Posts tonen met het label Paul Collier. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Paul Collier. Alle posts tonen

woensdag 18 januari 2023

Ben Weyts en het Nederlands van de kleuters


   Ben Weyts heeft in wezen gelijk over de ouderlijke verantwoordelijkheid bij de taalontwikkeling van hun kinderen. In mijn lessen over taalontwikkeling stelde ik mijn leerlingen gerust: ze konden niet veel fout doen. Als ze babytaal spraken tegen hun kinderen, zoals moeders vaak doen, dan was dat goed; spraken ze volwassenentaal, zoals vaders vaak doen, dan was dat ook goed. Spraken ze weinig, dan was dat genoeg; spraken ze veel, dan was dat nog beter. Alleen moesten ze ervoor zorgen dat de radio en televisie niet de hele dag aanstonden, zodat de baby’s en peuters woorden en zinnen konden horen zonder andere stemmen als chaotisch achtergrondgeluid.
     Maar Weyts verwees natuurlijk naar de bijzondere situatie van migrantenkinderen die, na de schooluren, geen Nederlands meer te horen krijgen. Mijn Facebookvriend Simon Gelten vat het zo samen:

 ‘Veel leerlingen waarover het nu gaat, groeien op in een gezin waarvan de ouders nauwelijks Nederlands spreken, ongeletterd zijn, en in veel gevallen ook nog een taal spreken (Tamazight/Berbers) die slechts beperkt op schrift is gezet. Ze groeien dus op in een linguïstische chaos, thuis Berbers en op school Nederlands, terwijl het Arabisch via de satelietzenders binnenkomt. Op straat wordt vaak onderling een soort mengtaaltje gehanteerd. Dat die situatie verre van ideaal is, zal wel duidelijk zijn. Ik begrijp dat men daar vanuit de politiek iets aan wil doen.’

      De vraag is alleen: wát kan de politiek hieraan doen? Mijn antwoord is: weinig. Het voorstel van Weyts om met financiële sancties te dreigen is geloof ik geen oplossing om veel redenen: politieke onhaalbaarheid, praktische onuitvoerbaarheid, bedenkelijke ethiek en voorspelbare ondoeltreffendheid. Ik had daar oorspronkelijk nog willen aan toevoegen: juridische onmogelijkheid, maar dat klopt niet helemaal. 
    Het ballonnetje van Weyts wordt vaak voorgesteld als een voorstel om te snoeien in het ‘groeipakket’, het vroegere kindergeld, en dat is inderdaad juridisch bijna onmogelijk. Het groeipakket is een onvoorwaardelijk recht voor elk kind dat voor minstens 3 maanden verblijfsrecht heeft in ons land. Maar het gaat in het voorstel van Weyts om iets anders: de schooltoeslag. Dat is een soort studiebeurs voor kleuters en kinderen uit gezinnen met lage inkomens. Die toeslag bedraagt 108 euro voor de kleuterschool en tussen 125 en 253 euro voor de lagere school. Daar zijn echter wél voorwaarden aan verbonden, zoals een pedagogisch engagement van de ouders. Een kind dat vaak afwezig is, verliest het recht op schooltoeslag voor het daaropvolgende jaar. Juridisch moet het mogelijk zijn om door nieuwe wetgeving strengere voorwaarden op te leggen.
     Maar mijn andere bezwaren tegen het voorstel-Weyts blijven. De politieke onhaalbaarheid is het makkelijkst om vast te stellen. CD&V, Open-Vld, Vooruit en Groen hebben zich onmiddellijk tegen het voorstel uitgesproken, en echt veel instemming van N-VA-kant heb ik nog niet gezien. 

     Bij de praktische onuitvoerbaarheid denk ik aan het lijstje dat Koen Daniëls, partijgenoot van Ben Weyts, opgesteld heeft –  een lijstje met voorstellen hoe ouders hun kind kunnen helpen met de taalontwikkeling van het kind. De ouders kunnen 

  •       interesse tonen in het Nederlands*
  •       met hun kind Nederlands oefenen 
  •       ingaan op schoolinitiatieven om het Nederlands te verbeteren
  •       Ketnet opzetten op tv 
  •       hun kind naar een Nederlandstalige sportclub, jeugdbeweging of jeugdhuis sturen 
  •       hun kind meenemen naar de bibliotheek 
  •       hun kind inschrijven in zomerscholen.
     Ik vind dat één voor één prachtige voorstellen, maar ik zie niet in hoe men op een redelijke manier kan controleren en evalueren of ouders dat nu doen of niet. Daniëls maakt daarbij de typische fout dat hij het probleem eerst erg groot voorstelt en daarna weer onderschat als het op oplossingen aankomt. Eerst schrijft hij dat in sommige grootsteden 1 op 3 kleuters onvoldoende Nederlands kent om lager onderwijs te volgen. Maar wat verder schrijft hij: ‘Helaas is er een beperkte groep ouders die niet aan de zijde van leerkrachten en school het Nederlands mee stimuleert.’ Kijk, als het echt om een beperkte groep ging, dan zouden er geen problemen zijn met 1 op 3 kleuters in de grootsteden. In werkelijkheid gaat het om tienduizenden gezinnen waar geen van de hierboven vermelde voorstellen in de praktijk worden gebracht. Gaan we bij die tienduizenden gezinnen één voor één gaan controleren of Ketnet opstaat, dan een mondelinge waarschuwing geven, dan een schriftelijke, enzovoort? En hoeveel kinderen zullen dáárdoor beter Nederlands praten?
     Ethisch is het voorstel van Weyts te kaderen in het verhaal van rechten en plichten, en in dit geval van speciale rechten en speciale plichten. Ik weet dat dat een ethische formule is die voor velen aanvaardbaar is. Paul Collier, die ik in migratiemateries heel hoog inschat, redeneert ook binnen dat kader. De redenering gaat zo. Nieuwkomers en de kinderen van nieuwkomers hebben speciale noden, bijvoorbeeld taalontwikkeling. Die speciale noden creëren speciale rechten, namelijk dat de staat, langs de scholen, extra geld vrij maakt voor taalontwikkeling. Het nieuwkomerskind met taalproblemen wordt daardoor meer gesubsidieerd dan een ‘oudkomers’-kind zonder taalproblemen. Maar die speciale rechten, zo gaat de redenering verder, doen speciale plichten ontstaan. Een ‘oudkomer’ zoals ik kan zelf beslissen of hij zijn kind naar de jeugdbeweging stuurt, of naar de Simpsons laat kijken, of ermee op vakantie gaat naar New-York; de nieuwkomer daarentegen heeft de plicht zijn kind bij een jeugdbeweging in te schrijven, naar Ketnet te laten kijken, en naar een zomerschool sturen – waardoor de jaarlijkse vakantie naar Marokko niet kan doorgaan.
     De hierboven geschetste speciale rechten en plichten zijn op zichzelf, als een soort vrijwillige afspraken, als louter morele rechten en plichten dus, heel redelijk. Maar als ze een dwingend karakter, krijgen verliezen ze die redelijkheid**. Ik vind niet dat het migrantenkind een dwingend recht heeft op meer subsidie en speciale taallessen; ik zie wel het maatschappelijk nut van zo’n subsidie: hoe sneller de integratie via taal verloopt, hoe beter voor iedereen, en dus ook voor mij. Ik ben vóór die subsidie, niet omdat ze een afdwingbaar recht is, maar uit welbegrepen eigenbelang. 
     Omgekeerd heeft het weinig zin om tegenover een recht dat geen recht is een plicht te stellen die geen plicht is. Zijn de migrantenouders eigenlijk wel vragende partij voor de extra demarches die de school doet voor taal? Of worden die aan hen opgedrongen zonder dat ze erom gevraagd hebben? Als ze echt het recht op extra taalonderwijs opeisten, dan zou dat betekenen dat ze inzien dat die in hun eigen belang is en in dat van hun kind, en dan zouden ze niet op de voorstellen van Weyts en Daniels wachten om zelf, naar godsvrucht en vermogen, iets aan de taalontwikkeling van hun kinderen te doen. Maar dat inzicht ontbreekt, en dat probeert men op te vangen met een discours over plichten, dat dan ondersteund moet worden met sancties, zoals ‘rechten’ ondersteund worden met geld***. 
     Ik zou het ook zo kunnen zeggen: in deze materie zal dwang niet werken en preken niet helpen. De automatismen die aansluiten bij welbegrepen eigenbelang zullen langzaam, heel langzaam, moeten groeien. Ik voerde ooit een emaildiscussie met Sam Van Rooy van Vlaams Belang. Op een bepaald moment reed Sam mij klem met de vraag: ‘Geloof jij dan zo sterk in social engineering?’ Daar had hij mij goed te pakken. Nee, als ik eerlijk moet zijn, social engineering werkt niet, zeker niet op korte termijn, en al helemaal zeker niet als er een diepgaande culturele mentaliteitswijziging voor nodig is. Initiatieven als OKAN – onthaalklassen voor anderstalige nieuwkomers – werken goed als de integratiementaliteit op voorhand al aanwezig is bij ouders en kinderen, wat vaak het geval is. Maar in gezinnen waar men na drie generaties nog steeds de taal van het land van oorsprong spreekt, daar zit inzichtelijk en emotioneel iets fout dat niet snel zal veranderen. Daar ontbreekt het inzicht dat integratie noodzakelijk en wenselijk is. En die noodzaak en wenselijkheid worden des te minder aangevoeld als immigratiegemeenschappen omvangrijk en expansief zijn. Waarom je integreren in de Vlaamse gemeenschap als je al geïntegreerd bent in je eigen grote gemeenschap? Waarom Nederlands leren als je dat niet nodig hebt in je gezin, bij je vrienden, op straat, en in een uitgestrekt gebied van wijken die bijna je hele leefwereld omvatten? 
    ’t Zou voor onze bestuurders een goede reden moeten zijn om de immigratiegemeenschappen niet verder te laten groeien en om nieuwe vluchtelingen- en gezinsherenigingsimmigratie veel, veel strenger te beperken. De demografische groei van de migrantengemeenschappen zal nog wel even verder gaan, waardoor het taalprobleem eerst nog zal toenemen voordat het kan afnemen. En daarna moeten we hopen dat de tijd zijn werk zal doen. Heeft het zin om nog meer geld investeren in Nederlands in de kleuterklas, in OKAN, in taalklassen enzovoort? Zeker, alle beetjes helpen. En heeft het zin om de migrantenouders te ‘sensibiliseren’ voor het probleem? Ach, het kan geen kwaad. Het gebaar telt ook.

 

* Het is niet voor iedereen weggelegd, maar ze zouden ‘interesse voor het Nederlands’ kunnen laten zien door zelf die taal zo goed en zo kwaad als het kan te leren. Linguïstisch zou dat voor de kinderen niet veel voordeel opleveren, maar wel emotioneel. Iedere leraar die Frans onderwijst, en a fortiori Duits, weet dat het vaak emotionele barrières zijn die leerlingen tegenhouden om zich op die talen toe te leggen.

** Er zijn veel minder problemen als het om gelijke (en niet: speciale) dwingende rechten en plichten gaat. Zie volgende voetnoot.

*** Er is een andere versie van het rechten-plichtendiscours mogelijk. Die zou inhouden dat de schooltoeslag een recht is dat slechts toegekend wordt na een examen zoals vroeger gebeurde met het Fonds van de Meestbegaafden. Alle kinderen uit lage-inkomensgezinnen zouden dan in dit geval een taalexamen moeten afleggen. Wie niet slaagt, krijgt de toeslag slechts op voorwaarden van een af te spreken parcours. Mijn ethisch bezwaar valt dan weg; mijn andere bezwaren blijven.  

donderdag 1 april 2021

Symbolische subsidies

 


     Subsidies, zoals die door Sihame El Kaouakibi werden achterovergedrukt*, hebben in onze maatschappij grotendeels een symbolische waarde. De staat geeft geld aan een dansproject zodat allochtone jongeren niet op straat zouden hangen, aan de opera zodat de melomaan voor weinig geld naar mooie muziek kan luisteren, aan de VRT zodat die instelling aan volksverheffing kan doen, aan bibliotheken zodat de veellezer elke week zijn stapel leesvoer gratis kan ophalen, aan ontwikkelingshulp zodat in de arme landen meer coöperatieven worden opgericht.
     En wat haalt het allemaal uit? Niet zo erg veel, vrees ik. Met of zonder dansproject zullen wel ongeveer evenveel jongeren op straat hangen. Als ik de televisiegids bekijk, zie ik bij de VRT weinig dat voor volksverheffing kan doorgaan. Ik heb een collega gekend die wel eens een operahuis bezocht, maar veel vaker zat hij in zijn eentje door een koptelefoon naar aria’s en koorzangen te luisteren. Mocht ik een veellezer zijn, dan kon ik op mijn Kindle voor maandelijks $ 9,99 kiezen uit 2 miljoen boeken. En er zijn weinig economen die geloven dat ontwikkelingshulp veel heeft bijgedragen aan de recente verrijking van de arme landen.
     Waarom zijn die subsidies er dan? Eén antwoord is dat politici zich populair willen maken bij stadsdansers, vrt-kijkers en -medewerkers, operaliefhebbers, veellezers en ngo-mensen. Dat is één verklaring, en het is meteen een goede. Maar het is niet de enige. Neem ontwikkelingshulp. Paul Collier, die in die materie gespecialiseerd is, gelooft dat ontwikkelingshulp een zeker nut heeft om urgente nood te lenigen en dat ze een klein beetje bijdraagt aan de economische ontwikkeling. Belangrijker echter vindt hij de symbolische functie: ‘Ontwikkelingshulp laat zien welk soort samenleving we willen zijn … Of ze nu veel helpt of niet, ze is een oefening in, en een verdieping van, onze medemenselijkheid. Onze individuele hulpvaardigheid bepaalt niet alleen hoe we overkomen op onze medemens maar ook hoe we onszelf zien.  Op dezelfde manier weerspiegelt onze collectieve hulpvaardigheid welke samenleving we zijn, en worden.’**
     Natuurlijk zie ik er zoals de meesten tegen op om veel belastingen te betalen. Maar ik vind de gedachte draaglijk als als ik mijzelf voorhoud dat die belastingen de beschaving bevorderen, een beschaving waarin boeken en muziek belangrijk zijn, waar het volk wordt verheven, waar men hangjongeren de rug niet toekeert, waar men ‘de ogen niet sluit voor’ de armoede***. Ik hoef zelf niet naar het opera te gaan: door mijn duit in het belastingzakje heb ik bijgedragen aan het in stand houden van de hogere muziekcultuur. Die gedachte vind ik niet onprettig.
     Nu ben ik zelf in het algemeen niet zo’n symbolenmens. Ik ben meer van de bottom line. Op een onbewaakt moment vind ik dat de oude Scrooge, vóór zijn bekering, een weldoener des volks was, die zichzelf elk comfort misgunde om geld te sparen en – mogen we hopen – rendabel te investeren in spoorwegen, mechanische weefgetouwen, en andere technische nieuwigheden die voor het eerst in de geschiedenis, met enige vertraging, welvaart hebben gebracht voor gewone mensen. En Bill Gates, vind ik op zo’n onbewaakt moment, heeft met zijn MS-DOS en zijn Windows 3.1 meer bijgedragen aan de vooruitgang van de wereldeconomie, en dus aan de vermindering van de armoede, dan met zijn filantropische initiatieven achteraf. Toch is ook de bekering van Scrooge en de filantropie van Gates mij niet onwelgevallig.
   Ik wil voor gesubsidieerde symbolen niet al te streng zijn. Als er meetbare resultaten zijn, à la bonne heure, maar eerst en vooral mogen ze niet schadelijk zijn, of, om het met een lelijk woord te zeggen, ‘contraproductief’. Ze kunnen immers averechts uitpakken. We hebben in onze westerse samenlevingen een nogal hoog percentage migranten. Wat ook de problemen zijn die daarmee samenhangen, we zitten in hetzelfde bootje, en er zal goodwill nodig zijn van de twee kanten, van de ‘oude’ Vlamingen en van de ‘nieuwe’ Vlamingen. Die goodwill heeft symbolen nodig, en tot nu toe zijn vaak de verkeerde gekozen: open grenzen****, onvoorwaardelijke naturalisatie, sympathie voor de islam, gescheld op racisme, praktijktests, positieve discriminatie.  Dat maakt het allemaal maar erger. Maar met dansscholen, speelpleinwerking, straatvoetbal en interculturele foyers heb ik minder problemen*****. Zolang ze geen centra worden voor woke agitatie en de subsidies niet voor privé-keukens en kleerkasten worden gebruikt. En zolang ze de budgetten voor grenscontrole, Nederlandse taalles en voor aangepaste beroepsopleidingen niet in het gedrang brengen.

       

* Dat moet natuurlijk nog door de rechtbank worden uitgemaakt. Geheel los van die mogelijke corruptie, heb ik Sihame El Kaouakibi in een eerder stukje (hier) bekritiseerd voor haar ‘multiculturele’ ideeën.  

** Paul Collier, Exodus, Hoofdstuk 10, ‘Migratie als vorm van hulp’.

*** Dat hóeft natuurlijk niet met verplichte belastingen, maar dat is een andere kwestie.

**** Die grenzen zijn niet helemaal open natuurlijk. Zie hier.

***** In de mate dat die initiatieven alleen ten goede komen aan de nieuwe Vlamingen, is ook hier sprake van een beperkte positieve discriminatie. Die heb je bij alle vormen van subsidie. Subsidies voor het opera discrimineren ook de cultuurbarbaar, die met zijn belastingen meebetaalt .

zaterdag 27 februari 2021

Over corona- en ander alarmisme


** Het is min of meer politiek correct om inzake corona en klimaat alarmistisch te zijn, zoals het politiek incorrect is om dat te zijn inzake immigratie, islamisme en terrorisme. Of iets politiek correct is of niet, geeft in al die gevallen slechts een heel zwakke aanduiding van het waarheidsgehalte van de ingenomen positie.

** Tegenover de alarmistische positie bevindt zich de ‘negationistische’, of, minder radicaal, de ‘sceptische’ of ‘kritische’ positie. ‘Kritisch’ betekent in geval van corona en klimaat dat men argwanend aankijkt tegen de mainstream berichtgeving over het verschijnsel. In verband met immigratie en islamisme betekent het dat men kritisch aankijkt tegen het verschijnsel zelf.

** Een interessante tegenvoeter van het alarmisme is het quietisme – de opvatting dat men de zaken beter op zijn beloop laat. Zo’n houding vertrekt van de erkenning van het probleem, de overtuiging dat er niets veel aan te veranderen valt, en de afweging dat de remedies ertegen erger zijn dan de kwaal. Zeker, de aarde warmt nu op, maar drastische verlaging van de CO2 zou de armoede in de wereld doen stijgen. Zeker, er is veel migratie, maar dat is altijd zo geweest en maatregelen ertegen creëren een mentaliteit van racisme en discriminatie. Zeker, corona doodt mensen, maar mensen gaan nu eenmaal dood, en nu vraagt men ons om een of twee jaar menswaardig leven op te offeren vanwege die 1 % kans om dood te gaan in het geval van bejaarden, en die 0,1 % kans in het geval van de andere leeftijdscategorieën.

** Alarmisten dramatiseren de kwestie die hun na aan het hart ligt op verschillende manieren. De interessantste is de omslagpunttheorie. Klimaatalarmisten spreken over een ‘runaway’-effect waarbij de opwarming van de aarde vanaf een bepaalde temperatuur op hol slaat (zie hier);  islamalarmisten spreken over een omslagpunt als 10 procent van een populatie de radicale islam omarmt (1); corona-alarmisten beschouwen een stabiel of licht stijgend aantal besmettingen als een voorbode van de exponentiële explosie die zal volgen (zie hier).

** Je hoort in discussies over bovenstaande kwesties wel eens het verwijt van ‘wetenschapsontkenning’. Dat lijkt mij meestal niet terecht. Je hebt over die dingen zowel (a) echt wetenschappelijk onderzoek, (b) overleg tussen experts-politici-bureaucraten, (c) populariserende wetenschapsjournalistiek, en ten slotte (d) de doe-het-zelf wetenschap van lui die hun eigen grafieken plotten en die uit de stukken en rapporten van de eerste drie een smakelijk menu’tje samenstellen. Ik heb een zekere bewondering voor die vlijtige autodidacten. Ook zij erkennen de basisbeginselen van de wetenschap, al bezondigen ze zich aan cherry-picking. Het is echter naïef om te denken dat zoiets niet voorkomt in de categorieën (b) en (c), en zelfs in (a).

** Het wetenschappelijk onderzoek is genuanceerd en staat meestal niet aan de kant van de extreme alarmisten, maar kan wel leunen in hun richting. Epidemiologen en biostatistici tekenen curves uit die laten zien hoe strenge lockdowns de virusverspreiding tegengaan. Klimaatexperts berekenen de gunstige gevolgen van een verminderde CO2-uitstoot. Dat is fijn voor de alarmisten. Maar diezelfde klimaatexperts gooien dan roet in het alarmistische eten door te pleiten voor kernenergie.

** Het gebeurt ook dat het wetenschappelijk onderzoek zich grotendeels negationistisch opstelt. Dat is het geval van migratie. Een economist als Paul Collier wordt horendol als hij de consensus vaststelt onder onderzoekers naar de effecten van migratie (2). Die consensus heeft volgens hem te maken met de beperkte, strikt economische, invalshoek van de onderzoekers, hun kosmopolitische levensstijl of de links-liberale ideologie waar ze zijn mee zijn opgegroeid. Het is een terrein waarin enkele elementaire cijfers, een beetje gezond verstand (3) en een bereidheid om logica boven sentiment en ideologie te stellen tot betere conclusies leiden dan waar geschoolde economen en sociologen toe in staat blijken.

** Vervelend voor de echte alarmist, scepticus, optimist of quietist is de korte tijdsschaal van de coronakwestie. Elke voorspelling kan binnen enkele weken of maanden gecontroleerd worden. Herman Goossens voorspelde dat ski-toerisme in Italië geen enkele besmetting zou meebrengen. De kans was ‘uiterst, uiterst klein’. Hij was fout. Van Ranst voorspelde dat de pandemie enkele honderden, hooguit enkele duizenden slachtoffer zou maken. Hij was ook fout. Mijn eigen voorspelling rond die tijd was voorzichtiger: ‘tussen 1 500 en 33 000’ (hier) maar informeel verklaarde ik aan vrienden dat 20 000 ‘haalbaar’ moest zijn. De crisis is nog niet gedaan, maar het lijkt voorlopig dat ik toen vrij goed gegokt heb. Mijn meeste andere voorspellingen waren overigens fout. Zo dacht ik dat een vergelijking tussen de verschillende landen binnen enkele weken duidelijkheid zou brengen over de effectiviteit van de verschillende maatregelen.

*  Voor wie vaak verkeerd gokt, heeft Maarten Boudry een uitweg voorzien: de preventieparadox.  Als de coronacijfers uiteindelijk beter meevallen dan je voorspelling aangaf, verwijs je naar het veel grotere aantal slachtoffers dat zou gevallen zijn zonder maatregelen. Je kunt de paradox op veel terreinen toepassen. Als het aantal terrorismeslachtoffers uiteindelijk meevalt, verwijs je naar het veel grotere aantal slachtoffers dat er zou vallen zonder antiterreurmaatregelen. Voor wie verkeerd gokt betreffende de verre toekomst, stelt het probleem zich niet. Als binnen dertig jaar de wereld niet in brand staat door de klimaatverandering, of heel Vlaanderen niet overstroomd is, dan zal ik er niet meer zijn om die valse profeten uit te lachen. En als ik er wel nog ben, is het lachen mij misschien vergaan om andere redenen.

** Alarmisme heeft vaak te maken met onzekerheid. Je weet niet of je besmet raakt, en niet of die besmetting bij jou tot een erg ziekte leidt. Niemand weet hoe het coronavirus verder evolueert. Niemand weet ook of de islam zich zal aanpassen aan de Europese tradities. We weten niet hoeveel de zeespiegel zal stijgen door de opwarming van de aarde. We weten niet of terroristen er ooit zullen in slagen om een kerncentrale op te blazen, om eens twee kwesties samen in één potje te koken. Die onzekerheid spoort aan tot voorzichtigheid. Maar je ontkomt nooit aan een kosten-batenvergelijking. Bij Russische roulette neem je een nogal groot risico. Maar elke keer als je een auto inhaalt die 60 rijdt waar 70 mag, neem je ook een risico. Je kunt bij dat inhalen frontaal op een tegenligger inrijden die je niet gezien had. Maar lange tijd aan 60 rijden waar 70 werkt op de zenuwen. Ikzelf probeer dan meestal in te halen.

** Alarmisme wordt erg beïnvloed door emotie. De zinloze slachtpartij van de Eerste Wereldoorlog fascineert mij meer dan de Spaanse Griep die erop volgde. Na een aanslag ben ik banger van een moslim die er in klederdracht, leeftijd en gelaatsuitdrukking ‘geradicaliseerd’ uitziet dan van een gewapende paracommando op straat. Als ik aan corona denk, ben ik banger voor het concrete beeld van een intubatie dan voor het abstracte beeld van dood te gaan. Al die emoties maken helder nadenken moeilijk. Het is beter om af en toe ook naar de cijfers te kijken. Maar alléén de cijfers en tabellen van slachtoffers afwegen, dat gaat ook niet. (zie hier)

** Of cijfers en ratio tot alarmisme aanleiding geven, hangt af van geval tot geval. Voor corona volg ik de redenering van Boudry en De Ceulaer dat vroeg en hard ingrijpen beter is dan laat en langdurig, maar hóe vroeg en hóe hard moet worden ingegrepen weet ik niet. Voor de immigratie volg ik Collier: beter laat dan nooit. En voor het klimaat volg ik de redenering van Lomborg dat laat ingrijpen beter is dan vroeg. We hebben nog even de tijd om na te denken welke maatregelen het beste werken. Er zijn in de wereld problemen die dringender zijn zoals malaria, hiv, ondervoeding en slecht sanitair. Ook mogen we aannemen dat de maatregelen – bijvoorbeeld dammen tegen overstroming – in de toekomst goedkoper zullen zijn dan nu, niet in absolute cijfers, maar als deel van het ondertussen gestegen bruto wereld product.

** De coronakwestie en de klimaatkwestie hebben dan weer gemeen dat wetenschappelijk onderzoek – R&D in het jargon – een belangrijke rol moet spelen. Nieuwe vaccins, antivirale medicijnen, propere en goedkope kernenergie, efficiënte CO2-captatie, het zal er allemaal niet vanzelf komen. Op dat vlak moet niemand mij voor wetenschapsontkenner uitmaken. Of voor quietist.

 

(1) Sam Van Rooy (VB) is heel stellig over het percentage: ‘Niet 8 of 9 procent, maar 10 %’ en hij verwijst naar een studie van het Renselaer Polytechnic Institute.’ (hier)

(2) Zie  hierhierhier, hierhier en hier. 

(3) Gezond verstand is niet onfeilbaar, maar het helpt. Het helpt je om te begrijpen dat mondkapjes wel iets moesten helpen tegen een virus dat zich verspreidt via speekseldruppeltjes, ook al zeiden experts indertijd het tegendeel. Het helpt je om te begrijpen dat als één zieke twee mensen kan besmetten, dat twee er dan vier kunnen besmetten, enzovoort, ook al beweren sommigen dat je wiskundig geschoold moet zijn om die redenering te kunnen volgen. 

vrijdag 29 januari 2021

Marc en het populisme


      Ik vroeg aan mijn vrouw of ze de laatste column van Reynebeau wou doorsturen. Ha, die column  van Marc, zei ze. Ze noemt hem dus Marc! Dat zal ik dan ook maar doen. ’t Is een korte naam en dat is gemakkelijk als je hem vaak moet herhalen. Bovendien, in een polemisch stukje klinkt zo’n voornaam een beetje denigrerend, wat mooi meegenomen is.
     Marc heeft dus een column geschreven over de Nederlandse rellen tegen de avondklok, en voor hem is het een gelegenheid om eens flink zijn mening te zeggen over het populisme en de populisten. Hij is er tegen*. Hij is meer van het politiek-correcte kamp. Binnen dat kamp is hij de tegenpool van Tom Naegels. Die laatste redeneert zorgvuldig, stap voor stap, genuanceerd; hij formuleert slim, soms geestig, zoekt dekking als het nodig is, en wist zijn sporen. Vaak wil ik antwoorden, hem aanvallen op de flank, maar dan zie ik dat hij ook daar een goed gecamoufleerd verdedigingsmuurtje heeft opgetrokken. Maar voor Marc is dat allemaal tijdverlies. Hij werkt anders: identificatie van de slechteriken (Trump! Steve Bannon!), schermutselingen in het luchtledige, stromannen, hyperbolen, sarcasme, intentieprocessen, en af en toe een exotische term die we al lang niet meer hadden gehoord zoals sociaaleconomische ‘vervreemding’.
     De relschoppers in Nederland, beweert Marc, zijn ‘misschien’ de voorhoede van het Europese populisme 2.0. Dat ‘misschien’ is het tweede woord van de tekst, en staat daar goed op zijn plaats. Als redenering is het immers een doodlopend straatje en dat weet Marc ook. Het corona-probleem is er een op korte termijn en is niet, zoals migratie, een kwestie die al enkele generaties aansleept en die dat nog enkele generaties zal blijven doen. Bovendien zegt Marc zelf, en hij citeert heuse ‘in de VS docerende politicologen’, dat populistische ideeën slechts aanslaan als ze worden overgenomen door politiek centrumrechts. Dat is met corona niet gebeurd, en dat zal nu ook niet meer gebeuren. 
     Vervolgens, ook niet onbelangrijk, past de ‘coronascepsis’ niet zo goed in de definitie die Marc van het populisme geeft: nativistisch, nationalistisch, autoritair en illiberaal. Die eerste twee kenmerken hebben met de corona-acties weinig te maken, en die laatste twee zijn eerder van toepassing op de corona-politiek van de regeringen dan op het verzet ertegen. En ten slotte: wie de relschoppers op de filmpjes bezig heeft gezien zal zich twee vragen stellen. Waarom stelen die lui nu prularia in plaats van nuttige voorwerpen zoals televisies – wat je altijd ziet bij rellen in de VS? En wat heeft dat allemaal met politiek te maken? Maar dat is weer een ander verhaal.
     Midden in zijn stukje verandert Marc dus wijselijk van onderwerp en bezint zich over de vraag waar het populisme vandaan komt. Ja, waar komt het vandaan? Volgens Marc komt het bijvoorbeeld van de blanke Europeaan die vreest dat men ‘oude tradities’ zou verbieden, zoals Zwarte Piet, en ‘warempel, nu ook Pippi Langkous’. Ik begrijp niet goed waarom Marc hier ‘zou’ gebruikt. Zwarte Piet ís ondertussen verboden op Facebook, en nu wil men in de Gentse bibliotheken ‘warempel ook’ waarschuwen voor de Pippi Langkous-boeken. Mij lijkt het dat het hier de verbieders en de waarschuwers zijn die zich illiberaal en autoritair opstellen.
     Aan het einde van zijn tekst, in zijn zevende alinea, graaft Marc nog wat dieper. Bart De Wever zei onlangs op de televisie dat populisme een reactie is van de ‘verliezers van de globalisering’. Zoiets zit Marc dwars. Dat moet worden weerlegd als het ‘ultieme cliché’. Alleen, die weerlegging komt er niet. Iets een cliché noemen is onvoldoende. Iets met ‘zou’ formuleren, bewijst niet dat het onwaar is. En iets als een afleidingsmaneuver omschrijven om ‘geen aandacht te moeten hebben voor de groeiende sociale ongelijkheid’ – zoiets telt evenmin als argument.
     Het is nochtans een eenvoudige vraag: bestaan ze echt, de ‘verliezers van de globalisering’ die de lasten krijgen van  ‘de moeilijke diversiteit’? Als Marc vindt dat die verliezers niet bestaan, dat hij het dan zegt. Als Marc vindt dat migranten op de arbeidsmarkt géén neerwaartse druk uitoefenen op de lonen** en dat migranten met vervangingsinkomens géén probleem vormen voor de sociale zekerheid, dat hij dan als een man opstaat, op tafel slaat en dat luidop zégt. Of schrijft, want ik laat mij weer meeslepen door mijn verbeelding.
     Maar Marc zegt of schrijft dat niet. In plaats daarvan schrijft hij dat het populisme een reactie is op telkens herhaalde vernederende uitspraken. Daar zit een kern van waarheid in als je denkt aan uitspraken als die van Hillary Clinton over de deplorables. Maar Marc denkt aan andere uitspraken. Hij maakt er een lijstje van en plaatst ze onder de noemer 
opinions chics  een uitdrukking die hij overneemt van Bart De Wever.
     Eigenlijk zouden die ‘opinions chics’ uitspraken moeten zijn die je vaak letterlijk hoort of zegt in een burgerlijke conversatie - anders zijn ze niet 
chic. Ik citeer het hele lijstje en heb het voor de aardigheid gerubriceerd: ‘dat arbeid niets mag kosten (a), dat coöperatie moet wijken voor concurrentie (b), dat tegenslag altijd aan eigen falen is te wijten (c), dat collectieve voorzieningen te duur zijn (d), dat armoede slechts voortvloeit uit verkwisting en luiheid (e), dat aanpassing en integratie maar van één kant moeten komen, die van de machtelozen (f), en dat wie het moet stellen met een uitkering slechts een potentiële fraudeur is die desnoods met detectives moet worden opgespoord (g).’ Dat is het discours dat ‘de waardigheid en het zelfbeeld van zoveel mensen aantast.’
     De status van het lijstje is onduidelijk. Beschrijft Marc veelgehoorde uitspraken? Of heeft hij het over bestaande praktijken. Of probeert hij weer te geven wat rechtse mensen denken in het diepst van hun gedachten? Alleen dat eerste – veelgehoorde uitspraken –  zou eventueel als vernederend ‘discours’ kunnen worden aangemerkt en als dusdanig verantwoordelijk zijn voor een populistische reactie.  In dat geval komen (c) en (e) in aanmerking, het ‘eigen falen’ en de ‘verkwisting en luiheid’. Maar die verwijtende uitspraken hoorde je, geloof ik, vooral in de negentiende eeuw. Dat uitkeringstrekkers ‘potentiële fraudeurs’ zijn (g) heb ik wel eens gehoord in een échte conversatie, maar die was niet burgerlijk. De linkse tegenhanger ervan, dat elke ondernemer een potentiële fiscale fraudeur is, heb ik vaker gehoord. De vraag ten slotte dat migranten zich zouden aanpassen aan het land van aankomst (f) is inderdaad een veelgehoorde uitspraak. Maar ik geloof niet dat ze behoort tot het discours waar de populistische kiezer zich aan stoort. Die stoort zich eerder aan het tegenovergestelde discours: dat hij zich moet aanpassen.
     De items (a) en (d), de lage lonen*** dus en de dure collectieve voorzieningen, die kunnen volgens mij moeilijk als vernederende ‘opinions’ worden omschreven. Het zijn eerder bestaande praktijken, wat niet wegneemt dat ze ook tot ontevredenheid kunnen leiden. Maar hier kun je andere vragen stellen. Zijn die lonen inderdaad te laag, en die voorzieningen te schaars? Vergeleken waarmee? Hoe moet daaraan worden verholpen? En, in de context van de populismediscussie: heeft een grote migratie-instroom daar een gunstige of ongunstige invloed op? Het loont de moeite om eens te lezen wat migratiespecialist Paul Collier daarover schrijft****. Ik geloof in elk geval niet dat (a) komt door (b), met andere woorden dat de lage inkomens veroorzaakt worden door de economische concurrentie en mededinging.
     Eigenlijk lijkt het of Marc met zijn lijstje vooral gepoogd heeft om de geheime gedachten van rechts weer te geven. Daar is hij dan niet goed in geslaagd. Op alle punten die Marc opsomt heb ik een behoorlijk rechts standpunt, meestal rechts van N-VA en O-Vld, maar de verwoordingen zijn zo gekozen dat ik er weinig in kan ontdekken van wat ik ongeveer denk. Ik maak een uitzondering voor (f): dat migranten zich best zo goed mogelijk aanpassen aan het land van aankomst. Dát vind ik wel. Ze moeten dat niet doen, zoals Marc schrijft, omdat ze ‘machteloos’ zijn, maar omgekeerd omdat ze dan zo snel mogelijk die toestand van machteloosheid achter zich zouden laten.
     Ik wil graag op een positieve noot eindigen: met de slotzin van de column kan ik akkoord gaan: een samenleving moet ‘zorgzaam en inclusief’ zijn. Daar vinden vinden Marc en ik elkaar. En in onze afkeer van clichés natuurlijk.

 

* Marc doet trouwens ook uit de hoogte tegen de anti-populisten want die ‘zwaaien’ met het woord ‘om zelf veilig, weldenkend, maar ook zeer onproductief, in het politieke centrum beschutting te zoeken.’ Het politieke centrum? Foei!

** De relatie tussen migratie en lonen is een moeilijke kwestie. Een kleine tot matige arbeidsimmigratie heeft volgens de meeste economen een gunstige invloed op de gehele economie en dus op het reële inkomen van iedereen, maar door de druk op de lonen, profiteren sommige bevolkingslagen, bijvoorbeeld de laaggeschoolden, er minder van dan de andere. Een te grote immigratie die niet goed is afgestemd op de arbeidsmarkt heeft een ongunstige invloed op de economie.

*** Je hoort werkgevers inderdaad zeuren over te hoge loonlasten, maar die worden dan in verband gebracht met de concurrentiepositie en de verhouding bruto-nettolonen, twee contexten die, geloof ik, niet ‘de waardigheid en het zelfbeeld’ van de werknemer aantasten.

**** Zie over Collier ook  hierhierhierhier en hier en hier.

dinsdag 8 december 2020

Het nationalisme, de profiterende kosmopoliet en de plumpudding


      Ik heb mij af en toe negatief uitgelaten over de Belgisch-nationalistische retoriek van Open-Vld. Dat is niet erg moeilijk, want tegen élke nationalistische retoriek is wel iets in te brengen, zeker ook tegen de Vlaamse. Die bezwaren worden voor mij goed samengevat door Boudewijn Bouckaert: ‘Als Vlaamsgezinde liberale politicus zag ik Vlaanderen … als een Gesellschaft, een civiele politieke entiteit verbonden door een rechten- en plichtenstructuur, maar niet als een Gemeinschaft verbonden door wederzijdse diepe affecties. Gemeinschaften zijn voor mij families, vriendschappelijke verbanden en verenigingen waarin de leden elkaar kennen ...* Wie een Geselschaft zoals Vlaanderen behandelt alsof het een Gemeinschaft zou zijn, komt terecht in gevaarlijk collectivistisch en zelfs totalitair vaarwater. Op de veronderstelde solidariteitsgevoelens … worden dan beleidslijnen geënt en wie die niet volgt is een slechte Vlaming die zijn gemeenschap verraadt.’**
     De waarschuwing van Bouckaert is terecht. Naties en nationalisme kun je niet wegtoveren, maar ze kunnen verstikkend zijn en aanleiding geven tot uitsluiting, discriminatie, xenofobie en racisme tegenover wie niet als lid van de natie wordt bekeken. Als er dan toch nationalisme moet zijn, dan hoort het inclusief te zijn. Tot daar ga ik akkoord. Maar is de strikte tweedeling Geselschaft-Gemeinschaft ook terecht?
     Ik geloof het niet. Het boek van Paul Collier*** heeft mij overtuigd dat veel zaken best geregeld worden binnen het kader van de natiestaat. Stamverbanden zoals in Afrika bieden niet de juiste schaalgrootte, en supranationale instellingen zoals de Europese Gemeenschap en de Verenigde Naties zijn politiek te heterogeen.
     Nu kun je in principe die natiestaten bij elkaar houden met redelijke argumenten en democratisch gestemde wetten, een ‘rechten- en plichtenstructuur’. ‘Diepe affecties’ lijken daarbij niet noodzakelijk. Burgers die solidair belastingen betalen, ambtenaren die hun best doen ook al staat daar geen loonsverhoging tegenover, jongeren die gehoorzamen aan politiebevelen, parkbezoekers die geen vuilnis laten slingeren – het kan allemaal rationeel worden verantwoord en in wetten en reglementen worden gegoten. 
     Maar zo werkt het niet, zegt Collier. Zo autistisch zijn de mensen niet. Gevoelens zet je niet tussen haakjes. Nochtans, als het om zijn gevoelens gaat, is Collier allesbehalve een nationalist. Hij voelt zich een wereldburger. In zijn gezin hebben ze paspoorten met drie verschillende nationaliteiten. Hij werkt meer in het buitenland dan thuis. Hij kent Afrika wellicht even goed als zijn eigen land. Kortom, zijn levensstijl is die van een kosmopoliet.
     Maar, en dat is het leuke, Collier beseft dat hij tot de uitzonderingen behoort. Hij voelt zich een beetje een profiteur, een parasiet.**** Hij denkt dat zijn levensstijl maar mogelijk is omdat zijn uitvalsbasis Engeland wordt samengehouden door het nationaal gevoel van de gewone burgers die geen kosmopolieten zijn, mensen die zich in een nationale identiteit herkennen, die emotioneel gehecht zijn aan gewoonten en tradities: the queen, plumpudding, cricket, snooker, ingewikkelde inhoudsmaten, een gecentraliseerd gezondheidssysteem, alsook de rationele waarden van democratie, rechtsstatelijkheid, tolerantie en wetenschap.
     Wie, zoals Collier en ik, die rationele waarden als de kern van onze westerse beschaving beschouwt, moet niet spuwen op de verdedigingsmuur errond. Die muur staat daar goed. De stenen ervan moeten niet te gelijkvormig zijn. En de muur mag natuurlijk af en toe worden opgekalefaterd. In Vlaanderen heeft men het vendelzwaaien achter zich gelaten. In Engeland mag het gezondheidssysteem wel wat vrijer. En als ik in London kom, eet ik liever een Indische rijsttafel dan een pudding met – bah – pruimen.

 

* De constante van Dunbar stelt dat het aantal personen met wie we een zinvolle relatie kunnen onderhouden, ongeveer 150 is.

** Professorale belevenissen van Boudewijn Bouckaert (2017), Acco, Leuven.

*** Zie ook hier, hier en hier.

**** ‘Levensstijlen zoals die van mijn gezin,’ schrijft Collier, ‘zijn afhankelijk van – en parasiteren mogelijk op – de mensen van wie de identiteit wél vast ligt en die ons daardoor de levensvatbare samenlevingen bieden waaruit wij kunnen kiezen.’

dinsdag 1 december 2020

Alexander en het Belgische nationalisme

  


     Dat team van 11 miljoen Belgen waar Alexander De Croo zo graag over spreekt, is er een beetje met de haren bijgesleept. En nu die driekleurige advertentieposter … Maar ik wil er hem niet te streng op aanspreken. Als een politieke tegenstander van mij zich een beetje belachelijk maakt, zal ik hem geen strobreed in de weg leggen. Toch heeft de campagne heeft mij ook aan het denken gezet, met name over het Belgisch nationalisme.
     Op zich is het niet onverstandig om solidariteit aan te wakkeren met een scheut emotioneel nationalisme. Maar de omstandigheden moeten gunstig zijn. Als de Rode Duivelsgekte op zijn hoogtepunt is, kun je zoiets wagen. Of mocht er voorafgaand aan de coronacrisis een sterk Belgisch nationalisme bestaan hebben, dan kun je daarvan profiteren in tijden van crisis.
     Maar dat Belgisch nationalisme is nooit erg levendig geweest. Paul Collier (zie ook
hier, hier en hier) vertelt van een Belgische ambassadeur die er trots op was dat hij zich géén Belg voelde. Als hij per sé een plaats moest noemen waar hij zich het beste thuis voelde, dan dacht hij aan een welbepaald dorp in Frankrijk. Dat zou je een Franse diplomaat nooit horen zeggen, schrijft Collier. En hij voegt er een verklaring aan toe: dat België en Canada met hun geografisch gescheiden taalgroepen geen twee, maar vier landen zijn. ‘Four states,’ schrijft hij wat voorbarig. En binnen elk van die vier landen is dan wél een grotere nationale cohesie aanwezig.
     Nu heb ik er geen probleem mee dat Alexander het Belgische nationalisme, dat zo zwakjes is, wat nieuw leven wil inblazen. Of dat nu voortkomt uit overtuiging, of uit politieke berekening*, het is zijn goed recht. Maar de coronacrisis is daar, lijkt mij, niet de goede gelegenheid voor. Communicatie is al zo’n moeilijk vak. Tegelijk een aantal onprettige maatregelen motiveren, en tegelijk de Vlamingen oproepen om zich meer Belg te voelen, dat vraagt al snel een dubbele inspanning.
    Begrijp mij goed. Ik zeg niet dat alle N-VA en Vlaams Belang-stemmers, ongeveer de helft van de Vlamingen, overtuigde separatisten zijn, maar je zult er onder hen ook niet veel vinden die graag de driekleurige poster aan hun raam hangen. Is die poster onder zulke omstandigheden eigenlijk niet – ik huiver een beetje terwijl ik het neerschrijf – polariserend? Een poster die je ophangt in het verlengde van je stemgedrag? Dat zou jammer zijn. Mensen die het eens kunnen zijn over coronamaatregelen worden uit elkaar gespeeld omdat ze van mening verschillen over Vlaanderen en België.
     Ik begrijp de nood aan symbolen. De maatregelen moeten niet alleen verstandelijk worden beargumenteerd – alhoewel men dat véél meer zou mogen doen – maar ook de emoties moeten de ruimte krijgen die hen toekomt. Het dagelijkse applaus voor de zorgverleners was bijvoorbeeld een goed idee. Het is niet het soort acties waar ik warm voor loop, maar als symbool ligt het mooi in het verlengde van de materie waar het over gaat. De driekleur doet dat niet.
     Ondertussen hebben mijn vrouw en ik besloten de poster niet op te hangen. Het heeft geen zin. We wonen eenzaam aan de rand van het bos.  Niemand komt ooit ons raam voorbij. En visite hebben we voorlopig niet.

 

* Ik heb in een vorig stukje (hier) iets geschreven over die politieke berekening achter het Belgisch nationalisme van Open-Vld. Maar op Facebookpagina’s van Open-Vld’ers merk ik dat er onder die mensen wel degelijk een emotioneel Belgisch nationalisme bestaat, ondanks al die jaren waarin confederalisme het officiële partijprogramma was. Misschien denkt Alexander dat dat emotionele nationalisme ook veel aanhangers heeft buiten zijn partij? Nu ja, er zijn er natuurlijk, maar veel? Dat zou mij verwonderen. Bij groen-linksers bijvoorbeeld is belgicisme niet veel meer dan anti-flamingantisme en bij de meer elitaire belgitude-mensen is het een modieuze versie van wereldburgerschap. 

vrijdag 27 november 2020

Immigratie, ontwikkelingshulp en de kost-voor-ons

  

   Helemaal aan het begin van zijn boek, schrijft Collier (zie ook hier en hierdat er een morele verplichting bestaat om arme mensen van andere landen te helpen, maar dat dat niet inhoudt dat die mensen zich vrij in ons land mogen vestigen. De twee delen van de stelling zijn een aardig doelwit voor wie tot kritiek geneigd is.
     Neem het eerste deel. Móeten we de armen in andere landen helpen, meer zelfs, kúnnen we de armen in andere landen helpen? Collier is een specialist ter zake en geeft toe dat die hulp vaak erg weinig zoden aan de dijk zet. Toch blijft hij voorstander van zo’n hulp, omdat ze toch iets oplevert – alle beetjes helpen – en omdat hij zich beter in zijn vel voelt  in een hulpvaardige, solidaire samenleving, dan in een egoïstische elk-voor-zich maatschappij.* 
     Zo’n houding komt dicht in de buurt van het ‘helpen voor het eigen goede gevoel’ dat Jan Van Duppen graag over de hekel haalt. Maar dat goede gevoel is natuurlijk de reden waarom we bijna alles doen: eten, drinken, seks, hardlopen met douche achteraf, op Youtube naar filmpjes kijken waarin iemand uitglijdt over een bananenschil. Waarom dan niet lekker allemaal samen mensen helpen? Excuses verzinnen om niet te helpen, doe je ook voor het goede gevoel, en dat lijkt mij moreel iets minder. Dan liever helpen.**
     Daarmee komen we aan deel twee. Het binnenlaten van immigranten uit arme landen is zonder enige twijfel een vorm van hulp. Voor de migranten zelf, want als ze in een Westers land werken, kunnen ze met dezelfde arbeidsinspanning gemakkelijk 400 % meer verdienen dan in het land van herkomst, zonder dat daar iemand anders iets bij verliest. Het is, zegt Collier, wat in de economie het dichtste komt bij een ‘free lunch’. Bovendien zullen ze een deel van dat inkomen doorstorten naar de familie in het land van herkomst, gemiddeld jaarlijks 1000 dollar per persoon***, samen 400 miljard dollar per jaar, wat vier keer meer is dan alle ontwikkelingshulp samen.
     Toch zijn die geldstortingen vandaag geen argument voor een ruimer immigratiebeleid. Het tegenovergestelde is waar. Het is juist een strikt immigratiebeleid dat samengaat met hogere stortingen, en een ruim migratiebeleid met lagere stortingen. Dat komt vooral doordat men in dat laatste geval gewoon de familieleden laat overkomen, in plaats van geld voor hen te storten.
     Die geldstortingen laten zien dat willen helpen onvoldoende is voor goed beleid. Voor je het weet, bereik je het tegenovergestelde van wat je nastreeft. En dat is een eerste reden om hulp aan arme landen en vrije immigratie niet op één hoopje te gooien. De tweede reden ligt voor de hand: met een ruim immigratiebeleid helpen we alleen een beperkt aantal individuen uit de arme landen, en dan nog degenen die de hulp minder nodig hebben dan de achterblijvers. Wellicht kunnen we dus, als we goed nadenken, met eenzelfde kost voor ons, meer hulp bieden aan hen die ze het meest nodig hebben.
    Die kost-voor-ons is een belangrijk gegeven in de redenering van Collier en beslaat deel twee van het boek. Weegt die kost op tegen het onmiskenbare voordeel die migranten halen uit hun verhuis? Zo’n vraag schept een utilitaristisch kader, en Collier wil het moreel debat niet tot dat kader verengen. Hij betrekt er het bestaansrecht van de natie bij, en past een soort Gouden Regel toe op de betrekkingen tussen gemeenschappen, waarbij de voordelen niet uitsluitend aan één kant mogen liggen.  Maar zelfs zonder de omweg van de Gouden Regel en het bestaansrecht van naties, brengt hij genoeg elementen aan om een afweging te maken.
     Langs de kant van de migrant wordt het torenhoge economische voordeel enigszins getemperd door de lage sociale positie die hij inneemt in de nieuwe maatschappij. En langs de kant van de autochtoon stapelen de nadelen zich op. Wellicht is er ooit een direct economisch voordeel geweest, in de tijd van de ‘gastarbeid’, maar dat veranderde in een nadeel naarmate de tewerkstellingsgraad van de migranten verminderde. Belangrijker nu zijn de sociale nadelen: meer wantrouwen, verhoogde criminaliteit, vandalisme, profitariaat ... Dat zijn allemaal kwalen die ook zonder immigratie voorkomen, maar ze nemen er wel door toe, zowel onder allochtonen als, misschien verrassend, onder autochtonen.
     Uiteindelijk moeten die sociale nadelen ook tot economische nadelen leiden. Meer wantrouwen bijvoorbeeld leidt tot stijgende ‘transactiekosten’. Er zijn altijd maar meer advocaten nodig. Leraren en scholen moeten zich beter indekken met papierwerk en dossiers, ziekenhuizen moeten een groter deel van hun inkomsten apart leggen voor processen wegens – soms kleine –  medische fouten. En wie gaat de schade betalen die juf Magalie geleden heeft? Niet de ouders die klacht neerlegden, want die hebben, naar het schijnt, ‘correct en zorgvuldig gehandeld.’ **** Moet er dan een fonds worden aangelegd voor de toekomstige Magalies?
     Hoe hoog lopen die sociale kosten eigenlijk op als je ze samentelt? Collier klaagt niet graag over het verleden. Wat gebeurd is, gebeurd. Gedane zaken nemen geen keer. Maar als het om de toekomst gaat, hoopt hij vurig op een succesvol afremmen van de migratie en op een spoedige en succesvolle integratie van de diaspora. Als praktisch ingesteld man, heeft hij voor die integratie een aantal redelijke voorstellen, maar hoe snel die resultaat kunnen opleveren, daarover durft hij niet te speculeren.
     Ik zie op Facebook soms landkaarten passeren, gepost door global warmers, waarop heel Vlaanderen in de toekomst overspoeld is door de Noordzee. Dat is sneu voor Vlaanderen. Wat zijn de equivalente doemscenario’s voor migratie? Die bestaan: de ‘rivers of blood’ van Enoch Powell, de ‘soumission’ van Houellebecq, de rechtse dictaturen in dystopische films als ‘Children of Men’ of ‘V for Vendetta’, waar respectievelijk de migranten en de moslims gewelddadig worden onderdrukt. Je weet niet wat erger is: die rivieren, die onderwerping of die onderdrukking.
         Dystopische voorspellingen komen meestal niet uit. Dat weet Collier, en hij is voorzichtig. In zijn slot verwoordt hij het zo: ‘Het is mogelijk dat een permanent toenemende culturele diversiteit  geleidelijk de zorg voor elkaar ondermijnt en dat niet-geïntegreerde diaspora’s blijven vasthouden aan disfunctionele aspecten van de sociale modellen van hun thuislanden … Zoiets zou wel eens verrassende gevolgen kunnen hebben.’ 
     Wie het gehele stuk doorneemt, zal zien wat met die verrassende gevolgen bedoeld wordt: een blijvende economische ineenstorting en stagnatie. Dat is dan een serieuze kost-voor-ons.

  

* Hij geeft terloops nog een derde argument. Een deel van de ontwikkelingshulp zou kunnen worden gezien als een compensatie voor de opleiding die migranten ontvangen hebben in de landen van herkomst, waar de landen van aankomst dan van profiteren. De kost van die opleiding is volgens Collier van dezelfde ordegrootte als de ontwikkelingsbudgetten. 

** Er is natuurlijk een heel verschil tussen de morele plicht om te helpen en de wettelijke verplichting om belastingen te betalen voor ontwikkelingshulp. Dát is weer een heel ander probleem. 

*** De bedragen die migranten storten aan familie in de landen van herkomst variëren erg. Senegalezen in Spanje storten 50 procent van hun inkomen, Salvadoranen en Mexicanen in de VS respectievelijk 38  en 31 %, Marokkanen in Frankrijk 10 procent en Turken in Duitsland 2 procent. 

**** Dat was de uitspraak van de rechtbank. ‘Correct en zorgvuldig’ verwijst hier naar juridische normen, de enige die mogen meespelen in een proces. De rechter had dus waarschijnlijk gelijk. Maar in een gewone morele context, was het gedrag van de ouders allesbehalve ‘correct en zorgvuldig’.

 

donderdag 26 november 2020

19 waarheden over migratie

      Het is altijd aardig als een topeconoom – Paul Collier in dit geval (zie ook hier) – tot dezelfde conclusies komt als jijzelf. Hij pluisde daarvoor lijvige studies en rapporten uit, en jij hebt het met stukken uit de krant gedaan, en toch is het resultaat hetzelfde. Aardig. Misschien is het gewoon de waarheid?
     Het is wel een nadeel als je er een stukje over wil schrijven. Je wil dan voortdurend stellingen citeren en zeggen: zie je wel, Collier zegt het ook. En met die stellingen overtuig je niemand, want ze zijn eindpunten van telkens een hele rij argumenten die je moeilijk allemáál kunt kunt weergeven. Dan zou je immers het hele boek moeten overschrijven.
    Maar omdat er zoveel specialisten en politici zijn die het niet zeggen, voor één keer een lijstje stellingen van één die het wél zegt. 

1.     De grote inkomenskloof tussen arme en rijke landen houdt de migratie op peil en versnelt ze. Volgens de bekende Gallup-enquête zou 40 procent van de arme Afrikanen willen emigreren. Collier denkt dat dat een onderschatting is.

2.     Het zijn niet de armsten uit de arme landen die naar hier komen, maar zij die voldoende financiële middelen hebben om de reis te financieren.

3.     Als de inkomenskloof tussen arme en rijke landen in de eerste decennia verder vermindert, zal de immigratie tóch toenemen. De kloof zal nog lang groot genoeg blijven om de migratie aan te drijven, en tegelijk zullen er meer mensen zijn die de reis kunnen bekostigen.

4.     De Westerse landen zullen in de toekomst ongetwijfeld de immigratie veel strikter gaan beperken. De vraag is alleen of ze dat tijdig (en doordacht) zullen doen.

5.     De enigen die economisch grote winst halen uit migratie zijn de migranten zelf. Hun inkomen stijgt met honderden procenten. Andere spelers – de autochtonen, de achterblijvers – kunnen door immigratie enkele procenten aan inkomen winnen of verliezen. De arme autochtonen verliezen.

6.     Als migranten vanuit arme landen ongeschoold en ongemotiveerd arriveren, is dat nadelig voor het land van aankomst. Zijn ze geschoold en gemotiveerd, dan is het nadelig voor het land van herkomst.

7.     De migratie creëert een niet-geïntegreerde diaspora in het land van aankomst. Hoe groter die diaspora, hoe meer mensen zij verder aantrekt uit het land van herkomst, en hoe moeilijker ze te integreren valt.

8.     De groei van de diaspora wordt voor een groot deel bepaald door de zogenaamde ‘gezinshereniging’.

9.     Een niet geïntegreerde diaspora vergroot het wantrouwen tussen autochtonen en allochtonen en tussen autochtonen onderling. Dat gebrek aan vertrouwen ondermijnt de algemene levenskwaliteit, de sociale solidariteit en de productiviteit van de economie.

10.   Multiculturalisme betekent in de praktijk apartheid. Collier spreekt van ‘separatisme’, maar dat heeft in de Belgische context een andere betekenis.

11.   Voor migranten zijn vervangingsinkomens aantrekkelijker dan voor autochtonen. Die inkomens zijn wel laag, maar nog altijd veel hoger dan wat de migranten gewoon waren in het land van herkomst.

12.    Migranten stemmen in het land van aankomst met een grote meerderheid voor linkse partijen.

13.  Vanuit economisch standpunt zijn culturen en instituties niet gelijkwaardig. De zakelijke burgercultuur van het Westen heeft gezorgd voor de economische welvaart waardoor de migranten aangetrokken worden.  De eer- en clancultuur* van het land van oorsprong veroorzaakt de economische stagnatie waar migranten van wegvluchten.

14.   Ook als de inkomenskloof tussen arme en rijke landen verdwijnt, en de migratie stilvalt –  zeg binnen 100 jaar –, dan kan een grote niet-geassimileerde diaspora voor problemen blijven zorgen.

15.   Vrijhandel, vrije investering en vrije immigratie zijn verschillende dingen. Ze hebben elkaar niet nodig. Meer zelfs, met vrijhandel en vrije investering bereik je dezelfde economische voordelen van immigratie, maar zonder de sociale nadelen.**

16.   Immigratie is geen remedie tegen de vergrijzing – of hoogstens heel tijdelijk.

17.   Het aantal asielzoekers is vermoedelijk tien keer groter dan het aantal dat echt aan de criteria voldoet. Dat is een heel andere verhouding dan die tussen geweigerde en toegelaten asielzoekers die vaak fifty-fifty is. In de woorden van Collier: ‘Het aantal asielzoekers is waarschijnlijk een orde van grootte meer dan het wettige aantal. Dat komt omdat het zo moeilijk het is om verklaringen [van asielzoekers] over vervolging te controleren.’***

18.  De criteria voor uitwijzing zijn te streng. Britse rechtbanken willen slechts uitwijzingen uitspreken naar 4 van de 54 Afrikaanse landen. Alle andere regimes zijn niet democratisch genoeg.

19.   Het standpunt van een groot deel van links kun je als volgt samenvatten: stel de kwestie als onbelangrijk voor, laat zoveel migratie toe ‘as you can get away with’, en zeg dat iedereen er voordeel bij heeft.



* De eer- en clancultuur is nauw verbonden met het victimisme. Een typische Westerse houding is die van Clinton, die verkiezingen won met het zinnetje ‘It’s the economy, stupid’. Plaats daartegenover een typisch Afrikaans zinnetje: ‘De Dinka is onrecht aangedaan door de Nuer.’ Vroeger waren alle culturen eerculturen.

** Collier heeft het voorbeeld van de textielindustrie. Op een bepaald ogenblik is die industrie niet meer productief genoeg om voldoende hoge lonen uit te betalen. Dan kun je arbeiders aantrekken uit lage loonlanden. Je kunt echter beter meteen die industrie verplaatsen naar dat lage loonland.

*** Het is uit de context niet duidelijk wat Collier met asielzoekers bedoelt: iedereen die een aanvraag doet, of iedereen die goedgekeurd wordt. Ik denk het eerste.