Posts tonen met het label Joseph Conrad. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Joseph Conrad. Alle posts tonen

donderdag 27 augustus 2020

De meeste mensen deugen (5) - Heart of Darkness


     In de godgeleerdheid bestaat een onderdeel dat ‘theodicee’ heet, en waarin verklaard wordt hoe een algoede God te rijmen valt met het kwaad in de wereld. Eenzelfde probleem stelt zich voor Bregman* die min of meer uitgaat van een algoede méns. En net zoals de godgeleerden heeft Bregman na vlijtig zoeken enkele verklaringen gevonden, zoals: de goedheid van de mens mens is verborgen onder een laag vernis; of: de goede mens wordt tot het kwade gedwongen en verleid door een boosaardige elite die de maatschappij wil omvormen naar haar beeld en gelijkenis; of: de goede mens wordt in zijn jeugd misvormd door gewelddadige videogames. Over die videogames zwijg ik verder, omdat ik er genoeg verhandelingen van leerlingen over heb gelezen.
     De vernistheorie kan op twee manieren worden gebruikt. Meestal zegt men dat de mens nogal meevalt als hij omringd is door het gezellige comfort van de beschaving, en als dat comfort wegvalt in crisissituaties, dat dan duisternis van het hart wordt blootgelegd: langdurige verbouwingen die eindigen in echtelijke ruzies, buren die voedsel stelen van elkaar tijdens een hongerwinter, Mister Kurtz die in de Congo Vrijstaat een wreedaardige afgod van de inboorlingen wordt. Bregman van zijn kant verzamelt voorbeelden van het tegendeel. 
     Maar geen van de twee reeksen voorbeelden overtuigt mij. Ik heb nooit veel gezien in de vernistheorie. Ik zie geen reden om te denken dat wat Kurtz in Congo deed beter zijn ‘ware aard’ toonde dan wat hij daarvoor in Engeland deed, of dat de solidaire Brit tijdens de oorlog authentieker was dan de individualist van de Thatcherjaren. De ‘ware aard’ van de mens is dubbelzinnig en een crisis kan nu eens het ‘goede’, en dan weer het ‘kwade’ naar boven brengen. En bij de ene mens is er wat meer van dat goede, en bij de andere wat meer van dat kwade, voilà tout.
     Dan de boosaardige elite. Het bestaan daarvan zou bijvoorbeeld de oorlogsvoering kunnen verklaren. ‘Generaals, politici en ophitsers moeten alles uit de kast trekken – geweld, dwang, nepnieuws’, schrijft Bregman, om ons zover te krijgen, want ‘oorlog zit nu eenmaal niet diep in onze natuur.’ Daar is iets van aan. Maar wie bijvoorbeeld De slaapwandelaars gelezen heeft, over de Eerste Wereldoorlog (zie ook hier), krijgt sterk de indruk dat ook de elite toen helemaal geen oorlog wilde, behalve misschien de Oostenrijkse veldmaarschalk Conrad von Hötzendorf die met militaire overwinningen indruk wilde maken op zijn minnares. In Shakespeares oorlogsstuk ‘Henry V’ willen de bisschoppen oorlog om het parlement schaakmat te zetten, willen de edelen naar het slagveld om roem te vergaren en willen de kroeglopers PistolNym en Bardolph naar Frankrijk om te plunderen en te stelen.
     Trouwens, wie zijn die ‘elite’ of ‘machthebbers’? Over het ontstaan van de landbouwmaatschappij zegt Bregman, naar mijn smaak wat anachronistisch, dat de ‘1 procent de 99 procent ging onderdrukken’. Als hij recentere gebeurtenissen bespreekt, haalt hij aan dat er één groep was die loog en manipuleerde, met name ‘de machthebbers. De wetenschappers en de hoofdredacteuren, de gouverneurs en de politiecommissarissen.’ Met die wetenschappers en de hoofdredacteuren erbij, komen we geheid aan meer dan 1 procent, vooral omdat Bregman elders ook nog de eigenaars van een Mercedes** en de economiestudenten vermeldt.
     En de ceo’s natuurlijk. Bregman citeert ‘sommige studies’ waaruit blijkt dat ‘4 tot 8 procent van de ceo’s kan worden gediagnosticeerd met een antisociale persoonlijkheidsstoornis, vergeleken met 1 procent van de gewone bevolking’. Maar hier botsen we op ook op de grens van de verklaring. Die antisociale aanleg manifesteert zich dus maar bij ‘4 tot 8 procent’ van de ‘1 procent’. Er zijn dus 92 tot 96 procent machthebbers die niet zo bijzonder asociaal zijn.
      Ik ben het met Bregman eens dat macht corrumpeert, en ik ben het ook met hem eens dat de meeste mensen nogal goedgelovig zijn. ‘The Erewhonians are a meek and long-suffering people,’ schreef Samuel Buttler, ‘easily led by the nose.’ Maar hele domeinen van het menselijk gedrag verklaren vanuit de manipulatie door 0,04 tot 0,08 procent van de bevolking, ceo’s en andere ‘machthebbers’, dat gaat mij wat ver.
    Ten slotte: wat is ‘goed’ en ‘kwaad’ eigenlijk? Maar die vraag hou ik voor morgen of overmorgen, waarna ik uitgeput zal neerzijgen.

* Zie ook hierhierhier en hier.
** Let wel: Mercedes, niet Jaguar (zie hier)

 

maandag 28 oktober 2019

De rolkraag en het existentialisme

     Soms moet ik aan mijn leerlingen dingen uitleggen die ik zelf niet begrijp. Het existentialisme bijvoorbeeld. Toen ik zestien was probeerde ik een Aula-pocketje te lezen dat ‘Inleiding tot de existentiële fenomenologie’ heette. Ik begreep er niets van.  Existentie komt vóór essentie, zei Sartre. Wat kon hij dáármee bedoelen?*
     Ik zou om die reden in mijn lessen kunnen zwijgen over dat hele existentialisme. Of het alleen maar hebben over Parijs na de oorlog, la rive gauche, jazzmuziek, amfetamines, vrije liefde, Juliette Gréco, zwarte truien met rolkraag, filosofen die scheel kijken, en droevige liedjes als  Les feuilles mortes se ramassent à la pelle. Ik zou mij daar niet voor schamen. Maar mijn leerlingen moeten auteurs bespreken als Melville, Dostojevski, Conrad, Kafka, en dan moeten ze toch íets van het échte existentialisme kennen, want al die auteurs gaan door als de voorlopers ervan. Als ik erg mijn best doe, zou ik toch íets moeten kunnen uitleggen van, laat ons zeggen, ‘de zinloosheid van het leven’. 
    Ik probeer het dan langs de omweg van Nietzsche. In de 18de eeuw, zeg ik dan, kwam men – dat wil zeggen, een deel van de denkende elite – tot het besluit dat God niet bestond. De zogenaamde ‘filosofen’ – vriend en vijand noemden hen zo –hadden uitgevonden dat we na onze dood … jawel … dood waren.  Ze dachten daar verder niets bij. ‘Le monde va comme il va,’ zei Voltaire. Het was ‘business as usual’, ook zonder God. 
     Maar aan het einde van de 18de eeuw kwam de romantiek, en de mensen die daarbij betrokken waren namen de zaken persoonlijk. ‘Als God bestaat, dan wil ik zijn vriendje zijn,’ dacht de romanticus, of: ‘Als God bestaat, dan is het een grote schurk’. De twee mogelijkheden stonden open. Maar wat als God en het hiernamaals helemaal niet bestonden? Ja, wat dan? Dan had het allemaal geen zin, vond de romanticus. Wat voor zin heeft het met veel toewijding een zandtekening te maken, die onmiddellijk na voltooiing weer vernietigd wordt. En is het zo heel anders als die vernietiging pas veertig jaar later plaats vindt? Kun je je niet beter meteen ophangen in plaats van veertig jaar te wachten? 
     Daarmee hadden sommige romantici, wat mijn collega’s van Godsdienst noemen, de ‘zinsvraag’ gesteld. Robinson Crusoe op zijn eiland stelde zich die vraag niet. Hij stelde zich vragen als: Hoe zal ik mij beschermen tegen zon en regen? Waar zal ik morgen mijn voedsel vinden? Hoe gevaarlijk is het wezen dat hier een voetafdruk heeft achtergelaten? Al die vragen waren van belang voor zijn overleven. Maar dan was er die andere vraag die níet gesteld werd: waarom dat overleven zelf zo geweldig belangrijk was. Vroeg of laat moest Robinson toch dood, in zijn hut op het eiland of in zijn huis in Engeland. Wat maakten nu die tien, twintig of dertig jaar verschil? Maar dat was geen vraag voor een calvinist als Robinson. Het was geen vraag van 1719, maar eerder een vraag van vijftig jaar later.
     Zoals ik het uitleg, ligt de kiem van het existentialisme binnen de romantische beweging, meer bepaald bij jonge dwepers die de abstracte filosofie van Hume, Voltaire en Helvétius trouwhartig vertaalden naar hun gevoelsleven. En als het gevoelsleven erbij betrokken wordt, kunnen er ongelukken gebeuren.
     In december 1773 was in Parijs heel wat te doen rond een dubbele zelfmoord. Twee jonge soldaten, Bourdeaux en Humain, hadden zichzelf in een herberg in Saint-Denis een kogel door het hoofd gejaagd. Wat vooral indruk maakte was dat het hier niet ging om een ongelukkige liefde, of om speelschulden, of om een ondraaglijk pijnlijke ziekte. Bourdeaux had een brief achtergelaten waarin hij zijn zelfmoord en die van zijn vriend verklaarde. Daaruit bleek dat hij de ‘filosofen’ goed – of te goed – gelezen had. ‘Er is geen dringende reden die ons verplicht er een einde aan te maken, behalve het pijnlijke besef dat we één ogenblik moeten leven om daarna een eeuwigheid niet meer te bestaan … Het doek is voor ons gevallen, en we laten onze rollen graag over aan degenen die zwak genoeg zijn om nog enkele uren door te willen gaan.’ De sluwe redenen die de existentialistische filosofen later zouden verzinnen om een eindig en zinloos bestaan tóch verder te zetten, kende Bourdeaux niet. De arme soldaat was tweehonderd jaar te vroeg geboren.
     In zijn afscheidsbrief schreef Bourdeaux nog dat de wetenschap vrijelijk over zijn lichaam mocht beschikken.  Hij noemde dat lichaam ‘een bewegende vleesmassa’. ’t Is een treffende woordkeuze. Sartre zou in zijn filosofentaaltje misschien gesproken hebben van een ‘en-soi’, dat we zeker niet mogen verwarren met een ‘pour-soi’, maar ik vind dat dat ‘masse de chair mouvante’ beter de ‘walging’ uitdrukt waar de filosoof zelf zo de mond vol van had.
     Camus zei ooit dat zelfmoord het enige probleem van de filosofie was, waarmee hij zijn eigen min of meer existentialistische filosofie bedoelde. De zelfmoord van Bourdeaux en Humain in 1773 zou je in die zin een existentialistische zelfmoord kunnen noemen. De halsbedekking die toen in de mode was, had ook wel iets van een existentialistische rolkraag.
 


* Later las ik bij Schopenhauer: ‘Jede Existentia setzt eine Essentia vouraus. Dat begreep ik onmiddellijk.


donderdag 2 november 2017

Huwelijksaanzoek op zijn Brits

     Vroeger dacht men dat je vreemde talen kon leren door grappige boekjes te lezen. Dat was vóór het ‘communicatieve talenonderwijs’, waar ik nu soms ‘visieteksten’ over ontvang. Maar wij, in onze tijd, leerden Nederlands uit Pieter Bas, Engels uit Three Men in a Boat en Frans uit Les carnets de Major Thompson, waar de leuke zin in voorkwam: ‘La France est divisée en 43 millions d’habitants.’
     Die majoor van ’t laatstgenoemde boekje heet William Marmaduke van zijn voornamen, is zo Engels als gekookte biefstuk en heeft, na het overlijden van zijn eerste vrouw, een Française als tweede vrouw genomen. In korte hoofdstukjes verkent hij de vermakelijke kenmerken van de Fransen, waarbij de lezer tussen de regels door– dat is ’t leuke – evenveel te weten komt over de vermakelijke eigenschappen van de Engelsen zelf.
     Vóór de majoor getrouwd was met zijn Française, waren de twee een keer aan het wandelen geweest langs de Seine. Martine, want zo heette zij, had hem bij die gelegenheid gezegd dat ze de grijze haartjes van zijn snor wel schattig vond. Die intieme opmerking was voor de majoor een schokkende ervaring. Het deed hem denken aan die andere emotionele uitbarsting die tot zijn eerste huwelijk had geleid: ‘Nous deux … après tout … Qu’est-ce que vous en pensez?’
     Zouden Engelsen echt ooit op zo’n flegmatieke manier een huwelijksaanzoek verwoord hebben? In het Engels dan? Laat eens kijken.
     Eind negentiende eeuw was in heel Engeland geen Engelser Engelsman te vinden dan Joseph Conrad. Aristocraat, gereserveerd, man van de zee, altijd een tweed jasje. Hij was weliswaar Pool van geboorte en nerveus van aard, maar daardoor deed hij alleen nog meer zijn best om met de heftigheid van de nieuwbekeerde in alles zo Brits mogelijk te zijn.
     Als kapitein kon Conrad op zee niet meer aarden toen zeilschepen zoetjesaan door stoomschepen werden vervangen. Hij vestigde zich op het vasteland, begon te schrijven en ging op zoek naar een vrouw. Hij werd een paar keer afgewezen en leerde toen Jessie George kennen met wie hij zo nu en dan afsprak. Een keer, op de trappen van de National Gallery, draaide hij zich naar haar toe en zei: ‘Kijk eens hier, mijn beste, zouden wij niet beter trouwen. Dan zijn we ervan af. Kijk eens naar het weer. Binnen een week kunnen we in Frankrijk zijn.’
      Hoewel hij zuiver Engels schreef, was Conrads gesproken Engels afschuwelijk: alle klemtonen fout, alle klanken fout, de meeste werkwoorden fout. Zijn kernachtige ‘We had better get married and out of this’ moet geklonken hebben als ‘Wee hard betterr get marrièd aunt out off disa.’
     Ook tijdens de huwelijksnacht was de romantiek stevig onder controle. Conrad was niet gehaast. Voor hij bij zijn vrouw ging slapen, schreef hij tot twee uur ’s nachts brieven - die hij daarna zelf op de post ging doen ook.


vrijdag 8 april 2016

Mijn eigen koloniale verleden

     In 1960 was ik nog te jong om een bijdrage te leveren aan de Congolese onafhankelijkheid. Ik heb die onafhankelijkheid toen evenmin tegengewerkt. Wel kon ik op familiefeestjes en bij visites vlot antwoorden op de vraag wie nu ook weer de eerste minister en de president van Congo waren. Het antwoord was respectievelijk Lumumba en Kasavubu. Ik werd dan over de bol geaaid door tantes en andere bezoekers, die zeiden dat ik een knappe jongen was en dat ik het ver brengen zou. En kijk nu!
     Het besef dat de Congolezen onafhankelijk waren geworden, drong in die tijd maar traag door in het moederland. Paters met lange baarden bleven vertrekken naar de tropen om er missiewerk te doen. Nog altijd werd de zilverpapieren verpakking die om de chocolade zat zorgvuldig opgespaard, om daarmee de zwarte kinderen te helpen. En op school leerden we van meester Goossens dat ‘onze kolonie’ tachtig maal groter was dan België.
     Meester Goossens kon dat weten, want hij had enkele jaren in Congo lesgegeven. Als bewijs van zijn verblijf aldaar haalde hij een keer per jaar een Congolese boog uit de kast. Hij ging dan achteraan in het klaslokaal staan en schoot boven onze hoofden een pijl in het bord die nog lang bleef natrillen.
     Die boog had meester Goossens misschien wel gestolen van de inboorlingen, zoals Belgische firma’s ook rubber en koper van hen hadden gestolen. Of misschien had hij die pijl en boog verkregen in ruil voor een voddig katoentje, wat kralen en een stukje koperdraad, zoals de handelaars in Conrads Heart of Darkness, die die prullen gebruikten om de zwarten hun ivoor afhandig te maken. Maar misschien ook deden die praktijken geen opgeld meer in de tijd dat meester Goossens in Congo verbleef. Ik zou dat eens moeten opzoeken.

     Wie zich in elk geval niet bij de Congolese onafhankelijkheid neerlegde, was mijn grootmoeder. Mijn grootmoeder had een goede zangstem. Als meisje had ze in de kerk nog helemaal alleen het Ave Maria van Gounod –  van Bach eigenlijk –  gezongen en daar kwamen erg moeilijke octaafsprongen in voor. Ik denk dat ze met dat zingen mijn grootvader heeft leren kennen, die in die kerk het orgel bespeelde. Op latere leeftijd was haar repertoire afgezakt naar het marktkamersgenre (‘Waar het lied der branding ruist bij dag en nacht’), het wandellied (‘Wij stappen zo-o geerne’) en het kinderlied (‘Saint-Nicolas, patron des écoliers’). Maar het liefste zong ze ‘Vers l’avenir’ (1), dat ooit de nationale hymne was geweest van de Congo Vrijstaat. Het lied bevatte onsterfelijke, maar erg kolonialistische verzen zoals:

Si ton sol est petit, dans un monde nouveau
      L’avenir qui  t’appelle a planté son drapeau.

Waarop de uitbarsting volgde:

      Marche joyeux, peuple énergique,
     Vers des destins, dignes de toi,
     Dieu protège la libre Belgique,
     Et son roi.

     Mijn borst ging zwellen van trots als ik de hymne met mijn grootmoeder mocht meezingen. Vooral dat laatste zinnetje moest met pathos worden gebracht, met nadrukkelijke pauzes tussen ‘et’, ‘son’ en ‘roi’. Erg royalistisch was mijn grootmoeder overigens niet, want over de koning van haar kindertijd, Leopold II, sprak ze vaak smalend. Hij werd dan ‘Schele Pol’ of ‘Poupouleke’ genoemd, en ook daar kende ze liedjes van.
     Maar kolonalistisch en imperialistisch is de hymne zeker. In de tweede strofe wordt de verovering van Congo beschreven in woorden waarvan de symboliek mijzelf en mijn grootmoeder toentertijd niet recht duidelijk waren – Freud was in onze kringen een onbekende en ‘postcolonial genderstudies’ bestonden nog niet. Hier zijn die woorden - oordeel zelf:

     Si ta force déborde et franchit ses niveaux,
     Verse-la, comme un fleuve, en de mondes nouveaux !

     In de Nederlandse versie krijgt de dappere Belg dezelfde raad:

     Laat het stromen alom
     Als een vruchtbare vloed.

        Je zou kunnen denken dat Jef Geeraerts in zijn Congolese periode die woorden wat al te letterlijk heeft opgevat, als je mag geloven wat hij allemaal beschrijft in Grangreen 1 – Black Venus.

***

     Al die mooie herinneringen, aan meester Goossens, mijn grootmoeder en Jef Geeraerts, dank ik aan een stuk dat ik deze week gelezen heb op De Redactie.be. Zekere Frank Gerits van de KULeuven legt daarin uit dat we ons als antwoord op de islamistische terreur moeten bezinnen over ons koloniale verleden – wat ik dus gedaan heb. Wie zich voor één keer, en voor geen geld, geestelijk meerderwaardig wil voelen aan een medewerker van de KULeuven, kan dat stukje best eens aanklikken. Er staan nog meer merkwaardige zaken in.

(1)    De tekst van het lied vind je hier, een Nederlandstalige vertaling hier en een gezongen versie met tekst hier. Bij die laatste moet je een paar minuten de Belgische driekleur voor lief nemen.