Posts tonen met het label Jonathan Haidt. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Jonathan Haidt. Alle posts tonen

zondag 2 april 2017

Nationalisme en loyaliteit

     Op mijn eigen facebookpagina las ik onlangs een heftige discussie tussen een voor- en een tegenstander van het nationalisme – en van het Vlaamse nationalisme in het bijzonder. Ik hou mij in zo’n geval voorzichtig op de achtergrond. Wel blijft die kwestie dan weken rondspoken in mijn hoofd.
     Want wat is nationalisme? Misschien komt dit in de buurt: een speciaal gevoel van loyaliteit tegenover het eigen volk. Dat is dan wel een wonderlijk gevoel want het is meestal niet erg duidelijk waarin dat eigen volk nu precies verschilt van een ander en wat het juist gedaan heeft om die loyaliteit te verdienen.

     Zo’n onredelijke loyaliteit bestaat echter niet alleen bij naties. Je vindt ze bij politieke partijen, bij geloofsovertuigingen, bij voetbalclubs. In het Romeinse rijk had je ze bij het wagenrennen. In de arena bestreden de ‘blauwe’ en de ‘groene’ wagenmenners elkaar en achteraf leverden de supporters slag in de straten van Rome of Constantinopel. Plinius de Jongere vond dat belachelijk, maar Plinius was een snob.
     Ondertussen mogen we aannemen dat bij de nationalisten redelijke en onredelijke mensen bestaan. En bij de antinationalisten ook. Er bestaat een facebookgroep ‘Slechte Vlamingen’ en zelfs een groep ‘Extra Slechte Vlamingen’. Van die laatste weet ik het niet zeker, maar bij de eerste, de gewone Slechte, vind je wel eens een redelijke opmerking. Redelijke mensen zijn er namelijk overal. Je vindt ze bij de supporters van Stormvogels Haasrode en je vindt ze bij de supporters van – nou ja – Royal Sporting Anderlecht. De redelijk-loyalen zien de betrekkelijkheid van hun eigen standpunt, begrijpen dat de eigen club in de fout kan gaan en geven toe dat niet alles de schuld is van de scheidrechter. Boven alles schuwen de redelijk-loyalen het gebruik van geweld om hun trouw te bewijzen aan volk, partij, geloof of club.
     Je zou die loyaliteit – ook de redelijke – een vorm van tribalisme kunnen noemen. Dat is een wat negatief geladen woord. Maar je kunt het ook anders bekijken. ‘Tribalisme’ verwijst naar het begin van de menselijke beschaving. Gewoontes en gedragingen die toen ontstonden zijn diep ingesleten in onze natuur. Jonathan Haidt* bijvoorbeeld gelooft dat het gevoel voor loyaliteit evolutionair ontstaan is uit de noodzaak om coalities te vormen en hij noemt het een van de vijf of zes grondslagen van de moraal.
     Niet iedereen heeft een gelijke behoefte aan loyaliteit. Er loopt hier en daar wel een vaderlandsloze gezel rond, agnost in geloofszaken en strikt onpartijdig in de politiek en de sport. Maar of hij van geen énkele club lid is, durf ik betwijfelen. Misschien behoort hij net als ik tot de Reve-lezers-Mulisch-hatersclub of tot het Leve-Schopenhauer-weg-met-Hegelbroederschap, of tot nog een ander geheim genootschap – zo geheim dat zelfs de leden ervan niet weten dat het bestaat.
     Nee, niet iedereen heeft eenzelfde talent voor wij-en-zij-denken. Maar wie dat talent beslist in grote mate bezat, was Dr. Johnson (1709-1784) waar Marc Vanfraechem** altijd over schrijft. Toen hij in de havenstad Plymouth logeerde, had hij gezien dat er in de buurt een nieuw havenstadje was opgerezen dat ‘The Dock’ werd genoemd. Hij kantte zich onmiddellijk tegen de nieuwkomers. Als toerist in Plymouth vond hij het zijn plicht om op te komen voor de Oude Stad. Bij elke gelegenheid sprak hij kwaad van de ‘Dockers’. Toen hij hoorde dat de nieuwe stad had gevraagd om een deel van Plymouths watervoorraad te mogen gebruiken, riep hij, half voor de grap, maar met luide stem: ‘Nee, nee! Ik ben tegen die Dockers! Ik ben een Plymouth-man. De schurken. Dat ze omkomen van de dorst. Ze krijgen geen druppel.’
     Kijk, zo ver moet men het nationalisme niet drijven.
 
*Zie The Rightheous Mind (2012) en hier.
**Zoals hier bijvoorbeeld.


Dit stukje verscheen ook op Doorbraak.

dinsdag 3 januari 2017

Thomas Sowell, een zwarte conservatief

     Vijf jaar geleden wilde ik een aantal moderne theaterstukken bespreken in de klas. Een van die stukken was ‘Glengarry Glen Ross’ van David Mamet. Ik begon op het internet wat over die auteur te lezen en stootte daarbij op een essay dat hij schreef in 2008: ‘Why I Am No Longer a Brain-Dead Liberal’ (hier). In dat essay vertelde Mamet hoe hij van een politiek-correcte intellectueel veranderde in een rechtse zak. Dat kwam onder andere door het lezen van Thomas Sowell, ‘our greatest contemporary philosopher’*. Een paar klikken verder vond ik een verzameling van enkele honderden columns die Sowell vanaf 1998 wekelijks geschreven had (hier). Ik heb die toen in de daaropvolgende weken allemaal gelezen, en ook daarna ben ik regelmatig de nieuwe columns gaan opzoeken.
     Daar is nu een einde aan gekomen want Sowell stopt ermee, op 86-jarige leeftijd. Het schrijven vindt hij nog wel leuk, maar om te schrijven moet hij eerst de kranten lezen en daar heeft hij niet zo’n zin meer in. Hij wil liever meer tijd hebben om mooie foto’s te maken. Je vindt hier enkele voorbeelden van zijn foto’s.
     De columns van Sowell waren altijd licht verteerbaar: korte alinea’s, onberispelijke logica, duidelijke feiten en cijfers. Hij gebruikte graag metaforen uit de sport en leuke anekdotes uit zijn moeilijke jeugd toen hij opgroeide in Haarlem, als zwarte jongen met een moeilijk karakter. Ook had hij een zeker talent voor aforismen.**
     Sowell was een ruziemaker. Op school had hij last met leraars, in het leger had hij last met officieren, als professor had hij last met collega’s die te veel punten gaven, en als schrijver had hij last met bemoeizieke redacteurs die zijn teksten veranderden. Toen hij economielessen volgde bij de latere Nobelprijswinnaar Milton Friedman, leverde hij een scriptie in waarin hij de wiskundige benadering van zijn professor parodieerde en bespotte. Friedman noteerde op de scriptie: ‘Grap begrepen.’ Zelfs met Ronald Reagan kreeg hij kwestie. De president wou Sowell als minister van Arbeid of van Onderwijs, maar Sowell weigerde omdat medewerkers van de president in een bepaalde toespraak een bepaald zinnetje niet hadden geschrapt.
In 1960 - 34 jaar oud
     Dat ruziemaken zie je ook in zijn columns. Sowell was als marxist begonnen en daarna geëvolueerd tot libertair en conservatief. De boeken die hem het meest hebben beïnvloed zijn het Communistisch Manifest – in zijn jeugd – en Decline and Fall of the Roman Empire – in zijn latere jaren. Toen hij columns begon te schrijven was die evolutie voltooid en schreef hij vooral tegen links. Tegen belastingverhoging, tegen nivellerend onderwijs, tegen betutteling, tegen de ‘positieve discriminatie’ van zwarten, tegen activistische rechters, tegen illegale vreemdelingen, tegen ‘antiracistische’ demagogen, tegen Republikeinen die geen duidelijke taal spreken. Hij herhaalde daarbij telkens dezelfde argumenten en weerlegde bij voorkeur de flauwste argumenten van de tegenpartij. Hij voerde polemiek als een straatvechter: slaan en blijven slaan op de zwakke plekken. Over de sterkste argumenten van de tegenpartij zweeg hij. ’t Is een goede aanpak als je vooral je medestanders een hart onder de riem wil steken – en hen van munitie wil voorzien. Maar je kunt er natuurlijk die van de overkant niet mee overtuigen.
     Maar Sowell kan het ook anders. Naast zijn columns heeft hij meer dan dertig boeken geschreven over zo verschillende onderwerpen als economie, opvoeding, ideeëngeschiedenis en culturele antropologie. Sommige van die boeken zijn mooie proeven van intellectuele afstandelijkheid, in het bijzonder zijn Conflict of Visions. In dat boek plaatst hij twee mensvisies tegenover elkaar, de ‘utopische’ zienswijze tegenover de ‘tragische’ zienswijze, het geloof in de ‘maakbaarheid’ van de mens tegenover het geloof in de onveranderlijke menselijke natuur. Volgens Sowell verklaren die verschillende zienswijzen een groot deel van het dispuut tussen ‘links’ en ‘rechts’. En hoewel hijzelf stellig de tweede opvatting aanhangt, ontvouwt hij op een even rechtvaardige en onverstoorbare manier de eerste opvatting.
     Sowell had het zichzelf gemakkelijk gemaakt om rechtvaardig te blijven. Voor zijn uiteenzetting van de utopische zienswijze koos hij als leidraad geen tenenkrommend artikel uit een hedendaagse krant maar een werk uit de achttiende eeuw, Enquiry concerning Political Justice (1793) van William Godwin – niet die van de Wet van Godwin, maar de vader van Mary Shelley. Dat was een goede keuze want Godwin was, net als Sowell, een libertair. Sowell moest zich dus niet druk maken over de inhoud van het utopisch denken van Godwin, want die beviel hem wel. Hij kon zijn aandacht volledig houden bij de vorm van dat denken, een vorm die hem minder beviel, maar die hij op gelijkmoedige manier uiteenzet. 
     Sommige mensen zijn daar gevoelig voor –  voor zo’n gelijkmoedige uiteenzetting. Twee van de voornaamste psychologen van vandaag, Steven Pinker (hier) en Jonathan Haidt (hier), jongens met een eerder linkse achtergrond, hebben lovende woorden gesproken over het boek. Het heeft hen aan het denken gezet. Mij ook.

 * Over Thomas Sowell schreef ik vroeger al eens een stukje (hier).

 ** Een greep uit de Sowell-aforismen
  • Meningen vind je overal, maar kennis is schaars.
  • Sociale bijstand is het geldelijk aanmoedigen van mislukking. Als je succes hebt, wordt de bijstand weer afgenomen.  
  • Veel Republikeinen hebben Engels als tweede taal. Hun moedertaal is het politieke jargon.
  • Bijna even gevaarlijk als de progressieve Democraten zijn de chique ons-kent-ons Republikeinen.
  • Een van de grote drogredenen van onze tijd is dat alles wat goed is ook subsidies moet ontvangen.
  • De eerste wet van de economie is de beperktheid van middelen. De eerste wet van de politiek is om geen rekening te houden met de eerste wet van de economie.
  • De waarheid is soms heel simpel. Veel complexer kan het zijn om aan de waarheid te willen ontsnappen.
  • Als je niet gelooft dat mensen in wezen onredelijk zijn, moet je eens proberen kinderen groot te brengen.
  • Mensen die zich uitgebuit voelen, moeten zich afvragen of hun baas hen zou missen als ze weggingen.
  • Ik vind het gek dat mensen mij soms moedig noemen. Soldaten zijn moedig, en politieagenten en brandweerlui. Ik heb alleen een dikke huid.
  • Amerika moet geen supermacht zijn om overal ter wereld tussen te komen. We moeten een supermacht zijn om ervoor te zorgen dat we met rust worden gelaten.
  • De slavernij werd afgeschaft door zakenmensen, religieuze leiders en Westerse imperialisten.
  • Veel mensen denken dat dokters-plus-medicijnen-plus-ziekenhuizen duurder zijn dan dokters-plus-medicijnen-plus-ziekenhuizen-plus-bureaucratie.
  • Als de geschiedenis afhangt van de strijd tussen de barbaren en de watjes, dan zullen de barbaren overwinnen.
  • De moderne geschiedenis heeft er vaak in bestaan iets wat werkt te vervangen door iets wat goed klinkt.
  • Socialisme klinkt goed. Het heeft altijd goed geklonken. Het zal waarschijnlijk altijd goed klinken.
  • Je vindt linkse mensen vooral in die sectoren waar ideeën niet juist hoeven te zijn om stand te houden.
  • Volwassen ben je als je het resultaat belangrijker gaat vinden dan de indruk die je maakt. Sommige mensen worden nooit volwassen.
  • Mensen die van vergaderingen houden, zouden geen verantwoordelijke functie mogen hebben.

vrijdag 16 december 2016

Grote boodschap

Dostojevski's held Raskolnikov maakt zich klaar om de
woekeraarster te vermoorden. Lijkt hij niet op Johnny Depp?
     Wie over de Grote Vragen nadenkt, moet op tijd kunnen ophouden. Dat is zeker zo in de kosmologie. Van William James (1842-1910) wordt verteld dat hij na een lezing aangesproken werd door een oud dametje dat het niet eens was met zijn wilde heliocentristische ideeën. Een aarde die los in de ruimte hing en om de zon heen draaide - hoe kon dat nu? Volgens het dametje werd de aardbol gewoon gedragen door een grote schildpad. James vroeg voorzichtig waar die schildpad dan op rustte. Dat was een slimme vraag, maar het dametje wist het antwoord: op een nog grotere schildpad. Goed, oké, maar waar rustte die grotere schildpad dan op? ‘Doet u geen moeite, meneer James,’ zei het dametje, ‘it’s turtles all the way down.’
     In de ethiek heb je ook zoiets. Er is zoveel dat we niet mogen doen, en zoveel dat we moeten doen, en er zijn ook altijd goede redenen voor, maar als je blijft doorvragen wordt het moeilijk. Waarom mocht Raskolnikov die oude woekeraarster het hoofd niet inslaan? Het mocht niet van de politie natuurlijk, maar waarom mocht het niet van de politie? Het antwoord van Dostojevski ben ik vergeten, maar als hij het raadsel écht had opgelost, had ik het wel onthouden.
     Iemand die zich met zulke ethische vragen bezighoudt, is Jonathan Haidt. In zijn boek The Righteous Mind (2012) vertelt hij volgende anekdote. Een vader (30+) en een zoon (4) staan te plassen in aanpalende urinoirs van een restaurant.
-       Papa, wat zou er gebeuren als ik hier een grote boodschap in deed?
-       Dat zou erg vies zijn, jongen.
-       En als ik een grote boodschap deed in de wasbak?
-       Dan zouden de mensen van het restaurant erg boos worden.
-       En als ik een grote boodschap deed in de wasbak thuis?
-       Dan zou ik erg boos worden.
-       En als jij een grote boodschap deed in de wasbak thuis?
-       Dan zou mama erg boos worden.
-       En als we allemaal een grote boodschap deden in de wasbak thuis? Wat dan?
-       Ja, wat dan? Dan hebben we een groot probleem.
-       Ja, dan hebben we een groot probleem, hé papa.
Haidt vertelt het verhaal alsof hij het zelf heeft meegemaakt. Ik heb daar zo mijn twijfels over. Zou hij het niet min of meer verzonnen hebben omdat het zo goed aansluit bij zijn opvattingen over irrationaliteit en ethiek? ’k Geloof anders wel dat veel vader-zoongesprekken ongeveer zo verlopen.
     We zouden behalve aan de kosmologie en de ethiek ook aan de staatshuishoudkunde kunnen denken. Er bestaat een rare gewoonte dat een staat meer geld uitgeeft dan er binnenkomt. Sommige economen vinden dat een goede zaak want zo kan de staat grote werken laten uitvoeren waardoor mensen een baan hebben. Maar ondertussen stapelen de schulden zich op. Hoe kan men die schulden afbetalen als men schulden blijft maken? Hoe moet dat op de lange termijn? Daar zijn twee antwoorden op geformuleerd. Het ene kwam van de PS-politicus Mathot (1941-2005). ‘De schulden van de staat komen er vanzelf, ze zullen ook vanzelf weer weggaan.’ Het andere antwoord kwam van J.M. Keynes (1983-1946), volgens velen – ook zijn vijanden – de slimste mens van de twintigste eeuw. Dat antwoord luidt: ‘In the long run, we are all dead’.
     Nu heeft Keynes die woorden in een andere context gebruikt, in een boek dat hij kort daarna zelf achterhaald noemde. Toch horen ze voor mij in het rijtje van de Grote Antwoorden op de Grote Vragen: ‘It’s turtles all the way down’, ‘I guess we’d all get in trouble’ en ‘In the long run, we are all dead.’