Posts tonen met het label Hugo Claus. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Hugo Claus. Alle posts tonen

dinsdag 13 december 2022

Hij en Zij


     Met voornaamwoorden kun je leuke dingen doen. Primus inter pares is de eerste persoon meervoud ‘wij’. ‘Wij hebben enkele moeilijke winters voor de boeg.’ ‘Hebben wij goed geslapen vannacht.’ ‘Wij, koning der Belgen’. Dan is er de tweede persoon waarmee je door de ene dan wel de andere vorm te kiezen beleefd, onbeleefd, afstandelijk of vertrouwelijk kunt zijn. Voor de eerste persoon enkelvoud heb je maar één vorm, maar de pret begint als je juist die ene vorm probeert te vermijden: ‘uw nederige dienaar’, ‘schrijver dezes’, ‘mijn gevoel zegt mij’ … In het Engels en het Spaans kun je hier leuke dingen doen met ‘one’ en ‘uno’. ‘One wants to serve one’s country,’ zegt Jim Hacker van Yes Minister over zichzelf. De mooiste is misschien die van Hackers first secretary Sir Humphrey die spreekt over ‘one whom your present interlocutor is in the habit of defining by means of the perpendicular pronoun.’*
     Maar wat kunnen we beginnen met de derde personen hijzijhem en haar? Dat zijn saaie woordjes. Natuurlijk, ik zou kunnen zeuren over de opmars van de genderneutrale alternatieven. ‘Kim is niet thuis; ik zag hen net lopen in de stad, maar hen zal niet lang weg blijven.’ Tja, wat zal ik zeggen? Ik zeg daar liefst helemaal niets over liever. Zo’n taalgebruik is diep treurig. En dan weet ik nog altijd niet of Kim een jongen of een meisje is. Had hen maar Sandra geheten, of Arsène, dan wist ik het wel, ondanks alle genderneutraliteit.
     Met hij-zij-hem-haar is gelukkig iets anders aan de hand, iets wat elke leraar Nederlands zal herkennen. Laten we echter, voor we de schoolpoort binnengaan, ons oor even te luisteren leggen in het café waar de leerlingen ’s middags een broodje eten. Jan zit aan een tafeltje te wachten op Piet en Joris, en na een poosje komt Piet eraan maar Joris is er niet bij. Jan vraagt: ‘Is hij niet meegekomen?’ En Piet antwoordt: ‘Nee, hij is ziek.’ Alles is perfect duidelijk. Alles is perfect verstaanbaar. Die hij is Joris natuurlijk.
     Maar nu! Terug op school moet Jan een opstel schrijven over Tolstojs Oorlog en vrede. De kans is groot dat hij in dat opstel alinea’s lang schrijft over hij, hij, hem, hij, en dat je niet weet of Tolstoj bedoeld wordt, dan wel zijn uitgever, zijn broer, zijn held Pierre of zijn held Andrej. Als leraar trek je dan een rode streep onder een hij of hem, en je schrijft in de kantlijn: Onduidelijke verwijzing! of OV! Ik gaf als vuistregel aan mijn leerlingen mee dat ze in een korte tekst twee keer na elkaar hij-zij-hem-haar konden schrijven, en dat dan weer voor de duidelijkheid een eigennaam of een zelfstandig naamwoord moest volgen. Het was niet meer dan een vuistregel, want Karel van het Reve kon hele bladzijden over Tolstoj en Oorlog en vrede schrijven, met alléén maar hij en hem, maar de meeste van mijn leerlingen waren geen Karel van het Reves. Ik ook niet.
     Je zou nu kunnen denken dat de regels voor een schoolopstel over Tolstoj veel moeilijker zijn dan die voor een café- of huiskamergesprek over Joris, en dat dáár de reden ligt dat Jan in het eerste geval fouten maakt. In werkelijkheid is het omgekeerde waar. Het zijn juist de regels voor het cafégesprek die heel ingewikkeld zijn. Gelukkig komen we zo vaak in cafés, of anders in huiskamers, dat we de gespreksregels die daar gelden intuïtief correct toepassen. Er wordt in de gesproken taal heel soepel omgegaan met hij en hem en occasioneel met Joris, Tolstoj en Andrej, zonder dat men daarbij nadenkt en zonder dat er misverstanden ontstaan.
     Maar nu! In gesprekken komt het er niet alleen op aan om misverstanden vermijden. Er spelen naast de verstaanbaarheidsregels – de zogenaamde maximes van Grice – ook nog sociale regels. Een eerste zo’n regel werd mij aangeleerd door mijn ouders. Ik mocht in een gesprek niet naar mijn vader of moeder verwijzen met hij-zij-hem-haar. Ik mocht niet zeggen: ‘Hij is boos’ of ‘zij is boos’. Ik moest zeggen: ‘Papa is boos’ of ‘mama is boos,’ ook al was het volstrekt duidelijk dat in huis alleen papa en mama het recht hadden om boos te worden. Maar het gebruik van het voornaamwoord, zo werd mij voorgehouden, liet een gebrek aan respect zien.
     Het omgekeerde bestaat ook: dat het voornaamwoord juist een overmatig respect laat zien. Toen mijn vrouw nog voor een uitgeverij werkte, kwam ze soms in contact met schrijvende politici. Het contact verliep dan vooral langs medewerkers die eerbiedig mededeelden dat Hij dit of dat had gezegd, waarbij Hij dan de minister was wiens naam niet ijdel kon worden gebruikt. Als de politicus een vrouw was, was het natuurlijk Zij. Zo had je indertijd het héél linkse socialistische Europarlementslid Marijke Van Hemeldonck. Die had een boek geschreven, Het schip met acht zeilen. Haar medewerkers gebruikten tegen mijn vrouw voortdurend zinnetjes als ‘Zij heeft dit gezegd’ of ‘Zij zou dat willen wijzigen’ of ‘Zij is niet tevreden met’. 
     Ondertussen had mijn vrouw die Van Hemeldonck nog nooit gezien. Ze was dan ook verbaasd toen op de boekenbeurs een vrouw naar haar toeliep en zonder verdere uitleg enkele boeken van het tafeltje meenam.  Toen mijn vrouw héla hola riep, draaide de vrouw zich om en zei: ‘Weet u niet wie ik ben?’ en liep weg. Een van haar medewerksters verduidelijkte toen tegen mijn vrouw: ‘Ja, Zij is soms wat kortaf.’
     Een aangenamer voorbeeld is dit. Een boekhandelaar die goed thuis was in literaire milieus schreef op regelmatige basis stukjes voor de krant. Een van die stukjes ging over een overleden vriend die ik ook had gekend. Ik complimenteerde hem met dat stukje. ‘Ja,’ zei hij, ‘ik kwam toevallig Veerle De Wit tegen en die had het ook mooi gevonden. En Hij ook, zei zij.’
     Dat is geloof ik duidelijk. In de naoorlogse Vlaamse letteren was er maar één Hij**. En díe Hij had het stukje mooi gevonden. 

     

* Zie ook hier en hier.


** Ook al om de reden die ik hier in mijn eerste zin prijsgeef.   

donderdag 10 september 2020

Huisvuil

    Ik ben nog altijd vlijtig bezig met spullen weg te gooien die ik in mijn lerarenloopbaan verzameld heb*. Nu zijn de dvds aan de beurt. Het gaat om honderden stuks, allemaal mooi opgeborgen in cd-doosjes en voorzien van een etiket.  Compilaties met filmpjes bijvoorbeeld om ‘lichaamstaal’ te illustreren. Of een reportage over Hugo Claus met beelden van de nonnenschool in Aalbeke waar hij, en ikzelf ook, op internaat zijn geweest zijn. En dan ongeveer tachtig films die ik op 5, 10 en soms tot op 50 exemplaren kopieerde om aan de leerlingen uit te delen** – verfilmingen van romans of toneelstukken die ze thuis moesten bekijken  niet alle tachtig natuurlijk.
     Dat weggooien, dat begrijp je wel, dient ecologisch te geschieden: de dv
d
s bij het restafval, de cd-doosjes naar het containerpark en de kartonnetjes aan de binnenkant van die doosjes bij het oud papier.
     Hoe ging dat vroeger, vóór de ecologie? In Wervik, waar ik ben opgegroeid, kreeg een gezin van de gemeente een metalen vuilnisemmer waar alles in mocht en die werd wekelijks opgehaald. Je kon ook bij wijze van gunst een tweede vuilnisemmer aanvragen. Maar ook dat was niet altijd genoeg om het wekelijkse huisvuil te vergaren. Gezinnen die dicht bij de Leie woonden, zoals wij, stopten het teveel aan huisvuil dan in een kartonnen doos, wandelden ermee naar de rivier en gooiden ze met alle kracht zover mogelijk in het water. De doos bleef dan een heel eind drijven, meegevoerd door de stroming, en verdween uit het zicht bij de eerste grote bocht. Het was niet helemaal legaal, en de kinderen van het gezin werden dan ook als verkenners vooruitgestuurd mochten er ooit politie-agenten of douaniers in de buurt zijn.
     Er was ook een min of meer legale oplossing. Je kon het overtollige huisvuil brengen naar de ‘Balokken’, een terrein, ook aan de Leie, van enkele voetbalvelden groot, dat dienst deed als gemeentelijke stortplaats en waar de stank van het huisvuil zich mengde met die van de rook die opsteeg uit brandende autobanden en uit overal verspreid, altijd smeulend vuur.
     Ik wou voor dit stukje de schrijfwijze van ‘Balokken’ opzoeken en kwam op deze foto die weergeeft hoe het terrein er nú uitziet.
 


 * Zie ook hier en hier
** Ze moesten die daarna teruggeven, wat een hele boekhouding met zich meebracht. De laatste jaren waren de dvd’s niet meer nodig en konden de films langs Smartschool of Onedrive gedeeld worden.

dinsdag 20 augustus 2019

De Vlaamse canon

     Vorige week zat ik op restaurant met mijn vader (96). Omdat ik juist het boek van Van Loo over de Bourgondiërs gelezen had, vroeg ik hem of hij wel wist dat Karel de Stoute in de kerk van Lier getrouwd was. Mijn vader keek even voor zich uit. ‘Was dat niet zijn kleinzoon, Filips de Schone,’ vroeg hij ten slotte.
     Hoe mijn vader zoiets weet? Dat komt zo. Zijn moeder, mijn grootmoeder die ik nooit gekend heb, had voor haar mooie studieresultaten in de lagere school twee prijsboeken gekregen. Een Atlas illustré – Géographie en images en een Geschiedenis van België in prenten – Histoire de la Belgique en images. Toen het gezin in 1917 door de Duitsers uit Menen werd gedeporteerd, moest huis, have en goed worden achterlaten, maar die twee boeken nam mijn grootmoeder mee. Later heeft mijn vader er als kind vaak in gebladerd.
      Die Geschiedenis staat nu nog altijd in de kast. En jawel: op prent 184 trouwt Filips de Schone met Johanna de Waanzinnige in de Sint-Gummaruskerk van Lier. De uitleg staat erbij in het Nederlands en het Frans. ‘Philippe le Beau accueille Jeanne d’Espagne à Lierre où le marriage est célébré le 21 octobre 1496.’ Zelf heb ik als kind ook vaak de prenten bekeken. Hoe een Frankische koning op een schild werd gezet en opgeheven. Hoe de lange haren werden afgeknipt van de onttroonde Childerik III. Hoe Brunhilde van Austrasië werd voortgesleurd door een paard waaraan één arm, één been en haar haren waren vastgebonden.
     Zo’n boek, zou je kunnen zeggen, bevatte de Belgische canon van omstreeks 1905.
     Bart De Wever heeft nu voorgesteld om zo’n canon op te stellen voor het Vlaanderen van nu, een lijst van ankerpunten uit onze Vlaamse cultuur en geschiedenis. Er kwam, niet geheel onverwacht, veel kritiek op het voorstel. Sommigen vonden het idee van een canon te ‘te romantisch’.  Anderen vreesden dat de opstelling ervan voor ‘controverse’ zou zorgen. En nog anderen wisten blijkbaar al wát er in die canon zou staan en tekenden met vooruitziende blik bezwaar aan tegen een lijst van namen, data en plaatsen ‘die het superioriteitsdenken zou bevorderen’ en die de ‘zwarte bladzijden van de geschiedenis zou weglaten’. Vooral een aantal historici maakten veel misbaar. Zoiets heet ‘territorial pissing’, geloof ik.
     Zelf voel ik mij in mijn territorium ook wel een beetje bedreigd. In het zesde jaar geef ik in de Nederlandse les uitleg over de literaire canon. Ik zeg dan dat dat een ‘denkbeeldige’ lijst is. En nu komt er, althans voor geschiedenis en cultuur, een échte lijst op papier, opgesteld door een of ander comité van geleerden. Wat is het nu? zullen mijn leerlingen vragen. Is het een denkbeeldige lijst of een echte lijst?
     Maar om de inhoud van de lijst maak ik mij vanuit mijn vak niet veel zorgen. De Nederlandse canon, die De Wever als voorbeeld neemt, bestaat uit een lijst van vijftig thema’s en telt maar twee of drie literaire auteurs: Erasmus, Multatuli en Annie M. G. Schmidt. Als die Vlaamse lijst ook maar drie auteurs telt, wil ik die in mijn lessen graag opnemen. Daarnaast kan ik blijven onderwijzen wat ík wil. Verplicht men mij om Hugo Claus als verplichte lectuur op te geven, vooruit dan maar. Ik heb nog ergens een mooi verhaal van Hugo klaar liggen.
     Die nieuwe Nederlandse canon is, dat moet ik toegeven, een modern en veelzijdig werkstuk. In Multatuli’s tijd bestond hij nog uit de Batavieren, de Bey van Tunis, de hertog van Alva ‘die een ondier was’ en de eb van 1672 waardoor Nederland de Frans-Engelse vloot kon verslaan. Dat was nog een heuse ‘histoire de batailles’ – en Droogstoppel, leren we uit het eerste hoofdstuk van de Havelaar, had een hekel aan al die heldhaftigheid. IJver, spaarzaamheid en godsvrucht, dáár ging het om en dan zou Nederland wel Nederland blijven. Vandaag zijn die heldhaftigheid en die godsvrucht allebei uit de mode. De nieuwe canon gaat meer over dingen als ‘het moderne volkenrecht’, ‘mensenhandel’, ‘rijk wonen buiten de stad’, ‘vrouwenemancipatie’ en het ‘veelkleurige Nederland.’
     Ik vind die Nederlandse Canon anders niet slecht. Wel is er naar mijn smaak te veel twintigste eeuw bij. Michel Berger schreef op zijn Facebookpagina een lang stuk waarin hij betoogde dat om een onpartijdige blik aan te leren oudere geschiedenis beter geschikt is dan de hedendaagse. Ik ben het zoals vaak met Michel eens.
     Ook is die Nederlandse canon zo verdomd leerzaam. De anekdote wijkt helemaal voor de instructie. Floris V staat erin, Jan van Schaffelaar, die van de toren sprong, niet. Als onverbeterlijke middlebrow vind ik dat niet fijn. Ik wil graag iets bijleren, maar het moet niet te moeilijk zijn en een verhaaltje heb ik nog het liefst. Ik lees liever een boek van Bart van Loo dan een van Jan Dumolyn.
     Als je de Nederlandse lijst bekijkt, begrijp je hoe men te werk is gegaan. Van Gogh, Annie Schmidt en Eise Eisinga (die heb ik moeten opzoeken) hebben er hun plaats; Vermeer, Nescio en Huizinga niet. Dat komt omdat de namen als ‘vensters’ moeten dienen om daardoor naar een groot verhaal te kijken. Door het venster van Van Gogh, Schmidt en Eisinga zien we in alle duidelijkheid ‘de moderne kunstenaar’, opdoemen, of ‘de tegendraadsheid in een burgerlijk land’, of ‘de Verlichting in Nederland’. Met Vermeer, Nescio en Huizinga is het moeilijker om de vinger op het grote verhaal te leggen. Ik ken het probleem. Als leraar ga ik ook zo te werk bij het opstellen van een literatuurlijst. Eigenlijk wil ik Zola en Hardy er liever buiten houden, maar tegelijk wil ik graag íets zeggen over het naturalisme, dus dan neem ik ze er maar bij.
       Misschien, bedenk ik nu, kan de tegenstelling tussen anekdote en instructie worden opgelost door de canonlijst wat langer te maken dan vijftig. De Nederlanders zijn hier krenten geweest. Het boek van mijn grootmoeder bevat geen vijftig maar 312 prenten! Dat is andere koek. ‘Mensen willen geen lijstje historische figuren of kunstwerken,’, schrijft Gie Goris in MO-Magazine. Dat kan. Wat ‘de mensen’ willen, weet ik niet zo goed; maar déze mens houdt in elk geval wél van zulke lijstjes, vooral als er mooie prenten bij staan. (Zie ook hier)
     Ik lees in de nota van Bart De Wever dat de Vlaamse canon het ‘identiteitsbesef’ moet bevorderen van de jongere generatie. Daar kan ik mij iets bij voorstellen. Die 
identiteit is een beetje vaag, maar ik heb uit het boekje van De Wever begrepen dat dat nu net de aard van het beestje is. Professor van Oostrom, die de Nederlandse canon samenstelde, werd over de kwestie naar zijn mening gevraagd door een journalist van vrt nws. Van Oostrom zei  dat er niet zoiets bestaat als een ‘gebeitelde’ nationale identiteit. Er zijn wel ‘dominante kenmerken’. Ook vond hij dat die canon  ‘een rol kan spelen in wat ik noem “burgerschap”.’ En verder: ‘Ik vind het evident dat als mensen leven, werken en opgroeien in een bepaald land, dat ze dan iets weten van de geschiedenis en de cultuur van dat land.’ Dat is niet zó verschillend van wat De Wever zegt.
      De Wever wil dat de canon een onderdeel wordt van een inburgeringscursus voor nieuwkomers. In zo’n geval moeten thema’s als verlichting, secularisatie, vrouwenemancipatie een in het oog springende plaats in de canon krijgen, al is Vlaanderen op geen van die gebieden een echte voortrekker geweest. Dat moet dan maar.
Alweer voorrang aan de instructie, zul je zeggen. Tja, ik zal er mij neer bij moeten leggen. En zo erg is het niet. Een beetje leraar maakt van élk canonthema een leuk verhaaltje.

donderdag 20 december 2018

Het geheim van Jean-Pierre Van Rossem

     Jean-Pierre Van Rossem wordt vandaag begraven. Hij werd midden de jaren 80 in geen tijd miljardair dankzij zijn beleggingsbedrijf ‘Moneytron’. Als economometrist had hij – dat beweerde hij althans – een computerprogramma ontworpen waarmee hij wiskundig precies de koers van de aandelen kon voorspellen. Allerlei miljonairs vertrouwden aan Van Rossem grote sommen geld toe, die die dan overschreef naar zijn eigen rekening. Als een oude klant zijn geld terugvroeg, met interest, betaalde Van Rossem hem uit met wat nieuwe klanten binnenbrachten. Het bedrijf ging na enkele jaren failliet en Van Rossem kwam – voor de zoveelste keer – in de gevangenis.
    Er bestaat natuurlijk geen geheime formule om aandelenkoersen te voorspellen. De beurs, het weer, en zelfs het klimaat vallen moeilijk te voorspellen. Er bestaan allerlei ‘modellen’, maar die blijken keer op keer ontoereikend omdat er zoveel verschillende factoren meespelen en op elkaar inwerken. Van Rossem beweerde dat zijn model superieur was aan andere modellen omdat hij, in tegenstelling tot ‘burgerlijke economen’, rekening hield met de laatkapitalistische verhoudingen tussen arbeid en kapitaal, en met de klassenstrijd die daaruit voortvloeit. Van Rossem was namelijk marxist. Misschien was dát het wel waardoor miljonairs werden aangetrokken. Sommige kapitalisten zijn er diep in hun binnenste van overtuigd dat het kapitalisme te mooi is om waar te zijn, dat het liedje niet lang meer zal duren, en dat de marxisten hen door hebben.
     Het grondplan van Van Rossems oplichterij was niet van eigen vinding. Charles Ponzi (1882-1942) en vele anderen hadden het ook al gebruikt. Wat de langharige West-Vlaming toevoegde was zijn econometrische hocus-pocus – hij kende écht wel iets van economie en wiskunde –, en verder zijn persoonlijkheid, zijn rebelse imago en zijn je-m’en-foutisme. Hij liet die miljonairs verstaan geloof ik dat hij eigenlijk niet geïnteresseerd was in hun smerige geld. ‘t Is een houding die men in het Engels weergeeft met de uitdrukking ‘to play hard to get’. In de liefde schijnt het ook te werken. Van Rossem beweerde dat hij duizend vrouwen had gehad, van televisiesterren tot echtgenotes van ministers.
     Wat ook helpt bij zo’n oplichtersbedrijf is een goede firmanaam. Moneytron – hoe was Van Rossem aan díe naam gekomen. Ik denk dat ik dat weet. In 1964 verscheen van Robert Escarpit* (1918-2000) een vermakelijk boekje met de titel Le Littératron. Dat boekje vertelt de opgang van oplichter Mériadec Le Guern in het universitaire, zakelijke en politieke milieu. Le Guern komt op het idee, om vertrekkend van Quintilianus’ retorica, een woordmachine te bouwen die onweerstaanbare politieke propaganda kan schrijven.

     Hoe noem je zo’n machine? Le Guern herinnert zich een goeie raad die hij ooit kreeg om vooral een achtervoegsel te gebruiken. En van alle achtervoegsels was ‘tron’ verreweg het beste.** Cyclotron, betatron, positron. Met een goedgeplaatste ‘tron’ kon je miljoenen binnenrijven. Hij trekt dus naar een hooggeplaatste politicus en diens vrouw, stelt zijn project voor en geeft allerlei technische uitleg die hij zelf niet begrijpt. De eerste reactie is lauw. Maar dan vraagt de politicus of er al een naam is voor het ding. Ja, zegt Le Guern met een geveinsde aarzeling, ik dacht aan ‘Littératron’. Er valt een gewijde stilte. ‘Nom de Dieu,’ zegt de onthutste politicus. ‘C’est de l’or,’ mompelt zijn vrouw. Ik heb een Spaanse vriendin gehad, en iedere keer als we een goedklinkende stommiteit tegenkwamen zeiden we tegen elkaar: ‘C’est de l’or’.
     Heeft Van Rossem dat boekje van Escarpit gelezen, en kreeg hij daardoor het idee om ‘miljoenen binnen te rijven’? Het is natuurlijk maar een theorie van mij, en een theorie kan waar zijn, maar kan ook fout zijn. In de exacte wetenschappen kun je experimenten uitvoeren en je theorie toetsen aan de weerbarstige werkelijkheid. Maar buiten de exacte wetenschappen is dat moeilijker. Een manier om toch iets te toetsen heb ik geleerd van professor Angelet die Franse poëzie doceerde in de tweede kandidatuur. Hij noemde die manier ‘la recherche dune preuve supplémentaire’. In een gedicht kun je van alles lezen. Die kat waarover de dichter spreekt, is misschien wel een metafoor voor zijn vrouw, of zijn minnares, of zijn tante, of misschien is het gewoon een kat. Als je bij Angelet dus zei dat die kat eigenlijk de vrouw van de dichter voorstelde, moest je daarvoor niet één, maar twéé bewijzen aanleveren, en dat tweede bewijs moest van een andere orde zijn dan het eerste, en een zekere geloofwaardigheid hebben.
     Mijn theorie over Van Rossem en Escarpit behoeft dus een tweede bewijs. Welnu, dat heb ik. De machine van Le Guern kon niet alleen politieke propaganda aanmaken, maar werd ook gebruikt om literaire teksten stilistisch te ontleden en te reconstrueren. En ook die idee heeft Van Rossem overgenomen. In een interview in Humo beweerde hij ooit een formule te hebben gevonden om de stijl van auteurs te ontleden, te classificeren en te waarderen. Met die formule kon hij zwart op wit bewijzen dat Hugo Claus onze beste schrijver was. Hij zou daar later een boek over schrijven.
     Maar dat boek kan hij nu niet meer schrijven.



* Robert Escarpit heeft vooral naam gemaakt door boeken over literatuursociologie en, in beperkte kring, als vooraanstaand sympathisant van het stalinistische Albanië.
** Later in het boek krijgt het achtervoegsel ‘tron’ concurrentie van het voorvoegsel ‘tele’. Het uiteindelijke succes van Le Guern komt er als hij een machine verzint om olie op te sporen. ‘Et comment ’s appelle-t-il, cet appareil?’ Je fis une petite pause avant de répondre. ‘Le Téléoléotron,’ dis-je. Je vis s’allumer dans ses yeux la lueur qui me disait ma fortune présente. – Zou het kunnen dat Telenet … ? Hier heb ik helaas geen ‘preuve supplémentaire’.

dinsdag 8 augustus 2017

Opscheppers

     De beroemde dichter Dante Alighieri (1265-1321) kende geen Grieks. Dat is geen schande. Weinig geleerden in zijn tijd kenden Grieks. Zelfs Petrarca die een halve eeuw later leefde en heel vlijtig studeerde, kende geen Grieks en kwam daar rond voor uit. Maar Dante spreekt over de taal alsof hij ze wél kent. Ergens schrijft hij terloops over de onvertaalbaarheid van gedichten. De muzikale eigenschappen kan men niet overbrengen van de ene taal naar de andere, zegt hij. En als een kenner gaat hij verder: ‘Hierdoor komt het dat men Homerus niet uit het Grieks in het Latijn heeft vertaald, zoals men dat met de andere geschriften van de Grieken wel heeft gedaan.’
     Dan krijg je toch een beeld van Dante die voor het ontbijt een zang van de Illias leest, met de lintjes van zijn kap speelt en dan zucht: ‘Nee, dàt vertalen, daar is geen beginnen aan. Zoals Homeros het houwen van de zwaarden weergeeft in de klanken van zijn woorden, dat kunnen wij niet in ons Latijn of ons Italiaans.’
     Het doet me denken aan die keer dat Hugo Claus ontvangen werd in het boekenprogramma van Bernard Pivot. Pivot prees de schitterende vertaling van Het verdriet van België - Le chagrin des Belges – waarop Claus hem vroeg of hij, Pivot, dan Nederlands kende. Claus ergerde zich merkbaar aan het bekakte sfeertje van het programma. Toen het gedaan was, slaakte hij een zucht. Minstens een luisteraar meent gehoord te hebben dat Claus bij die gelegenheid stilletjes zei: ‘Krabbelanmegatski’.