Posts tonen met het label John Crombez. Alle posts tonen
Posts tonen met het label John Crombez. Alle posts tonen

donderdag 16 mei 2019

Hoe zien onze pensioenen eruit in 2070?


     De laatste tijd lees ik veel van die optimistische boeken:  Steven Pinker, Hans Rosling, Bjørn Lomborg, Maarten Boudry, Matt Ridley, Johan Norberg. ’t Is zoals met andere zoetigheid – je voelt een lichte walging, maar je blijft ermee doorgaan. We eten beter, lees ik in die boeken, en we leven gezonder en we worden slimmer. Onze bejaarden worden vitaler en onze levensverwachting wordt langer. Wie vroeger leefde kwam jaarlijks netjes één jaar dichter bij zijn dood. Wie daarentegen in de twintigste eeuw leefde kwam jaarlijks maar zeven maanden dichter bij zijn einde. Denk daar maar eens over na.
     Op het hoofdkwartier van N-VA moet er ook iemand zijn die die boeken leest, iemand met name die heeft meegeschreven aan het partijprogramma. ‘Demografische projecties tonen aan,’ lees ik in dat programma, ‘dat de levensverwachting in België tegen 2070 nog verder zal stijgen. Een cruciale voorwaarde om de betaalbaarheid van de pensioenen te behouden, en zo de solidariteit met de jongere generaties te vrijwaren, is dat de wettelijke pensioenleeftijd die levensverwachting volgt.’ John Crombez heeft die passage gebruikt om het Bart De Wever knap lastig te maken. Het Nieuwsblad van 15 mei opende met de kop ‘De Wever wil pensioenleeftijd verder omhoog’, wat de zaak geloof ik niet helemaal juist samenvat*.
     Het was natuurlijk ook dom om speculaties over de toekomstige levensverwachting in het N-VA-programma op te nemen. Een verkiezingsprogramma moet niet speculeren over een mogelijke toestand in 2070**. Nu, in 2019, is de toestand ernstig genoeg. De gemiddelde pensioenleeftijd is vandaag nog geen 60 jaar. We werken gemiddeld 33 jaar en zijn 23 jaar op pensioen***. Wanneer wij hogere pensioenen willen – wat alle partijen beloven – zónder meer van ons loon af te dragen, dan moet dat werken een paar jaar langer en dat pensioen een paar jaar korter. Dáárom heeft Michel I de algemene norm verhoogd – van 65 naar 67 jaar – en is er een voorzichtig begin gemaakt met het afschaffen van de uitzonderingen.
     De partijen sp.a en Vlaams Belang beloven én hogere lonen én hogere pensioenen én verlaagde pensioenleeftijd. Daar kan ik begrip voor opbrengen want het zijn drie mooie dingen. Helaas gaan ze niet samen binnen één budget. Partijen die daarom ronduit zeggen dat de hogere pensioenen moeten worden worden betaald met langer werken, langer bijdragen en dus hogere pensioenleeftijd – N-VA en Open-vld zeggen zoiets – moeten worden geprezen voor hun eerlijkheid.
     Maar móeten wij wel kiezen tussen de drie mooie dingen? PVDA-man Jan Dumolyn schreef op zijn Facebookpagina dat de ‘piepeltjes van N-VA’ er niets van begrepen hebben. Een flinke stijging van de productiviteit, schrijf Jan, kan ervoor zorgen dat we én hogere lonen, én hogere pensioenen én verlaagde pensioenleeftijd krijgen. Daar zit iets in. Als ik met Jan daarover debatteerde voor de televisie zou ik misschien aanvoeren dat juist het PVDA-programma weinig garanties biedt voor zo’n productiviteitsstijging. Maar dat zou flauw zijn, want Jan heeft een punt. Uit mijn optimistische boeken weet ik dat de gemiddelde aardbewoner binnen honderd jaar – in 2119 dus – acht keer rijker kan zijn dan de huidige. Maar we móeten niet acht keer rijker worden. Wij kunnen er de voorkeur aan geven om in 2119 maar vier keer rijker te zijn en op ons veertigste op pensioen te gaan, of op ons achtenveertigste zoals vroeger de militairen, en de regentessen in het onderwijs. Wij kunnen dus, al is het binnen honderd jaar, tegelijk vier keer rijker worden én maar half zo lang werken.
     Ik heb hierboven zinsneden gebruikt als ‘wij willen’ en ‘wij moeten’ en ‘wij kunnen’. Er zit in in elk van die zinsneden een vies beestje dat ik er graag uit wil. Waarom zouden ‘wij’ iets moeten, of willen, of kunnen? En waarom zouden ‘wij’ allemaal hetzelfde kiezen? Ik zou het veel gezonder vinden als iedereen, binnen redelijke grenzen, zelf zijn eigen keuzes kon maken in zo’n gevoelige kwestie. Wie graag vroeg wil stoppen, kan wat harder werken en wat meer bijdragen, of zich met een kleiner pensioen tevreden stellen. Wie graag langer werkt, kan zijn bijdrage beperkt houden en aan het einde van zijn loopbaan toch een royale uitkering verwachten. Je krijgt dan als gepensioneerde ongeveer terug wat je tijdens je werkende leven  – kort of lang  – hebt bijgedragen, met interest. Veel en lang bijdragen levert een hoog pensioen op, kort en weinig bijdragen een klein pensioen.
     Het pensioenstelsel schijnt verder iets heel, heel ingewikkelds te zijn. Er zijn universiteitsprofessoren die hun hele leven wijden aan de studie ervan. Zo’n stelsel veranderen zal dus wat meer vragen dan een plannetje dat werd uitgetekend aan de keukentafel. Bovendien moet er in die delicate materie een zekere politieke overeenstemming bestaan. Alleen al de wettelijke norm met twee jaar verhogen naar 67 was zó delicaat dat die verhoging pas kan ingaan in 2030, ondanks de brede overeenstemming over de kwestie tussen N-VA, CD&V, Open-vld en Groen. Een geheel nieuw stelsel doorvoeren zal nog vele malen moeilijker zijn. Het beginsel is eenvoudig genoeg: rekening houden met het eenvoudige gegeven dat verschillende mensen verschillende dingen willen en belangrijk vinden. Maar het is het opruimen van de bestaande koterij die in zo’n gevallen voor de meeste moeilijkheden zorgt****. Ik zie het niet gebeuren vóór 2030. Het is meer iets voor 2070. Misschien kan N-VA dát eens opnemen in haar programma. 



*Liesbeth van Impe schrijft de dag erna dat De Wevers politieke tegenstanders zijn woorden ‘kort door de bocht geïnterpreteerd hebben. Dat is heel begrijpelijk van die tegenstanders, vindt ze - en dat vind ik ook. Maar waarom plaatste ze de dag ervoor zélf een kop op de voorpagina met een interpretatie die minstens even kort door de bocht ging? Zij is toch geen politieke tegenstander?

**Een uitspraak over een hypothetische situatie in de toekomst kan makkelijk worden verward met een politiek plan voor korte en middellange termijn. Zon onhandige uitspraak is in zekere zin erger dan een foute uitspraak.  Een foute uitspraak kun je achteraf weer intrekken. ‘Sorry, het was een vergissing.’ Een onhandige uitspraak kun je achteraf alleen nuanceren. En niet iedereen staat daarvoor open.

*** Zie hier  en hier . Ik heb vroeger al enkele stukjes geschreven over de pensioenkwestie, onder meer over de superioriteit van kapitalisatie vergeleken met repartitie:  hier, hier en hier

**** Het pensioenstelsel met punten, waar we niet zo veel meer over horen, zou een eerste aanzet kunnen zijn voor de opruimwerken.

zondag 6 januari 2019

Migratie-optimisme

     Op de vraag hoe het met mij, met jullie en met het heelal uiteindelijk afloopt, heb ik weinig gunstigs te melden. Maar ‘andrerseits bin ich kein rabenschwarzer Pessimist,’ zoals Reinhard Mey zong. Meestal ben ik een zonnetje in huis. En nu heb ik een nieuwe reden om mijn optimisme te koesteren. In De Zondag van vandaag staat een hoopgevend interview met John Crombez (Sp.a) ‘De migratie naar Europa moet verminderen,’ zegt hij. ‘Anders zal het niet houdbaar zijn. We moeten meer investeren in humane opvang in eigen streek.’  ‘U klinkt net zoals N-VA,’ werpt de journalist op. ‘Helemaal niet,’ antwoordt Crombez. Ja, wat moet die jongen daarop zeggen?*
     Met het nieuwe Sp.a-standpunt breidt de anti-migratiestrekking zich dus uit binnen het politieke centrum. Eerst was er het geruchtmakende openingscollege van Bart De Wever aan de RUG in 2015. S.pa volgt nu, misschien omdat ze zich ter linkerzijde willen onderscheiden door realiteitszin. Bij Open-Vld moeten ze nog eens goed nadenken over het verschil tussen economisch nuttige en economisch nadelige immigratie, maar ze volgen wel, te gelegener tijd, anders verliezen ze nog een keer kiezers aan N-VA. Voor CD&V ligt het wat moeilijker omdat ze halfopen grenzen en een ruime vluchtelingenopvang nu al zo lang prijzen als een vorm van christelijk humanisme. Maar vroeg of laat begrijpen ze zelfs daar het verschil tussen een humaan imago en een humaan beleid, want dat laatste moet per definitie ook realistisch zijn. Groen en PVDA zie ik niet snel omgaan, maar je kunt niet alles willen.
     Wel zal het ook ná de evolutie binnen de partijen niet gemakkelijk zijn. Er is de ethische controverse. Er is de noodzakelijke internationale samenwerking. Er is de juridische stand van zaken. Ook betekent een politieke consensus tussen de Vlaamse centrumpartijen, nog niet dat die consensus er is aan Waalse zijde. En verder is het sluiten van grenzen – nationaal of Europees – ingewikkeld en duur, en de landen van herkomst overtuigen om immigranten, met name afgewezen vluchtelingen, terug te nemen is eveneens ingewikkeld en – welja – duur. Want die regimes doen niets als ze er niets voor terugkrijgen.
     In elk geval ziet het ernaar uit dat migratie een belangrijk onderwerp wordt tijdens de volgende verkiezingscampagne. Dat komt onder andere door Marrakesh-beslissing van N-VA. Crombez zegt echter met recht en reden dat zulke zaken niet vastgelegd worden door de communicatiedienst van een partij: ‘De bevolking heeft al langer beslist welke thema’s de campagne domineren.’ Zo is dat. En migratie is één van die thema’s.
     Weinig grote problemen kunnen worden opgelost met ‘vijf minuten politieke moed’, zoals Yves Leterme indertijd heeft moeten ondervinden. Die wijsheid zullen we, geloof ik, niet terugvinden in de slogans van de komende verkiezingscampagnes. Daar zijn het slogans voor; ik heb daar geen probleem mee. Maar de regering die dan volgt, zal de eerste stappen moeten zetten. En de regering die erna komt, de volgende, enzoverder.
     En zo komt het allemaal nog goed.


 * Ook wat Crombez zegt over kernenergie staat mij wel aan. Zelf vindt hij dat ‘elk weldenkend mens weet dat gevaarlijke, vervuilende en dure kernenergie niet de toekomst kan zijn.’ Maar als de journalist van De Zondag opmerkt dat de wetenschappers van het VN-klimaatpanel kernenergie naar voren schuiven, antwoordt hij: ‘De kernlobby is aan het winnen.’ Kijk, dat vind ik alweer goed nieuws.

zaterdag 6 oktober 2018

Sp.a belooft bijna-gratis hoorapparaten

     De Gentse professor Carl Devos heeft van de week voor zijn college politicologie de partijvoorzitters uitgenodigd. Ik las daar een stukje over in Het Nieuwsblad. ‘John Crombez (sp.a) zette van bij het begin de toon,’ schrijft HN. ‘Hij deinsde er niet voor terug om de gehele sociale zekerheid met zijn partij te claimen.’ Van mij mag Crombez alles claimen. Zijn partij heeft in de ontstaansgeschiedenis van die sociale zekerheid haar rol gespeeld. Als Crombez wil mag hij op die manier ook het algemeen stemrecht claimen. De werkelijkheid is echter dat álle partijen – ook n-va en de liberalen –  ondertussen voorstander zijn van de sociale zekerheid – én van het algemeen stemrecht. De socialisten zitten al vier jaar in de oppositie, en toch zijn de sociale uitkeringen in die tijd alweer met 8 procent gestegen.* Die uitkeringen vertegenwoordigen de helft van alle staatsuitgaven en 25 % van ons bruto binnenlands product. Het grootste deel ervan gaat naar pensioenen** en geneeskundige zorg.
     Die sociale zekerheid is een erg ingewikkelde materie. Jan moest daar vorig jaar een en ander over leren, en hij deed dat al zuchtend en steunend, om dan zo snel mogelijk de monoklonale antilichamen en de cytokinen weer op te zoeken. Maar voor de burger valt het mee. Ik moest laatst een heelkundige ingreep ondergaan. Ik werd onder handen genomen door een team van hooggeschoolde en duurbetaalde specialisten die daarbij gebruik maakten van kostbare apparatuur. Een maand later kregen we met de post een belachelijke lage factuur toegestuurd. De rest was al allemaal betaald door de sociale zekerheid. Bij de huisarts is het iets ingewikkelder. Daar moet ik eerst betalen, en krijg ik later een deel van het geld teruggestort. Ook dan krijg ik de indruk dat ik wel erg goed wegkom.
     Maar die indruk is bedrieglijk. Met de geneeskunde is het gesteld als met een ontbijt – je krijgt ze nooit écht gratis, ook niet in Cuba. Er is altijd iemand die betaalt, en die iemand is, in laatste instantie, de patiënt die zijn geld stort in de sociale zekerheidskas. De sociale zekerheid kun je zien als een verzekering die je verplicht bent te nemen – en te betalen – zoals je ook verplicht bent een autoverzekering te nemen – en te betalen. Maar er is een verschil. Die autoverzekering moet je nemen zodat iemand ánders, die door jouw toedoen schade lijdt, zeker mag zijn dat die schade vergoed wordt. Je wordt dus verplicht je te verzekeren om een derde partij te beschermen. In het geval van ziekteverzekering is dat niet zo. Daar word je verplicht jezélf te beschermen.*** Om in de sfeer van de auto te blijven: het is alsof de staat je verplicht een omniumverzekering af te sluiten, iets wat slecht is voor je financiën maar goed voor je gemoedsrust. Inzake gezondheid weegt de staat in jouw plaats financiën en gemoedsrust tegen elkaar af en neemt een beslissing voor je eigen bestwil.
     Elke regeling waar je je verplicht aan moet onderwerpen ‘voor je eigen bestwil’ mag gerust paternalistisch worden genoemd. Dat is een lelijk woord, maar de zaak zelf heeft zo zijn voordelen. Daniel Kahneman heeft uitvoerig geargumenteerd dat de emotionele homo sapiens soms beslissingen neemt die aantoonbaar in zijn eigen nadeel zijn. Een paternalistische overheid kan de sapiens dan met harde verplichtingen of zachte wenken in de ‘juiste’ richting duwen. Misschien is dat ook wat gebeurt met de ziekteverzekering. Misschien gaan we allemaal wat sneller en wat vaker naar de dokter nu we toch verzekerd zijn, en misschien is dat terecht en zijn we daardoor allemaal een klein beetje gezonder en misschien zelfs een heel, heel klein beetje gelukkiger.****
     Toch zou ik met paternalisme ook niet overdrijven. Ik zag onlangs een advertentie van sp.a passeren die hogere terugbetalingen voor brillen, lenzen en hoorapparaten eiste. ‘Sp.a. – we zorgen ervoor,’ stond erbij. Er stond een foto naast van een hardhorende bejaarde die schrok van de prijs van zijn hoorapparaten: 675 euro. Daar hebben veel mensen op gereageerd. De meesten wilden weten waar je die hoorapparaten aan 675 euro kon krijgen. Ik zou dat ook wel willen weten, want ik ben zelf een hardhorende bejaarde. Ik heb me enkele jaren geleden geïnformeerd over die kwestie. Zo’n paar hoorapparaten waarmee je ook in gezelschap de gesprekken kunt volgen, kost al gauw 5000 en niet  675 euro. Ik heb toen maar beslist dat ik eigenlijk ook niet álles wil horen.*****
     We vinden in het verleden van de sp.a geen aanwijzingen, dat die partij in de toekomst van plan zou kunnen zijn zelf de kosten van onze hoorapparaten terug te betalen uit de partijkas. Dat geld zal ergens anders vandaan moeten komen. Eenvoudig gesteld: als we bijna-gratis hoorapparaten willen, dan zal de verzekeringspremie die we betalen omhoog moeten. Zoals het nu is moet ik zelf de beslissing nemen en voorlopig haalt de gierigheid het van mijn wens om alles te verstaan wat om mij heen wordt gezegd. Met het sp.a-voorstel is mijn keuze sterk verminderd: ik moet dan hoe dan ook de verhoogde premie betalen. Ik kan alleen nog beslissen of ik die bijna-gratis hoorapparaten nu wil of niet, en díe beslissing zou snel genomen zijn.
     Is die verhoogde premie de enige oplossing om bijna-gratis hoorapparaten te krijgen? Ik geloof het wel. Je kunt die hoorapparaten natuurlijk ook terugbetalen door pvda-gewijs hogere belastingen te heffen op de rijken, of door de patronale bijdragen bovenop de werknemerslonen te verhogen. Maar dat verandert niets aan het paternalisme. Als men geld van de rijken wil doorsluizen naar de hardhorenden, kan dat nog altijd cash gebeuren. Dan kan de hardhorende zelf beslissen wat hij met dat geld doet. Of als de loonkosten moeten stijgen, dan kan die stijging evengoed rechtstreeks naar de werknemers gaan, in plaats van naar een kas waarop de werknemer later, als hij oud en grijs of kaal is, een beroep kan doen om zijn hoorapparaat te betalen. ******
     Anderzijds is het hele sp.a-voorstel misschien écht wel in mijn voordeel als hardhorende. Misschien moet ikzelf maar een klein bedrag bijbetalen en wordt de kost verder mooi gespreid over mijn niet-hardhorende buren. Maar, ten eerste, put ik weinig troost uit de gedachte dat mijn buren voor mij moeten opdraaien. En, ten tweede, misschien hebben die buren allerlei andere zorgen nodig, waar ik dan weer voor moet opdraaien. Ik wil, zoals elke solidaire Vlaming, heel gráág voor die kosten opdraaien, als het gaat om duur onderzoek, om levensreddende operaties, of om dure, experimentele medicijnen. Maar als het gaat om hoorapparaten, neussprays, kinesibeurten voor een frozen shoulder, of mooie tandheelkundige kronen, dan moeten die buren zelf maar beslissen of ze hun goede geld daarvoor over hebben. Ze kunnen in plaats daarvan ook hun hand achter hun oorschelp brengen, hun neus wat vaker snuiten, enkele maanden wachten tot die schouderpijn vanzelf weggaat, of zich tevreden stellen met een vals gebit.
     Voor de rest zou ik het mooi vinden als mijn buren en ik voor onze medische uitgaven konden kiezen tussen een reeks omnium verzekeringsformules. Ikzelf zou kiezen voor de zogenaamde ‘kleine omnium’. Daar zijn geen hoorapparaten bij, geloof ik.



* Perscommuniqué van de Nationale bank van 2018-04-20 en Kerncijfers. De sociale uitkeringen bedroegen 101.301 miljard in 2014 tot 110.092 miljard in 2017. De sociale uitkeringen zijn ook gestegen als percentage van de totale staatsuitgaven: van 46 % naar 48 %. De stijging van de staatsuitgaven is volledig toe te schrijven aan en stijging van de sociale uitkeringen. Er is alleen een heel kleine daling van de sociale uitkeringen vergeleken met het bbp: van 25,3 % naar 25,1 %. Die relatieve daling is wellicht een gevolg van de dalende werkloosheid en de verhoogde pensioenleeftijd.
** Over de pensioenen heb ik al eens een stukje geschreven. (Hier)
*** Anders dan bij sommige andere verzekeringen, ben je met de ziekteverzekering bijna zeker dat je niet alleen veel geld betaalt, maar ook veel geld of diensten terugkrijgt. Gemiddeld zal iemand met een zwakke gezondheid of een hypochondrische aanleg er wat meer uithalen dan iemand anders, maar iedereen is wel eens ziek en niemand is veilig voor de streken van het noodlot.
**** Misschien ben ik niet alleen gelukkiger omdat ik gezonder ben, maar ook omdat ik niet te veel zélf moet beslissen. Of misschien ben ik daardoor juist ongelukkiger, wie weet. Sp.a-politici lijken in elk geval gelukkiger als zij over mijn lot mee kunnen beslissen en voor mij kunnen ‘zorgen’. ‘Horen, zien en lachen is geen luxe,’ schrijft sp.a, waarmee ze verwijst naar hoorapparaten, brillen en tandzorg. De onderliggende redenering is dat alles wat geen ‘luxe’ is, geregeld moet worden door de staat, zodat we het niet ‘uit eigen zak’ moeten betalen.
***** Sp.a beweert dat ze gemiddelde prijzen genomen heeft. In haar resolutietekst over de kwestie lijkt ze niet goed te beseffen dat hoorapparaten meestal met twee stuks tegelijk worden gekocht: één voor elk oor. Eén stereofoon toestel kost al snel € 2500, samen dus € 5000. Met een totale terugbetaling van € 1317 betaal je dus zelf  € 3683. Sp.a stelt voor de tussenkomst van de verplichte verzekering ‘significant’ te verbeteren. Dat is vaag. Wil sp.a bijvoorbeeld € 4500 terug laten betalen? Dan zal het aantal kandidaten erg snel de hoogte ingaan. Ik zal er zeker ook bij zijn. Overigens heeft sp.a nog een reeks voorstellen om de toestellen aan lagere prijzen aan te bieden, zoals openbare aanbesteding, maximumprijzen, controle van de audiciens en aanmoedigen van goedkopere technieken. Ik heb daar allemaal niet zo veel vertrouwen in.

zaterdag 24 maart 2018

Liegt John Crombez?

     Ik behoor niet tot de jongens die bij mooi lenteweer de blauwe lucht afspeuren naar straaljagers. Als ik er toevallig een paar zie, grom ik alleen goedkeurend : ‘The fair weather brings them out.’ Maar dat is maar een spotternij. Een van de redenen waarom ik geen minister van Defensie wil worden is dat je dan een paar keer moet meevliegen met zo’n tuig, zodat de kranten daar een foto van kunnen publiceren. Maar ik word al misselijk in een tuimeltrein op de kermis.
     De rel rond de straaljagers is mij dus goeddeels voorbijgegaan. Wat Van der Maelen gezegd heeft, en wat Van de Put geantwoord heeft en wie wat verzwegen of gelekt heeft, ik heb er weinig mee. En dan struikelde ik op Facebook over een boodschap van John Crombez. Wat zou jij doen met 15 miljard euro, vraagt John: 1100 nieuwe scholen bouwen of een stel gevechtsvliegtuigen kopen van het F-35-type? Met een hartje en een boos gezichtje maakt John duidelijk wat híj zou doen als het van hem afhing.
     Dat berichtje was niet helemaal in de haak. Ik zal niet zeggen dat John liegt. Als John beweert dat nieuwe scholen hem blij maken en dat  hij droevig of boos wordt van gevechtsvliegtuigen, dan geloof ik hem op zijn woord. De zielenroerselen van John zijn zijn eigen zaak. Every man’s duty is to his king, but every man’s soul is his own, zei de Bard. Of wil John met zijn hartje en zijn boos gezichtje suggereren dat hij nooit in een regering zou stappen die gevechtsvliegtuigen of oorlogshelikopters koopt? Dat is wat anders. Het zou me, in het licht van 70 jaar na-oorlogs socialisme, heel erg verwonderen, maar het kan. Toch wordt het bericht nog altijd geen leugen als John volgende keer met zijn partij in een regering stapt die zelf ook vliegtuigen van het F-35-type bestelt, of van een ander type dat beter in de smaak valt van zijn Waalse kameraden. John zou in die regering nog altijd boos of verdrietig kunnen zijn.
     Het is iets anders wat me stoort. John spreekt van 15 miljard. Waar haalt hij dat nu weer vandaan? Die nieuwe vliegtuigen zijn begroot op 3,5 miljard. Met 3,5 miljard kun je ook veel scholen bouwen, maar toch heel wat minder dan met 15 miljard. Hoe kom je nu aan een verschil van 15 - 3,5 = 11,5 miljard, vroeg ik mij af. Professor Luc De Vos, een man van grote pedagogische bekwaamheid, legt het mij allemaal netjes uit in Het Laatste Nieuws van vandaag. Die 3,5 miljard, zegt hij, is de aankoopprijs van de vliegtuigen; die andere 11,5 miljard, dat zijn kosten voor ‘opleiding, training, onderhoud, infrastructuur van de twee basissen en alle lonen van de manschappen die zich [de volgende 40 jaar] met de straaljagers [gaan] bezighouden.’ De Vos had deze keer voor zijn uitleg zelfs geen aanwijsstok of zandbak nodig. Ik had het begrepen. Die 11,5 miljard ‘verschil’, dat is de som die we ook moeten uitgeven als we met veertig jaar oude F-16-toestellen blijven vliegen. Het is een som die dus helaas in geen geval naar nieuwe scholen gaat.
     We moeten niet elk cijfer van De Vos als onbetwistbare waarheid aannemen. Tegenstanders van de F-35 betogen dat de tuigen, met nieuwe opleiding en software eerder 5,3 miljard zullen kosten dan 3,5 miljard. Dat lijkt mij heel goed mogelijk. Alles kost uiteindelijk meer dan je begroot hebt. Dat zal overigens ook wel zo zijn met de 1100 scholen van Crombez.
     Er is nog iets. Zo’n berichtje als dat van Crombez geeft je onbewust de indruk mee dat er veel te veel geld gaat naar leger, soldaten en kazernes en veel te weinig naar onderwijs, leraren en schoolgebouwen. Is die indruk juist? Ik heb voor de zekerheid de cijfers eens opgezocht. We geven jaarlijks ongeveer 4 miljard uit aan het leger, en 19 miljard aan het onderwijs. Een verhouding van één of vijf. Nu kun je zeggen: dat eerste is nog altijd te veel en het laatste nog altijd te weinig. Best mogelijk. Ik weet dat niet. Als iemand zegt dat we geen énkele euro moeten uitgeven aan het leger, zal ik daarover niet redetwisten. Legeruitgaven zijn een onderdeel van een internationaal spel, met onbetrouwbare bondgenoten en mogelijke vijanden, een spel dat als doel heeft om een volgende oorlog zo lang mogelijk uit te stellen. Ik heb daar niets over te melden. Komen die onderwerpen op tafel, dan druk ik mijn snor. ’k Ga meteen low profile en je krijgt me niet uit mijn tent. Maar ’k heb wel graag de goede cijfers.
     Er zijn eigenlijk twee soorten cijfers die ik vervelend vind. De eerste zijn de cijfers die in een eindeloze stroom op je worden losgelaten. De vroegere PVDA-voorzitter Ludo Martens was daar goed in. Bij zo’n 1-meiredevoering van hem werd je ondergedompeld in een zee van cijfers waarin zelfs een vis zou verdrinken. En de tweede zijn de geïsoleerde cijfers, cijfers zonder context die je als leek moeilijk kunt plaatsen: 15 miljard voor gevechtsvliegtuigen, een pensioenschuld van 1500 miljard euro … Daar heb ik niet veel aan. Die cijfers zijn meestal niet gelogen, maar zij zijn vaak wel bijzonder goed gekozen, en niet altijd van die aard dat ze de zaken verhelderen.
     Ik voor mij heb liever cijfers van gehelen.* En als het over geld gaat, mogen die liefst met het bruto binnenlands product vergeleken worden. Het budget voor ontwikkelingshulp is geloof ik 0,5 procent van het BBP. Het defensiebudget is  0,91. Het onderwijsbudget is 4,4 procent. En dat van pensioenen is 11 procent. Van die vier zal vooral het laatste nog flink stijgen in de komende jaren.

* Ooit vond ik leuke cijfers over de verdeling van de rijkdom in Nederland. De 10 % rijksten verdienen er 30 % van alle inkomens, bezitten 55 % van alle vermogens en betalen 70 % van alle belastingen. Zulke cijfers kan ik onthouden. Zouden die voor ons land ook te vinden zijn?

vrijdag 24 februari 2017

Betalen wij onze politici te veel?

    Over mijn  laatste stukje was Jan (19) niet zo tevreden. ‘Wat heb jij daar nu mee te maken, vaderlief, wat die Bracke verdient? Dan kun je evengoed lezersbrieven sturen naar de website van Het Laatste Nieuws.’ Jan heeft dat ‘vaderlief’ overgenomen van de Sherlock-serie op televisie, die waarin Mycroft zijn broer aanspreekt met ‘Brother dear’.
     ’k Vind het een moeilijke kwestie. Natuurlijk is het niet erg beschaafd je druk te maken over wat iemand anders verdient. En hoewel ik graag weet hoeveel de postbode, de loodgieter, de friturist, de nefroloog en de bankdirecteur betaald krijgen, zelden leiden die bedragen als ik ze verneem tot een verhoogde bloeddruk. Maar met politici ligt dat een beetje anders. Als burgers zijn wij het die die politici betalen en dan wil ik graag weten of we niet te veel betalen. De lezersbrievenschrijvers van Het Laatste Nieuws geloven in elk geval stellig dat er te veel betaald wordt en de politieke partijen zelf lijken daar nu ook in mee te gaan. Ze hebben allerlei ideeën om er iets aan te doen (hier)*.
     Het liefst zijn mij de ideeën van n-va en Open vld. Zij willen het totale aantal mandaten te verminderen. Minder Kamerleden – van 150 naar 100 –, afschaffing van de Senaat, afschaffing van de provinciebesturen, halvering van de mandaten in de energie-intercommunales. Open vld wil de intercommunales zelfs privatiseren, en als ik dat woord nog maar hoor ben ik al half overtuigd. Maar ik wil geduldig naar de tegenargumenten luisteren.
    Cd&v heeft daar weinig tegenover te stellen. De partij wil vooral de manier van factureren bijstellen. Een politicus die in een een intercommunale zetelt, zou voortaan moeten factureren als ‘natuurlijke persoon’ en niet als ‘managementsvennootschap’. Het voordeel hiervan voor de burger lijkt mij erg beperkt. Die politici zouden dan misschien iets meer belastingen moeten betalen, dat kan, of iets minder, dat kan ook. Veel verschil zal het in elk geval niet maken. Tja, ’t is de cd&v ook**.
     Van Sp.a-kant komen de spectaculairste voorstellen, die echter ook het minste opbrengen. Voorzitter Crombez stelt voor om het aantal mandaten per politicus te beperken tot drie. Prima hoor, maar zolang het totale aantal mandaten niet vermindert, maakt dat voor de burger geen verschil. 60 000 euro betalen aan één socialist, of telkens 20 000 euro aan drie socialisten blijft voor mij even pijnlijk. Ook wil Crombez de vergoedingen van zijn mandatarissen beperken tot 6 200 euro. Als ik het goed begrepen heb, gaat de rest in de partijkas. Ook daar hebben we als burger niets aan.
     Maar heeft Crombez dan misschien gelijk in zijn principes? Moeten de vergoedingen van politici niet vooral omlaag? Ik las jaren geleden een stukje van Thomas Sowell die precies het tegenovergestelde voorsloeg. Die vergoedingen moesten veel, veel hoger, om op die manier succesvolle mensen aan te trekken uit andere beroepen. Ik was niet overtuigd. Ik vreesde dat de succesvolle mensen uit andere beroepen toch thuis zouden blijven. De bestaande hardwerkende, gewetensvolle en getalenteerde politici – ze bestaan en ze zijn niet zeldzaam – zouden met Sowells plan meer verdienen, zoals het hoort, maar dat zou ook gelden voor de vergadertijgers, de besluiteloze praters, de zure ideologen, de fantasieloze dossierlezers, de ja-knikkers en al degenen die uitsluitend jagen op macht, populariteit, aanzien en geld.
     Ik heb Sowells stukje laatst opnieuw gelezen en ik moet toegeven – ik had de vorige keer iets over het hoofd gezien. Sowell wil niet alleen hogere lonen voor politici, hij wil ook een kortere ambtsperiode, bijvoorbeeld beperkt tot één of twee termijnen. Of dat voldoende is om de talentlozen op afstand te houden is niet zeker. Maar ze zullen zich dan in elk geval niet duurzaam kunnen nestelen in het systeem.
     Ik kan voor de vuist weg een aantal bezwaren tegen zo’n systeem verzinnen. Zoals: hoe kan zo’n tijdelijke politicus zich staande houden tegen de ervaren ambtenaar? Zoals: hoe kun je een verkozene belonen voor goede prestaties, of afstraffen voor slechte, als hij toch niet opnieuw verkozen kan worden? Zoals: is het wel zo’n goed idee een project te laten opstarten door één lichting bestuurders zonder ze de kans te geven dat ook af te werken? En zal de volgende lichting wel bereid zijn om het af te werken?
     Als je alternatieve Facebookvrienden hebt, zie je af en toe iets voorbijflitsen waar ‘basis’, ‘burger’, ‘monitor’ en ‘participatie’ een samenstelling vormen met ‘democratie’. Enkele jaren geleden hadden we de G-1000-beweging van David Van Reybrouck die, geloof ik, het land wou laten besturen door een soort  scholierenparlement – maar dan met grote mensen en door het lot aangeduid. Dat zou een gruwelijk systeem geweest zijn. Maar ons systeem van beroepspolitici heeft ook zijn nadelen. Prof. Maddens schreef daarover een stuk in De Tijd. Hij betreurt het dat bij lijst-samenstelling steeds meer gerekruteerd wordt uit eigen werknemers van de partij. Hij noemt het ‘een systeem van inteelt’ dat uitdraait op een parlement van ‘politieke professionals die hondstrouw zijn aan de partij omdat ze nergens op kunnen terugvallen.’
     Dan lijkt het systeem van Sowell een mooie tussenweg tussen de zweverige participatiedemocratie en de incestueuze beroepspolitiek. De partijen verdwijnen niet. Links en rechts verdwijnt niet. De politiek verdwijnt niet. Maar in plaats van een beroep wordt zij een erezaak. Een fabrikant, een hoogleraar, een actuaris, een IT-consultant of een schooldirecteur onderbreekt tijdelijk zijn loopbaan om zijn talent in dienst te stellen van de res publica***. Daarna keert hij, als eertijds Cincinnatus, terug naar zijn akker. De ene heeft tijdelijk wat meer verdiend, de andere wat minder, maar hij heeft in elk geval genoeg verdiend om geen betaalde nevenmandaten te moeten verzamelen. Hij is met anderen aangetreden om samen, als grote mensen, grote problemen op te lossen.
     Maar hoe zit dat dan met de brievenschrijvers naar het Het Laatste Nieuws. Zullen die zich niet ergeren aan nog hogere lonen voor politici? Misschien. Misschien ook niet. Weinig voetbalsupporters storen zich aan de hoge lonen van de spelers. Maar als die spelers niet scoren, als ze zwak verdedigen, als ze het middenveld openlaten – dan zul je die supporters horen jouwen in het stadion. Wellicht is dat het probleem van onze brievenschrijvers. De politici verdienen niet te veel. Hun prestaties op het veld worden ondermaats bevonden.
 
 
* De Vlaamse regering heeft ondertussen al enkele maatregelen genomen waarmee in de inkomens van mandatarissen gesnoeid wordt (hier).
 
** Verder heeft CD&V een voorstel om niet alleen politieke mandaten maar alle openbare mandaten verplicht bekend te laten maken. Voor de partij heeft dat een voordeel. Het valt dan minder op dat haar leden wel een erg groot deel van de politieke mandaten bezetten. Maar van mij mag het hoor – al die mandaten op lange lijsten. Als ik dat maar niet moet lezen.
 
*** Een dergelijk politicus zal gemakkelijker dan nu gerespecteerd worden. Een leraar wordt tegenwoordig ook niet erg hoog aangeslagen door veel van zijn leerlingen. Maar als hij, zoals ik, vroeger een ander beroep heeft uitgeoefend, dan heeft hij een streepje voor. Hij kan blijkbaar nog iets anders.



(Dit stukje verscheen ook op De Bron.)