van de dokwerkers, de hoge winsten van Albert Frère, de bodemvervuiling in Hoboken, of de gesel van de ‘prestatiegeneeskunde’, en in plaats van dáárop te antwoorden, gooide men mij mijn communistische overtuiging voor de voeten. Alsof een communist nooit iets juists kon zeggen over de omstandigheden in zijn eigen land, hoe verkeerd hij het verder ook voorhad wat Rusland of China betrof.
     Mijn opponent in zo’n woordentwist was meestal een fabrieksarbeider, of zijn vrouw, die ik door aan te bellen gestoord had bij een leuk werkje in keuken, tuin of garage, of bij het kijken naar een gezellig televisieprogramma. Dat kregelige antwoord was dus begrijpelijk en had verder geen grote gevolgen op landelijk niveau. Maar als een president het woord neemt, zijn die gevolgen er wel. Enkele dagen na zijn Twitterbericht sprak Trump een menigte aanhangers toe, en die menigte begon te scanderen, doelend op de vrouwelijke Congresleden: ‘Send them back! Send them back!’. Nu ging het niet meer over teruggáán, maar over terugstúren. Trump keek goedkeurend toe, en zei achteraf dat hij geprobeerd had de menigte te doen zwijgen door snel verder te spreken. Dat was een leugentje.
     Ik wil wat zich afspeelt op een massa-bijeenkomst van Trump-aanhangers, niet dramatiseren. Er bestaat  natuurlijk niet de geringste kans dat Amerikaanse Congresleden-met-migratieachtergrond ooit écht zullen worden uitgewezen. Maar het is een treurige gedachte dat een scanderende menigte vindt dat zoiets eigenlijk wél zou moeten kunnen.
     Er is in de kranten behoorlijk wat gespeculeerd over de redenen van Trump om zijn go-back-to-your-own-country-bericht te plaatsen. Had hij misschien gedurende 48 uur níet in het middelpunt van de belangstelling gestaan? Dan had hij inderdaad dringend een nieuw schandaaltje nodig. Wou hij zijn eigen aanhangers paaien door een straffe uitspraak? Dat is ook mogelijk, en het is, te oordelen naar het spreekkoor op de daarop volgende massabijeenkomst, goed gelukt.
     Volgens Mijlemans en Temmerman in Het Nieuwsblad is er nog een andere verklaring. Volgens hen, of volgens de de buitenlandse kranten die ze gelezen hebben, probeerde Trump om kiezers uit het Democratische kamp voor zich winnen. Dat is geen slechte uitleg. De Democraten maken de laatste tijd bijvoorbeeld veel ophef rond hun eis om het minimumloon in het hele land op te trekken tot 15 dollar per uur. Dat is misschien economische onzin, maar een sociaal voelend, Democratisch stemmend lid van de middenklasse, die zelf wel wat meer dan 15 dollar verdient, is zo’n eis vaak genegen. Op zo’n moment komt het Trump goed uit om op dergelijke eisen de gezichten te plakken van drie of vier arrogante nieuwkomers die aan de Amerikanen eens gaan vertellen wat ze moeten doen. Misschien zegt die sociaal voelende Democraat wel geërgerd bij zichzelf: weet je wat, dat ze dat minimumloon van 15 dollar eerst maar eens invoeren in Somalië.

     De redenering van Mijlemans en Co heeft evenwel het nadeel van alle electorale speculaties. De zet van Trump zal waarschijnlijk een aantal Democratische kiezers aantrekken, maar hij zal tegelijk ook een aantal andere Democratische kiezers afstoten. Voorspellen welke groep de grootste zal zijn, doet men best ná de verkiezingen. Dan kan ik het ook.

zaterdag 17 maart 2018

De Wever, het oude Rome en de snel-Belgwet

     Over het Romeinse staatsburgerschap heb ik nogal romantische opvattingen. Ik stel mij voor dat er een tijd is geweest dat je de hele bekende wereld  bereizen kon, en als je dan belaagd werd door struikrovers of soldaten van een schurkenstaat, dat het dan voldoende was om luid te verkondigen ‘Civis romanus sum’, zoals de apostel Paulus ooit deed. De struikrovers of soldaten dropen dan af. Met het doden van een Romeins staatsburger riepen ze immers een vreselijke wraak over zich af. Als de Romeinen een strafexpeditie uitstuurden, dan werden niet alleen de daders gedood, maar ook de ouders, broers, zussen, kinderen, en iedereen die in de buurt woonde, behalve dan diegenen die zelf Romeins staatsburger waren. Die moesten dan flink roepen van ‘Civis romanus sum’ en ze werden gespaard, of hadden minstens recht op een proces volgens de regels.
     Of dat allemaal zo geweest ik weet ik niet. Maar íets moet dat staatsburgerschap toch hebben voorgesteld. En ik neem aan dat je het niet zomaar cadeau kreeg, behalve als je ouders zelf ook stamboom-Romeinen waren. Bart De Wever heeft daar laatst iets over gezegd in een interview dat hij gaf aan het Franstalige tijdschrift Wilfried. Welja, je zou het zo gek niet kunnen verzinnen, maar er bestaat een Franstalig tijdschrift dat Wilfried heet.
      In dat tijdsschrift vertelt Bart De Wever – naar het schijnt – honderduit over de Romeinen in het algemeen en over de dappere veldheer Caesar en de sluwe keizer Augustus in het bijzonder. Vroeger, vertelt De Wever, wou hijzelf zo dapper zijn als Caesar; nu echter wil hij liever zo sluw zijn als Augustus. En omdat De Wever in de eerste plaats politicus is, voegt hij er nog aan toe dat die sluwe Augustus, net als zijn lepe opvolger Claudius trouwens, verstandiger omging met het staatsburgerschap dan wij hebben gedaan met onze snel-Belgwet.
     Toen ik over dat interview las, dacht ik meteen: er zijn er die zoiets niet over hun kant zullen laten gaan. Ik had mij niet vergist. Tom Naegels reageerde met een aantal geestige posts op zijn Facebookpagina die erop neerkwamen dat we voor onze ons mobiliteitsplan, onze derdebetalersregeling voor artsen en onze immigratiepolitiek ook niet te rade gaan bij de Azteken, de Borgia-pausen en de keizers van de Han-dynastie. En dat doet Tom allemaal zonder de naam Bart De Wever te vernoemen. Kijk, zo moet je dat doen.
     Jeroen Wijnendaele daarentegen, die nochtans post-doctoraal onderzoeker is binnen de vakgroep geschiedenis van de Gentse universiteit, moet nog veel leren. Hij reageerde in De Standaard en in dát stuk kwam de naam De Wever wel elf keer in voor, als we ook de kop, de lead en de tussentitels meetellen. Tussen al die gratis reclame door, smokkelde de post-doctorale onderzoeker een paar kritische opmerkingen binnen: de historische vergelijkingen van De Wever geleken op de frietjes van McDonald’s, de Romeinen hebben met het edict van Caracalla zelf het voorbeeld gegeven door een snel-Romeinwet* af te kondigen, en het oude Rome kan met zijn slavernij en zijn ongelijkheid van man en vrouw niet als voorbeeld dienen voor onze democratische maatschappijen. Wijnendaele besluit dat De Wever gebuisd is voor zijn kennis van de Romeinse geschiedenis.
     Dat zijn allemaal nogal stellige beweringen. Ik van mijn kant zie bijvoorbeeld niet wat er mis is met de frietjes van McDonald’s. Wijnendaele vindt de porties te klein. Dat hangt volgens mij van je eetlust af. De ‘medium’ portie en de ‘grote’ portie vind ik heel behoorlijk. Ook staat de jonge academicus, naar mijn smaak, te snel klaar met zijn buizen. De Wever spreekt over de regeringen van Augustus en Claudius, en Wijnendaele spreekt over Caracalla, twee eeuwen later. Toch zou ik, als leraar Nederlands, voor die verwarring niet meteen een buis geven. Eerder zou ik de jongen met een bijkomende vraag de kans geven om de verschillen tussen die twee periodes mondeling toe te lichten. Als hij het er goed afbrengt, krijgt hij van mij alsnog een negen.
     Verder doet Wijnendaele alsof De Wever het oude Rome als argument gebruikt om een strikte burgerschapspolitiek te bepleiten. Hier haalt de postdoctorale onderzoeker, geloof ik, verschillende teksttypes door elkaar. Wat De Wever in het interview allemaal vertelt lijkt mij meer aan te leunen bij bezinning dan bij argumentatie. De Wever denkt na over zichzelf en herkauwt daarbij leven en werk van Caesar, Augustus en Claudius – zoals Amerikaanse presidenten vroeger, vóór Trump, wel eens mijmerden over Washington, Lincoln of Teddy Roosevelt. Argumenten en praktische richtlijnen kun je daar niet uithalen, wel een zekere stijl en, als je daar aanleg voor hebt, een stuk wijsheid.
     Dat van die verschillende teksttypes zal de postdoctorale onderzoeker wel begrijpen als hij even nadenkt. Ik wil voor de zekerheid nog enkele voorbeelden aanreiken. De Wever kan best in een algemeen bezinnend interview spreken over ‘de’ Romeinen, zonder daar telkens bij te vertellen over welke periode hij het juist heeft. In een historisch essay zou dat misplaatst zijn. Zo kan ook onze postdoctorale onderzoeker in een polemisch stukje in Knack gerust beweren dat het edict van Caracalla, waarvan hij eerst toegeeft dat de motieven onzeker zijn, dat dat edict dus twee generaties later voor de redding van het Romeinse rijk zorgde. De redding nog wel. Ik neem aan dat hij in een wetenschappelijk tijdschrift zo’n pittige uitspraak met de nodige caveats zou hebben afgeschermd.
     En zo kan ikzelf ten slotte in mijn soort stukje van alles beweren over een interview met De Wever dat ik maar ken van enkele fragmenten. Waar zou je dat Wilfried-blaadje eigenlijk kunnen kopen?

 
* Die stelling van Wijnendaele wordt betwist door Paul Cordy. Ook goed. Ik bemoei me er niet mee.