Posts tonen met het label Fidel Castro. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Fidel Castro. Alle posts tonen

donderdag 26 december 2019

Het 'vingertje' en de nazi's in de Reichstag

     Het Nieuwsblad van 24 december had een kerstwens voor politici. Ze mochten wat beleefder zijn tegenover elkaar. Er mocht wat meer fatsoen, hoffelijkheid, beleefdheid en respect komen, en minder gescheld, gedreig en vijandigheid. Daarbij werd, zoals dat vaak gaat, gesuggereerd dat het vroeger beter was. ‘Er was een tijd dat politici …’ begint Mijlemans een van zijn zinnen op bladzijde 2. ‘De politiek gaat er veel grover aan toe dan vroeger,’ beweert Mark Eyskens op bladzijde 9, en alsof hij zijn uitspraak wou logenstraffen door te bewijzen hoe grof hij zelf kan zijn, voegt hij eraan toe dat de huidige generatie politici – waar hij niet toe behoort – duidelijk laten zien ‘dat de mens van de aap afstamt’.
     Ik weet niet of dat waar is, dat het er vroeger zoveel beschaafder aan toe ging. Slechte manieren in de politiek lijken mij iets van alle tijden en alle plaatsen. Gaston Eyskens, de slimme vader van Mark, zei ooit dat politiek ‘geen stiel was voor blozende maagden’. Hij zal daar zijn redenen voor hebben gehad. In het middelbaar las ik het boek van Mieke Claeys-Van Hagendoren ‘25 jaar Belgisch socialisme’ en daarin staat beschreven hoe in ons Parlement werd gevóchten. Ik kan het niet opzoeken, want ik heb het boek uitgeleend aan een vriend die kort daarna bij een auto-ongeluk is omgekomen. In de jaren twintig van vorige eeuw namen Japanse parlementairen hun eigen knokploegen mee naar de zittingen om niet al het vechtwerk zelf te moeten doen. En in de prille Verenigde Staten verweten de Amerikaanse senatoren elkaar voor ‘boef’, ‘schoft’, ‘fraudeur’, ‘desperado’ en ‘schelm’, zoals je op bijgaande plaatje kunt zien.




     Zulke ruzies zijn zowel gespeeld als gemeend. Een parlementaire democratie is een spel van wisselende coalities, met wisselende vrienden en vijanden, en door theatrale ruzies maakt men duidelijk met wie men een coalitie tijdelijk uitgesloten acht. Dat is het spelgedeelte. Maar politiek is ook een kwestie van hartstocht. Dat zal op sommige familiefeesten van 24 december pijnlijk duidelijk geworden zijn, ondanks de goede voornemens die de N-VA-gezinde oom en de Spa-gezinde neef op voorhand hadden gemaakt. Ik ken collega’s bij wie je op café beter elk politiek onderwerp vermijdt als je geen glas bier over je hoofd wil krijgen.  Als die collega, die oom en die neef zich al zo laten meeslepen, waarom zou dat bij politici – of all people – beter gaan.
     Ik heb dus enig begrip voor dat geruzie. Een poos geleden wou de nieuwe Vlaamse regering het begrotingsdebat in het Parlement eerst over de principes voeren en daarna pas over de cijfers. Jambon beloofde de cijfers binnen enkele dagen op punt te hebben. ‘Te laat,’ riep PVDA-parlementair Jos D’Haese als een rebels ettertje. ‘Dat gaat gij niet bepalen,’ antwoordde Jambon als een autoritaire schooldirecteur. Ik vond dat goed gespeeld van beide heren, maar toch vooral van D’Haese. Ik heb met andere woorden weliswaar liever wat meer fatsoen en wat meer inhoud, maar ik vind het geen drama als er wat drama wordt opgevoerd. Als Karel de Gucht het Vlaams Belang uitmaakt voor ‘mestkevers’, ach ja, ’t is Karel maar, en als Tom Lannoye zijn burgemeester een ‘oude hoer’ noemt, ach ja, we kennen Tom, of als als die burgemeester zelf het woord ‘watermeloen’ bovenhaalt om de voorzitter van Ecolo te typeren, ach ja, zo spreekt die burgemeester nu eenmaal, en ’t is nog waar ook.
    Maar er zijn grenzen. Op de Antwerpse gemeenteraad riep Sam van Rooy (Vlaams Belang) laatst iets naar Hicham El Mzaihr (sp.a) dat ik niet aanvaardbaar vind. El Mzaihr had de partijen van de oppositie scherp aangevallen: de Groenen, de PVDA en hief daarna de vinger op om ook Vlaams Belang de mantel uit te vegen. ‘Doe dat vingertje weg, reageerde Van Rooy, je bent hier niet in Marokko’. Bart De Wever noemde die uitval een schande en ik vind dat terecht.
     Dat opgestoken vingertje behoort geloof ik tot de moslimretoriek. Mijn collega’s van godsdienst zitten bij nascholingen wel eens tegenover een inspecteur-adviseur van het islamonderwijs. Dat blijkt dan een vriendelijke, verdraagzame man te zijn, maar, zeggen ze erbij, hij heeft de vervelende gewoonte bij het spreken met de vinger naar de hemel te wijzen. Dat gebaar is overigens niet exclusief islamitisch want Castro gebruikte het ook (hier) en die was geen islamiet, kwam niet uit Marokko en was niet verdraagzaam. Maar dat ongelukkige gebaar aangrijpen om de Marokkaanse afkomst van een politieke opponent ter sprake te brengen, zelfs in een scherpe polemiek, is fout. Ik weet niet hoe we in ons land ooit een betere verstandhouding tot stand zullen brengen tussen wat De Wever ‘oudkomers’ en nieuwkomers, noemt maar dát is zeker niet de manier.
     Een andere grens werd overtreden toen Filip Dewinter en Bart Somers ruzie maakten in het Vlaams Parlement. Er was brand gesticht in een gebouw in Bilzen dat zou worden gebruikt om asielzoekers op te vangen. Filip Dewinter veroordeelde de brandstichting, maar verweet Bart Somers vooral dat hij de brandstichting misbruikte om een reclame te maken voor een ruim asielbeleid. De tussenkomst van Dewinter deed denken aan de halfslachtige manier waarop sommige moslimpropagandisten een terreuraanslag door hun geloofsgenoten veroordelen en daarbij vooral spreken over het gevaar van de islamofobie. (Zie ook hier).
     Ik vond de tussenkomst van Dewinter ongepast, maar het antwoord van Somers was veel erger. ‘
Laat ons afstand nemen van dat clubje daar, zei hij, ‘dat zich op een moment dat we discussiëren over brandstichting gedraagt als een bepaalde fractie in de Reichstag. ‘Mijn vader, voegde hij eraan toe,  is in de oorlog weggevoerd om verplicht te worden tewerkgesteld in de Messerschmitt-fabriek in Duitsland.
     Dat is een lage streek die niet thuishoort in een politiek debat. Mijn eigen vader is net als de vader van Somers weggevoerd om te gaan werken in een Duitse wapenfabriek. Maar dat geeft mij niet het recht om Vlaams Belang van 2019 gelijk te stellen aan de terroristische nazimoordenaars van 1933 en later. Mijn vader zelf zou er, ondanks – of eerder juist vanwege – zijn wegvoering, niet aan denken om die twee aan elkaar gelijk te stellen. Ik heb dat als jonge, linkse propagandist aan de universiteit wel gedaan: in de aula’s gaan oproepen om een bijeenkomst van Vlaams Blok-jongeren te verstoren, ‘omdat het nazi’s waren’.  Ik schaam mij daar een beetje voor, maar niet heel erg, want zo dacht ik nu eenmaal. Maar dat ik bij die oproepen ook mijn vader ter sprake bracht, en die verplichte tewerkstelling, en dat ik daar applaus voor kreeg, dáár schaamde ik mij toen al voor, al liet ik het niet blijken.

Links een autoritaire leraar - rechts een autoritaire architect

zondag 24 februari 2019

Greta Thunberg en die ándere Zweedse activist

     De foto van de kleine Greta Thunberg die moederziel alleen – weliswaar opgewacht door de pers – de trappen van een Brussels station afdaalt, heeft mij ontroerd: een vlechtenmeisje met kleurige sokjes, anorakje, rugzakje, skimutsje en een piekfijn beschilderd, uit duurzaam materiaal vervaardigd, protestbordje: ‘Skolstrejk for klimatet’. Koppige Greta is helemaal van Zweden gekomen met de trein, over Kopenhagen en Keulen vermoed ik, alhoewel een reis met het vliegtuig sneller en goedkoper is. Ze doet me denken aan het koppige Veenmanneke van Louis-Paul Boon. Als die jongen bij een spelletje wordt aangeduid om een eindje zuidwaarts te lopen, loopt hij aan een stuk door tot hij een maand later de zuidkust van Frankrijk bereikt.
     Greta Thunberg kwam eigenlijk om deel te nemen aan de donderdagse klimaatbetoging, maar nu ze toch in Brussel was, mocht ze ook een toespraakje houden voor de Europese Commissie. Ze leek niet in het minst onder de indruk van het hoge gezelschap. Ze las gewoon haar tekstje voor. Hier was geen enthousiaste spring-in-’t-veld aan het werk als Anuna De Wever, die je makkelijk kunt verwarren met een deejay op een popfestival of een animator voor bejaarden in Torremolinos. Hier was het anders. Hier sprak een kind van vijftien haar zekerheden uit over het lot van de mensheid. Ik vond het nogal beangstigend. Ik stel mij geestdrijvers voor als oude mannen –  Savonarola in het vijftiende-eeuwse Florence of de High Sparrow in Game of Thrones. Ik denk niet meteen aan kleine meisjes.
     Het toespraakje zat anders goed in elkaar. Politici wilden niet met haar spreken, zei ze, en dat was goed, want zij wou ook niet met hen spreken. Haar enige eis was dat de klimaatakkoorden van Parijs zouden worden uitgevoerd, maar ook die uitvoering zou niets veranderen aan de klimaatramp die ons te wachten stond. ‘We have to focus every inch of our being to chimate change.’ Ons hele politieke en economische system, vond Greta, met vrije concurrentie en dergelijke, moest onmiddellijk worden omgegooid.  Politici spreken over de klimaatcrisis, zei ze, alsof het slechts één van de vele problemen is die ze moeten oplossen. Dat maakt hen tot de grootste schurken van de geschiedenis. De klimaatopwarming bedreigt ons bestaan en onze beschaving. Binnen elf jaar is het te laat en komt er een onomkeerbare kettingreactie op gang, ‘beyond human control’. Dat alles, zei ze nog, is geen onderwerp van discussie, het is een feit.
     Dat laatste is, geloof ik, niet waar. Greta verwijt de politici dat ze niet luisteren naar de wetenschap en naar het IPCC, maar zelf luistert ze ook maar met een half oor. Als ze de dikke rapporten van het IPCC doorneemt, onderstreept ze meest dramatische passages en redeneert daar logisch op verder. Dat op de volgende bladzijde een voorbehoud wordt gemaakt, een andere prognose worden berekend, een rooskleuriger scenario wordt uitgewerkt, past niet goed in haar manier van denken, vrees ik.
     En zoals wel meer alarmisten heeft Greta een voorkeur voor rampen met spektakelwaarde. De gewone voorspellingen van meer hittegolven, hogere zeespiegel - 30 tot 90 cm* -, overstromende rivieren, grotere verspreiding van de malariamug, op de ene plek meer droogte en op de andere plek meer neerslag, misschien zelfs heviger orkanen – dat alles is op zichzelf wel erg, maar daarmee overtuig je niemand dat het bestaan zelf van de mensheid op het spel staat. Greta maakt er in haar toespraakje dan ook geen woorden aan vuil. Als het over dat soort eenvoudige rampen gaat, begint een mens al snel aan prozaïsche oplossingen te denken: afkoelstystemen in huis, zeedammen, afgebakende overstromingsgebieden, muskietennetten en insectenverdelgers, irrigatie, bouwkundige voorzorgsmaatregelen …
     Het enige gevolg van de opwarming waar Greta wél even over spreekt is de kans dat ‘extremely powerful’ methaangas uit de toendra opstijgt, waardoor het klimaat definitief en onomkeerbaar op hol slaat. Ja, dán zijn we natuurlijk allemaal de sigaar. Enkele jaren geleden bestond het spektakelscenario uit de plotse onderbreking van de Golfstroom, die in enkele dagen tijd Europa in een ijsvlakte zou veranderen. Daar is toen een spannende film over gemaakt, maar nu hoor je er niet veel meer over.
    Misschien hebben sommige mijner lezers na het beluisteren van Greta Thunberg niet goed de slaap kunnen vatten, of hebben ze hun arts om angstremmers gevraagd. Of misschien hebben ze gedroomd van een terroristische aanslag waarbij ze corrupte politici uitschakelen en een groene dictator aan de macht te brengen. Hen wil ik de raad geven om nog wat te wachten met die angstremmers en dat terrorisme, en even het boekje Feitenkennis te lezen van een andere Zweedse activist, de onlangs overleden arts en epidemioloog Hans Rosling.
     Hans heeft meer dan alleen zijn geboorteland met Greta gemeen. Hij wil zoals zij ook altijd iedereen overtuigen en bekeren. Op Youtubefilmpjes zie je hem met verbetenheid en humor – een zeldzame combinatie – verkondigen hoe de wereld wél en hoe de wereld niet in elkaar zit. Kort gezegd komt het hier op neer dat de arme landen de laatste veertig jaar een geweldige vooruitgang gemaakt hebben die de meeste mensen in de rijke landen nog altijd niet beseffen. Hans is het ook met Greta eens dat de klimaatverandering een bedreiging vormt waar iets moet aan moet worden gedaan.** Hij aanvaardt de gemiddelde  cijfers van het IPCC als uitgangspunt, zoals hij de cijfers van álle internationale instellingen aanvaardt, of die nu in zijn kraam te pas komen of niet. Zelfs cijfers die hij maar half gelooft, neemt hij als uitgangspunt aan, zolang hij zelf geen betere cijfers kan verzamelen.
     Maar in tegenstelling tot Greta, beschikt Hans over een kennis van de wereld die tot stand gekomen is door een jarenlange strijd tegen zijn eigen vooroordelen. Zijn kennis, zegt hij, komt niet uit statistieken, maar uit gesprekken met mensen uit heel verschillende milieus en in heel verschillende landen – van VN-bureaucraten tot stamhoofden in zwart Afrika. Het waren die mensen die hem op zijn misvattingen wezen. Daardoor kwam hij te weten wat de problemen niet waren, wat ze wel waren, en waar naar oplossingen moest worden gezocht. Pas daarna begon hij cijfermateriaal te verzamelen dat hij dan in prachtige, bewegende grafieken wist weer te geven. De eerste keer dat ik zo’n grafiek zag, was ik even ontroerd als door het beeld van Greta op de Brusselse stationstrappen. Maar tóen had mijn grootvaderleeftijd daar niets mee te maken.
     Hans Rosling gelooft niet, zoals Greta Thunberg dat doet, dat het klimaat het enige wereldprobleem is. Het is één van de wereldproblemen.*** Daarnaast heb je onder andere het gevaar van een mondiale griepepidemie, een derde wereldoorlog, een instorting van het financiële systeem en het voortbestaan van de extreme armoede.**** Dat laatste is overigens geen gevaar in de toekomst, maar een realiteit van nu.
     Rosling heeft lang nagedacht over de vraag waarom we de wereld zo slecht begrijpen. We besteden te veel aandacht aan extremen en aan negatieve berichtgeving. We letten niet op geleidelijke veranderingen. We onderschatten hoe grillig de zaken evolueren. We laten ons leiden door angst en veralgemeningen. We zijn te snel onder de indruk van grote cijfers. We zijn op zoek naar boosdoeners die verantwoordelijk zijn voor alles wat misgaat – denk aan Greta’s schurken van politici. En we zijn ten prooi aan het ‘urgentie-instinct’ waardoor we de zaken niet meer nuchter bekijken.

    In 2009 werd Rosling gecontacteerd door de Amerikaanse ex-vicepresident Al Gore, die de wereld rondreisde om te spreken over de komende klimaatramp. Of Rosling zo’n mooie bewegende grafiek kon maken waaraan je kon aflezen wat er zou gebeuren als niet onmiddellijk-nu-meteen een alomvattende klimaatpolitiek in werking trad. Nu was Al Gore een van Roslings helden, maar toch weigerde de Zweed om mee te werken. Hij was net als Greta Thunberg niet snel onder de indruk van hoog gezelschap.***** Hij had begrepen dat Gore een grafiek wou met een ‘worstcase’-scenario om de mensen angst aan te jagen. ‘Ik kon niet voldoen aan wat hij vroeg,’ schrijft hij. ‘Ik hou niet van overdrijving. Overdrijving ondermijnt de geloofwaardigheid van goed onderbouwde data … En ik hou niet van angst … Angst plus urgentie levert domme, drastische beslissingen op, met onvoorspelbare neveneffecten. Daarvoor is de klimaatverandering te belangrijk. Die vraagt om systematische analyse, doordachte beslissingen, stapsgewijze maatregelen en zorgvuldige evaluatie ….’
     ‘Stapsgewijze maatregelen en zorgvuldige evaluatie …’ wat zou de jonge Greta daar op antwoorden?

 

* In het zeer, zeer, zeer onwaarschijnlijke geval dat de zeespiegel geleidelijk zes meter zou stijgen over een periode van honderd jaar, zouden grote gebieden onder water kunnen lopen. Er zouden grote werken nodig zijn om dat te vermijden. Zulke werken zouden jaarlijks één procent van het bruto wereldproduct kosten maar ze zouden uiteindelijk het ondergelopen gebied wereldwijd beperken tot een oppervlakte ter grootte van Nederland. Slechts 15 miljoen mensen zouden in de loop van de eeuw moeten verhuizen. Je kunt zoiets moeilijk laten doorgaan voor het einde van de menselijke beschaving.

 ** Bij Rosling is niet helemaal duidelijk hoe prioritair hij het klimaatprobleem inschat. Hij gelooft dat we door nú de CO2-uitstoot te beperken, we grotere kosten in de toekomst vermijden. Hij vindt dat de rijke landen, die per inwoner de grootste CO2-uitstoot hebben, die uitstoot dringend en drastisch moeten beperken. Anderzijds wil hij niet dat de landen met lage inkomens (Afrika) en middeninkomens (Indië, China) ook al meteen op duurdere energie of duurdere energiebesparing overstappen. Zo’n dubbel beleid zal, vermoed ik, op wereldvlak onvermijdelijk leiden tot een grotere totale uitstoot van CO2.

*** Hans Rosling houdt er evenmin van dat alle andere wereldproblemen worden teruggebracht tot de klimaatverandering. Heel zorgwekkend vindt hij in dat verband de term “klimaatvluchtelingen”. ‘Voor zover ik weet, schrijft hij, is het verband tussen klimaatverandering en migratie zeer, zeer zwak.’

 **** Een uitgebreide lijst van wereldproblemen is uitgewerkt in het kader van de Kopenhagen Consensus, met een voorgestelde rangorde van belang, kostprijs en kans op snelle resultaten. Verminderen van CO2-uitstoot staat op de dertigste plaats, na een hele reeks interventies die vooral de arme landen betreffen: verstrekken van vitamines, vaccinaties, ontworming, betaalbare scholen, goedkope hartmedicijnen, bestrijding van de malariamug, opsporen en behandelen van tbc, HIV-preventie, waterzuivering …

  ***** Toen Rosling uitgenodigd werd om in Cuba onderzoek te doen naar een dodelijke epidemie, werd hij op zijn werkplek opgezocht door Fidel Castro die zich zoals gewoonlijk persoonlijk op de hoogte wilde stellen van het nieuwe initiatief. Veel buitenlanders voelden zich vereerd door zo’n bezoek, maar Rosling vond Castro een moeial.

dinsdag 5 juni 2018

De atoombom en de opwarming van de aarde

     Sinds er atoombommen bestaan, is men altijd beducht geweest dat die ook zouden worden gebruikt. Maar die vrees ging op en af, en het lag ook aan het milieu waar je kwam. Verlichte geesten in de jaren zestig hadden er het meest last van. Stanley Kubrick wijdde er een film aan, Robert Bolt een toneelstuk of drie, en Boudewijn de Groot zong hoe hij “met alle andere baarden op de bom te wachten zat”.
     Maar in de jaren zeventig was men alles al een beetje vergeten, en dat was jammer. De maoistisch-communistische partij ‘Alle Macht’* waar ik toe behoorde, had net in die jaren het bouwen van atoomschuilkeders als haar belangrijkste programmapunt vastgelegd. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1976 werden we daarvoor in ons gezicht uitgelachen. Andere partijen kwamen op voor betere straatverlichting, een gemeentelijke zwembad en een extra tennisveld, en wij gingen donkere kelders bouwen waar je hoogstens een pingpongtafel kon plaatsen.
     Toch hadden we onze redenen. Communistisch China – ons lichtend voorbeeld – lag rond die tijd in ruzie met communistisch Rusland, en dus zagen ook wij in Rusland een vijand waartegen we ons moesten beschermen. In mijn cel – een communistische partij bestaat niet uit afdelingen maar uit ‘cellen’ – in mijn cel dus stond de kwestie van de oorlogsdreiging vaak op de agenda. Je had de trouwe aanhangers van de partijlijn die stelden dat een oorlog ‘onvermijdelijk’ was, en je had een dissidente strekking – één man eigenlijk – die volhield dat een oorlog ‘bijna onvermijdelijk’ was. Je begrijpt dat zoiets tot bittere discussies moest leiden.
     We hadden ons die discussies kunnen besparen. Al die tijd bestond er immers, zonder dat we het wisten, een Bulletin of the Atomic Scientists waar de beste atoomgeleerden aan meewerkten en dat het precieze oorlogsgevaar elke maand opnieuw berekende. Dat gevaar werd weergegeven door een klok op de voorpagina waarvan de minutenwijzer aangaf hoeveel minuten het was vóór twaalf. In 1947 stond de wijzer op 7 minuten vóór. In 1953 stond die al op 2 minuten vóór.* Maar in 1974, toen wij van deur tot deur ons idee van de atoomschuilkelders verkochten, was de wijzer gezakt naar 12 minuten, wat bewijst dat onze dissidente kameraad niet helemáál ongelijk had. En in 1991, na het einde van de koude oorlog, waren we al 17 minuten verwijderd van een allesvernietigende nucleaire catastrofe.
     17 minuten! Dat is je lezer voor de gek houden. Die koopt dat blad om iets over het einde van de wereld te lezen, en dan wordt hem doodleuk meegedeeld, dat de catastrofe voor onbepaalde tijd is uitgesteld. Gelukkig heeft de redactieraad het gevaar tijdig ingezien. ‘Waarom zouden we al onze eieren in één korf leggen,’ vroegen de atoomgeleerden zich af. ‘Die opwarming van de aarde waar iedereen de mond van vol heeft, zou dat ook niet iets voor ons zijn? Kunnen we die milieubedreiging niet optellen bij onze eigen bedreiging?’
     Zo gezegd, zo gedaan. De opwarming van de aarde werd vanaf 2007 opgeteld bij de dreiging van een atoomoorlog. Sindsdien staat de klok op de voorpagina van het Bulletin weer op 2 en een halve minuut voor twaalf, zoals het hoort. Je zou kunnen zeggen dat het gevaar geweken is.

 
*Voluit: Alle Macht Aan De Arbeiders - de voorloper van de huidige PVDA.

** Tijdens de Cubacrisis eind 1962 stond de wijzer gelukkig op een veiliger 7 minuten vóór. Misschien hebben Kennedy, Chroestsjow en Fidel Castro daar wel rekening mee gehouden.

zondag 30 april 2017

Raoul over Che Guevara, revolutie en dictatuur

     Op de paaskermis in Kortrijk stond vroeger een tent waarin vrijwillige toeschouwers het konden opnemen tegen worstelaar Raoul. Misschien waren die vrijwilligers helemaal geen toevallige toeschouwers, maar betaalde medewerkers. Kermisklanten zijn sluwe kerels. In elk geval vuurde de exploitant van de tent vanachter de microfoon zijn kampioen aan. Allez Raoul, draai dat been eruit. Allez, Raoul, wring hem de nek om. Aan die Raoul moet ik altijd even denken als ik ergens een interview zie met PVDA-man Raoul Hedebouw. En als de PVDA-man zich boos maakt in het federale Parlement, moet ik al helemaal terugdenken aan de kampvechter van mijn jeugd.
     Deze week heeft Raoul een interview gegeven aan De Zondag.
     Zo’n politiek interview heeft zelden de allure van een filosofisch essay. Het is niet erg aardig om in zo’n stuk te gaan speuren naar logische foutjes of onnauwkeurigheidjes. Een oude schoolkameraad, die tot dezelfde partij als Raoul behoort, zou mij daar trouwens onmiddellijk op aanspreken. Ik frons dus hoogstens één wenkbrauw als Raoul beweert dat onder Thatcher de Engelse economie bergaf ging, dat onder Pinochet  het analfabetisme in Chili bergop ging, en dat het schrijven van veel boeken bewijst dat de PVDA geen partij van populisten is. Ik ben bereid daar allemaal niet te zwaar aan te tillen. In het vuur van ons betoog, gooien we allemaal wel eens zaken op één hoop en misschien bedoelt Raoul iets anders dan wat hij zegt.
     Maar aan het einde van het interview krijgt Raoul een paar moeilijke vragen die hierop neerkomen: Is de PVDA nu voor of tegen een communistische dictatuur? Is de PVDA nu voor of tegen revolutionair geweld? Raoul verklaart dat hij tégen dictatuur en tégen geweld is, en voegt daar enkele nuances aan toe waaruit blijkt dat hij eigenlijk vóór die dictatuur en vóór dat geweld is – als ze van de juiste linkse kant komen. De antwoorden van Raoul verbaasden mij omdat ik dacht dat de PVDA al meer afstand had genomen van haar marxistisch-leninistisch verleden en al verder was opgeschoven naar de brede, democratische, groen-linkse grondstroom van meer gelijkheid, meer belastingen en meer staatsbemoeienis.
     Dat van die dictatuur kan ik het makkelijkste uitleggen, want Raoul zegt onomwonden dat hij veel sympathie heeft voor het Cubaanse regime. Dat zeggen wel meer linkse mensen. Maar Raoul beweert nog iets anders. Hij beweert, in tegenstelling tot die andere linkse mensen, dat Cuba géén dictatuur is. Daarvoor heeft hij twee argumenten. Één. Mandela heeft indertijd Cuba uitgekozen voor zijn eerste buitenlandse reis. Ik geloof dat dat waar is, maar als argument is het zwak. Twee. Castro is alleen heel lang aan de macht kunnen blijven omdat hij de steun had van het volk.
     Of dat waar is van die steun, weet ik niet. Het doet hier ook niet ter zake. De steun van het volk voor een regime is immers niet de definitie van democratie. De bevolking mag als één man achter het regime staan, zolang ze de kans niet krijgt om dat in vrije verkiezingen duidelijk te maken, heb je geen democratie maar een dictatuur. En in die betekenis zijn zowel het linkse Castro-regime als het rechtse Pinochet-regime, wat verder ook hun verdiensten of tekortkomingen mogen zijn, als dictaturen op te vatten. Ik heb het Ludo Martens, de leermeester van Raoul, vele keren horen uitleggen. Het Stalinregime was democratisch want het volk stond als één man achter het regime. Dankzij die volkssteun kon het regime de nazi-inval afslaan. Nu, misschien was dat zo, misschien ook niet. Maar met democratie had dat niets te maken.
     De kwestie van het revolutionaire geweld ligt ingewikkelder. Raoul prijst de gewapende strijd van Che Guevara. ‘Je moet dat in de specifieke context zien. De Cubanen leden onder de dictatuur van Batista. Was er een andere oplossing? ... Soms is dat nodig. Maar dat betekent niet dat we dat in België gaan toepassen. Che heeft in Congo en Bolivia ook ondervonden dat dat niet overal werkt. Je moet het volk aan je kant hebben.’
     Ik wil hier een eind meegaan met Raoul. Om te beginnen vind ik het prachtig dat Raoul geen geweld wil toepassen in België. Ook volg ik hem in zijn redenering over die ‘specifieke context’. Ik kan begrijpen dat er ‘specifieke contexten’ bestaan waarin strijdbare temperamenten een wapen leegschieten op soldaten of bomaanslagen plegen op kazernes. Een dictatoriaal regime waarbij de bevolking (of een deel ervan) de kans niet krijgt om de regering op vreedzame manier wandelen te sturen is zo’n ‘specifieke context’. Het is eigenlijk ook de enige. Maar Raoul zijn voorbeeld van Bolivia, waar Che ‘het volk niet aan zijn kant had’, roept bij mij herinneringen op aan 45 jaar geleden.
     Ik had juist het boekje van Régis Debray gelezen over de ‘Revolutie binnen de revolutie’. Debray was met Che naar Bolivia getrokken om her en der ‘revolutionaire haarden’ aan te steken. In zijn boekje legde hij uit dat guerrilla-activiteiten de beste methode waren om het volk aan je kant te krijgen. Met die nieuw verworven wijsheid ging ik naar een avond van het Davidsfonds, waar Fernand Tanghe, een maoïst uit Leuven – later een van de eerste ex-maoïsten – aan de plaatselijke middenstand de principes van de volksoorlog kwam uitleggen. Che Guevara en Debray hadden het in Bolivië verkeerd aangepakt, vertelde Tanghe. Daarom was Debray gevangen genomen en was Che doodgeschoten. Een échte revolutionair pakte dat anders aan. Je moest eerst een significant deel van de bevolking achter je krijgen, zoals Mao dat had gedaan in China.  Daarna pas mocht je het militaire geweld bovenhalen.
     Ik heb daarna jarenlang de doctrine uitgedragen die ik van Fernand Tanghe had geleerd. Revolutionair geweld was alleen geoorloofd in een ‘specifieke context’. Revolutionair geweld was alleen aanvaardbaar als er geen andere oplossing was. Revolutionair geweld kon alleen maar worden aangewend als je het volk aan je kant had. Vooral dat laatste. Dat Raoul vandaag dezelfde argumentatie hanteert, laat zien dat bij de PVDA de ‘oude vormen en gedachten’ van tante Jet nog niet volledig gestorven zijn.
     Wat Raoul had moeten zeggen is dit: ‘Cuba is voor ons geen model. Wij zullen nooit, zoals Lenin en Castro, de vrije verkiezingen opdoeken en partijen verbieden die een ander ideaal aanhangen dan het onze. Che Guevara voerde zijn gewapende strijd in Cuba en Bolivia tegen militaire dictaturen. Maar wij leven in een liberale democratie. In zo’n context zullen wij nooit revolutionair geweld goedpraten, bepleiten of organiseren. Maar verder blijven wij voorstanders van meer gelijkheid, meer belastingen en meer staatsbemoeienis.’
     Ik weet niet of Raoul mijn raad zal volgen. Misschien antwoordt hij wel: ‘Wij hebben geen lessen in democratie te ontvangen van ...’ waarop een scheldwoord, een smadelijke omschrijving of een jij-bak volgt. Communisten zijn sterk in een bepaald soort polemiek.

Dit stukje verscheen ook op Doorbraak



    

dinsdag 6 december 2016

Castro's drogreden

De werkkampen van UMAP zouden de homoseksuelen
heropvoeden tot nuttige burgers
      Homoseksuele mensen hadden het erg moeilijk onder Fidel Castro. Homo’s konden geen goede communisten zijn,  vond de grote leider. Ze werden verklikt bij de overheid, ze werden opgepakt bij razzia’s en ze werden opgesloten in werkkampen, de zogenaamde Unidades Militares de Ayuda a la Producción (UMAP), waar ze mishandeld werden*. Later kregen ze medische behandeling – gratis, geloof ik – om weer normaal te worden, of ze werden in quarantaine geplaatst om aidsverspreiding tegen te gaan. Dat laatste schijnt overigens gewerkt te hebben. Vanaf de jaren negentig werden ze meer en meer met rust gelaten.
     Het mooie is nu dat Castro van die vervolging later zijn spijt heeft betuigd. Het was een ‘groot onrecht’ geweest, zei hij. ‘Als iemand verantwoordelijk was, dan ben ik het … We hadden vele en verschrikkelijke problemen in die tijd, problemen van leven en dood. Ik had geen tijd om mij daarmee bezig te houden. Er was de rakkettencrisis. Ik ging helemaal op in de oorlog en in de politieke strijd.’
     Ik heb lang nagedacht over die uitspraak van Castro en heb besloten dat ze in die vorm niet valt onder mijn ‘sofisme van het ondergeschikt belang’, dat door zijn buitenlandse bewonderaars werd gebruikt. Castro geeft immers vlakaf toe dat de homoseksuelenvervolging fout was**. En hij heeft gelijk als hij zegt dat de rakettencrisis, die de wereld op de rand van een atoomoorlog bracht, een belangrijker probleem was dan die zaak met de homoseksuelen. Dat hij de rakkettencrisis zelf in het leven had geroepen, doet hier in de sfeer van de zuivere logica niet ter zake.
     Maar dan stelt zich een ander probleem. Als de grote taken van de revolutie alle tijd en energie opslorpten, waarom werd het laatste restje energie dan gebruikt om homoseksuelen op te sporen en op te sluiten? Waarom kon de grote leider dan zijn toespraken niet een klein beetje inkorten door de uitvallen tegen de homoseksuelen weg te laten? Het zou hem een paar minuutjes extra hebben opgeleverd om de ‘verschrikkelijke problemen van leven of dood’ te lijf te gaan.
     Castro doet mij hier heel in de verte een beetje denken aan een succesvolle Hitler die twintig jaar na zijn overwinning bij Stalingrad toegeeft dat hij het Jodenvraagstuk fout heeft aangepakt. ‘Als iemand verantwoordelijk was, dan ben ik het … We hadden vele en verschrikkelijke problemen in die tijd. We moesten strijd voeren op twee fronten. De Russen lieten niet af, de Engelsen wilden van geen vergelijk weten, en dan kwamen de Amerikaanse plutocraten zich ook nog eens moeien. Ik had geen tijd om mij met het lot van de Joden bezig te houden.’ Maar ondertussen verzwijgt hij dat Eichmann op zijn bevel treinen inzette om Joden naar uitroeiingskampen te vervoeren, terwijl die treinen eigenlijk broodnodig waren om troepen en oorlogsmateriaal naar het front te brengen.

*Je zou de homofobie van Castro wat milder kunnen voorstellen door erop te wijzen dat in de UMAP-kampen niet alleen homoseksuelen maar ook getuigen van Jehova, rockero’s, hippies en prostituees werden opgesloten. Dat maakt de zaak van Castro er evenwel niet beter op, vind ik.

**De fout toegeven is een goede eerste stap. Toch zijn we daarmee nog ver verwijderd van het volmaakte berouw dat de catechismus ons aanraadt.

zondag 27 november 2016

De opgeheven vinger van Fidel Castro

     Hoewel ik niet op zijn graf zal dansen, spuwen of pissen, wil ik toch even kwijt dat ik Fidel Castro nooit erg gemogen heb.* Lenin kon een scherp polemiekje voeren, Stalin maakte graag cynische grapjes en Mao liet zich interviewen in zijn onderbroek en noemde zichzelf een ‘monnik onder een lekke paraplu’ wat, geloof ik, iets als ‘brutale vlerk’ betekent.  Maar Fidel leek altijd over zijn schouder te kijken om te zien wat de Geschiedenis van zijn optreden vond. Hij viel nooit uit zijn rol van moraliserende vader des vaderlands. Hij was geen communist van de gebalde vuist, maar van de opgeheven vinger.
     Later daagde bij mij het inzicht dat er niet alleen met Fidel maar met de hele toestand op Cuba iets niet pluis was.
     Ik ben maar één keer op Cuba geweest begin de jaren negentig. Ik heb er niet, zoals de vrienden van Cuba, diepe gesprekken gehad met arbeiders, boeren en welzijnswerkers. De enige diepe gesprekken die ik heb gehad waren met de gids van onze groepsreis. Ze heette, laten we zeggen Camila, want we kunnen niet voorzichtig genoeg zijn.
     Ze was de dochter van een revolutionaire strijder van het eerste uur, en kinderen van revolutionaire strijders van het eerste uur genieten op Cuba allerlei voorrechten. Ook kreeg ze als gids fooien in dollars waardoor ze af en toe wat kopen kon in een echte winkel. De andere winkels, waar je met Cubaanse pesos terecht kon, boden niets aan wat je echt wou. In het buitenland doet mijn vrouw niets liever dan de sfeer opsnuiven van voedingswinkels en supermarkten en op Cuba was die sfeer … euh … bevreemdend. Een Cubaanse pesowinkels deed denken aan een vervallen privé-museumpje in een achterafstraatje. In haar officiële rol legde Camila uit dat die winkels zo slecht voorzien waren vanwege de economische blokkade door de Verenigde Staten. Die ‘blokkade’ kwam erop neer dat de Cubanen vanuit bijna alle landen, behalve de VS, alles konden invoeren als ze de wereldmarktprijs betaalden en dat ze ook alles konden uitvoeren naar bijna alle landen, behalve de VS, maar alweer aan de wereldmarktprijs. De tijd dat ze boven de prijs verkochten en onder de prijs invoerden, vanuit het communistische Oostblok, was juist afgelopen en dat was, geloof ik, de echte reden van de economische crisis. Ondanks die crisis heb ik op Cuba geen bedelaars gezien. Wel nette, oude heren die op rommelmarkten boeken uit hun bibliotheek te koop aanboden. Daar zaten exemplaren bij die ik niet graag weg zou moeten doen.
     Wat vond Camila nu eigenlijk van Fidel? Moeilijk om te zeggen. Haar houding leek mij een beetje op die van een adolescent tegenover zijn vader of moeder. Trots, want Fidel was tenslotte een Cubaan. He may be a bastard, but he is our bastard, moet ze gedacht hebben. Maar ook schaamte. In het museum van de revolutie sprak ze zo weinig mogelijk over Fidel Castro en Che Guevara en zoveel mogelijk over Camilo Cienfuegos, die andere revolutionaire leider die op tijd overleed zodat hij niets met de communistische misère van na 1960 te maken heeft gehad. In een of ander kustdorpje vertelde Camila ons, in haar officiële rol, over een landelijke viswedstrijd die daar had plaatsgevonden. Fidel Castro en Ernest Hemingway hadden eraan deelgenomen en natuurlijk had hij gewonnen**. Wie was ‘hij’, wou ik weten. Ze mompelde zo stil mogelijk de naam van de líder máximo en ik zonk in de grond van schaamte omdat ik haar met mijn vraag in verlegenheid had gebracht.
     Verfrissend was dat Camila in persoonlijke gesprekken op geen enkel moment de líder máximo ernstig nam. Ik vroeg haar wat ze ervan vond dat hij mensen die wilden emigreren voor ‘gusanos’ – wormen – uitschold. ‘Och,’ zei ze, ‘hij houdt zo van dat woordje.’ Ik vroeg haar wat ze vond van de Cubaanse militairen in Angola. Camila keek mij vragend aan. Zoiets moest toch dagelijks op het nieuws geweest zijn, zei ik. Dat wel, maar Camila was ervan uitgegaan dat er helemaal geen Cubanen in Angola waren en dat het om de zoveelste opschepperij van Fidel ging.
     Er waren drie dingen die Camila erg vond in haar land. Het eerste was dat er ‘geen toekomst’ was. Je kon er niet ‘vooruit’ komen. Cuba was het land van de vlakke loopbaan. Nu zijn er overal ter wereld mensen die een vlakke loopbaan hebben en zich daar niet aan storen. Ik bijvoorbeeld sta in het onderwijs. Maar onder het communisme heb je de indruk dat die vlakke loopbaan van de wieg tot aan het graf wettelijk bindend is vastgelegd. Er is niet eens plaats voor de illusie dat men hogerop zou kunnen komen, als men hard zijn best deed. Sommige mensen storen zich daaraan.
     De tweede ergernis van Camila betrof de politieke toeristen in haar land. Je zag overal bussen met Mexicanen en Bolivianen van een of andere vakbond van onderwijzers of gezondheidswerkers. Die kwamen op Cuba ‘het socialistisch systeem bestuderen’, de dwaze halzen. Bovendien waren die vakbondsmensen vaak erg dik en van Indiaanse afkomst, zei Camila. In Cuba zag je weinig zwaarlijvigheid en, al was er weinig of geen discriminatie van de zwarte minderheid, met Indianen liepen ze daar niet hoog op.
    De derde reden tot kribbigheid was de corruptie. Wij kennen corruptie van de krant en het tv-nieuws maar zelf heb ik nog nooit iemand moeten omkopen. Ik heb ooit eens een bloemetje geschonken, achteraf, aan een loketbediende die een reispas vóór een moeilijke deadline georganiseerd kreeg en dat is alles. Op Cuba is dat anders. Voor alles moest je een abogado omkopen, vertelde Camila. Ik dacht eerst dat Cuba vergeven was van advocaten, zoals er in het land ook twee keer zoveel artsen zijn als bij ons***. Maar abogado’s bleken gewoon ambtenaren met een rechtendiploma. En daar waren er inderdaad veel van. In zekere zin leek Cuba op ons land. Voor alles had je een vergunning nodig en voor alles kwam je op een wachtlijst. Alleen, die vergunning kwam er nooit en je naam bleef voor eeuwig op de wachtlijst als je de juiste abogado geen geld toestopte. Sommige Cubanen renoveerden hun huis ’s nachts, en alleen aan de binnenkant, om de vergunningsplicht te ontlopen.
     Gunstig bij dit alles is dat Camila dat allemaal zomaar vertelde aan een buitenlandse toerist die ze van haar noch pluimen kende. Het bewijst dat de Castrodictatuur in dat opzicht meer op het hitleriaanse dan op het stalinistische regime leek. Onder Stalin was je zelfs niet veilig als je kritiek op het regime had in het bijzin van je zoon of dochter en ook je beste vriend en je eigen vrouw kon je maar beter niet vertrouwen. In het Duitse gastgezin waar mijn vader logeerde gedurende de laatste jaren van de oorlog had aan tafel iedereen kritiek op het regime. Alleen Frau Sacksenröder, die lid was van de nazipartij, zweeg. Niemand was bang dat ze zou klikken. In het kerkkoor van mijn grootvader werd bij elke repetitie de politieke en militaire toestand onder de loep genomen. Mijn grootvader was anglofiel en werd door een koorlid verraden. Hij kreeg van de autoriteiten een vermaning. Wellicht was dat ook de ergste straf die Camila kon krijgen voor haar indiscreties – een vermaning. In het Duitsland van Hitler moest je een openlijke opposant, een jood, een zigeuner of een homoseksueel zijn om vervolgd te worden. Of je moest je op het verkeerde moment op de verkeerde plaats bevinden. In het Cuba van Castro werd je alleen vervolgd als openlijke opposant. En als homoseksueel natuurlijk. Maar over dat laatste heeft Castro later zijn spijt betuigd.
    

Zie over Castro ook hier en hier.
** Fidel Castro was niet alleen een groot visser, maar ook een formidabele basketbalspeler. De Nederlandse auteur Harry Mulisch beschreef in zijn enthousiaste boek Het woord bij de daad hoe Fidel aan een stelletje zwarte spelers liet zien hoe het moest. ‘Soepel omspeeld door de snelle zwarte jongens, wier benen ergens bij hun oksel schenen te beginnen, maakte hij [Fidel] persoonlijk 24 punten, zonder dat hem speciaal de bal werd toegespeeld, want daar heb ik op gelet.’ Zonder dat hem speciaal de bal werd toegespeeld! Wat een kerel! 

*** Sp.a-volksvertegenwoordiger Kurt de Loor haalt in zijn lyrisch afscheid van Fidel de overvloed aan artsen aan als argument voor Cuba. Terwijl je juist van dat soort mensen vaak hoort dat het kapitalisme de mensen ziek maakt. Schreef Harry Mulisch niet dat op Cuba de ziekte was ‘afgeschaft’? Maar misschien brengt het socialisme zijn eigen kwaaltjes voort. Dan mogen we hopen dat de Cubaanse artsen niet alleen dubbel zo talrijk maar ook dubbel zo kundig zijn als de onze.