Posts tonen met het label besparingen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label besparingen. Alle posts tonen

zondag 13 oktober 2019

De 'kille' regering, de woonbonus en de jobbonus

     Tegen de nieuwe Vlaamse regering wordt aangevoerd dat ze ‘kil’ is. Je komt het woord overal tegen. Rzoska van Groen zegt bijvoorbeeld in de De Zondag: ‘Nieuwkomers moeten hogere drempels over … Werklozen moeten voortaan gemeenschapsdienst doen … De bouwmeester moet zich bezighouden met zijn kernopdracht … De regering wil spijbelen harder aanpakken … De VRT wordt in een [financieel] keurslijf gestopt. Ik vrees voor een kil en hardvochtig Vlaanderen.’
    Is dat wel een redelijke conclusie uit de opsomming die eraan voorafgaat? Het is alsof je zegt: mijn likdoorns doen pijn, onze kat heeft een muis gevangen, Rzoska is een sympathieke kerel, kortom: ik vrees voor een olielek in mijn auto.  Rzoska somt allemaal maatregelen op waar hij tegen en ik voor ben. Ben ik dan ook ‘kil’ en ‘hardvochtig’? Dat is wel een streng oordeel. En moet de warmte in ons land komen van de bouwmeester en van de VRT-directeuren? Ik heb hun foto’s eens bekeken.
     Rzoska heeft zich geloof ik laten meeslepen door het automatisme om van een kille regering te spreken ook als de context er zich niet goed toe leent. Maar als hij zijn best doet, kan hij wel betere voorbeelden vinden voor zijn stelling. Hij moet dan zwijgen over de gemeenschapsdienst, de bouwmeester en de VRT. In plaats daarvan moet hij de begroting afspeuren naar alle besparingen en besparinkjes. Want waar bespaard wordt is er altijd iemand die minder krijgt dan vroeger. Zo iemand voelt zich – heel begrijpelijk – in de kou gezet en zal in die barre toestand ontvankelijk zijn voor metaforen van een ‘kille’ regering. Als Rzoska even zoekt in de begrotingstabellen zal hij gemakkelijk veel van die maatregelen vinden.
     Bij die werkwijze zijn echter twee moeilijkheden. Ten eerste staan tegenover die besparingen – twee miljard  – ongeveer evenveel nieuwe uitgaven – ook twee miljard. Er zijn ongeveer evenveel besparingen als nieuwe uitgaven. Als elke besparing bewijst hoe ‘kil’ en ‘hardvochtig’ de regering is, dan bewijst elke nieuwe uitgave hoe ‘gul’ en ‘ruimhartig’ ze is.
     En dat is niet het enige. Onze linkse vrienden kijken niet enkel naar de hoeveelheid van besparingen en uitgaven, maar ook naar wie er slechter en wie er beter van wordt. Als de hoge inkomens er slechter van worden en de lage inkomens beter, dan wordt dat een sociaal ‘herverdelingsbeleid’ genoemd.
     Hoe staan de zaken ervoor op dit terrein? Erg sociaal eigenlijk. Ik heb tijd noch zin om, zoals sommige van mijn collega’s, het héle regeerakkoord te lezen. Ook ga ik de begrotingstabellen, die Jambon op zijn bureau had laten liggen, niet uitvlooien naar elk miljoen meer of minder. Ik heb geleerd dat je veel kunt begrijpen door alleen naar de grote cijfers te kijken. En de grootste cijfers bij de twee miljard verschuivingen zijn: 320 miljoen meer inkomsten door de afschaffing van de woonbonus en 350 miljoen meer uitgaven* door het invoeren van een jobbonus. Huizenkopers verliezen een bonus, en mensen met een laagbetaalde job krijgen er een.
     Het is zonneklaar dat de geldstroom hier van rijker naar armer gaat. Wie een huis koopt of laat bouwen behoort, mogen we aannemen, tot de 75 procent hoogste inkomens*, en wie een jobbonus krijgt, tot de 40 procent laagste**. Er is een ruime overlapping tussen de twee groepen – ook kleinverdieners kopen en bouwen huizen – maar de richting van de ‘herverdeling’ is ondubbelzinnig. Links zou moeten juichen.
     Zelfs ik, die niet links ben, juich een beetje. Die woonbonus heb ik namelijk altijd een onrecht gevonden. Mijn vrouw en ik hebben voor ons landhuisje indertijd een flinke lening moeten aangaan tegen een interest die jonge huizenkopers van nu zich niet meer kunnen voorstellen. Op vijftien jaar tijd moesten we twee keer zoveel afbetalen als wat we hadden geleend. Om dat een beetje goed te maken had de toenmalige regering in haar welwillendheid ervoor gezorgd dat we die afbetalingen fiscaal konden aftrekken van ons inkomen. Elk jaar kregen wij daardoor in april duizenden euro’s terug van wat het vorige jaar van ons loon was afgehouden. ’t Had werkelijk iets van een jaarlijkse bonus. ’t Was een moment van onverdeeld geluk en dán kniezen ware ongepast geweest.
    Anders was dat enkele maanden ervoor, bij het invullen van de belastingbrief. Op dát moment maakte ik mij telkens weer dezelfde bedenking: waarom moeten wij, die ons een eigen huis kunnen permitteren, een gunstiger belastingregeling genieten dan huurders die dat niet kunnen? Ten slotte waren we zelf ook vijftien jaar huurder geweest.




* Strikt genomen is de jobbonus geen uitgave, maar een minderinkomst door belastingverlaging.

** Dat lijkt mij een redelijke aanname als je weet dat 75 procent van de Belgen een eigen huis bezitten.

*** De jobbonus geldt voor mensen die tot maximaal 1.700 € bruto per maand verdienen, waarmee je je ongeveer in het vierde inkomensdeciel bevindt.

dinsdag 31 mei 2016

Ik heb niet gestaakt

     Het was gezellig vandaag in de lerarenkamer. Dat kwam door de staking. Een derde van de collega’s had aangekondigd te willen staken, waardoor alle leerlingen een dagje vrij kregen, en wij, de niet-stakers ook – al moesten we dan op school zijn. Aan lange tafels werden toetsen en taken verbeterd, en punten opgeteld. Er werd wat gebabbeld, maar niet te luid. Wie zin had in een koffie stond op om die koffie te halen. Sommige collega’s begonnen al tien minuten vóór het belsignaal hun boterhammetjes op te eten. We voelden ons een beetje als ambtenaren. Toen ik om vier uur naar huis vertrok, was ik ondanks alle verbeterwerk nog zo fris dat ik niet eens de motor van mijn elektrische fiets heb opgestart.
     Onder de collega’s die wél hebben gestaakt, ken ik een aantal mensen van aanzienlijk moreel gehalte. Zeker, zij kwamen op voor een soort eigenbelang. Volgens de vakbond kon een succesvolle staking tot 80 000 euro pensioenwinst opleveren over een periode van twintig jaar (1). Maar de mensen waar ik aan denk zouden nooit tot staking besluiten als hun gevoel voor rechtvaardigheid daarbij geen rol speelde. Wat je in dat verband het vaakst hoorde, was dat de regering, door de pensioenleeftijd van de ambtenaren te verhogen, een soort contractbreuk pleegde.
     Helemaal letterlijk mogen we die contractbreuk niet opvatten. Er bestaat geen geschreven en naar behoren ondertekend contract waarbij de regering voor ambtenaren – of andere werknemers! – een bepaalde pensioenregeling waarborgt. Er is wel een vaag aanvoelen in die zin, maar het contract zelf – zoals Nozick in een andere context schreef – ‘is not worth the paper it is not written on’.
     Het zit zo. Wij allen, of we nu ambtenaar, werknemer of zelfstandige zijn, betalen onze belastingen en sociale bijdragen niet om dat geld later als pensioen terug te krijgen (2). Wij betalen belastingen en bijdragen om onze collega’s te onderhouden die nu op pensioen zijn (3). Wat wijzelf zullen krijgen, zal afhangen van wat het toekomstige geslacht bereid zal zijn te betalen. Ons pensioen – en niet alleen dat van ambtenaren! – hangt volledig af van een toekomstige en onvoorspelbare krachtsverhouding – hangt af van wat een toekomstige regering op dat moment zal willen en kunnen betalen. Als ik nu een vervloekte neoliberaal was, zou ik hieruit een argument halen om het hele pensioenstelsel zoveel mogelijk aan de staat en de regering te onttrekken. Maar neoliberalen bestaan niet. (Zie hier)
     Al kan ze niet letterlijk genomen worden, toch heeft de contractbreuktheorie ook haar verdiensten. Als je gewoon bent iets te krijgen, ga je die gewoonte op de duur als een recht beschouwen (4).  Je mag daar evenwel niet te ver in gaan. Onredelijke toestanden zoals pensionering voor leraren op 55 of 58 jaar moesten weg, verworven recht of niet.  Maar het is één zaak om aan beginnende leerkrachten mee te geven dat ze tot 67 moeten werken; het is een andere zaak om een 58-jarige, die zijn pensioen al kan ruiken, in één klap met 9 jaar extra dienstjaren op te zadelen (5). Dat is ook niet gebeurd. De loopbaanverlenging wordt geleidelijk aan ingevoerd – ‘gefaseerd’ zoals dat heet – en wordt pas vanaf 2030 volledig van kracht.
     Bij een dergelijke loopbaanverlenging hoort een nieuwe pensioenberekening die vertrekt van een langere loopbaan. Zo is er geen plaats meer voor een diplomabonificatie (6), die voor berekeningsdoeleinden de werkelijke loopbaan verlengt met de studiejaren. Iemand die tot zijn 67ste werkt, heeft die bonificatie niet nodig om aan zijn hoogst mogelijke pensioen te komen. Voor leraren met een gemengde loopbaan – eerst iets anders en dan pas leraar bijvoorbeeld – is het een andere zaak. Hun pensioen wordt met één klap een stuk minder dan ze hadden verwacht, ook al werken ze nu tot hun 67ste. Dat is bitter. Daarom wordt ook die maatregel  ‘gefaseerd’ ingevoerd. Maar die fasering valt mij tegen. De meeste leraren-licentiaten van mijn generatie hebben een dossier van vier studiejaren, maar die vier jaren worden al ‘uitgefaseerd’ tegen 2024. Dat is nogal snel.
     Hier ligt, vind ik, een kans voor mijn vakbond. Die mensen gaan toch vaak op de koffie bij de minister. Als ze alleen naar de minister trekken om met een boos gezicht en de vuist op tafel elk idee van verdere besparing te verwerpen, dan hebben zij mijn mandaat niet. Dat heb ik bij de verkiezingen al aan de regering gegeven. Maar hier een tijdelijke uitzondering toevoegen, daar een overgangscurve hertekenen, en nog ergens anders een maatregel wat dunner en breder smeren – voor zoiets krijgen ze wél mijn mandaat.
     Ik mag hopen dat ikzelf profijt trek van een of andere uitzonderingsregel die dusdanig tot stand komt. Als dat niet zo is, dan zal ik berusten. Er moet tenslotte bespaard worden en er is vroeger veel uitgegeven. Maar eerst zal dan de naam van de Heere een paar keer ijdel gebruikt worden.

___________________

 
(1) Ik heb hier enkele bedenkingen neergeschreven bij de bewering als zou de pensioenhervorming leiden tot pensioenverlies. 

(2) Die belastingen en bijdragen op ambtenarenlonen zijn iets grappigs. Eerst betaalt de staat zogezegd een brutoloon, en daarna vordert ze een bepaalde som daarvan terug. In werkelijkheid verandert die som op geen enkel moment van eigenaar en blijft ze de hele tijd in de staatskas liggen. In de private sector is dat even anders.

(2) We betalen nu de pensioenen van degenen die op 55 of 58 hun loopbaan beëindigden. Het weze hen gegund.

(4) Zo kent de wet iets als ‘erfdienstbaarheid’. Een boer die van vader op zoon met zijn tractor over jouw landweg rijdt, kun je na een bepaald ogenblik niet meer vragen om een andere weg te nemen. Je had daar maar eerder iets van moeten zeggen. Dat heet ‘erfdienstbaarheid door verjaring’. De ‘verworven rechten’ waar je dezer dagen vaak over hoort, lijken daar wel de syndicale tegenhanger van.

(5) Nobelprijswinnaar Daniel Kahneman heeft over die kwestie geschreven in dat prachtige boek Ons feilbare denken (hoofdstuk 28). Ons rechtvaardigheidsgevoel is sterk gebaseerd op een ‘afkeer van verlies’. Mensen vinden het onrechtvaardig dat het loon van een werknemer verlaagd wordt. Een nieuwe werknemer die aan een verlaagd loon wordt aangenomen, vinden ze minder onrechtvaardig.

(6) De diplomabonificatie was op zichzelf een dubbele onrechtvaardigheid. De jaren die je studeerde aan de hogeschool of universiteit werden bij je beroepsloopbaan geteld voor de pensioenberekening, terwijl je die jaren niets geen bijdragen betaald had en tegelijkertijd, op staatskosten, genoten had van bijna gratis onderwijs. Dat was niet alleen discriminerend tegenover werknemers van de private sector maar vooral tegenover werknemers die niet het voorrecht genoten om te studeren.


 

zaterdag 28 mei 2016

Ik staak niet


     Sommige van mijn beste vrienden staken volgende week dinsdag en dat doet mij veel verdriet. Het zijn leraren, en hun argumenten om te staken zijn niet min. Langer werken, minder pensioen, contractbreuk, geen sociaal overleg.
     Over die contractbreuk en dat sociaal overleg, schrijf ik binnenkort nog wel een stukje. Over dat langer werken zwijg ik, want ik heb ik er laatst nog een stukje aan gewijd (hier). Ik heb trouwens niet de indruk dat dat langer werken nu een beslissende stakingsgrond is. De collega’s hebben er zich al min of meer bij neergelegd. Het duurt nog lang voor het zover is, denken de jongeren. De ouderen genieten dan weer van overgangsmaatregelen waardoor ze tóch vroeger kunnen gaan. Bij die van middelbare leeftijd wringt het een beetje, dat wel, maar ook zij aanvaarden dat er weinig tegen te beginnen valt.

     Als het daarentegen om de hoogte van het pensioen gaat, zijn jong en oud en middelbaar in gelijke mate verontrust. En dat is begrijpelijk. Leraren ontvangen een pensioen van 2 000 tot 2 300 euro netto per maand, terwijl de modale werknemer met moeite aan 1 300 euro komt (1). Het is één zaak om dat verschil goed te praten in de lerarenkamer, onder collega’s, maar de boze buitenwereld heeft daar allemaal weinig begrip voor. Diep in zijn hart is elke leraar dus bang dat iemand dat verschil ooit opmerkt en daar dan ophef over maakt.  Hij vreest dat dan de daling is ingezet naar het niveau van de werknemer – is het niet onder deze regering, dan onder een volgende. Daarom is de leraar bereid om desnoods preventief te staken, zelfs als er op dit ogenblik geen maatregelen ter tafel liggen.
     De vakbonden gaan een stap verder om de stakingswil aan te moedigen. Ze beweren dat die gevreesde pensioendaling er nu al is. Via het postsysteem van de school kreeg ik een brief die uiteenzette hoe de huidige maatregelen ons pensioen met 15 % verlagen en hoe er andere maatregelen klaar liggen om het nog eens met 15 % te korten.
     Sommige dingen zijn te mooi om waar te zijn, maar hier, dacht ik, hadden we iets dat te lelijk was om waar te zijn. Ik aarzelde niet om mijn vakbondsafgevaardigde een woord uitleg te vragen, vooral omdat dat de liefste man ter wereld is. En de geduldigste, want hij heeft mij omstandig uitgelegd hoe het pensioenbedrag berekend wordt, waarom vermenigvuldigingen commutatief zijn, wat preferentiële tantièmes zijn, waar de diplomabonificatie een rol speelt en op welke manier het referentieloon tot stand komt.
     Ik heb niet alles begrepen. Het was teveel. Wel heb ik begrepen dat we de problemen niet dubbel mogen tellen. Het is dus niet zo dat we langer moeten werken en minder pensioen krijgen. Het is het één of het ander(2). Iemand die netjes op tijd afstudeert, onmiddellijk voor het onderwijs kiest, en flink doorwerkt tot zijn zevenenzestigste, die krijgt aan het einde van zijn loopbaan nog altijd hetzelfde vorstelijke pensioen als beloning voor bewezen diensten aan de maatschappij. Maar iemand met een onvolledige ambtenarenloopbaan –  dat is een andere zaak.
     Voor mij is dat verdomde pech. Toen ik achttien jaar geleden leraar werd, had ik al menig baantje achter de rug, als arbeider, paracommando, deeltijds en voltijds zelfstandige, en kantoorklerk. Zo’n bonte loopbaan is een bron van allerlei mooie herinneringen en smakelijke verhalen, maar veel pensioenrechten beur ik er niet uit. Anderzijds zal ik bij mijn pensionering niet meer dan tweeëntwintig ambtenarenjaren verzameld hebben. Met de diplomabonificatie kon ik daar in het oude systeem nog vier jaren aan toevoegen en met de preferentiële tantièmes nog wat meer. Als ik dat als amateur uitreken, kom ik voor mij aan een verlies van rond de 20 à 25 %. Dat is het slechte nieuws. Het goede nieuws is dat mijn jonge vriend P., die wel staakt, dat offer niet zal moeten brengen.
 


________________________

(1) Cijfers uit mijn kennissenkring. Professor Annie Hondeghem geeft in De Standaard (31 mei 2016) als gemiddelde bruto cijfers voor ambtenaren 2 341 euro en voor werknemers 1 360 euro.

(2) Toen ik dit schreef, was ik toch een beetje ongerust. Altijd bleef de twijfel. Heb ik het verkeerd begrepen? Heb ik de verkeerde mensen geloofd? Heb ik het fout uitgerekend? Ondertussen heb ik het vtm-debat op 31 mei tussen Peter De Roover (nva) en Chris Reniers (acod) gezien (hier).  Op exact de tiende minuut zegt vakbondsvrouw Reniers: Langer werken, dat zijn mensen die zes, zeven jaar langer zullen moeten werken voor hetzelfde bedrag. Dat vind ik niet redelijk.”  Nu kan ik weer gerust slapen. De voorzitter van de Algemene Centrale der Openbare Diensten zegt het zelf: langer werken voor hetzelfde bedrag”.  Of was het een verspreking van haar kant?

zaterdag 23 april 2016

Kris en Annemie


     Minister Kris Peeters (CD&V) beweerde vorige week in de krant dat iedereen in ons land ‘boven zijn stand leeft’. De Antwerpse lerares Annemie Verbeiren (SP.A.) was het daar niet mee eens en schreef een felle open brief die meer dan dertigduizend keer op Facebook werd gedeeld. Wie heeft gelijk?  We hebben hier te maken met iets wat de laatste tijd vaker voorkomt in de wereld van het politieke debat: een semantisch misverstand. Wat betekent: ‘boven je stand leven’? 
     Kris bekijkt de zaken staatkundig. De begroting moet kloppen. De regering geeft al jaren meer uit dan er binnenkomt en dat kan zo niet verder. Werkloosheidsuitkeringen moeten worden beperkt in de tijd, pensioenkosten moeten omlaag door latere pensionering, en loonkosten moeten omlaag zodat bedrijven meer kunnen investeren of hun producten goedkoper kunnen verkopen. Dat zegt Kris allemaal niet zo duidelijk, want hij is tenslotte een CD&V’er, maar daar komt het, geloof ik, op neer. Het enige waar Kris wel duidelijk over is, zijn nieuwe belastingen voor gefortuneerden, een zogenaamde dual income tax. Zei ik al dat Kris een CD&V'er is? 
     Annemie, van haar kant, bekijkt de zaken huishoudkundig. Veel gezinnen hebben kleine inkomens en met een klein inkomen rondkomen is niet prettig. Ze legt uit hoe zij het doet. Ze drinkt koffie van Aldi, ze houdt haar kleingeld goed bij, ze slaat in de supermarkt geen grote voorraden in, ze gaat niet uit eten. Eigenlijk is haar hele levensstijl door besparingen op de schop gegaan. Ze leest Humo niet meer (ik evenmin), ze zegde haar vaste telefoonlijn op, ze koopt maar heel af en toe nog een belegd broodje, en voor buitenlandse reizen neemt ze alleen Ryanair. Dat zijn eigenlijk allemaal heel verstandige regelingen van Annemie en, hoewel ik goed rond kom, doe ik sommige  dingen precies zoals zij.
     Je vraagt je af of het verschil tussen het staatkundige probleem van Kris en het huishoudkundige probleem van Annemie wel zo groot is. In zekere zin verkeert een regeringspartij in dezelfde toestand als Annemie. Ook voor een regeringspartij is besparen niet prettig. Die partij moet schikkingen treffen die haar eigen kiezers niet fijn vinden. Die kiezers bestaan immers uit werknemers, gepensioneerden en werklozen die op een of andere manier minder gaan krijgen door de besparingen. Een regeringspartij die de besparingen dan toch durft op te nemen - na veel talmen en teuten want het gaat nog altijd om de CD&V - zo’n partij verdient misschien wel dezelfde lof als Annemie verdient voor haar zuinig uitgavenbeleid.
*
     Annemies brief ontleent zijn emotionele kracht aan twee eigenschappen: de menselijke benadering en de persoonlijke getuigenis. Met die twee eigenschappen is iets aan de hand.
     Annemie spreekt haar woede en verontwaardiging uit als mens, zo lijkt het, en niet als politieke militante. Maar gevoelens worden, vrees ik, niet rechtstreeks door een bepaalde toestand veroorzaakt, maar door een opvatting over die toestand, in casu, een politieke opvatting (2). Toen ikzelf links militant was, kon ik intens verdriet voelen omdat een werkstaking ten einde liep. Zo’n verdriet was geen gewoon menselijk verdriet, zoals we ervaren bij het verlies van een dierbare. Het bestond alleen in samenhang met een politieke opvatting. De wenselijkheid van veel en lange werkstakingen was een onderdeel van die opvatting.
     Als SP.A.-militante heeft Annemie natuurlijk ook allerlei opvattingen over hoe de zaken des lands moeten worden aangepakt. Wanneer die zaken dan anders worden aangepakt, is ze woedend en verontwaardigd - dat is menselijk, ik ben ook zo iemand. Maar die woede en verontwaardiging van mij of van Annemie, zijn, ten minste gedeeltelijk, politiek. En dat moet duidelijk zijn. Ik begrijp dat Annemie het niet nodig vond om haar politieke achtergrond te vermelden in een brief die ze op haar eigen Facebookpagina plaatste. Die pagina is duidelijk genoeg. Die brief werd daarna echter duizenden keren gedeeld zonder context en dàt heeft voor verwarring gezorgd. Dat is niet de schuld van Annemie. Maar dat bijvoorbeeld de vrt over Annemie en haar brief berichtte zonder haar politieke achtergrond te vermelden, dat is dan weer onbegrijpelijk. Wat een gemiste kans tot duiding!
     Ook met de persoonlijke getuigenis is iets aan de hand. Annemie heeft een moeilijk bestaan. Ze verdient niet slecht - 1900 euro in de maand las ik ergens - maar ze kwam na een scheiding alleen te staan. Haar man betaalde geen alimentatie en liet haar een ferme schuldenberg na (3). Maar Annemie spreekt niet alleen in eigen naam. Ze spreekt ook in naam van al die gezinnen die het nog veel slechter hebben dan haar, gezinnen die wonen in ‘een huurappartement met de schimmel op de muren’. En ook hier is niet altijd duidelijk wanneer Annemie haar eigen omstandigheden aanhaalt, en wanneer die van nog minder fortuinlijke gezinnen. Ook dat vind ik wat dubbelzinnig. Mijn Facebookvriend Mark De Mey drukte zijn gevoelen bij de brief zo uit: ‘Mensen als Annemie bestaan, alleen is het niet Annemie’.
*
    Achteraf stootte ik op een ander stuk van Annemie waarin ze haar steun betuigt aan Movement X van Abou Jahjah en haar afkeer uitspreekt voor ‘arm, zielig Vlaanderen’. Dat stuk vind ik heel wat minder sympathiek. Het heeft een hoog Lukas 18:9-gehalte. ‘O God! ik dank U dat ik niet ben gelijk de andere mensen.’

________________________________

(1) Misschien zijn bij die kiezers ook een aantal ‘gefortuneerden’ die naar verluidt niet lijden onder de besparingen, maar ik heb gehoord dat die gefortuneerden niet meer dan 1 % uitmaken, en met 1 % kom je niet ver in de politiek. 

(2) Epictetus schreef al: ‘Ταράσσει τους ανθρώπους ου τα πράγματα, αλλά τα περί των πραγμάτων δόγματα.’ De mensen worden beroerd, niet door de dingen, maar door de opvattingen over de dingen.

(3) Ook hier is een gelijkenis tussen staatkunde en huishoudkunde. Erfde de huidige regering geen schuldenberg van rond de 400 miljard euro? Die schuldenberg is haast zeker groter dan degene die Annemie erfde van haar ex-man.