‘Met ons geen zotternijen of onnodige
hervormingen in het onderwijs,’ zei Bart De Wever. Hilde Crevits antwoordde
daarop: ‘En zonder mij waren er geen nieuwe eindtermen gekomen. Ik had ervoor kunnen
kiezen om alleen een aantal eindtermen te laten vallen, maar ik heb gezegd: we gaan
voor totaal nieuwe eindtermen.’ Er was daar heel veel werk in gegaan, voegde ze
er nog aan toe, werk van honderden experts, leraren, ouders en leerlingen.*
Dat vele werk dat daar is ingegaan,
ik vind dat jammer. Karel van het Reve was, naast een erg goede essayist en
columnist, ook professor in de slavistiek. Hij gaf, zij het met tegenzin, toe
dat er ook voor universiteiten een soort eindtermen moesten bestaan, ‘een
studieprogramma met redelijke minimumeisen waaraan iemand moet voldoen om het
einddiploma te krijgen’. Maar daar moest niet te veel over worden vergaderd, en
ze moesten ook niet telkens worden veranderd. ‘Als ik met laat ons zeggen
Willem Vermeer en Carl Ebeling één middag om de tafel ga zitten,’ schrijft
Karel, ‘maken wij een studieprogramma voor de Nederlandse slavistiek waar men
twintig jaar mee vooruit kan en dat zeker niet slechter zal zijn dan enig
studieprogramma waar men nu al zo’n vijftien jaar over vergadert.’
Nu ik binnen een jaar op pensioen ga
– ik word 64 – kan ik mij veroorloven om de eindtermen van Crevits cum grano
salis te nemen, maar ik heb er indertijd heel wat vakanties aan besteed om die
hopeloze bureaucratische onzin te vertalen in lessen die enigszins interessant
konden zijn. Eigenlijk deed ik het omgekeerde. Ik bekeek eerst de leerstof die
men altijd al had gegeven in een of ander jaar. Je kon dat te weten komen door
het te vragen aan een meer ervaren collega, of door te bladeren in oude
handboeken – hoe ouder hoe beter. Dan dacht ik na welke lessen ik daarover wou
geven. En dan moest ik beginnen wringen en trekken en hangen en wurgen om de
lessen die ik wilde geven en die eindtermen die ik moest volgen een beetje met
elkaar in overeenstemming te brengen.
Die werkwijze had zijn voordelen. De
eindtermen waar ik mee te maken kreeg, voorzagen weinig ruimte voor literatuur
maar veel ruimte voor – ik haal even diep adem – ‘spreekvaardigheid op structurerend en
beoordelend niveau voor een onbekend publiek’. Ik loste dat op door een aantal
opdrachten te verzinnen en uit te werken zodat mijn leerlingen ‘structurerend
en beoordelend’ over literatuur konden praten voor hun klasgenoten, die dan wel
geen ‘onbekend publiek’ vormden, maar toch minstens een publiek dat vrij onbekend was met
literatuur. En als ik die opdrachten een paar jaar had uitgetest en aangepast,
kon ik er twintig jaar mee vooruit, op voorwaarde dat er geen nieuwe
‘innovatieve’ eindtermen kwamen die oplegden om literatuur uitsluitend nog aan
te leren volgens de portfoliomethode.
Ik zou het anders kunnen verwoorden:
de beste eindtermen zijn de oude eindtermen, niet omdat die zo goed zijn, maar
omdat de leraren en de handboekenschrijvers de tijd hebben gehad om het
bruikbare dat erin staat te leren gebruiken en het onbruikbare te neutraliseren.
Bij nieuwe eindtermen moet dat hele proces worden overgedaan, wat in tijden als
deze, neerkomt op vergaderingen met de vakgroep, vergaderingen met de directie
en vergaderingen met de begeleiders, waarna de woeste papierstroom op gang komt die aan
zulke vergaderingen ontspringt.
Nu zijn de nieuwe eindtermen voor het middelbaar waar
Crevits over sprak ondertussen vastgelegd voor de eerste graad, en voor de andere graden zijn ze niet meer te stoppen.
Goed, dan is het kwaad geschied, ik wil niet zeuren, gedane zaken nemen geen
keer. Maar voor de toekomst wil er graag aan herinneren dat élke onderwijshervorming
– ook een goede, ook een noodzakelijke – een aanpassingskost met zich meebrengt.
Het is echter, helaas, veel erger. De
meeste hervormingen die werden en worden voorgesteld door het
onderwijsestablishment – de koepels, het ministerie, sommige medeplichtige
directies – zijn nóch goed, nóch noodzakelijk. Het zijn, zoals De Wever terecht
zegt, ‘zotternijen’. Het is een zotternij om leerlingen met een verschillende
aanleg samen te zetten in één klas, hoezeer je ook probeert te ‘differentiëren’
om het daardoor gecreëerde probleem op te lossen. Het is een zotternij om aan
scholen en klassen een ‘sociale mix’ op te leggen. Het is een zotternij om minder
tijd aan kennisoverdracht en meer tijd aan vaardigheden te besteden. Het is een
zotternij om elitèèère richtingen zoals Latijn-wiskunde te ondermijnen door
technologische richtingen als alternatief naar voren te schuiven. Het is een
zotternij om klassikaal onderwijs te vervangen door ‘groepswerk’, ‘actief
zelfstandig leren’ en ‘peer teaching’. Het is een zotternij om de logische en
didactische opbouw van een vak om te ruilen voor een ‘vakoverschrijdende
benadering’ of door ‘vakken op elkaar af te stemmen’**. Het is een zotternij om
een objectieve evaluatie in punten in te wisselen voor een subjectieve commentaar
in woorden. Het is een zotternij om onderwijs te geven ‘vertrekkend van de
leefwereld van de leerlingen’ en ‘rekening houdend met wat men later nodig
heeft’. Het is een zotternij om op grote, diepgaande vakken te besnoeien en kleinere,
‘actuele’ vakken in te voeren. Het is een zotternij om leerplannen en inspectie
toe te spitsen op specifieke pedagogische methodes in plaats van op algemene
degelijkheid en resultaten. Het is een zotternij om het gewicht van de examens
te verminderen ten voordele van creatieve taakjes. En het is, geloof ik, een zotternij
om gelijk welk bestaand of ingebeeld probleem op te lossen door ‘co-teaching’.
Als men een tweede leraar voor de klas kan zetten, kun je beter die klas
splitsen in twee kleinere klassen, met elk één leraar.
Ik heb in bovenstaande alinea, tegen
mijn gewoonte, veel beweerd en weinig geargumenteerd. Ik moet het een beetje
kort houden. Wie wil kan enkele argumenten terugvinden in mijn vorige stukjes***
of op de onvolprezen site van Onderwijskrant
en op de Facebookpagina van
Raf Feys. Ik wil hier alleen enkele misverstanden rechtzetten.
Het is helemaal niet zo dat vroeger
álles beter was. Vandaag gaan leraren vriendschappelijker om met hun leerlingen
dan vroeger. Het aandeel van de tirannen en hellevegen onder hen is verminderd.
De handboeken van wiskunde en biologie zijn beter dan die van 45 jaar geleden
(die van Nederlands zijn slechter en die van geschiedenis zijn even slecht). In
Nederlandse literatuur kan ik nu vrijuit spreken over anderstalige auteurs. Ook
zijn er veel technische vernieuwingen die het leven van de leerling en dat van
de leraar aangenamer maken. Op mijn
school heeft elke klas een computer met beamer. Mijn schema’s moet ik niet op
bord schrijven want ik kan ze projecteren. Ik kan kaarten, tijdlijnen en prenten
laten zien, en ook filmfragmenten – maar ik mag daarin niet overdrijven, want
zoiets verveelt gauw. Ik kan fotokopiëren in plaats van stencilen. Dat zijn
allemaal dingen die nu beter zijn dan vroeger. Ook is niet álles fout wat de
ministerie- en koepelpedagogen hebben bedacht. Af en toe wat differentiatie, vaardigheden,
groepswerk, vakoverschrijding, presentaties door leerlingen, het brengt enige afwisseling
in de klas en het kan nuttig zijn.
Verder is het niet billijk om voor alles
wat er fout loopt de ministerie- en koepelpedagogen als schuldigen aan te
wijzen. Als leerlingen vandaag minder Frans kennen dan vroeger, dan komt dat
ook omdat de Franse taal uit hun omgeving is verdwenen. Wíj groeiden op met
Franse films en Franse chansons en ouders die tegen elkaar Frans praatten als de
kinderen niet mochten weten wat er gezegd werd. Dan pik je snel een en ander
op. En als de leerlingen minder lezen dan vroeger, dan komt dat omdat ze hun
verhalen ergens anders kunnen halen. Wij hadden alleen de romans van Hendrik
Conscience, Ernest Claes en Charles Dickens. Zij van hun kant hebben Game of Thrones, Breaking Bad en Pretty Little Liars. Dat de leesvaardigheid
dan achteruitgaat, is begrijpelijk. Laten we de pedagogen in deze dus niet te
hard vallen, op voorwaarde dat ze de zaken niet erger maken door geëmmer over
‘communicatieve taaltaken’, ‘leesvaardigheidsstrategieën’ en ‘zakelijke
teksten’.
Dat waren enkele kleine misverstanden. Het grootste misverstand is evenwel
dat al die hervormingen waarvan sprake onvermijdelijk, onontkoombaar en onomkeerbaar zouden
zijn want, zegt men, ‘de maatschappij verandert’, ‘onze kennis veroudert’ en
‘de leerlingen van nu zijn niet meer de leerlingen van vroeger’. Neem die
laatste bewering. Als ik voor een klas sta, zie ik voor mij het soort jongens
dat wij ook waren**** – aardige jongens, zou Nescio’s Koekebakker zeggen, al moest
hij het zélf zeggen. Het grote verschil is dat er nu ook meisjes bij zijn. Maar
minder gedisciplineerd? Toen ik op mijn school begon les te geven, was het de
gewoonte dat leraren die een vrij uur hadden werden ingeschakeld voor ‘toezicht’ in een
van de klassen waar de leerkracht afwezig was. Dat was vreselijk. De leerlingen
werden verondersteld te studeren. In werkelijkheid babbelden zij vrolijk door
elkaar, liepen in het lokaal rond of waren aan het kaarten.
Ik heb toen voorgesteld om al die
leerlingen samen te brengen in één grote studiezaal zoals dat de gewoonte was
toen ik zelf school liep. De toenmalige directie aarzelde. Zou er dan niet nog
veel meer gebabbeld en rondgelopen en gekaart worden? We hebben het
uitgeprobeerd en het viel goed mee. We doen het nog altijd zo. De leerlingen
komen binnen in de zaal, krijgen een plaats toebedeeld, en gaan aan het werk.
Na twee tot vijf minuten is het in zo’n studiezaal met millenials even stil als
in gelijk welke studiezaal van vroeger met babyboomers of generatie-X’ers. Dat
neemt niet weg dat veel klassen nu rumoeriger zijn dan vroeger. Maar ligt dat
aan de veranderde leerlingen? Ik heb indertijd een pedagogisch directeur gehad
die de voorkeur gaf aan klaslokalen in ‘café-opstelling’. Tja, dan krijg je wel
eens café-gedrag.
En onze verouderende kennis dan?
Ach, ook dat valt best mee. Soms moet je iets aanpassen. In biologie brengt men
nu het DNA ter sprake, wat in mijn tijd nog een nieuwigheid was waar niet alle
biologieleraren van op de hoogte waren. En in aardrijkskunde zijn alleen de rivieren, de
gebergten, de continenten en de aardlagen op hun plaats gebleven. Maar in het
Latijn zijn geen nieuwe naamvallen ontdekt, de Guldensporenslag vindt nog
altijd plaats in 1302 en Multatuli is nog altijd de auteur van Max Havelaar. De regels voor de
subjonctif in het Frans zijn dezelfde als vroeger, al zegt men nu wat minder
vaak ‘Il ’s en est fallu de peu que je ne tombasse’. In de wiskunde, de fysica,
de biologie, de economie en de computationele taalkunde worden voortdurend
belangrijke ontdekkingen gedaan, maar die zijn zo ingewikkeld dat ze geen
plaats hebben in het middelbaar onderwijs.
Ja, er zijn allerlei nieuwigheden
zoals Facebook, Twitter en Instagram, maar daar weten de leerlingen meer van
dan hun leraren. Hoe minder we daarover zeggen, hoe minder we ons belachelijk
maken. Er zijn meer mogelijkheden om een wasmachine te programmeren, maar dat
moet je niet op school aanleren, aangezien die wasprogramma’s alweer verouderd zijn
voor het schooljaar ten einde is. Er bestaan nu nuttige computerprogramma’s
zoals Powerpoint of Excel die veertig jaar geleden niet bestonden, maar die leren
de kinderen wel vanzelf, of ze leren ze van elkaar. We moeten nu ook niet álle
vormen van ‘zelfontdekkend leren’ en ‘peer teaching’ verwerpen.
Je hoort vaak dat leerlingen nu makkelijker
‘informatie kunnen opzoeken’ op internet. Dat zou dan een hele verandering
zijn. Het onderwijs zou daar rekening mee moeten houden. Ik wil dat best
geloven. Anderzijds is té veel rekening houden met dat ‘opzoeken’ misschien wel
de ergste zotternij van allemaal. Sommige pedagogen schijnen te geloven dat
informatie die wordt ‘opgezocht’ op een of andere manier ook verworven is,
zoals de studenten van Godfried Bomans geloofden dat je wetteksten kon
memoriseren door juridische boeken onder je hoofdkussen te leggen als je
slaapt. Ook veel leerlingen trouwens denken dat dat ‘opzoeken’ een waarde op
zich is. Ze knippen digitaal een stuk ‘informatie’ uit en plakken die in hun
eigen taak, zoals ze gewoon zijn om zoiets te plakken in hun ‘portfolio’. Ik
moet dan geduldig uitleggen dat zoiets plagiaat is en dat ze dat eigenlijk niet
zouden mogen doen.
De lezer heeft al begrepen dat ik de
meeste onderwijsinnovaties van de laatste 40 jaar in De Wevers rubriek van
‘onnodige hervormingen’ en ‘zotternijen’ plaats. Maar dat betekent niet dat ik
tegen àlle vernieuwingen ben. Mijn Latijnse auteurs lees ik alleen in de
uitgaven van Hachette
‘expliqués d’après une nouvelle méthode’. Die ‘nouvelle méthode’ dateert weliswaar
van rond 1850, maar ze is in elk geval pedagogisch goed uitgekiend. En zelfs de nieuwe en moderne
methode van Hachette van 1850 kan worden aangevuld met nog nieuwere digitale
middelen, zoals ze worden bijgeleverd bij de elektronische edities van Perseus Digital Library. Maar dat is allemaal bijzaak: ook mét de nieuwe methode van Hachette en de digitale ondersteuning
van Perseus leer je voor Latijn nog altijd best je woordjes, verbuigingen,
vervoegingen en stamtijden uit het hoofd. Daar is niet veel aan veranderd.
Onze onderwijsvernieuwers zijn uitgegaan
van het vooroordeel dat de vroegere methodes fundamenteel verkeerd waren. Dat
waren ze niet. Ze hadden integendeel hun deugdelijkheid bewezen. De kinderen
van vroeger kenden wel degelijk Frans, Wiskunde en Geschiedenis. Daarom hadden de
vernieuwers hun energie beter gebruikt om de bestaande methodes technisch te
verbeteren, bijvoorbeeld door het ontwerpen van digitale ondersteuning. Ik heb
dertig jaar geleden cd-roms gezien met betere didactische software dan wat
nu bij de schoolhandboeken geleverd wordt. Elke klas met computers of iPads zou
met de gepaste software dienst kunnen doen als zo’n taallaboratorium waar scholen
indertijd miljoenen voor betaalden. Maar die software komt er niet omdat het
beginsel van een taallaboratorium met driloefeningen niet past in de ideologie
van communicatief talenonderwijs.
Om kort te gaan, in het debat tussen
De Wever en Crevits, stond ik pal achter De Wever. Uit alles wat hij zei, kon
je afleiden dat hij de onnodige hervormingen en zotternijen mee
verantwoordelijk achtte voor de achteruitgang van ons onderwijs. Dat vond ik
fijn, want ik denk er ook zo over. Nog fijner vond ik zijn plan ter afschaffing van de zogenaamde centrale
aanmelding, waarbij een computer beslist naar welke school een
kind mag gaan. Dan nog liever kamperen voor de schoolpoort, vond De Wever. Ik
heb lange tijd gedacht dat ik alleen stond met die mening. De enige vlieg die
ik de N-VA-voorzitter wil afvangen, betreft zijn bewoordingen. Hij sprak van ‘pretpedagogie’
om de hervormingsonzin in onze scholen aan te klagen. ’t Is een leuk woord en
het ligt goed in het gehoor, maar het kan de verkeerde indruk wekken dat er mensen bestaan die die pedagogie ook echt prettig vinden. Nou ja, die mensen zullen wel bestaan,
maar zelf heb ik die pedagogie nooit prettig gevonden en ik heb in alle jaren
dat ik les gaf maar enkele leerlingen gehad die daar anders over dachten. De meeste
leerlingen vonden het geloof ik juist prettig om een meer traditionele
leraar vooraan in de klas te hebben die aan de opgelegde pret niet meedeed. Wij
hebben in elk geval vaak gelachen.
* Het
debat tussen De Wever en Crevits werd uitgezonden op De Zevende Dag
op 5 mei. Alhoewel ik bij het debat vooral supporter was van De Wever, zei ook Hilde
Crevits wel eens dingen over de vrijheid van de leerkrachten en de scholen die
mij plezier deden. Dat heeft ze vroeger
ook al gedaan. De mooiste uitspraak vond ik dit keer deze. Als een school een
meningsverschil had met de koepel, zei Crevits, dan moest een school haar eigen
lijn volgen en zich van die koepel niets aantrekken.
**
Crevits haalde met trots aan dat wetenschappen en wiskunde nu beter op
elkaar worden afgestemd. Het lijkt op het eerste gezicht een goede zaak als de wiskunde
die in een bepaald jaar wordt aangeleerd, tegelijk kan worden gebruikt om
wetenschappelijke problemen te benaderen die in dat zelfde jaar worden behandeld.
Maar vaak is er een réden waarom de wiskunde van een bepaald jaar niet is
afgestemd op de wetenschappen van datzelfde jaar. Door de vakken te veel op
elkaar af te stemmen kan de logische of didactische opbouw van elk vak worden verstoord.
*** Vorige stukjes: hier,
hier,
hier,
hier,
hier,
hier,
hier,
hier,
hier,
hier,
hier,
hier,
hier,
hier,
hier,
hier,
hier,
hier,
hier,
hier,
hier,
hier
en hier.
**** Ik geef les aan een plattelandsschool met een meerderheid aan autochtone leerlingen. Er zijn natuurlijk stadsscholen waar de leerlingen wél veranderd zijn. Maar de meeste onderwijsinnovaties houden amper verband met de instroom van allochtonen leerlingen. Deden ze dat maar!