Posts tonen met het label James Joyce. Alle posts tonen
Posts tonen met het label James Joyce. Alle posts tonen

zondag 8 september 2019

Finnegans Wake

     Vorige week plaatste ik een kort stukje over de opsomming als een van de leukste stijlfiguren. Ik gaf enkele bekende voorbeelden. Simon Gelten antwoordde daarop met iets wat misschien niet helemaal een opsomming was, maar toch een aardig voorbeeld van iets anders. Het was een amplificatie uit de Ulysses van James Joyce: ‘The sea, the snotgreen sea, the scrotumtightening sea.’ Volgens Simon was Joyce misschien wel de grappigste auteur na Lewis Carol en Gogol.
      Dat Joyce een erg grappige auteur is, dat geef ik graag toe. Ik ken weinig stukken die zo grappig zijn als het Cyclopshoofdstuk uit Ulysses. Maar 
’t is ook een moeilijke auteur vind ik, omdat hij zoveel grappen maakt die een lezer wel een beetje aanvoelt maar niet helemaal begrijpt. Simon vond dat ook. Hij las al twintig jaar regelmatig in Finnegans Wake en hij was nu aan bladzijde 15. 
     Tiens, dacht ik, iemand die Finnegans Wake léést. Aan mijn leerlingen vertel ik altijd dat ik níemand ken die dat boek leest, en dat zulke mensen misschien niet eens bestaan.
     Twee dagen later stootte ik dan op een blogpost van de oude trotskist Flor Vandekerckhove
*. Ook hij leest regelmatig in Finnegans Wake, schrijft hij, vooral tijdens barre winternachten als ‘de wind rond het huis giert, de regen de luiken geselt, het haardvuur knettert en de clichés zich opstapelen.’
     Simon en Flor, dat waren er al twee.*
     Die twee gaan bij hun lectuur ook allebei op zoek naar de betekenis of oorsprong van de rare woorden waarvan  Joyce er in elke zin enkele binnensmokkelt. Simon kent, geloof ik, veel vreemde talen. Dat komt goed uit want Joyce gebruikt veel vreemde talen als inspiratie voor zijn woordkronkels.
     Flor zoekt naar sporen van het Oostends (hier). Dat komt goed uit want Flor is van Oostende. Tot nu toe heeft hij al één zinnetje gevonden, en wel in een van Joyces gepubliceerde kladboekjes: ‘All the shups ware to, staat daar ergens. Flor weet niet met zekerheid waar het zinnetje vandaan komt, maar hij heeft een vermoeden. ‘Hoor ik daarin de stem van een Oostendenaar, schrijft hij,  die in een soort Oostends-Engels probeert uit te leggen dat alle winkels dicht waren?’ Ik vraag mij af wat zou de geleerde Geert Lernout van die verklaring zou denken?
     Zelf heb ik Finnegans Wake niet in de kast staan. Ik heb wel een uitgave van de ‘Portable James Joyce’ en dat bevat een paar fragmenten uit dat boek. Ik begin erin te lezen, een stuk dat ‘Here comes everybody’ heet. Ik begrijp er niet veel van, tot ik aan de tweede bladzijde kom:

This the way to the museyroom. Mind your hats goan in! Now yiz are in the Willingdone Museyroom. This is a Prooshious gunn. This is a ffrinch. Tip. This is the flag of the Prooshious, the Cap and Soracer. This is the bullet that byng the flag of the Prooshious. This is the ffrinch that fire on the Bull that bang the flag of the Prooshious.

     Als je het stuk een paar keer half luidop leest wordt het iedere keer een klein beetje grappiger. ’t Is dan ook een opsomming. En een amplificatie.

* Enige tijd geleden ontving ik een mail van Flor waarin hij zijn nieuwe e-boek voorstelt. Of ik in mijn ‘rechtse middens’ iemand kende die het wou recenseren. Flor weet niet dat ik eigenlijk heel weinig mensen ken, of het nu in  rechtse middens is, of in linkse. Maar ik heb een facebookpagina en Flor heeft er geen. Daarom plaats ik hier een link die doorverwijst naar een voorstelling van het boek. http://florsnieuweblog.blogspot.com/2019/01/rond-het-vuurtorenvuur.html. Trotskist of niet, veel van Flors stukjes lees ik graag.

* Ik weet uit ervaring dat er binnenkort een derde volgt.

vrijdag 27 april 2018

Moet een biografie zo dik zijn?

     Ex-VRT-journalist Johan Op de Beeck, die geloof ik verre familie is van mijn vrouw*, heeft net een biografie geschreven over Lodewijk XIV. Naar wat ik er in Het Nieuwsblad over lees, moet het er een zijn in het Franse genre. Iets als Amours et amourettes du Roi Soleil. ‘Geen detail blijft onvermeld,’ schrijft de krant goedkeurend. ’t Boek telt 735 bladzijden. Dat is niet mis. Zelf ben ik nu de Dostjojevskibiografie van Joseph Frank aan het lezen – 959 bladzijden, kleine druk. En ’t is dan nog een ingekorte versie van een werkstuk dat oorspronkelijk in vijf delen werd uitgegeven en drie keer zoveel tekst bevatte.
     Dat een biografie zo dik is, kan moeilijk als bezwaar gelden. Als je voor een Belangrijk Persoon geen interesse hebt, kun je beter niets over hem lezen, en als je die interesse wel hebt: hoe meer hoe beter. De Elsschotbiografie van Vic Van de Reijt bijvoorbeeld vond ik veel te beknopt. Vic zal gedacht hebben: ‘Elsschot schreef beknopt, dus als ik over hem schrijf moet ik ook beknopt blijven.’ Dat is een treurig misverstand. Het is niet omdat Hitler een hystericus was, dat je over hem alleen hysterisch kan schrijven. Als je iets wil vertellen over een saai familiefeest, in een verhaal of op café, kun je er beter voor zorgen dat je beschrijving zelf niet saai is, anders zal men je verhaal niet lezen, of zal men op café je gezelschap mijden.
     Mijn ontgoocheling over de beknopte Elsschotbiografie was zo groot dat ik lange tijd elke korte biografie gemeden heb. Een literaire biografie kort houden was ipso facto verkeerd, dacht ik. De auteur heeft de regels van het genre niet begrepen. Hij denkt dat de lezer uit is op een korte kennismaking, terwijl de lezer juist álles wil weten over een bewonderde schrijver en dus best die drie delen van Nop Maas wil lezen over Gerard Reve, of die bijna duizend bladzijden van Richard Ellmann over Joyce. Misschien is die biografie van Ellmann zelfs meer gelezen dan de Ulysses zelf.
     Maar onlangs had ik moeite om een of andere lijvige biografie over Proust te bestellen. Ik bestelde dan maar het dunne boekje van Edmund White en kijk, daar stond warempel meer in van wat ik over de schrijver wou weten dan in menige uitgebreide biografie die ik gelezen had over andere schrijvers. Je begrijpt ook hoe het komt. ‘Er bestaan al zoveel boeken over Proust,’ zal White gedacht hebben, ‘waar alles, álles, in staat. Ik vertel hier lekker alleen wat ikzelf de moeite vind. Wie daar niet tevreden mee is, moet die andere boeken maar lezen.’ Als je een beetje talent hebt, kun je met dat recept een aardig boekje voor elkaar krijgen.
     Het tegenovergestelde bestaat ook. Over een Belangrijk Persoon bestaan nog géén biografieën. Een auteur die dan als eerste een levensbeschrijving wil plegen voelt de verantwoordelijkheid als een loden last op zijn schouders wegen. De hele wereld kijkt mee, denkt hij. En hij werpt zich op de archieven, pluist brieven en dagboeken na, en onderzoekt de stamboom van zijn onderwerp tot in het zevenentwintigste geslacht. Zo moet het Wayne Franklin vergaan zijn toen hij de Amerikaanse schrijver James Fenimore Cooper onder handen wilde nemen. De professor schreef uiteindelijk twee dikke delen van respectievelijk 708 en 805 bladzijden – dit terwijl over Cooper in de archieven niet zo verschrikkelijk veel te vinden is. Maar wat te vinden is, heeft Wayne gevonden. Cooper heeft ooit een winkeltje gehad waar de Amerikaanse Frontiermen spijkers, textiel, medicijnen, thee, tabak en voedingswaren konden kopen. Wayne toont over talrijke bladzijden aan dat het winkeltje niet anders dan failliet kón gaan vanwege een roekeloze financiering, een verkeerd aankoopbeleid en een ondoordacht voorraadbeheer. Elke beginnende winkelier zou die bladzijden moeten lezen.
     Ikzelf lees ondertussen dapper verder in de Dostojevskibiografie, terwijl zich op mijn bureau andere ongelezen boeken opstapelen. Misschien moet ik maar eens doen wat mijn vader altijd doet: hier een daar een stuk overslaan. Ik heb zojuist met enige moeite 20 bladzijden literaire analyse gelezen van Misdaad en straf. Dat is allemaal heel degelijk gedaan, maar ik merk dat mijn oordeel over dat boek niet veel veranderd is door die analyse. Misschien sla ik de analyse van De idioot en De broers Karamazov maar eens over. Het hoofdstuk over Boze geesten wil ik wel helemaal lezen. Ik ken dat boek niet.

* Een vergissing. Dat verre familielid is Johan De Poortere. 

zondag 14 mei 2017

Moslimkinderen gemarteld in het graf ... of op school?

    Montasser AlDe’meh – wat typt die tweede naam lastig – heeft in meerdere Brusselse scholen bevonden dat moslimkinderen schrik wordt aangejaagd voor wat hun na de dood kan overkomen*. Kinderen krijgen verhalen te horen over martelingen in het graf: wanden die naar elkaar toeschuiven als een bankschroef, slangen die bijten, engelen die schedels in slaan, beenderen die verpulverd worden. Montasser – ik zal alleen het gemakkelijke deel van de  naam gebruiken – herkent die verhalen van zijn eigen jeugd. Hij vindt dat die verhalen zelf een marteling zijn die moet stoppen. Ook vermoedt hij dat zulke verhalen een rol spelen bij het ontstaan van zelfmoordterrorisme. Dat er jongeren zijn die hun zonden, of hun kleine of grote criminaliteit, willen wegwassen door martelaarschap, zodat ze aan de straffen in het graf ontkomen.
     Montassers verklaring lijkt mij nogal geloofwaardig. De angst voor uiterst pijnlijke straffen zou voor mij een sterkere drijfveer zijn dan de hoop op een kitscherig Matrix paradijs met tweeënzeventig maagden. Een flink deel van onze eigen middeleeuwen, met zijn fraaie en minder fraaie kanten,  is verklaarbaar vanuit de angst voor vagevuur en hel.
      Een interessant antwoord op Montasser vond ik bij mijn Facebookvriend Mohamed Omar die, naar het mij toeschijnt, een vrome moslim is. Omar argumenteert uitgebreid dat er geen oorzakelijk verband kan worden bewezen tussen de martelverhalen in het graf en het zelfmoordterrorisme. Nee, dat kan niet worden bewezen. Verder haalt Omar een slim filosofisch argument aan: dat je moeilijk een onderscheid kunt maken tussen angst voor hiernamaalse straf en angst voor de dood in het algemeen. Mja, dat onderscheid is misschien niet zo makkelijk te maken.  Hij zegt ook dat angst voor straf na de dood ervoor zorgt dat we een braaf leven te leiden. Bedreiging met straf zou dan braafheid veroorzaken. In een milde bui wil ik dat wel aannemen, alhoewel Omar zijn oorzakelijk verband heus niet beter zal kunnen bewijzen dan Montasser het zijne tussen de martelverhalen en het zelfmoordterrorisme.
     Tegelijk bevat Omars tekst voor mij veel verontrustends. De details van de martelingen in het graf, schrijft Omar, moeten niet aan kinderen van zeer jonge leeftijd worden verteld. Een leeftijd van 12 tot 16 jaar vindt hij minder een probleem. Ik wel. Sommige kinderen, schrijft Omar, reageren eerder koelbloedig op de martelverhalen van de Islamtraditie, en hij haalt er zijn eigen jeugdervaringen bij als voorbeeld. Dat is best mogelijk. Maar als sommige andere kinderen daar wel traumatisch op reageren, is dat nog altijd een heel goede reden om één en ander opnieuw te bekijken. De verhalen over hel en bestraffing, vervolgt Omar, worden in evenwicht gehouden door verhalen over het paradijs. Dat weet ik nog niet zeker. Iedereen kent wel enkele details van Dantes Hel, van zijn Paradijs weten we hoogstens dat hij het geschreven heeft. Het ene blijft gewoon beter hangen dan het andere.
     De troost die Omar biedt is niet altijd overtuigend. Allah kan in zijn barmhartigheid besluiten om de ergste zondaar te vergeven en te redden van de wrede straffen die hem normaal te wachten staan. Wat moet je doen om die barmhartigheid te verdienen? Tja, eigenlijk niets. Allah is zoals Alexander de Grote. De ene keer beslist hij een stad te vernietigen omdat ze weerstand bood, de andere keer beslist hij om de stad te sparen … omdat ze weerstand bood. Zo’n willekeur vind ik weinig geruststellend.
     Montasser en Omar verschillen van mening over de plaats van de martelverhalen binnen de Islam. Montasser beweert dat die verhalen niet in de Koran voorkomen; Omar van zijn kant beweert dat Montasser dat als eenvoudige leek niet kan weten. ‘Schoenmaker blijf bij je leest,’ schrijft hij. Dat is eigenaardig. Waarom zou Montasser dat niet kunnen weten? Het volstaat toch om de Koran open te slaan en op zoek te gaan naar de passages over het hiernamaals. Met een elektronische versie moet dat kinderspel zijn. Als iemand beweert dat de Bruiloft in Kana niet voorkomt in het Nieuwe Testament kan ik hem in geen tijd wijzen op Johannes (2:1-11) en de discussie is gesloten. Montasser beweert dat de martelverhalen hun oorsprong vinden in de onbetrouwbare Hadith. Maar voor Omar is de Hadith een onderdeel van de Islam dat we in geen geval mogen ‘onderwaarderen’. Dat is jammer. De Islam zou er geloof ik baat bij hebben om de erg gewelddadige en wrede Hadith te onderwaarderen. Maar misschien blijf ik ook best bij mijn leest.
     Mijn leest – dat is dan de katholieke godsdienst. Omar schrijft dat de martelverhalen ‘in elke religie bestaan’. Of ze in élke religie bestaan, weet ik niet, maar binnen het katholicisme bestaan ze zeker. Ik zou misschien beter schrijven: bestonden. In Portrait of an Artist vertelt Joyce hoe in een preek de collegejongens urenlang en gedetailleerd de martelingen in de hel beschreven krijgen.** Veel van die jongens zullen maar met een half oor geluisterd hebben naar wat die clown op de kansel verkondigde, maar bij een beïnvloedbare jongen als Joyce werd diep in de ziel gekrast.
     Het mooie aan die katholieke traditie is dat ze allang is stopgezet. Toen ik op de lagere school was, werd ons verteld van de hel en het vuur en van de klok die tikte ‘altijd-altijd-altijd’. Maar tegelijk werd ons verteld dat we dat vuur niet letterlijk moesten nemen. Dat vuur was symbolisch voor een geestelijk lijden, het pijnlijke besef van de zondaar dat hij Gods liefde verspeeld had door onwaardig gedrag. Dat geestelijk lijden, werd ons verteld, was erger dan lichamelijk lijden. Maar dàt geloofde niemand. Dat we het lichamelijke lijden niet letterlijk moesten nemen, stelde ons juist gerust.
     Religie wordt zoveel draaglijker als de letterlijke lezing verlaten wordt. Ik kan maar hopen dat ook de Islam dat pad inslaat.  

* in Knack (hier) en Terzake (hier). In Terzake volgde een antwoord van Mohamed Achaibi (hier). Het antwoord van Mohamed Omar vind je hier.

** Over de hel van Joyces schreef ik al iets (hier). Dat ikzelf bang blijf van de duivel heb ik hier al toegegeven.

vrijdag 14 april 2017

Plaatsgebrek in de hel

Groucho Marx, links onder, demonstreert hoe je misbruik
kunt maken van een overvolle trein.
     Verleden zondag, zo las ik in het Nieuwsblad, was het drummen op de trein van Blankenberge naar Genk. Op één dubbeldekse wagon zaten en stonden 200 reizigers, waar er maar plaats was voor 172. Sommige reizigers werden onwel en er werd aan de noodrem getrokken. Die toestand ontlokte een reactie aan Jan Vanseveren van de reizigersvakbond TreinTramBus.  ‘Reizigers worden te vaak in de kou gezet,’  zei Jan.
     Kijk, dat is nu het nadeel van dode metaforen waar ik mijn leerlingen zo voor waarschuw. Die reizigers hadden helemaal geen kou. Dat weet ik uit ervaring. Ik heb eens acht uur doorgebracht in een overvolle trein van Parijs naar de Spaanse grens. Alhoewel die trein niet dubbeldeks was, zaten en stonden er in mijn wagon wel duizend reizigers. Of dat dacht ik toch. Naar het toilet gaan was schier onmogelijk. Je moest je met veel gezwoeg tussen de lichamen wurmen. Om één meter vooruit te komen had je een half uur nodig. En dan nog eens een half uur om de toiletdeur open en dicht te krijgen. En dan die hitte! Toch hebben we het er in onze wagon allemaal levend vanaf gebracht. Van de andere wagons weet ik het niet.
     Wie het ‘Portret’ van James Joyce gelezen heeft zal zich de beschrijving van de hel nog herinneren, die begint met de onheilspellende woorden: ‘De hel is een benauwde en donkere en kwalijkriekende gevangenis waarvan de muren vierduizend mijl dik zijn.’ En binnen die muren zijn de verdoemden, vanwege hun grote aantal, zo opeengehoopt, dat ze zich niet in het minst kunnen veroeren. Ze kunnen niet eens aan hun neus krabben als die jeukt. Ze kunnen niet eens, zegt Sint-Anselmus, ‘een worm verwijderen die aan hun oog knaagt’.
     Maar ’t is er wel warm. De verdoemden worden niet in de kou gezet.

woensdag 18 november 2015

Uitgevers

Karl Drabbe. Tot 12-8-2015 uitgever bij Pelckmans
     Er zijn twee soorten uitgevers op deze wereld – dat soort simplisme doet het altijd: er zijn twee soorten dit, er zijn twee soorten dat – dus, er zijn twee soorten uitgevers op deze wereld: de held en de schijtluis. John Harding was zo’n held. In 1724 gaf hij een aantal pamfletten uit van de Ierse schrijver Jonathan Swift, tegen de Engelse regering en haar inflatiepolitiek.  Als Swift goed op stoot was, kon hij hekelen als de beste. Iedereen kreeg ervan langs in de pamfletten: de premier, de maîtresse van de koning, de voorzitter van het Ierse hooggerechtshof.
     Maar met al zijn branie was Swift ook een voorzichtig man: de wetten tegen lasteraars en raddraaiers waren behoorlijk streng. Swift ondertekende de pamfletten dus niet met zijn eigen naam maar als Mr. Drapier – De Heer Gordijnenmaker. De Engelse regering was razend. Iedereen wist dat Swift die teksten geschreven had, maar het Engelse rechtssysteem liet niet toe iemand te veroordelen zonder bewijzen. Er werd een prijs van £ 300 uitgeloofd voor wie bereid was de auteur aan te wijzen. De uitgever John Harding werd voor de rechtbank gebracht en aangemaand te verklaren wie achter de fameuze Gordijnenmaker schuilging. Harding weigerde dat te doen, werd opgesloten en stierf in de gevangenis. Niet de gevierde schrijver, maar de vergeten uitgever is de ware held in deze zaak, schrijft Swifts biograaf David Nokes.
     En nu het andere type: de schijtluis. In 1905 had de Ierse schrijver Joyce een aantal verhalen klaar over Dublin en zijn inwoners. Hij wou die graag uitgeven en nam een uitgever, Grant Richards, onder de arm. Richards las de verhalen en schrok zich een hoedje. In één van de verhalen kwam het woord ‘bloody’ voor – ‘bloody’ niet zoals in Shakespeares ‘the bloody dog is dead’ maar zoals Eliza Doolittles ‘not bloody likely’. Dat woord moest eruit. Joyce verdedigde zich door te zeggen dat het woord ‘bloody’ ook in drie andere van de verhalen voorkwam, maar tot zijn verbazing maakte dat de zaak alleen maar erger. Zo’n boek kon niet worden uitgegeven. 

     Daar kwam nog bij de naturalistische schrijftrant van Joyce. Die paste niet bij de tijdsgeest van sentimenteel Keltisch nationalisme. Die schrijftrant was, om het zo maar eens te zeggen, niet ‘politiek correct’. Tussen 1905 en 1914 werd het manuscript van ‘Dubliners’ door vijftien verschillende uitgevers geweigerd. Het werd uiteindelijk toch uitgegeven door … Grant Richards.
     Dat vind ik nu eens een happy-end. ‘Er zal alzo blijdschap zijn in de hemel over één zondaar die zich bekeert, meer dan over negenennegentig rechtvaardigen, die de bekering niet van node hebben.’

Oorspronkelijk geplaatst op 17 augustus 2015

maandag 16 november 2015

Handkus

De zestienjarige Poesjkin draagt voor - voorovergeborgen
en ingespannen luisterend: Derzjavin
      In 1982 ging ik in Brussel wonen. Daar was toen een Engelse boekenwinkel WHSmith – misschien is die er nog – en in die winkel lagen toen grote stapels van Richard Elmanns Joycebiografie, die zojuist opnieuw was uitgebracht. Wat had ik graag het geld gehad om die te kopen, dacht ik, en tijd om ze te lezen … Nu, na zovele jaren,  heb ik het geld, en af en toe ook de tijd.
     Die lijvige biografie van professor Ellmann (842 p.) staat vol aardige anekdotes. Zoals deze, op bladzijde 114. Een jongeman benaderde Joyce en vroeg: ‘Mag ik de hand kussen die Ulysses geschreven heeft.’ ‘Nee,’ antwoordde Joyce, die hand heeft nog wel meer dingen gedaan.’ Heel leuk, en voor één keer doet de auteur niet uit de hoogte.
     Een soortgelijk verhaal als dat van Joyce vinden we in de eveneens lijvige Poesjkinbiografie van professor Binyon (731 p.). Op bladzijde 33 citeert de professor een grappig stuk van Poesjkin, die vertelt hoe hij als scholier de beroemde dichter Derzjavin ontmoette. De oude dichter bezocht Poesjkins school en de jonge dichter rende de trappen af om ‘de hand te kussen die “De waterval” geschreven had’. Maar toen Poesjkin de inkomhal bereikte, hoorde hij de oude dichter aan de portier vragen: ‘Waar is hier het toilet, beste kerel?’ Poesjkin heeft Derzjavins hand toen niet gekust. Die hand had nog wel meer dingen gedaan.

Oorspronkelijk geplaatst op 7 augustus 2015

vrijdag 13 november 2015

Kopen op krediet

John Joyce, vader van
     De vader van de Ierse schrijver James Joyce (1882-1941) had een drankprobleem en al zijn geld ging naar de kroeg. Vaak kon hij de huishuur niet betalen en dan werd het gezin het huis uit gezet. John Joyce, want zo heette hij, gooide het dan op een akkoordje met de huisbaas. Het gezin zou vrijwillig het huis verlaten, waardoor de huisbaas geen gerechtskosten hoefde te betalen. In ruil daarvoor moest hij – de huisbaas –  John Joyce een betalingsbewijs geven voor de niet betaalde huur. Met dat betalingsbewijs kon hij dan zijn kredietwaardigheid bewijzen aan een nieuwe huisbaas. Zó slim was John Joyce.
     Levensmiddelen was ook zoiets. Wie vandaag in Delhaize, Colruyt, Aldi of Albert Heijn levensmiddelen koopt, betaalt daarvoor contant of met de bankkaart –  twee kilogram vastkokende aardappelen: € 2.89, een half pond Brugse boter: € 2.05, enzovoort (Delhaizeprijzen). Het gezin Joyce kocht die waren op krediet bij verschillende kruideniers. En als je eenmaal schulden had bij een kruidenier, en af en toe iets afbetaalde, dan bleef die kruidenier krediet verstrekken in de hoop ooit alle schulden te incasseren.
     John Joyce heeft een keer, op dringende vraag van zijn dochter Mabel, aan een van die kruideniers al zijn schulden afbetaald. Onmiddellijk sloot de kruidenier de rekening van de Joyces voorgoed af. Toen heeft John een dure eed gezworen. Nooit nog zou hij aan een kruidenier al zijn schulden afbetalen. Kruideniers waren bloedzuigers. 




Oorspronkelijk geplaatst op 2 augustus 2015

zaterdag 24 oktober 2015

Sneeuw

De Griekse dichter Homerus, auteur van de Illias en de Odyssea,  was blind, zo zegt men, of misschien deed hij alleen zijn ogen dicht om zich beter te concentreren als hij zijn verzen voordroeg.  Wie zal het zeggen? Hij was in elk geval erg visueel ingesteld zoals blijkt uit zijn beschrijvingen, een schilder met woorden, waar hij een grote voorraad van had die een zeventienjarige graecus tot vertwijfeling kan brengen.
     Het moeilijkste voor die graecus zijn de zogenaamde Homerische vergelijkingen. Als Homerus op dreef was, kon hij alles met alles vergelijken. In de twaalfde zang beschrijft hij een gevecht tussen Grieken en Trojanen om de stadsmuren. Daarbij gooien de vechtende partijen met stenen naar elkaar. En dan niet een steen hier en daar en af en toe, maar véél stenen, een kolossale hoop stenen,  een gigantische hoeveelheid stenen, ‘zo talrijk’, zegt Homerus, ‘als de sneeuwvlokken in een winterse lucht.’ 
     Dat is een goede vergelijking. In een hedendaagse film kun je het effect van de tekst benaderen door de rondvliegende stenen in slow motion te filmen. De stenen gaan dan dwarrelen, vooral als de camera zelf zwenkt en draait. Maar daarna gebeurt bij Homerus iets raars. De dichter laat zich meeslepen door zijn eigen beeld, verliest zijn stenen uit het oog en denkt alleen nog maar aan zijn sneeuw. ‘De wind is stil en de sneeuw valt gestaag’, zegt hij. ‘Ze bedekt de toppen van de bergen, de hoge landtongen en de vlakten waar de lotusbloem bloeit. Ze valt op de vette akkers van de mensen [androon piona erga] en op de baaien en de kusten van de grauwe zee [ef halos poliès limesin te kai aktais]. Ze wordt ten slotte opgenomen door de slagen van de golven.’ Het is een verstild moment. Het krijgsgewoel is uit beeld. De slow motion is overgegaan in een freeze frame.
     James Joyce –  die nochtans alleen Latijn, en geen Grieks kende – plagieert het beeld van de vallende sneeuw aan het einde van zijn beroemdste verhaal ‘The Dead’:
‘Snow was falling on every part of the dark central plain, on the treeless hills, falling softly on the Bog of Allen and, farther westward, softly falling into the dark mutinous Shannon waves.’ Joyce laat die sneeuw verder vallen ‘through the universe’ en ‘upon all the living and the dead’.
     Het verschil tussen het gretige gewriemel van de mensen en de onverstoorbare natuur – het heeft iets … religieus is misschien een goed woord.  In Mattheus 5:45 heet het: ‘Want Hij doet Zijn zon opgaan over bozen en goeden, en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.’ Bozen en goeden, levenden en doden, Grieken en Trojanen, zij krijgen door de natuurelementen hun plaats in het Grote Geheel.