Posts tonen met het label Sam Van Rooy. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Sam Van Rooy. Alle posts tonen

woensdag 18 januari 2023

Ben Weyts en het Nederlands van de kleuters


   Ben Weyts heeft in wezen gelijk over de ouderlijke verantwoordelijkheid bij de taalontwikkeling van hun kinderen. In mijn lessen over taalontwikkeling stelde ik mijn leerlingen gerust: ze konden niet veel fout doen. Als ze babytaal spraken tegen hun kinderen, zoals moeders vaak doen, dan was dat goed; spraken ze volwassenentaal, zoals vaders vaak doen, dan was dat ook goed. Spraken ze weinig, dan was dat genoeg; spraken ze veel, dan was dat nog beter. Alleen moesten ze ervoor zorgen dat de radio en televisie niet de hele dag aanstonden, zodat de baby’s en peuters woorden en zinnen konden horen zonder andere stemmen als chaotisch achtergrondgeluid.
     Maar Weyts verwees natuurlijk naar de bijzondere situatie van migrantenkinderen die, na de schooluren, geen Nederlands meer te horen krijgen. Mijn Facebookvriend Simon Gelten vat het zo samen:

 ‘Veel leerlingen waarover het nu gaat, groeien op in een gezin waarvan de ouders nauwelijks Nederlands spreken, ongeletterd zijn, en in veel gevallen ook nog een taal spreken (Tamazight/Berbers) die slechts beperkt op schrift is gezet. Ze groeien dus op in een linguïstische chaos, thuis Berbers en op school Nederlands, terwijl het Arabisch via de satelietzenders binnenkomt. Op straat wordt vaak onderling een soort mengtaaltje gehanteerd. Dat die situatie verre van ideaal is, zal wel duidelijk zijn. Ik begrijp dat men daar vanuit de politiek iets aan wil doen.’

      De vraag is alleen: wát kan de politiek hieraan doen? Mijn antwoord is: weinig. Het voorstel van Weyts om met financiële sancties te dreigen is geloof ik geen oplossing om veel redenen: politieke onhaalbaarheid, praktische onuitvoerbaarheid, bedenkelijke ethiek en voorspelbare ondoeltreffendheid. Ik had daar oorspronkelijk nog willen aan toevoegen: juridische onmogelijkheid, maar dat klopt niet helemaal. 
    Het ballonnetje van Weyts wordt vaak voorgesteld als een voorstel om te snoeien in het ‘groeipakket’, het vroegere kindergeld, en dat is inderdaad juridisch bijna onmogelijk. Het groeipakket is een onvoorwaardelijk recht voor elk kind dat voor minstens 3 maanden verblijfsrecht heeft in ons land. Maar het gaat in het voorstel van Weyts om iets anders: de schooltoeslag. Dat is een soort studiebeurs voor kleuters en kinderen uit gezinnen met lage inkomens. Die toeslag bedraagt 108 euro voor de kleuterschool en tussen 125 en 253 euro voor de lagere school. Daar zijn echter wél voorwaarden aan verbonden, zoals een pedagogisch engagement van de ouders. Een kind dat vaak afwezig is, verliest het recht op schooltoeslag voor het daaropvolgende jaar. Juridisch moet het mogelijk zijn om door nieuwe wetgeving strengere voorwaarden op te leggen.
     Maar mijn andere bezwaren tegen het voorstel-Weyts blijven. De politieke onhaalbaarheid is het makkelijkst om vast te stellen. CD&V, Open-Vld, Vooruit en Groen hebben zich onmiddellijk tegen het voorstel uitgesproken, en echt veel instemming van N-VA-kant heb ik nog niet gezien. 

     Bij de praktische onuitvoerbaarheid denk ik aan het lijstje dat Koen Daniëls, partijgenoot van Ben Weyts, opgesteld heeft –  een lijstje met voorstellen hoe ouders hun kind kunnen helpen met de taalontwikkeling van het kind. De ouders kunnen 

  •       interesse tonen in het Nederlands*
  •       met hun kind Nederlands oefenen 
  •       ingaan op schoolinitiatieven om het Nederlands te verbeteren
  •       Ketnet opzetten op tv 
  •       hun kind naar een Nederlandstalige sportclub, jeugdbeweging of jeugdhuis sturen 
  •       hun kind meenemen naar de bibliotheek 
  •       hun kind inschrijven in zomerscholen.
     Ik vind dat één voor één prachtige voorstellen, maar ik zie niet in hoe men op een redelijke manier kan controleren en evalueren of ouders dat nu doen of niet. Daniëls maakt daarbij de typische fout dat hij het probleem eerst erg groot voorstelt en daarna weer onderschat als het op oplossingen aankomt. Eerst schrijft hij dat in sommige grootsteden 1 op 3 kleuters onvoldoende Nederlands kent om lager onderwijs te volgen. Maar wat verder schrijft hij: ‘Helaas is er een beperkte groep ouders die niet aan de zijde van leerkrachten en school het Nederlands mee stimuleert.’ Kijk, als het echt om een beperkte groep ging, dan zouden er geen problemen zijn met 1 op 3 kleuters in de grootsteden. In werkelijkheid gaat het om tienduizenden gezinnen waar geen van de hierboven vermelde voorstellen in de praktijk worden gebracht. Gaan we bij die tienduizenden gezinnen één voor één gaan controleren of Ketnet opstaat, dan een mondelinge waarschuwing geven, dan een schriftelijke, enzovoort? En hoeveel kinderen zullen dáárdoor beter Nederlands praten?
     Ethisch is het voorstel van Weyts te kaderen in het verhaal van rechten en plichten, en in dit geval van speciale rechten en speciale plichten. Ik weet dat dat een ethische formule is die voor velen aanvaardbaar is. Paul Collier, die ik in migratiemateries heel hoog inschat, redeneert ook binnen dat kader. De redenering gaat zo. Nieuwkomers en de kinderen van nieuwkomers hebben speciale noden, bijvoorbeeld taalontwikkeling. Die speciale noden creëren speciale rechten, namelijk dat de staat, langs de scholen, extra geld vrij maakt voor taalontwikkeling. Het nieuwkomerskind met taalproblemen wordt daardoor meer gesubsidieerd dan een ‘oudkomers’-kind zonder taalproblemen. Maar die speciale rechten, zo gaat de redenering verder, doen speciale plichten ontstaan. Een ‘oudkomer’ zoals ik kan zelf beslissen of hij zijn kind naar de jeugdbeweging stuurt, of naar de Simpsons laat kijken, of ermee op vakantie gaat naar New-York; de nieuwkomer daarentegen heeft de plicht zijn kind bij een jeugdbeweging in te schrijven, naar Ketnet te laten kijken, en naar een zomerschool sturen – waardoor de jaarlijkse vakantie naar Marokko niet kan doorgaan.
     De hierboven geschetste speciale rechten en plichten zijn op zichzelf, als een soort vrijwillige afspraken, als louter morele rechten en plichten dus, heel redelijk. Maar als ze een dwingend karakter, krijgen verliezen ze die redelijkheid**. Ik vind niet dat het migrantenkind een dwingend recht heeft op meer subsidie en speciale taallessen; ik zie wel het maatschappelijk nut van zo’n subsidie: hoe sneller de integratie via taal verloopt, hoe beter voor iedereen, en dus ook voor mij. Ik ben vóór die subsidie, niet omdat ze een afdwingbaar recht is, maar uit welbegrepen eigenbelang. 
     Omgekeerd heeft het weinig zin om tegenover een recht dat geen recht is een plicht te stellen die geen plicht is. Zijn de migrantenouders eigenlijk wel vragende partij voor de extra demarches die de school doet voor taal? Of worden die aan hen opgedrongen zonder dat ze erom gevraagd hebben? Als ze echt het recht op extra taalonderwijs opeisten, dan zou dat betekenen dat ze inzien dat die in hun eigen belang is en in dat van hun kind, en dan zouden ze niet op de voorstellen van Weyts en Daniels wachten om zelf, naar godsvrucht en vermogen, iets aan de taalontwikkeling van hun kinderen te doen. Maar dat inzicht ontbreekt, en dat probeert men op te vangen met een discours over plichten, dat dan ondersteund moet worden met sancties, zoals ‘rechten’ ondersteund worden met geld***. 
     Ik zou het ook zo kunnen zeggen: in deze materie zal dwang niet werken en preken niet helpen. De automatismen die aansluiten bij welbegrepen eigenbelang zullen langzaam, heel langzaam, moeten groeien. Ik voerde ooit een emaildiscussie met Sam Van Rooy van Vlaams Belang. Op een bepaald moment reed Sam mij klem met de vraag: ‘Geloof jij dan zo sterk in social engineering?’ Daar had hij mij goed te pakken. Nee, als ik eerlijk moet zijn, social engineering werkt niet, zeker niet op korte termijn, en al helemaal zeker niet als er een diepgaande culturele mentaliteitswijziging voor nodig is. Initiatieven als OKAN – onthaalklassen voor anderstalige nieuwkomers – werken goed als de integratiementaliteit op voorhand al aanwezig is bij ouders en kinderen, wat vaak het geval is. Maar in gezinnen waar men na drie generaties nog steeds de taal van het land van oorsprong spreekt, daar zit inzichtelijk en emotioneel iets fout dat niet snel zal veranderen. Daar ontbreekt het inzicht dat integratie noodzakelijk en wenselijk is. En die noodzaak en wenselijkheid worden des te minder aangevoeld als immigratiegemeenschappen omvangrijk en expansief zijn. Waarom je integreren in de Vlaamse gemeenschap als je al geïntegreerd bent in je eigen grote gemeenschap? Waarom Nederlands leren als je dat niet nodig hebt in je gezin, bij je vrienden, op straat, en in een uitgestrekt gebied van wijken die bijna je hele leefwereld omvatten? 
    ’t Zou voor onze bestuurders een goede reden moeten zijn om de immigratiegemeenschappen niet verder te laten groeien en om nieuwe vluchtelingen- en gezinsherenigingsimmigratie veel, veel strenger te beperken. De demografische groei van de migrantengemeenschappen zal nog wel even verder gaan, waardoor het taalprobleem eerst nog zal toenemen voordat het kan afnemen. En daarna moeten we hopen dat de tijd zijn werk zal doen. Heeft het zin om nog meer geld investeren in Nederlands in de kleuterklas, in OKAN, in taalklassen enzovoort? Zeker, alle beetjes helpen. En heeft het zin om de migrantenouders te ‘sensibiliseren’ voor het probleem? Ach, het kan geen kwaad. Het gebaar telt ook.

 

* Het is niet voor iedereen weggelegd, maar ze zouden ‘interesse voor het Nederlands’ kunnen laten zien door zelf die taal zo goed en zo kwaad als het kan te leren. Linguïstisch zou dat voor de kinderen niet veel voordeel opleveren, maar wel emotioneel. Iedere leraar die Frans onderwijst, en a fortiori Duits, weet dat het vaak emotionele barrières zijn die leerlingen tegenhouden om zich op die talen toe te leggen.

** Er zijn veel minder problemen als het om gelijke (en niet: speciale) dwingende rechten en plichten gaat. Zie volgende voetnoot.

*** Er is een andere versie van het rechten-plichtendiscours mogelijk. Die zou inhouden dat de schooltoeslag een recht is dat slechts toegekend wordt na een examen zoals vroeger gebeurde met het Fonds van de Meestbegaafden. Alle kinderen uit lage-inkomensgezinnen zouden dan in dit geval een taalexamen moeten afleggen. Wie niet slaagt, krijgt de toeslag slechts op voorwaarden van een af te spreken parcours. Mijn ethisch bezwaar valt dan weg; mijn andere bezwaren blijven.  

zaterdag 27 februari 2021

Over corona- en ander alarmisme


** Het is min of meer politiek correct om inzake corona en klimaat alarmistisch te zijn, zoals het politiek incorrect is om dat te zijn inzake immigratie, islamisme en terrorisme. Of iets politiek correct is of niet, geeft in al die gevallen slechts een heel zwakke aanduiding van het waarheidsgehalte van de ingenomen positie.

** Tegenover de alarmistische positie bevindt zich de ‘negationistische’, of, minder radicaal, de ‘sceptische’ of ‘kritische’ positie. ‘Kritisch’ betekent in geval van corona en klimaat dat men argwanend aankijkt tegen de mainstream berichtgeving over het verschijnsel. In verband met immigratie en islamisme betekent het dat men kritisch aankijkt tegen het verschijnsel zelf.

** Een interessante tegenvoeter van het alarmisme is het quietisme – de opvatting dat men de zaken beter op zijn beloop laat. Zo’n houding vertrekt van de erkenning van het probleem, de overtuiging dat er niets veel aan te veranderen valt, en de afweging dat de remedies ertegen erger zijn dan de kwaal. Zeker, de aarde warmt nu op, maar drastische verlaging van de CO2 zou de armoede in de wereld doen stijgen. Zeker, er is veel migratie, maar dat is altijd zo geweest en maatregelen ertegen creëren een mentaliteit van racisme en discriminatie. Zeker, corona doodt mensen, maar mensen gaan nu eenmaal dood, en nu vraagt men ons om een of twee jaar menswaardig leven op te offeren vanwege die 1 % kans om dood te gaan in het geval van bejaarden, en die 0,1 % kans in het geval van de andere leeftijdscategorieën.

** Alarmisten dramatiseren de kwestie die hun na aan het hart ligt op verschillende manieren. De interessantste is de omslagpunttheorie. Klimaatalarmisten spreken over een ‘runaway’-effect waarbij de opwarming van de aarde vanaf een bepaalde temperatuur op hol slaat (zie hier);  islamalarmisten spreken over een omslagpunt als 10 procent van een populatie de radicale islam omarmt (1); corona-alarmisten beschouwen een stabiel of licht stijgend aantal besmettingen als een voorbode van de exponentiële explosie die zal volgen (zie hier).

** Je hoort in discussies over bovenstaande kwesties wel eens het verwijt van ‘wetenschapsontkenning’. Dat lijkt mij meestal niet terecht. Je hebt over die dingen zowel (a) echt wetenschappelijk onderzoek, (b) overleg tussen experts-politici-bureaucraten, (c) populariserende wetenschapsjournalistiek, en ten slotte (d) de doe-het-zelf wetenschap van lui die hun eigen grafieken plotten en die uit de stukken en rapporten van de eerste drie een smakelijk menu’tje samenstellen. Ik heb een zekere bewondering voor die vlijtige autodidacten. Ook zij erkennen de basisbeginselen van de wetenschap, al bezondigen ze zich aan cherry-picking. Het is echter naïef om te denken dat zoiets niet voorkomt in de categorieën (b) en (c), en zelfs in (a).

** Het wetenschappelijk onderzoek is genuanceerd en staat meestal niet aan de kant van de extreme alarmisten, maar kan wel leunen in hun richting. Epidemiologen en biostatistici tekenen curves uit die laten zien hoe strenge lockdowns de virusverspreiding tegengaan. Klimaatexperts berekenen de gunstige gevolgen van een verminderde CO2-uitstoot. Dat is fijn voor de alarmisten. Maar diezelfde klimaatexperts gooien dan roet in het alarmistische eten door te pleiten voor kernenergie.

** Het gebeurt ook dat het wetenschappelijk onderzoek zich grotendeels negationistisch opstelt. Dat is het geval van migratie. Een economist als Paul Collier wordt horendol als hij de consensus vaststelt onder onderzoekers naar de effecten van migratie (2). Die consensus heeft volgens hem te maken met de beperkte, strikt economische, invalshoek van de onderzoekers, hun kosmopolitische levensstijl of de links-liberale ideologie waar ze zijn mee zijn opgegroeid. Het is een terrein waarin enkele elementaire cijfers, een beetje gezond verstand (3) en een bereidheid om logica boven sentiment en ideologie te stellen tot betere conclusies leiden dan waar geschoolde economen en sociologen toe in staat blijken.

** Vervelend voor de echte alarmist, scepticus, optimist of quietist is de korte tijdsschaal van de coronakwestie. Elke voorspelling kan binnen enkele weken of maanden gecontroleerd worden. Herman Goossens voorspelde dat ski-toerisme in Italië geen enkele besmetting zou meebrengen. De kans was ‘uiterst, uiterst klein’. Hij was fout. Van Ranst voorspelde dat de pandemie enkele honderden, hooguit enkele duizenden slachtoffer zou maken. Hij was ook fout. Mijn eigen voorspelling rond die tijd was voorzichtiger: ‘tussen 1 500 en 33 000’ (hier) maar informeel verklaarde ik aan vrienden dat 20 000 ‘haalbaar’ moest zijn. De crisis is nog niet gedaan, maar het lijkt voorlopig dat ik toen vrij goed gegokt heb. Mijn meeste andere voorspellingen waren overigens fout. Zo dacht ik dat een vergelijking tussen de verschillende landen binnen enkele weken duidelijkheid zou brengen over de effectiviteit van de verschillende maatregelen.

*  Voor wie vaak verkeerd gokt, heeft Maarten Boudry een uitweg voorzien: de preventieparadox.  Als de coronacijfers uiteindelijk beter meevallen dan je voorspelling aangaf, verwijs je naar het veel grotere aantal slachtoffers dat zou gevallen zijn zonder maatregelen. Je kunt de paradox op veel terreinen toepassen. Als het aantal terrorismeslachtoffers uiteindelijk meevalt, verwijs je naar het veel grotere aantal slachtoffers dat er zou vallen zonder antiterreurmaatregelen. Voor wie verkeerd gokt betreffende de verre toekomst, stelt het probleem zich niet. Als binnen dertig jaar de wereld niet in brand staat door de klimaatverandering, of heel Vlaanderen niet overstroomd is, dan zal ik er niet meer zijn om die valse profeten uit te lachen. En als ik er wel nog ben, is het lachen mij misschien vergaan om andere redenen.

** Alarmisme heeft vaak te maken met onzekerheid. Je weet niet of je besmet raakt, en niet of die besmetting bij jou tot een erg ziekte leidt. Niemand weet hoe het coronavirus verder evolueert. Niemand weet ook of de islam zich zal aanpassen aan de Europese tradities. We weten niet hoeveel de zeespiegel zal stijgen door de opwarming van de aarde. We weten niet of terroristen er ooit zullen in slagen om een kerncentrale op te blazen, om eens twee kwesties samen in één potje te koken. Die onzekerheid spoort aan tot voorzichtigheid. Maar je ontkomt nooit aan een kosten-batenvergelijking. Bij Russische roulette neem je een nogal groot risico. Maar elke keer als je een auto inhaalt die 60 rijdt waar 70 mag, neem je ook een risico. Je kunt bij dat inhalen frontaal op een tegenligger inrijden die je niet gezien had. Maar lange tijd aan 60 rijden waar 70 werkt op de zenuwen. Ikzelf probeer dan meestal in te halen.

** Alarmisme wordt erg beïnvloed door emotie. De zinloze slachtpartij van de Eerste Wereldoorlog fascineert mij meer dan de Spaanse Griep die erop volgde. Na een aanslag ben ik banger van een moslim die er in klederdracht, leeftijd en gelaatsuitdrukking ‘geradicaliseerd’ uitziet dan van een gewapende paracommando op straat. Als ik aan corona denk, ben ik banger voor het concrete beeld van een intubatie dan voor het abstracte beeld van dood te gaan. Al die emoties maken helder nadenken moeilijk. Het is beter om af en toe ook naar de cijfers te kijken. Maar alléén de cijfers en tabellen van slachtoffers afwegen, dat gaat ook niet. (zie hier)

** Of cijfers en ratio tot alarmisme aanleiding geven, hangt af van geval tot geval. Voor corona volg ik de redenering van Boudry en De Ceulaer dat vroeg en hard ingrijpen beter is dan laat en langdurig, maar hóe vroeg en hóe hard moet worden ingegrepen weet ik niet. Voor de immigratie volg ik Collier: beter laat dan nooit. En voor het klimaat volg ik de redenering van Lomborg dat laat ingrijpen beter is dan vroeg. We hebben nog even de tijd om na te denken welke maatregelen het beste werken. Er zijn in de wereld problemen die dringender zijn zoals malaria, hiv, ondervoeding en slecht sanitair. Ook mogen we aannemen dat de maatregelen – bijvoorbeeld dammen tegen overstroming – in de toekomst goedkoper zullen zijn dan nu, niet in absolute cijfers, maar als deel van het ondertussen gestegen bruto wereld product.

** De coronakwestie en de klimaatkwestie hebben dan weer gemeen dat wetenschappelijk onderzoek – R&D in het jargon – een belangrijke rol moet spelen. Nieuwe vaccins, antivirale medicijnen, propere en goedkope kernenergie, efficiënte CO2-captatie, het zal er allemaal niet vanzelf komen. Op dat vlak moet niemand mij voor wetenschapsontkenner uitmaken. Of voor quietist.

 

(1) Sam Van Rooy (VB) is heel stellig over het percentage: ‘Niet 8 of 9 procent, maar 10 %’ en hij verwijst naar een studie van het Renselaer Polytechnic Institute.’ (hier)

(2) Zie  hierhierhier, hierhier en hier. 

(3) Gezond verstand is niet onfeilbaar, maar het helpt. Het helpt je om te begrijpen dat mondkapjes wel iets moesten helpen tegen een virus dat zich verspreidt via speekseldruppeltjes, ook al zeiden experts indertijd het tegendeel. Het helpt je om te begrijpen dat als één zieke twee mensen kan besmetten, dat twee er dan vier kunnen besmetten, enzovoort, ook al beweren sommigen dat je wiskundig geschoold moet zijn om die redenering te kunnen volgen. 

donderdag 24 december 2020

De moslimminderheid: que (ne pas) faire?


      Wie pessimistisch is in verband met de islam heeft daar goede redenen voor. Sinds 40 jaar neemt het islamitisch fanatisme* in de wereld toe, en is het zichtbaarder en gewelddadiger geworden. Ook daarvoor was er endemisch geweld in islamitische landen en gebieden, maar dat geweld heeft vandaag vaker dan vroeger een religieus en sectair karakter. Veel islamitische landen zijn een arena waar islamitische populisten het opnemen tegen seculiere dictators. Soms wint het ene kamp, soms het andere, en geen van de twee kampen oogt erg aantrekkelijk.
     Sam Van Rooy vreest dat een dergelijk scenario ons ook te wachten staat. Hij  haalt een studie aan van het Rensselaer Polytechnic Institute dat het volstaat dat 10 procent van een groep een onwrikbaar geloof koestert opdat  de meerderheid van de groep dat zou overnemen. Dat sluit aan bij wat Nassim Taleb schrijft over de invloed van fanatici (hier). Het sluit aan bij hoe Gibbon de opkomst van het christendom beschrijft. Het sluit aan bij de beelden die we zagen van woedende moeders die aan de schoolpoort te keer gingen tegen Juf Magalie. Dat waren wellicht zoals de meesten onder ons in wezen vriendelijke mensen, vredelievend, hartelijk voor vrienden, goede echtgenotes, liefhebbende moeders, maar als ze een keer geïntimideerd en gehersenspoeld zijn door fanatieke geloofsgenoten, veranderen ze in een hysterische menigte. Dat was geen prettig gezicht. Het verontrust mij meer dan het beeld van jonge relschoppers die een auto in brand steken, een winkelruit inslaan of vechten met de politie.
     Hoe de 10-procent-regel werkt binnen een groep die zelf 10 procent en op termijn misschien 20 procent van de gehele samenleving uitmaakt, is weer een andere zaak. Maar ik ben er niet gerust in. Uit onderzoek van Koopmans blijkt dat 52 procent van de Belgische moslims van Marokkaanse en Turkse afkomst een fundamentalistische opvatting hebben over de onveranderbaarheid van de islam, over de dogmatische interpretatie van de heilige boeken en de over voorrang van religieuze wetten op seculiere wetten. 52 procent - dat is een ruime vijver voor fanatici om in te vissen.
     ‘Que faire?’ zou Lenin zeggen, maar dan in het Russisch. En ook: ‘que ne pas faire?’. Laat ik met dat laatste beginnen. Moslims mogen geen feitelijke of juridische voordelen krijgen onder de vorm van ‘positieve discriminatie’, mogen ook niet achtergesteld worden;  er mag hen – als ze genaturaliseerd zijn – geen enkel recht ontzegd worden dat andere burgers genieten.  Het beleven van hun godsdienst mag niet aan banden worden gelegd, tenzij door proportionele, algemene wetten die gelden voor alle godsdiensten. Ook moet je hen niet beledigen, jennen of uitschelden, behalve als je cartoonist, columnist, blogger of clown bent, want dan stel je zelf niet veel voor en moeten ernstige mensen je niet serieus nemen. Maar een politicus moet beleefd blijven als hij over moslims spreekt, vooral als zijn boodschap streng is. Heel strenge leraars spraken hun leerlingen vroeger aan met ‘meneer’. De Amerikaanse politieman-met-zonnebril in de film spreekt verdachte autobestuurders aan met ‘please’ en ‘sir’. Met schelden ondermijn je je eigen gezag, en met vernedering creëer je wrok waar de haatbaarden hun voordeel bij doen.  
     Wat moet er wél gebeuren? Als er  87 maatregelen mogelijk zijn, worden de nummers 1 tot en met 60 ingenomen door hervormingen in de immigratiepolitiek**. Die alleen kunnen de groei van de moslimminderheid afremmen – groei die echter om demografische redenen nog een poosje verder zal gaan. Met een moslimminderheid van 30 procent krijgen fanatici veel meer kans om door intimidatie en sociale druk grote groepen mensen in hun greep te krijgen. Blijft het percentage lager, dan kunnen individuele moslims makkelijker contact onderhouden met de ‘buitenwereld’***, zich onttrekken aan de fanatici, en zich ontwikkelen tot wat we allemaal willen worden: welvarende burgers en goede buren.
        Veel van de andere maatregelen – inburgeringscursus, getto-bestrijding, taalcursussen, enzovoort – zijn vormen van social engineering waar we zeker op korte termijn geen wonderen van mogen verwachten. Eén punt echter is wel belangrijk: de onwrikbare verdediging van de seculiere maatschappij. Vandaag betreft die verdediging grotendeels op een symbolenstrijd, maar beter nu een gevecht om symbolen dan later echte vechtpartijen op straat. Dus: geen geen hoofddoeken achter de loketten, geen door religieuze autoriteiten goedgekeurde halal-voeding op de scholen****, geen afwijkingen van het lesrooster voor zwemlessen of biologie, geen private sharia-rechtbanken om familiegeschillen te regelen. Groen-links moet afleren om gehoofddoekte kandidaten aan te trekken of aldus uitgedoste dames op hun folders te plaatsen.
     Er bestaan verschillende manieren waarop een moderne maatschappij op een faire manier met godsdienst probeert om te gaan. De ene is de pluralistische. In Engeland zijn er gemeenteraden die om beurt worden ingeleid door een voorganger van een of andere godsdienst: een priester, een rabbi, een imam, enzovoort. Sharia-rechtbanken worden er gezien als een soort arbitrage zoals die ook in onderling akkoord tussen bedrijven gebeurt. Daar tegenover staat de Franse traditie van strikte neutraliteit van de staat, de laïcité van de Franse revolutie, oorspronkelijk afgedwongen door wrede kerkvervolging. Mijn spontane sympathie zou gaan naar de pluralistische opvatting. Maar nu we met de islam te maken hebben die traditioneel godsdienst met politiek verbindt, en weinig scheiding aanbrengt tussen de private en de publieke ruimte, is de laicité, met enkele redelijke, proportionele vrijheidsbeperkingen de betere oplossing. Ik ben bereid daarvoor om de lat gelijk te leggen voor alle godsdiensten. Geen muezzin voor de moslims, geen klokkengelui voor de katholieken. Ik doe met dat laatste overigens geen grote toegeving.

     

* In een vorig stukje sprak ik van ‘islamitisch extremisme’. Bij nader inzien vind ik ‘moslimfanatisme’ een beter woord om in één net te vangen wat mij in bepaalde belevingen van die godsdienst niet bevalt.

** De essentie van een nieuwe migratiepolitiek moet bestaan in veel strengere voorwaarden voor huwelijksmigratie en gezinshereniging, een vluchtelingenstatuut dat geen recht geeft op permanente vestiging en de arbeidsmigratie afstemmen op gespecialiseerde arbeidskrachten. Die drie algemene maatregelen zouden op een ingrijpende manier de immigratie uit moslimlanden beperken. 

*** Meisjes uit moslimmilieus die naar een hoofdzakelijk autochtone school gaan, ervaren dat schoolgaan vaak als een bijzonder aangename afwisseling en een grote opluchting.

**** Moslimkinderen moeten uiteraard maaltijden kunnen krijgen zonder varkensvlees en bloedworst.

maandag 21 december 2020

Bart De Wever en het Vlaams Belang


  * De straffe uitspraken van Bart De Wever over een mogelijke coalitie met Vlaams Belang (‘als dit de electorale toekomst is, zal ik er niet toe behoren’) hebben de aandacht getrokken. Of ze inhoudelijk, strategisch of tactisch veel nieuws bevatten, is een andere zaak. Een en ander wordt voorgesteld als de zoveelste ‘bocht’ van BDW en N-VA.

* Als we over échte bochten spreken in de Vlaamse politiek van de laatste 15 jaar zie ik er maar vier: Vlaams Belang is afgestapt van haar 70-puntenprogramma, de PVDA is afgestapt van het leninisme-stalinisme, Open-VLD is afgestapt van het rechts-liberalisme en confederalisme, en N-VA heeft haar communautaire strategie aangevuld met een stevig standpunt over economie en migratie. Drie van die vier bochten vind ik positief.

* Wat journalisten en politieke tegenstanders als bocht voorstellen, is vaak een rimpeling in een glas water. Jambon die minister-president wordt in plaats van De Wever, Lachaert die paars-geel inruilt voor Vivaldi, Coens die na maanden aarzeling toch een regering zonder N-VA aanvaardt – dat zijn niet meer dan tactische keuzes vanuit een begrijpelijke partij-logica. Ik wil tegenstanders daar graag mee jennen, maar dan is mijn verontwaardiging half gespeeld.

* Als ik goed luister hoor ik De Wever niet zozeer élke mogelijke coalitie met VB uitsluiten als wel voorwaarden stellen: dat Van Grieken zich ‘redelijk’ moet opstellen  en dat hij ‘schoon schip moet maken in zijn stal’. Dat eerste is niet onmogelijk want De Wever geeft toe dat die redelijke opstelling aanwezig was tijdens de Vlaamse regeringsonderhandelingen. Dat tweede verwijst naar een aantal extreme Vlaams Belang-leden, onder andere in de Antwerpse gemeenteraad, waarmee Filip De Winter en Sam van Rooy worden bedoeld.

* ‘Er gaat geen gemeenteraad voorbij,’ zegt De Wever, ‘of raadsleden van het Vlaams Belang zeggen minstens drie keer dat moslims en Afrikanen achterlijk zijn.’ Sam Van Rooy antwoordt daarop dat hij alleen de Islam zelf en de Afrikaanse cultuur ‘achterlijk’ heeft genoemd, niet die mensen (1). Nou ja, ’t is een verschil, maar of de belediging minder hard aankomt bij die mensen, dat weet ik niet. Schelden is niet de beste manier om nieuwkomers van de voordelen van onze cultuur te overtuigen.

* Meer algemeen: een politicus die – terecht vind ik – de migratie vanuit Afrika wil beperken, moet juist een extra inspanning leveren om racisme te ontzenuwen tegenover Afrikanen die hier al wonen. En wie het moslimextremisme wil bestrijden, richt zich best op sommige kwalijke tendensen binnen de islam, bijvoorbeeld de beweging die de sharia wil invoeren naast of in de plaats van onze rechtstaat.

* N-VA en Vlaams Belang hebben gemeenschappelijke programmapunten: Vlaamse onafhankelijkheid, Vlaamse identiteit, strikt immigratiebeleid, realistisch energiebeleid. Hoe dichter partijen bij elkaar aanleunen, hoe meer ze electoraal vijanden van elkaar zijn, want ze vissen in dezelfde vijver.

* Sam Van Rooy zegt dat hij met ‘Vlaams Belang niet groter wil worden ten koste van N-VA’. Dat klinkt heel mooi, maar het is minstens bullshit en hoogstwaarschijnlijk een leugen. Het verschil staat uitgelegd in Harry Frankfurts On Bullshit.

* Er zijn ook verschillen tussen N-VA en Vlaams Belang. N-VA is rechtser voor economie, meer bereid tot compromissen met traditionele partijen, neemt als partij geen standpunt in tegen de Islam in het algemeen, neemt duidelijker afstand van racisme, en verwerpt met meer klem het collaboratieverleden van de Vlaamse beweging. Op al die punten sta ik aan de kant van N-VA, al zal dat mijn radicaallinkse vrienden niet beletten om mij moslimhaat, racisme en goedpraten van de collaboratie te verwijten.

* De communautaire basisstrategie van N-VA is het afsluiten van een ‘deal’ met de PS. Die van Vlaams Belang is er een van het behalen van een Vlaamse meerderheid van N-VA en Vlaams Belang, en daarna eenzijdig de onafhankelijkheid te verklaren zodra 50 % + 1 is bereikt. Ik geloof niet dat N-VA ooit in die tweede strategie zal meestappen. Mijn stem zou ze in elk geval kwijt zijn.

* Als een radicale partij en een gematigde partij in dezelfde electorale vijver vissen, dicteert het eigenbelang voor de twee partijen typische strategieën voor elk van hen. Je zag die strategieën vroeger ook in de opstelling van de communistische en socialistische partijen.

* De radicale partij moet laten uitschijnen dat ze graag willen ‘samenwerken’. Dat geeft een gematigd imago en tegelijk kan ze op alle andere vlakken radicaal blijven, met inbegrip van scherpe aanvallen op de gematigde partij. Bij de communisten leidde het tot de perfide ‘volksfront’-politiek. Bij Vlaams Belang leidt het tot de ‘uitgestoken hand’.

* De gematigde partij moet hopen dat de succesvolle radicale partij ooit kan meeregeren, zodat ze ofwel ook gematigder wordt, ofwel minder aantrekkelijk. Daarom zal N-VA volgens mijn berekening nooit het cordon sanitaire onderschrijven.

* Als de radicale partij electoraal echter te sterk wordt, vermindert paradoxaal de bereidheid om ze in een coalitie mee op te nemen, behalve in de vorm van ‘gedoogsteun’.

* N-VA en Vlaams Belang zitten federaal allebei in de oppositie. In die oppositie is er weinig reden tot samenwerking, behalve dat ze vaak hetzelfde stemgedrag zullen vertonen. Wat zouden ze verder samen moeten doen? Samen juichen en jouwen in het Parlement. Dat zal veel opleveren! Samen manifesteren op straat? Dat is vooral iets voor radicalen. Samen een wetsvoorstel indienen? Dat zal geen indruk maken op de meerderheid.

* De meest verregaande samenwerking zou zijn als N-VA en Vlaams Belang bij de volgende verkiezingen als kartel opkwamen? Soms werkt zoiets. Onder bepaalde omstandigheden wordt 1 + 1 dan 2,5. Maar in het geval van N-VA en Vlaams Belang zou 1 + 1 ongeveer 1,5 zijn. Heel wat gematigde N-VA-kiezers zouden afhaken.

(Zie ook hier, hier, hier en hier).


(1) Zie hier. Letterlijk zegt Van Rooy: ‘De Wever is historicus. Hij is intelligent genoeg om het verschil te begrijpen tussen de Afrikaanse cultuur of de islamitische ideologie achterlijk noemen en alle moslims of Afrikanen met hetzelfde adjectief bedelen. Dat eerste heb ik uiteraard al wel gedaan. Ik ga dat ook blijven zeggen.’ 

zondag 16 februari 2020

Somers en Francken gefactcheckt

     In een interview met De Zondag zegt Bart Somers iets opmerkelijks: ‘Wist u dat 37 procent van onze kinderen tot 5 jaar migratieroots hebben?’
     37 procent!?
     Enkele weken geleden had Theo Franken op het vtm-nieuws gezegd dat er 50 000 gezinsherenigingen per jaar waren. Hij werd onmiddellijk gefactcheckt op vrt-nws.  Het was allemaal niet waar en overdreven, want (1) het recht op gezinsleven wordt gegarandeerd door de Europese Verklaring van de Rechten van de Mens, want (2) een deel van die gezinsherenigingen betrof kinderen die eigenlijk hier geboren waren en want (3) in bijna de helft van de gezinsherenigingen ging het om EU-burgers. En, o ja, het aantal gezinsherenigingen in 2018 bedroeg in totaal … 53 109. Het cijfer zelf was dus correct, dat wel.
     Komt er op vrt-nws nu ook een factcheck van de ‘37 procent kinderen met vreemde roots’ van Bart Somers? Zullen we daar kunnen lezen dat het allemaal niet waar is, en erg overdreven, want (1) er staat iets in de Europese Verklaring van de Rechten van de Mens – wat weet ik niet, maar er staat vast iets, want (2) een groot deel van die 37 procent kinderen met vreemde roots is geboren met de Belgische nationaliteit en want (3) veel van de ándere kinderen die niet de Belgische nationaliteit hebben, zijn EU-burgertjes. Verder, ook belangrijk, geldt die 37 procent voor België, voor Vlaanderen of alleen voor Mechelen?
     Die factcheck van Somers zijn bewering komt er, geloof ik, niet. Factcheckers zijn niet zozeer op zoek naar feitelijke fouten als wel naar ‘schadelijke’ beweringen. Dat is in elk geval wat Maarten Schenk, factchecker bij Facebook, verklaart in Humo van 14 januari. ‘Ons criterium is: we controleren die boodschappen die schadelijk kunnen zijn.’ Dat is een heel begrijpelijk criterium. Beweringen over kabouters en de Kerstman moet je niet checken, want niemand, behalve Maarten Boudry, vindt ze schadelijk.
     Het wordt allemaal moeilijker als factcheckers zich met politieke thema’s gaan bezighouden, wat ze bijna altijd doen. Wat ‘nuttig’ is en wat ‘schadelijk’ wordt dan ingekleurd langs politieke lijntjes. Als Francken beweert dat er 50 000 gezinsherenigingen per jaar zijn, ondersteunt hij daarmee zijn wetsvoorstel om  gezinshereniging voor een bepaald soort asielzoekers te beperken. Zo’n wet zou ons land minder aantrekkelijk maken voor asielzoekers. Ik vind dat een nuttige wet, maar groen-links, dat een ruime asielpolitiek voorstaat, vindt zo
’n wet schadelijk. Op die manier worden de 50 000 gezinsherenigingen van Francken voor hen een schadelijk cijfer dat moet worden gefactcheckt.
     Maar hetzelfde groen-links zal de 37 procent van Somers niet schadelijk vinden. Somers gooit dat stevige cijfer over kinderen met vreemde roots op tafel met een heel andere bedoeling dan Francken dat doet. De boodschap van Somers luidt dat migratie niet positief of negatief is, maar een realiteit. ‘37 procent’ maakt van die realiteit een onontkoombaar gegeven*. ’t Is een realiteit waar de Oude Vlamingen zich volgens Somers moeten aan aanpassen.  En ook groen-links wil graag dat die Oude Vlamingen zich flink aanpassen. Met zo’n boodschap wordt de 37 procent een nuttig cijfer waar geen factcheckende nuances bij nodig zijn.
-
     En hoe moeten de Oude Vlamingen zich aanpassen aan nieuwkomers ‘met vreemde roots’? Johan Leman heeft enige tijd geleden veel kritiek gekregen toen hij uitlegde wat dat concreet betekende – hoe je je bijvoorbeeld als homo moest aanpassen aan een moslimomgeving in Molenbeek (zie hier). Die fout zal Somers niet maken. Concreet zijn is gevaarlijk voor een politicus. Als hij de vraag krijgt van De Zondag waarom en hoe Oude Vlamingen zich moeten aanpassen, blijft hij, zoals Polly Peachum in dat bekende liedje ‘ganz allgemein’. ‘Ik bedoel daarmee niet, zegt hij, dat Vlamingen hun manier van leven moeten aanpassen. Ik bedoel daarmee dat élke mens zich voortdurend aanpast. Toen ik vader werd, heb ik mij aangepast aan mijn nieuwe rol. Toen de sociale media opkwamen, heb ik mij als politicus aangepast aan de nieuwe realiteit. Als ik nieuwe buren krijg, dan ga ik mij ook aanpassen.’
     Wat kun je daarop antwoorden? Weinig. Toen Jan geboren werd heb ik mij ook aangepast. De sociale media zijn ook van mijn leven een niet onbelangrijk deel geworden, al ben ik geen politicus. En als ik nieuwe buren krijg, en het zijn moslimfundamentalisten, met of zonder vreemde roots, dan zal ik de banden van hun auto niet kapot steken, ook al omdat ik bang ben dat zij hetzelfde zouden doen met de mijne. Ik zal, als ze hier legaal verblijven, hun deportatie eisen noch suggereren. Dat laat ik over aan Vlaams Belangers als Sam van Rooy. Maar ik zal mij aan die nieuwe buren niet ‘aanpassen’ in een van de normale betekenissen van het woord. Ik zal mij ergeren, in stilte hopen dat hun kinderen later minder fundamentalistisch zullen zijn dan hun ouders, en ondertussen elke maatregel steunen die de neutraliteit van de staat bevestigt en uitstraalt**, en elke regeling die een dam opwerpt tegen de politieke ambities van van welke godsdienst ook, maar zeker tegen die van de islam.

* Weinig Oude Vlamingen maken zich zorgen over het aantal vreemdelingen in het algemeen, waaronder heel wat Nederlanders, Fransen en Italianen. Wel maakt men zich zorgen over de groei van de moslimgemeenschap sinds duidelijk is dat fundamentalisten binnen die gemeenschap ongeveer de helft uitmaken. Het aandeel van de moslims in ons land is nu ongeveer 6 procent, en zal nog stijgen. (Zie hier). Maar als er een strikte immigratiepolitiek komt, is er weinig kans dat die ooit stijgt tot een landelijk gemiddelde van 37 procent.

** Somers vindt het niet nodig dat de staat neutraliteit uitstraalt. Hij is voorstander van een ‘andere stroming binnen het liberalisme’. Hij vindt het jammer dat het regeerakkoord stipuleert dat religieuze tekens, zoals de hoofddoek, verboden worden aan loketten en in het onderwijs. ‘Dat is voor mij de moeilijkste passage van het regeerakkoord,’ zegt hij.

zaterdag 11 januari 2020

Bij een tweet van Filip Dewinter

     ‘Vreemdelingen hebben twee rechten,’ twitterde Filip Dewinter deze week: ‘recht op niks en recht op terugkeer.’ Ik ben het daar om verschillende redenen niet mee eens.
      Het begint met het woord vreemdelingen. Dat woord kan van alles betekenen. Als het betekent ‘inwoners die niet de Belgische nationaliteit  hebben’, dan spreken we in al gauw over 1,3 miljoen mensen, waarvan 70 procent Europeanen zijn – vooral Fransen, Italianen en  Nederlanders.  Ik geloof niet dat er veel mis is met de rechten van die Europeanen. Of bedoelt Dewinter met ‘vreemdelingen’ misschien iedereen met Arabische, Turkse of soortgelijke achtergrond. Dan zijn we er nog niet, want een groot deel van die mensen hebben de Belgische nationaliteit, en bij die nationaliteit horen onvervreemdbare rechten die voor iedere burger gelijk zijn. Het zou mij verwonderen als Vlaams Belang – zoals Vlaams Blok indertijd – zou voorstellen om de nationaliteit van die mensen weer af te nemen.
     Dan is er het woord ‘niks’. Recht op niks. Dat is minstens overdreven, want ieder mens heeft het recht om waardig behandeld te worden, beschermd te worden tegen geweld en op een eerlijke manier zijn brood te verdienen. Maar Dewinter legt zelf uit wat hij bedoelt:  ‘geen leefloon, geen sociale huisvesting, geen werkloosheidsuitkeringen, geen pensioen.’ Het gaat met andere woorden om de sociale rechten.
    Maar ook die kunnen zomaar niet tot nul worden herleid. Zowel onder de vreemdelingen in de strikte zin, als onder de personen met migratieachtergrond is een grote groep die hier gewerkt heeft en dus sociale rechten heeft opgebouwd. Die sociale rechten afschaffen zou een grove contractbreuk vormen. Is dat wat Dewinter wil?
     Er is ook een legitieme interpretatie van Dewinter zijn uitspraak: nieuwkomers – niet vreemdelingen, maar nieuwkomers onder de vreemdelingen – hebben geen rechten, maar krijgen gunsten. Daar ben ik het mee eens. Komen die nieuwkomers hier op een legitieme manier binnen, als asielzoeker of in het kader van de gezinsvereniging, dan kun je hen bed-brood-bad, medische hulp en scholing voor de kinderen niet ontzeggen. Veel Vlamingen zullen luid vloeken als ze horen wat die nieuwkomers krijgen, maar diezelfde Vlamingen zijn niet bereid om kinderen, bejaarden en zieken te laten omkomen zonder hulp te bieden.
     Vindt Dewinter dat die mensen moeten omkomen? Ik hoop van niet. Hij vindt waarschijnlijk dat ze niet moeten worden binnengelaten in de eerste plaats. Daar geef ik hem gelijk in. Zowel gezinshereniging en asiel zouden wettelijk veel strenger moeten worden beperkt, zodat we er misschien jaarlijks enkele honderden migranten in dat kader binnenkrijgen, in plaats van enkele tienduizenden. En een van de manieren om dat te bereiken is door de sociale rechten van die nieuwkomers tot een minimum te herleiden, waardoor een vestiging in ons land veel minder aantrekkelijk wordt.
     Maar zo zal Dewinter dat niet formuleren: ‘nieuwkomers’, ‘sociale rechten’, ‘tot een minimum herleiden’ ‘wettelijk beperken’. Een deel van zijn kiezers hoort liever ongenuanceerde taal over ‘niks, noppes, nada, nougatbollen’, en over ‘vreemdelingen’ – en dat die hier zo snel mogelijk weer weg moeten, want dat is de implicatie van het tweede twitterrecht: ‘recht op terugkeer’.
     Sam van Rooy is zijn mentor Dewinter bijgesprongen door op zijn beurt te twitteren: ‘Recht op terugkeer, is niet hetzelfde als plicht’ op terugkeer. Ik ben blij dat Sam dat onderscheid maakt, want taalkundig betekent ‘recht’ hier wel degelijk ‘plicht’. Volgens het vierde maxime van Grice wordt een al te evidente uitspraak automatisch geïnterpreteerd als een relevante uitspraak. Niemand betwist vreemdelingen, autochtonen, nieuwkomers enzovoort het recht om het land te verlaten. Alleen de communistische regimes deden dat. Dewinter zijn uitspraak krijgt door de evidentie ervan dus een andere betekenis. Als ik een toets geef in de klas, en de leerlingen roepen dat ze recht hebben op een aankondiging op voorhand, dan kan ik daarop antwoorden: ‘Jullie hebben vooral het recht om te zwijgen.’ Niemand begrijpt dat verkeerd.
     Dat ‘recht op terugkeer’ – dat een grote rol speelde in het vroegere 70-puntenplan – zit er bij Vlaams Belang blijkbaar nog altijd diep ingebakken. Zo ongeveer iedereen in de politiek is het ermee eens dat criminelen, afgekeurde asielzoekers, illegalen en transmigranten een ‘recht op terugkeer’ hebben. Dáármee kan Vlaams Belang zich niet onderscheiden van de rest. Dus suggereert Dewinter maar dat àlle vreemdelingen ‘recht hebben op terugkeer’.
    Alle vreemdelingen? Dat ook weer niet. Sam van Rooy maakt in een andere twitterbericht duidelijk dat zijn partij ‘het kaf van het koren wil scheiden’. Moet dan alleen ‘het kaf’ zijn ‘het recht op terugkeer’ uitoefenen? En wat is dan dat ‘kaf’?  Criminelen? Afgekeurde asielzoekers? Illegalen? Transmigranten? Neen, Van Rooy heeft het over ‘zij die de waarden van islam in de praktijk brengen’*.
     Wil Van Rooy werkelijk een klein miljoen moslims het land uit zetten? Dat is om vele redenen onmogelijk. En was het mogelijk, dan zou dat met zulke tirannieke middelen moeten gebeuren – uitzonderingswetten, razzia’s, politiegeweld – dat veel Vlamingen terecht zouden vrezen dat zulke middelen ook tegen henzelf zouden kunnen worden gebruikt.
     Hoe terecht veel bezwaren van Sam tegen de islam ook zijn, die moslims zijn er nu eenmaal – we moeten geen nieuwe moslimmigratie meer aanvaarden – maar we zullen wel een manier moeten vinden om met de mensen die er zijn samen te leven. Ik ben daar niet optimistisch over op de middellange termijn. Hat zal niet gemakkelijk zijn. Er hoort van onze kant een principiële verdediging van de verlichtingswaarden bij en van hun kant een geleidelijk overnemen van die waarden. Privileges die door de islam – en door andere godsdiensten worden opgeëist – kunnen niet worden gedoogd. Maar wat Dewinter en Van Rooy doen, daar is niemand mee gebaat: een massale deportatie aan de eigen achterban als oplossing suggereren, en aan de moslimbevolking als dreigement.

* Van Rooy schrijft niet moslims maar zij die de waarden van de islam de praktijk brengen’*. Die laatste nogal dubbelzinnige uitdrukking, zou ik niet graag in een wettekst zien verschijnen.






donderdag 26 december 2019

Het 'vingertje' en de nazi's in de Reichstag

     Het Nieuwsblad van 24 december had een kerstwens voor politici. Ze mochten wat beleefder zijn tegenover elkaar. Er mocht wat meer fatsoen, hoffelijkheid, beleefdheid en respect komen, en minder gescheld, gedreig en vijandigheid. Daarbij werd, zoals dat vaak gaat, gesuggereerd dat het vroeger beter was. ‘Er was een tijd dat politici …’ begint Mijlemans een van zijn zinnen op bladzijde 2. ‘De politiek gaat er veel grover aan toe dan vroeger,’ beweert Mark Eyskens op bladzijde 9, en alsof hij zijn uitspraak wou logenstraffen door te bewijzen hoe grof hij zelf kan zijn, voegt hij eraan toe dat de huidige generatie politici – waar hij niet toe behoort – duidelijk laten zien ‘dat de mens van de aap afstamt’.
     Ik weet niet of dat waar is, dat het er vroeger zoveel beschaafder aan toe ging. Slechte manieren in de politiek lijken mij iets van alle tijden en alle plaatsen. Gaston Eyskens, de slimme vader van Mark, zei ooit dat politiek ‘geen stiel was voor blozende maagden’. Hij zal daar zijn redenen voor hebben gehad. In het middelbaar las ik het boek van Mieke Claeys-Van Hagendoren ‘25 jaar Belgisch socialisme’ en daarin staat beschreven hoe in ons Parlement werd gevóchten. Ik kan het niet opzoeken, want ik heb het boek uitgeleend aan een vriend die kort daarna bij een auto-ongeluk is omgekomen. In de jaren twintig van vorige eeuw namen Japanse parlementairen hun eigen knokploegen mee naar de zittingen om niet al het vechtwerk zelf te moeten doen. En in de prille Verenigde Staten verweten de Amerikaanse senatoren elkaar voor ‘boef’, ‘schoft’, ‘fraudeur’, ‘desperado’ en ‘schelm’, zoals je op bijgaande plaatje kunt zien.




     Zulke ruzies zijn zowel gespeeld als gemeend. Een parlementaire democratie is een spel van wisselende coalities, met wisselende vrienden en vijanden, en door theatrale ruzies maakt men duidelijk met wie men een coalitie tijdelijk uitgesloten acht. Dat is het spelgedeelte. Maar politiek is ook een kwestie van hartstocht. Dat zal op sommige familiefeesten van 24 december pijnlijk duidelijk geworden zijn, ondanks de goede voornemens die de N-VA-gezinde oom en de Spa-gezinde neef op voorhand hadden gemaakt. Ik ken collega’s bij wie je op café beter elk politiek onderwerp vermijdt als je geen glas bier over je hoofd wil krijgen.  Als die collega, die oom en die neef zich al zo laten meeslepen, waarom zou dat bij politici – of all people – beter gaan.
     Ik heb dus enig begrip voor dat geruzie. Een poos geleden wou de nieuwe Vlaamse regering het begrotingsdebat in het Parlement eerst over de principes voeren en daarna pas over de cijfers. Jambon beloofde de cijfers binnen enkele dagen op punt te hebben. ‘Te laat,’ riep PVDA-parlementair Jos D’Haese als een rebels ettertje. ‘Dat gaat gij niet bepalen,’ antwoordde Jambon als een autoritaire schooldirecteur. Ik vond dat goed gespeeld van beide heren, maar toch vooral van D’Haese. Ik heb met andere woorden weliswaar liever wat meer fatsoen en wat meer inhoud, maar ik vind het geen drama als er wat drama wordt opgevoerd. Als Karel de Gucht het Vlaams Belang uitmaakt voor ‘mestkevers’, ach ja, ’t is Karel maar, en als Tom Lannoye zijn burgemeester een ‘oude hoer’ noemt, ach ja, we kennen Tom, of als als die burgemeester zelf het woord ‘watermeloen’ bovenhaalt om de voorzitter van Ecolo te typeren, ach ja, zo spreekt die burgemeester nu eenmaal, en ’t is nog waar ook.
    Maar er zijn grenzen. Op de Antwerpse gemeenteraad riep Sam van Rooy (Vlaams Belang) laatst iets naar Hicham El Mzaihr (sp.a) dat ik niet aanvaardbaar vind. El Mzaihr had de partijen van de oppositie scherp aangevallen: de Groenen, de PVDA en hief daarna de vinger op om ook Vlaams Belang de mantel uit te vegen. ‘Doe dat vingertje weg, reageerde Van Rooy, je bent hier niet in Marokko’. Bart De Wever noemde die uitval een schande en ik vind dat terecht.
     Dat opgestoken vingertje behoort geloof ik tot de moslimretoriek. Mijn collega’s van godsdienst zitten bij nascholingen wel eens tegenover een inspecteur-adviseur van het islamonderwijs. Dat blijkt dan een vriendelijke, verdraagzame man te zijn, maar, zeggen ze erbij, hij heeft de vervelende gewoonte bij het spreken met de vinger naar de hemel te wijzen. Dat gebaar is overigens niet exclusief islamitisch want Castro gebruikte het ook (hier) en die was geen islamiet, kwam niet uit Marokko en was niet verdraagzaam. Maar dat ongelukkige gebaar aangrijpen om de Marokkaanse afkomst van een politieke opponent ter sprake te brengen, zelfs in een scherpe polemiek, is fout. Ik weet niet hoe we in ons land ooit een betere verstandhouding tot stand zullen brengen tussen wat De Wever ‘oudkomers’ en nieuwkomers, noemt maar dát is zeker niet de manier.
     Een andere grens werd overtreden toen Filip Dewinter en Bart Somers ruzie maakten in het Vlaams Parlement. Er was brand gesticht in een gebouw in Bilzen dat zou worden gebruikt om asielzoekers op te vangen. Filip Dewinter veroordeelde de brandstichting, maar verweet Bart Somers vooral dat hij de brandstichting misbruikte om een reclame te maken voor een ruim asielbeleid. De tussenkomst van Dewinter deed denken aan de halfslachtige manier waarop sommige moslimpropagandisten een terreuraanslag door hun geloofsgenoten veroordelen en daarbij vooral spreken over het gevaar van de islamofobie. (Zie ook hier).
     Ik vond de tussenkomst van Dewinter ongepast, maar het antwoord van Somers was veel erger. ‘
Laat ons afstand nemen van dat clubje daar, zei hij, ‘dat zich op een moment dat we discussiëren over brandstichting gedraagt als een bepaalde fractie in de Reichstag. ‘Mijn vader, voegde hij eraan toe,  is in de oorlog weggevoerd om verplicht te worden tewerkgesteld in de Messerschmitt-fabriek in Duitsland.
     Dat is een lage streek die niet thuishoort in een politiek debat. Mijn eigen vader is net als de vader van Somers weggevoerd om te gaan werken in een Duitse wapenfabriek. Maar dat geeft mij niet het recht om Vlaams Belang van 2019 gelijk te stellen aan de terroristische nazimoordenaars van 1933 en later. Mijn vader zelf zou er, ondanks – of eerder juist vanwege – zijn wegvoering, niet aan denken om die twee aan elkaar gelijk te stellen. Ik heb dat als jonge, linkse propagandist aan de universiteit wel gedaan: in de aula’s gaan oproepen om een bijeenkomst van Vlaams Blok-jongeren te verstoren, ‘omdat het nazi’s waren’.  Ik schaam mij daar een beetje voor, maar niet heel erg, want zo dacht ik nu eenmaal. Maar dat ik bij die oproepen ook mijn vader ter sprake bracht, en die verplichte tewerkstelling, en dat ik daar applaus voor kreeg, dáár schaamde ik mij toen al voor, al liet ik het niet blijken.

Links een autoritaire leraar - rechts een autoritaire architect

dinsdag 4 juni 2019

Cordon


     Of je als partij wel of niet aan tafel mag zitten met Vlaams Belang kun je niet laten afhangen van een document dat dertig jaar gelden werd ondertekend door lang vergeten staatslieden als Geysels, Van Peel, Hancké, Beysen, Anciaux (Vic!) en een zekere ‘J. Decorte’. Het duurde even voor ik begreep dat het bij die laatste om Jan Decorte ging die voor Van Rossem in de Vlaamse Raad zat. Ik heb lang geleden, voor de Punische oorlogen geloof ik, ooit eens een theaterstuk gezien waarin Jan de rol van een gekke koning speelde. ’t Was verschrikkelijk … In elk geval dus, dat document dat dertig jaar geleden werd ondertekend door J. Decorte, verwijst expressis verbis naar een partij die niet meer bestaat – het Vlaams Blok  – en naar een program dat verlaten werd – het 70-puntenplan dat ooit werd uitgedokterd door Filip Dewinter*. Dát cordon sanitaire is een vodje papier.
    ’t Was anders ook een gek idee. Zes partijen beloven aan elkaar om geen coalitie aan te gaan met het Vlaams Blok. Maar waarom moeten ze zoiets beloven? Als een partij niet wil samenwerken met het Vlaams Blok, kan toch niemand haar daartoe verplichten. Daar is helemaal geen cordon voor nodig. Als een andere partij zo’n samenwerking wél wil, is dat, zou je denken, de zaak van die andere partij, is ’t waar of niet? De ondertekende tekst bevatte wel mooie en hoogdravende principes, maar geen enkele partij betrouwde er blijkbaar op dat die principes zouden volstaan om de  ándere politieke partijen ervan af te houden een voordelige coalitie met het Blok te sluiten. Elke partij was bereid zich een hand op de rug te laten binden, maar alleen op voorwaarde dat elke andere partij zich ook een hand op de rug laat binden. Zoiets moet het geweest zijn. Maar ik wil niet te streng zijn. Door zo’n tekst te ondertekenen maakt men in de de eerste plaats een breed symbolisch gebaar en dat mag je niet te ernstig nemen maar je mag het ook niet kapot analyseren.
    Ondertussen moet elke Vlaamse partij, met of zonder cordon, na elke verkiezing opnieuw uitmaken of ze weer twee vrije handen wil of niet. De laatste dertig jaar wilde niemand dat. Hoe sterk of hoe zwak Vlaams Belang ook scoorde, samenwerking met die partij werd routineus uitgesloten. Men was dat nu eenmaal zo gewoon en ‘habit is a great deadener’ zegt Didi in Waiting for Godot. Maar met de laatste verkiezingsuitslag moet elke partij opnieuw voor zichzelf een aantal vragen beantwoorden. Hoever wijkt het politieke program van Vlaams Belang af van het eigen program?  Wat zijn de electorale vooruitzichten van een partij die samenwerkt met het Belang? Wat zijn de electorale vooruitzichten van het Belang zelf als het aan een regeringscoalitie deelneemt? Versterkt of verzwakt zo’n coalitie onze positie tegenover de Waalse partijen? En hoe zit het met de ‘ethische kwestie’ die zoveel emoties opwekt zowel bij voor- als tegenstanders?
     Die ethische kwestie is die van het racisme.
     Nu heeft het Vlaams Belang, geloof ik, weinig heuse racistische eisen in haar program. De mensen die het opstellen zijn geen idioten en ze kennen de wetgeving tegen het racisme. Ik zal het nog sterker zeggen: zelfs het 70-puntenplan van Filip Dewinter bevatte weinig racisme in de strikte zin. Het bevatte wel een reeks schunnige voorstellen tot  discriminatie, segregatie en deportatie.  Een apart onderwijsnet voor kinderen van vreemdelingen. Een belasting op tewerkstelling van vreemdelingen. Verbod voor vreemdelingen om eigendom te verwerven. Verbod voor vreemdelingen om verenigingen op te richten zonder voorafgaande toestemming van de overheid. Verbod voor vreemdelingen om van beroepssector te veranderen**. Een begeleide verwijdering van vreemdelingen in drie fasen: eerst de illegalen, criminelen en werklozen, dan de eerste generatie, ten slotte de tweede en derde generatie. Vervang hierboven telkens het woord ‘vreemdeling’ door het woord ‘Jood’ en je krijgt een soort naziprogram. Probeer het maar eens. ‘Een belasting op de tewerkstelling van Joden.’ In het plan staat evenwel niet ‘Jood’ of ‘Marokkaan’ of ‘Turk’ maar ‘vreemdeling’, en élke wetgeving maakt een terecht onderscheid tussen de rechten van de eigen staatsburgers – die dus evengoed van Marokkaanse of Turkse afkomst kunnen zijn – en die van vreemdelingen die nog niet tot staatsburger genaturaliseerd werden.***
     Racisme is een ruim woord. Je kunt een heel klein beetje racist zijn, of juist heel erg. Het kan zijn dat je liever niet wil dat je dochter trouwt met een jongen van een andere groep (1), of dat je over mensen van een andere groep denkt in stereotypes (2) of dat je je meer op gemak voelt onder mensen van je eigen groep (3), of dat je mensen van een andere groep wantrouwt (4), of dat je vindt dat de groepen beter gescheiden blijven (5), of dat mensen van een andere groep minderwaardig zijn (6), of minder rechten horen te hebben (7), of als vijanden moeten worden uitgeroeid (8). Er zijn overigens ook overtuigingen en gevoelens die slechts zijdelings met racisme te maken hebben. Je houdt bijvoorbeeld niet van enig ideeëngoed – zoals de islamgodsdienst – dat sterk leeft in een andere groep. Dat is op zichzelf helemaal geen racisme. Je bent geen racist omdat je ideeën verfoeit. Maar zo’n afkeer van ideeëngoed kán veroorzaakt worden door een afkeer voor de groep mensen die dat ideeëngoed aanhangt of, omgekeerd, de verachting voor dat ideeëngoed kán ertoe leiden dat je de groep mensen die het aanhangt ook gaat verachten.
     Filip Dewinter verdenk ik, op grond van zijn 70-puntenplan, minstens van het racisme dat ik hierboven beschreef onder (5): dat groepen gescheiden moeten blijven. Dat is al een redelijk extreme vorm van racisme. Tegelijk verdenk ik álle, of toch de meeste, of toch heel veel, Vlamingen ervan om een klein racistisch huisdiertje te onderhouden in een slecht verlicht hokje van hun geest. Sommigen zijn daar dan een beetje beschaamd over. Het zit misschien in de menselijke natuur maar het hoort niet. Die schaamte verklaart meteen de heftigheid van de discussie over het cordon. De linkse Vlaming probeert krampachtig te bewijzen hoe weinig racistisch hij is door een grote fluim op Vlaams Belang te spugen en de rechtse Vlaming wordt dan woest omdat hij daar een vorm van goedkope hypocrisie in ziet. ‘Die linkse rakker is als het erop aankomt even racistisch als ik,’ denkt de rechtse Vlaming, ‘maar hij doet zich voor als een heilig boontje.’ En van een hautaine Waal verdraagt hij nog minder. Als de Waalse pers over extreemlinks schrijft: ‘Le PTB au moins n’est pas raciste’, hoort de rechtse Vlaming: ‘Nous au moins, on n’est pas raciste.’
    Als alle, of de meeste, of heel veel, mensen in zekere mate tot racisme geneigd zijn, is ook de vraag beantwoord of Vlaams Belang racistisch is. Natuurlijk is de partij dat – in zekere mate. Er leven racistische gevoelens zowel in de partij zelf als onder het kiespubliek van de partij. Die leven immers overal. Die leven dus ook in de andere partijen en onder het kiespubliek van de andere partijen. Alleen is dat racisme onder het Vlaams Belang-publiek, geloof ik, openlijker, ruimer verspreid, en bevat het meer van de erge varianten. Men mag daar van mij gerust eens een sociologische studie over maken, als ik die maar niet hoef te betalen. Maar hoe je het draait of keert, dat racisme van Vlaams Belang is een kwestie van graadverschil, en geen verschil van essentie.
     ’t Doet ook niet zoveel ter zake, vind ik. Sam Van Rooy, heb ik begrepen, is een hardliner binnen Vlaams Belang. Ik ben tegen hardliners. Maar is Sam een grotere racist dan bijvoorbeeld ikzelf? Sam lijkt mij juist iemand die er geen graten in zou zien als zijn dochter met een Marokkaan of een Soedanees thuiskwam, als die maar atheïst is en een boekje tegen de islam geschreven heeft. Maar als ik met hem zou moeten overhandelen over een coalitie zou de relatie die hij heeft met zijn Marokkaanse of Soedanese schoonzoon het laatste zijn waar ik rekening mee hield.
     Bij coalitiebesprekingen mag het, vind ik, niet te veel gaan over bewuste of onbewuste neigingen, valse of echte schaamte, en over vermoedens van achterliggende motieven. Ethiek speelt een rol, maar vooral in de mate dat ze gestalte krijgt in beleid. En dat beleid moet voor mij – waar het migratie betreft – twee soorten maatregelen samenbrengen: het beperken van de immigratie en het integreren van de immigranten. Het Vlaams Blok propageerde het eerste en verwierp het tweede. Het Vlaams Belang propageert nog altijd het eerste en heeft weinig te zeggen over het tweede. Dat is onvoldoende.
     Geloven dat gelijk welk integratiebeleid op korte of middellange termijn tot een harmonieuze samenleving tussen oude en nieuwe Vlamingen zal leiden is onrealistisch. Het zou al goed zijn als het er voorlopig voor zorgde dat onze samenleving niet nog meer uit elkaar viel. De geschiedenis van de laatste vijftig jaar heeft laten zien dat er niet alleen integratieproblemen zijn met de eerste, maar ook met de tweede, de derde en de vierde generatie. Dat zal niet snel veranderen, want het gaat hier om gedrag van mensen, en de mogelijkheid om gedrag van mensen door beleid bij te sturen is beperkt. De aanwezigheid van migranten laat ons evenwel maar drie keuzes: integratie****, segregatie of deportatie. Wie niet met – desnoods wat geforceerd – enthousiasme de eerste keuze omarmt, impliceert dat hij de tweede en de derde keuze achter de hand houdt.
     Ik hoop vurig dat een toekomstige regering een heel strikt anti-immigratiebeleid voert. En dat de daaropvolgende regering een nog strikter beleid voert. Maar zo’n beleid heeft ook zijn nadelen. Het heeft iets egoïstisch. Mensen die hier heel graag willen komen wonen, houd je tegen omdat het óns gezellig samenzijn verstoort. Het is ook egoïstisch van die mensen om óns gezellig samenzijn te verstoren, maar dat terzijde. Je sluit mensen op in centra omdat ze anders onderduiken in de illegaliteit. Je wijst mensen uit omdat ze niet weerhouden worden in een of andere bureaucratische procedure. Je vergroot het onderscheid tussen de rechten van de eigen burgers – van welke origine ook – en nieuwe vreemdelingen om op die manier immigratie minder aantrekkelijk te maken. Dat is allemaal noodzakelijk, en het alternatief is dat van open grenzen – een alternatief dat zelfs PVDA en Groen niet onomwonden durven verdedigen. Maar het blijft hardvochtig.
    En dan is er nóg een nadeel. Door mensen tegen te houden geef je de indruk dat er met die mensen iets mis is. Dat het profiteurs zijn, of misdadigers, of potentiële terroristen. Door die indruk te geven zorg je ervoor dat de ergere vormen van racisme zich ruimer onder de bevolking verspreiden. Natuurlijk zijn er onder de de migranten profiteurs en misdadigers en potentiële terroristen, en misschien wat meer dan onder de West-Vlaamse plattelanders, maar de meeste van die immigranten willen gewoon van een arm land naar een rijk land verhuizen, iets wat die West-Vlaamse plattelanders ook zouden willen als de situatie omgekeerd was. Wij houden die migranten tegen omdat het ons minder goed uitkomt, en niet omdat ze minderwaardige mensen zijn. Het zijn mensen zoals wij, en door integratiemaatregelen te nemen voor de migranten die hier al wonen, en die maatregelen met enige ophef te verkopen, laten we zien dat we dat ook geloven.
     Vlaams Belang heeft aangekondigd dat het aan de coalitiegesprekken deel wil nemen ‘zonder breekpunten’. Good for them. Zelf heb ik, hoewel ik aan die gesprekken niet deelneem, wél een breekpunt. De partij moet zich dringend met de integratiegedachte verzoenen, die gedachte met enige overtuigingskracht uitdragen, en in een moeite door Filip Dewinter eens en voorgoed op zijn plaats zetten.
     En wat doe je met het extreme anti-islamverhaal van Vlaams Belang, zul je vragen. Ja, daar schrijf ik misschien later nog eens een stukje over. Dit hier is alweer veel te lang.

* Het 70-puntenplan werd verlaten door Vlaams Belang, maar werd nooit verloochend door Filip Dewinter, zoals blijkt uit een gesprek met Etienne Vermeersch uit 2004 (hier). Dewinter vond zijn plan van toen ‘niet langer realistisch’ maar veel erder ging hij niet. 

** Bij dat laatste punt wordt er fijntjes op gewezen dat de vakbonden zoiets in de jaren zestig al vroegen.


*** Het 70-puntenplan bevat de ontstellende bepaling dat vreemdelingen die genaturaliseerd werden na 1974 hun burgerschap weer kunnen verliezen als ze ‘onvoldoende geassimileerd’ blijken.

**** Het 70-puntenplan gebruikt de termen ‘integratie’ en ‘assimilatie’. Mij maakt de term niet veel uit, maar ik begrijp wel dat hier een inhoudelijke discussie kan worden gevoerd. Ik kreeg gisteren een een brief van de VUB om geld te vragen voor een project om Arabische taallessen te organiseren. Dat zou Arabische kinderen helpen om zich open te stellen voor onze cultuur. Bij deze laat ik de VUB weten dat ik voor die vormen van ‘integratie’ geen geld stort.