Posts tonen met het label Donald Trump. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Donald Trump. Alle posts tonen

donderdag 17 februari 2022

P.J. O'Rourke (14 november 1947-15 februari 2022)*

 

     Omdat mijn vrouw talrijke nieuws-sites volgt, is ze goed geplaatst om mij op de hoogte te houden van relevante overlijdens. ‘Weet je wie er dood is,’ vraagt ze, en dan geeft ze zelf het antwoord: Joan Didion! Of Lina Wertmüller! Of Ghislaine Nuytten! Of Peter Bogdanovich! Gisteren was het P. J. O’ Rourke, de Amerikaanse humorist, die het tijdelijke met het eeuwige verwisseld had. 
     Dat O’ Rourke een humorist was, zag je vaak al aan de titels van zijn stukken. Deze bijvoorbeeld: ‘How to Drive Fast on Drugs While Getting Your Wing-Wang Squeezed and Not Spill Your Drink.’ Zo’n titel illustreert meteen twee constanten in het werk van P. J. : het onbeschaamde consumentisme, dat wij bijvoorbeeld ook terugvinden bij een totaal andere, maar even Amerikaanse, humoriste als Norah Ephron. En ten tweede: het belang dat P. J. hechtte aan goede manieren. Hij heeft een heel boekje geschreven over ‘Modern Manners.’ Hij noemde het ‘etiquette for very rude people’. Hoewel het boekje van 1988 dateert, is het verrassend modern. Het behandelt vragen als ‘How do you introduce a younger sister who, until recently, was a younger brother.’ Het verstrekt ook kledingadvies voor mannen (‘Never wear a tie that is louder than your wife’) en voor vrouwen (‘Never wear anything that panics the cat’).
     Van mijn vrouw, om op haar terug te komen, heb ik niet alleen P. J.
s  overlijden vernomen. Ook van zijn bestaan heeft ze mij indertijd op de hoogte gebracht. Ergens in 1987 bracht ze een boekje in huis dat ze gekocht had bij WH Smith. Dat boekje was Republican Party Reptile. Ik las het en werd in Amerikaanse aangelegenheden, waar ik overigens niet veel van afweet, een levenslange Republikein. P. J. vertelt over zijn Republikeinse grootmoeder die zich zorgen maakte over haar kleinzoon die op de universiteit in extreem-linkse richting ontspoord was. 
- ‘Pat,’ she said, ‘I’ve been worrying about you. You’re not turning into a Democrat, are you? 
- ‘Grandma,’ I said, ‘Democrats and Republicans are both fascist pigs. LBJ is slaughtering helpless Vietcong and causing riots in America’s inner cities and oppressing workers and ripping off the masses. I’m not a Democrat. I am a Maoist.
‘Just so long as you’re not a Democrat,’ said my grandmother.
     Ik vond dat hilarisch. Hier sprak een Amerikaanse ex-maoist tot een Vlaamse ex-maoist. De Amerikaanse ex-maoist was ondertussen libertair geworden, en ik besloot dat ook te worden. Toen ik later P. J.’s Parliament of Whores las, zag ik dat mijn beslissing de juiste was geweest. De schets die P. J. in dat boekje maakte van het Amerikaanse politieke bedrijf was niet alleen ongemeen grappig, ze was ook ‘juist’, dat wil zeggen gegrond in journalistieke observatie, uitgebreid literatuuronderzoek, heldere analyse, logisch doordenken, en ze gaf blijk van een ‘esprit de finesse’, van een oordelend en aanvoelend vermogen dat goed aansloot bij mijn eigen temperament.
     Binnen het libertarisme zijn er veel strekkingen en nuances. Je hebt het ‘smalle’ en het ‘brede’ libertarisme**, het extreme en het gematigde, het libertijnse en het puriteinse, het pragmatische en het principieel-ethische, het optimistische en het pessimistische, het rationele en het viscerale. Zelf sta ik met mijn sympathieën mooi in het midden en vind allerlei moois aan beide kanten van de verschillende spectra. Ik ga  geen rijbewijs C halen om mee te kunnen rijden met de visceralen van het vrijheidskonvooi, maar tegelijk bekijk ik het hele gedoe met die vrachtwagens toch met enige sympathie. t Is goed, denk ik dan, dat de zaak van de vrijheid niet alleen verdedigd wordt door razend intelligente ingenieurs zoals Luc Van Braekel, en een de kool en de geit sparende middle brows zoals ik. Anders zag het er voor die zaak niet goed uit.
     Men kan dat gebrek aan consistentie van mij betreuren, en het is ook wel een zwakheid, maar ik moet niet verder proberen te springen dan de stok van mijn logica lang is. En tot mijn geruststelling zag ik bij P. J.  ook de nodige inconsistenties opduiken. Enerzijds verzon hij titels als ‘Don’t Vote. It Just Encourages the Bastards’, maar zelf schrok hij er niet voor terug om stemadvies te geven, de  laatste keer zelfs voor Joe Biden. ‘He’s wrong about absolutely everything, but he’s wrong within the normal parameters of wrong.’ Dat zijn tegenstander Donald Trump zich niet binnen ‘normal parameters’ bewoog, zullen velen onderschrijven, ook van degenen die niet, zoals P. J.  tot de welgestelde New England upper class behoren. Mij trof in die formulering vooral de voorkeur die eruit sprak voor proportie boven ideologie***.
     De humor van P. J. had, zoals dat vaak het geval is, stevige wortels in een cynische visie op de mens en op zichzelf. Buitenlandse oorlogen bijvoorbeeld omschreef hij als confrontaties van ‘unspellables’ tegen ‘unpronouncables’. Dat lijkt erg harteloos en is in elk geval niet erg politiek correct. Maar juist daardoor komt zo’n cynisme vandaag, nu zoveel dingen wél politiek correct zijn, tegemoet aan een behoefte. Er bestaan zeker mensen die echt hartzeer ondervinden als ze in de krant lezen over buitenlandse oorlogen, of journalisten die persoonlijk lijden als ze daarover berichten, maar er zijn er ongetwijfeld nog meer die tegenover anderen en tegenover zichzelf een medelijden veinzen dat ze niet voelen. Dat gebrek aan medelijden is een ondeugd, maar die huichelarij is ook een ondeugd. Een goede humorist slaagt erin om die twee ondeugden in één en dezelfde zin te hekelen en daar zelf nog plezier aan te beleven.
    P. J. O’ Rourke was zo’n humorist.

 * Op Youtube vind je heel wat filmpjes waarin je P.J. aan het werk ziet. Zoals hierhier, hierhierhier en hier. Maar er zijn er veel meer. Voor wie op zoek is naar iets om een verloren halfuurtje aangenaam in te vullen.
** Het 
smalle libertarisme viseert de vrijheidsbeperkingen door de staat, het brede libertarisme viseert daarnaast ook de vrijheidsbeperkingen door sociaal milieu, gezin, opvoeding, tradities ... Je hoort ook wel eens van rechts en links libertarisme. Als dat over kwesties als immigratie gaat, is dat een legitiem onderscheid. Maar als links-libertarisme een vorm van socialisme inhoudt, wordt het woord misbruikt. In het beste geval wordt dan voorgeteld de dwang van de staat te vervangen door andere vormen van collectieve dwang.
** P.J. noemde het libertarisme overigens geen ideologie, maar een attitude.

donderdag 6 mei 2021

Corona-opposant of coronascepticus?

 


     Veel van mijn Facebookvrienden zou je tot de corona-oppositie kunnen rekenen. Ze vinden de huidige corona-maatregelen overbodig, gegrond in een verkeerde inschatting van het probleem, getuigend van angsthazerij, en een gevaar voor de democratie. Ze hebben daar goede argumenten voor, maar toch beschouw ik mij voorlopig niet als een opposant – eerder als een scepticus.
     Scepticisme is wel vaker een gemakkelijkheidsoplossing, en juist daarom voor iemand als mij erg aantrekkelijk. Eigenlijk zou ik voor elke corona-stukje dat ik schrijf uren onderzoek moeten doen en daar heb ik geen zin meer in: staren naar curves, cijfers vergelijken, voor de zoveelste keer opzoeken wat CFR en IFR betekenen, en een poging ondernemen om het verschil te begrijpen tussen de statistieken van Molenberghs en die van Barbé. Het heeft niet veel zin dat ik dat allemaal doe, want ik vergeet die informatie weer, de feiten veranderen, de wetenschappelijke artikels spreken elkaar tegen, en veel van de belangrijkste gegevens en verbanden zijn nog niet bekend – zoals Luc Bonneux ons onlangs nog eens voorhield. Virologen weten veel over de stekels van het virus, maar weinig over de verspreiding van het beestje.
     Men denkt soms dat een scepticus het tegenovergestelde is van een gelovige. Dat is niet zo. Het is omgekeerd. Een scepticus gelooft juist heel veel. Maar de scepticus weet dat zijn overtuiging niets meer is dan dat: geloven, aannemen. De scepticus gelóóft veel, maar weet weinig met zekerheid. Ik zou dan ook niet deugen voor de politiek. Een politicus op tv die ‘gelooft’ dat iets zus of zo is, krijgt van mijn moeder de schampere commentaar toegevoegd: ‘Die moet niet geloven, die moet weten.’
     Wat zijn dan de Twaalf Artikelen van mijn coronageloof?*

  1. Ik geloof, net als de vorige Amerikaanse president Trump, in massale vaccinatie. Als corona moet worden bedwongen door groepsimmuniteit, waar iedereen het over eens is, zou ik het liefst hebben dat die zo snel mogelijk wordt bereikt met zo weinig mogelijk slachtoffers. Of die immuniteit op natuurlijke of artificiële manier tot stand komt, is voor mij van ondergeschikt belang.
  2. Ik geloof in de veiligheid van vaccins. Ik geloof dat de risico’s op ernstige bijwerkingen veel kleiner zijn dan de risico’s die door covid zelf in het leven worden geroepen. Of dat zo is voor allerjongste leeftijdsgroepen, weet ik niet. Het zou mij verwonderen als het voor die allerjongste leeftijdsgroepen al goed onderzocht is.
  3. Ik geloof dat vaccins voorlopig het beste medische hulpmiddel zijn om de pandemie te bedwingen. Misschien heeft men wat te weinig aandacht besteed aan curatieve behandelingen, of aan andere mogelijkheden om preventief de immuniteit te versterken. Maar dat die andere mogelijkheden dezelfde cijfers van 100 % bescherming tegen zware covid kunnen voorleggen, lijkt mij weinig waarschijnlijk. Mocht blijken dat de vaccinatiebescherming veel lager is dan 100 %, of niet werkt tegen nieuwe varianten van corona**, dan moet ik een en ander opnieuw bekijken.
  4. Ik geloof in de werkzaamheid van ‘physical distancing’. Hier neem ik mijn toevlucht tot een andere gemakkelijkheidsoplossing: het a priori. Het coronavirus wordt doorgegeven door rechtstreeks of onrechtstreeks contact via speekseldruppeltjes. Als we minder contact hebben, zal ons speeksel minder snel bij naasten en onbekenden terechtkomen. Daar is geen speld tussen te krijgen. Of de curves de werkzaamheid van de maatregelen bevestigen, is een andere kwestie. Die curves worden door zoveel zaken tegelijk beïnvloed.
  5. Ik geloof ook in de werkzaamheid van ‘dwangmaatregelen’. Zónder dwangmaatregelen zou de gemiddelde Vlaming meer fysiek contact hebben met vrienden en familie dan met mét die dwangmaatregelen. Dwangmaatregelen zijn duidelijk. Als ik niet op restaurant mág, ga ik niet op restaurant. Als de regering alleen zou adviséren om niet op restaurant te gaan, zou ik dat af en toe wel doen. Dat die dwangmaatregelen moreel, opvoedkundig en juridisch dubieus zijn, ontken ik niet.
  6. Ik geloof in de dodencijfers. Besmettingscijfers worden beïnvloed door het aantal afgenomen tests; ziekenhuisopnames worden gestuurd door opname-criteria; bezetting van de iz-bedden wordt beïnvloed door het patiëntenprofiel***. Maar doden zijn doden en het zijn er nu al meer dan 24.000. Ik zal geduldig luisteren als iemand mij het onderscheid uitlegt tussen overlijden áán en mét corona, tussen oversterfte en ondersterfte, en tussen onze manier van meten en die van andere landen, maar de ordegrootte in ons land ligt rond de 20 000 en niet rond de 2 000.
  7. Ik geloof dat die dodencijfers veel hoger hadden kunnen zijn. Naar schatting 20 à 25 procent van de bevolking heeft al een coronabesmetting doorgemaakt. Zonder de beperking van het fysieke contact zou dat volgens epidemiologische berekeningen al lang 70 à 75 procent geweest zijn. Dan zou het aantal overlijdens ook twee à drie keer zo hoog zijn als het nu was (en dan waren we ervan af – dat is de andere kant van de medaille).
  8. Ik geloof in compenserende maatregelen. Als je prioriteit geeft aan het open houden van de scholen en bedrijven, dan moet je gaan bezuinigen op familiaal contact; als je het internationaal vrachtverkeer laat doorgaan, moet je bezuinigen op toerisme, als de kappers open gaan, moeten de restaurants dicht blijven.
  9. Ik geloof dat een algemene lockdown preventief beter werkt dan een ‘omgekeerde’ lockdown voor het kwetsbare bevolkingsdeel. Om te beginnen is die laatste niet ‘omgekeerd’. Het kwetsbare deel van de bevolking valt nu al onder de algemene lockdown-maatregelen. Je keert die lockdown dus niet om, maar je beperkt hem tot het kwetsbare deel. Daardoor valt de brede schutkring van de algemene lockdown weg en kan de besmetting makkelijker doordringen tot de kwetsbaren. Behalve natuurlijk als de ‘omgekeerde’ lockdown veel strikter, strenger en repressiever wordt toegepast. Wil iemand dat?
  10. Ik geloof dat de ziekenhuiscapaciteit een belangrijke rol moet spelen in het coronabeleid. Die capaciteit is per definitie begrensd en kan niet zomaar onbeperkt worden uitgebreid vanwege een epidemie of pandemie die zich eens om de zoveel jaar zou kúnnen voordoen. Een te snelle verspreiding van het virus vertaalt zich in pijnlijke keuzes die onze samenleving liever niet maakt: welke covid-patiënt behandelen we en welke niet, en in welke mate de voorkeur wordt gegeven aan covid-patiënten boven andere patiënten. Uiteraard zal een tragere woekering van het virus het ziekenhuisprobleem in de tijd spreiden, wat evenmin prettig is.
  11. Ik geloof dat een lang en gezond leven een van de vurigste wensen is van de meesten van ons. Wij zijn bereid daarvoor veel zaken op te offeren, te veel wellicht. We zijn gestopt met kettingroken op café of op vergaderingen, we eten minder koolhydraten, die nochtans erg lekker zijn, we zitten uren op de hometrainer, we vrijen met een condoom, we dragen een autogordel in de auto en een brommerhelm op de brommer, we gaan twee keer per jaar naar de tandarts, we spuiten in onze neus, druppelen in onze ogen en nemen witte, roze en groene pilletjes, we nemen geregeld plaats vóór, áchter of ín allerlei medische apparatuur. En we zijn bereid ons daar individueel en vooral collectief blauw aan te betalen. Als het op gezondheid aankomt is er in onze samenleving een meerderheid van angsthazen en een minderheid van stoïcijnen. Het is dan begrijpelijk dat het beleid vooral met die meerderheid rekening houdt****.
  12. Ik geloof dat ik wel eens van mening kan veranderen als alles te lang duurt. Al mijn argumenten zijn onderhevig aan gevoel voor proportie dat, volgens het motto van mijn weblog, het verschil maakt tussen ‘beschaving en barbarij’. Als ik krantenkoppen lees ‘Coronamaatregelen blijven nodig ook als iedereen gevaccineerd is’, word ik wantrouwig. Als ik sommige van de 3000 reacties lees op de pagina van Joren Vermeersch***** over het politieoptreden bij La Boom 2, dan vrees ik dat ‘het juichen bij een publieke terechtstelling omdat iemand de regels overtrad niet veraf meer is,’ zoals een lezeres het op dieazelfde pagina verwoordde.

     De slotformule van de Akte van geloof, meen ik mij te herinneren, was dat je in dat geloof wilde leven en sterven. Dat laatste wil ik gerust nog wat uitstellen.


* Mijn geloofsbelijdenis is, net zomin als die van Athanasius (296-373), volledig. Athanasius probeerde zich te onderscheiden van de Arianen, zoals ik mij hier probeer te onderscheiden van de opposanten. Mijn meningsverschillen met de corona-extremisten heb ik in vorige stukjes al uiteengezet.

** Dan stelt zich ook het probleem of de natuurlijke groepsimmuniteit zal beschermen tegen de nieuwe varianten.

 *** Jongere, gezondere patiënten zullen langer een IZ-bed innemen dan oudere, ziekere patiënten die tijdens de behandeling overlijden.

**** Dat een beleid die angsthazerij bewust of onbewust kan aanwakkeren, zal ik niet ontkennen. Ook lijken ‘populisten’ met hun verzet tegen vrijheidbeperkende maatregelen een zeker politiek succes te boeken. Zoiets wijst in een andere richting.

***** Vermeersch had een genuanceerde kritiek geformuleerd op het politieoptreden bij La Boom 2.


dinsdag 23 februari 2021

Boudry en De Ceulaer over corona




In februari 2021, toen de pandemie nog maar goed begonnen was, publiceerden Maarten Boudry en Joël De Ceulaer een boek over corona. Ik heb daar toen enkele stukjes aan gewijd, en die zijn hier verzameld.
 
De economische schade door het virus zelf
      Je moet je als leek, vind ik, je geen oor laten aannaaien door een expert. Een pedagoog die met de boodschap leurt dat ‘herexamens’ niet helpen’, die moet bij mij niet aanbellen. Ik zou hem meteen vragen of dat ook geldt voor het rijexamen. Of ik zou hem zeggen dat hij eens bij de buren moet navragen of ik dáár niet ben. En ik zeg dat nu als gepensioneerde leraar, maar ik zou ook zo gereageerd hebben als ik nooit had lesgegeven.
     Zo is ook een economist die beweert dat ‘het virus zelf’ de economie meer schade berokkent dan een lockdown, bij mij aan het verkeerde adres. Ik weet net als iedereen dat de slachtoffers vooral onder gepensioneerden vallen, en díe zijn het niet die de economie rechthouden. Bij ons thuis is er maar één die de economie nog recht houdt en dat is mijn vrouw. Als die aan covid overlijdt, gaat het BBP achteruit, maar als ik eraan overlijd, zal het best meevallen.
     Tegelijk voel ik mij bij zo’n uitspraak wat ongemakkelijk. Ik wil weten wat die pedagoog of die economist écht bedoelen. Het zit mij niet lekker als ik tegen iets ben, waar ik de achtergrond niet van ken. Ik dacht dus: ik stel de vraag even op Quora: Waarom zou de economie meer schade ondervinden van het coronavirus zelf dan van een lockdown ertegen, zoals sommigen beweren? En ik stelde die vraag in het Engels om mijn net zo breed mogelijk uit te gooien. De reacties volgden onmiddellijk. Dat het gewoon zo wás. Dat ik geen vragen moest stellen waarvan ik in mijn verwaandheid het antwoord toch al meende te kennen. Dat de kudde-immuniteit een weerlegde theorie was. Dat alleen idioten tegen lockdown waren. Vooral die tweede reactie stoorde mij: ik kende het antwoord juist niet.*
     Gelukkig is er nu het boekje van Maarten Boudry en Joël De Ceulaer over corona. Daarin heeft Boudry een hoofdstuk aan de kwestie gewijd onder het lemma ‘Nevenschade’. Ook hij argumenteert dat ‘het virus zelf’ meer economische schade berokkent dan de maatregelen ertegen. Zijn argumenten zijn de volgende

  1. We moeten niet alleen de coronaschade opmeten die heeft plaatsgevonden, maar de vijf keer grotere schade** inschatten die zou hebben plaatsgevonden zonder lockdown
  2. Zonder lockdown, ‘ligt binnen de kortste keren de helft van je actieve bevolking thuis ziek in bed of in het ziekenhuis
  3. Een korte krachtige lockdown berokkent minder economische schade dan een die halfslachtig is, en in de tijd wordt gerekt.
  4. Ook zonder lockdown gaan de mensen tijdens een pandemie hun gedrag bijsturen en spontaan minder economische activiteit ontwikkelen – bijvoorbeeld minder naar de kapper gaan.

 Zó is het geen onzin meer. (1) is een veronderstelling, (2) is een overdrijving, (3) is minstens in theorie juist en (4) lijkt mij de kern van de zaak. Maar (4) brengt ons ook naar het gebied van semantische verfijning. Je zou de spontane gedragsbijsturing in coronatijden ook kunnen omschrijven als een ‘vrijwillige lockdown’, te onderscheiden van een ‘opgelegde lockdown’. Dan luidt de stelling dat de economische schade ten gevolge van een opgelegde lockdown minder groot is dan die van een vrijwillige lockdown, vooral als die eerste in ideale omstandigheden worden toegepast, dat wil zeggen kort, krachtig, uitgekiend en goed georganiseerd. Dát is een redelijke stelling. Alles wat in ideale omstandigheden wordt toegepast, en kort, krachtig, uitgekiend en goed georganiseerd is, levert een voortreffelijke kosten-batenbalans op.
     Ondertussen is het beter te zwijgen beter over een economie die schade ondervindt van ‘het virus zelf’. Zo
n formulering zorgt voor verwarring, en bij mensen als ik, voor wantrouwen en slecht humeur.

* De agressiviteit van de antwoorden kan ten dele verklaard worden door mijn gebrekkige Engels. Ik had geschreven ‘as some people pretend’, waarbij ‘to pretend’ blijkbaar een minder neutrale betekenis heeft dan het Nederlandse ‘beweren’.

** Dat ‘vijf keer grotere’ is een formulering die Boudry vooral gebruikt als het om de dodentol gaat. Het is zijn veronderstelling, die hij vaak herhaalt, dat eerste golf zonder lockdown 50 000 doden zou hebben geëist in plaats van 10 000. Op andere plaatsen gebruikt hij enigszins andere cijfers. Dan beweert hij dat we nu een dodentol hebben gehad van 20 000 maar dat het er zonder lockdown één van ‘50 000 tot 100 000’ zou zijn geweest.

Achterafklap

     Het corona-boekje van Boudry en De Ceulaer* kun je best omschrijven als een reeks luchtige columns, opgebouwd rond een hondertal alfabetisch gerangschikte trefwoorden. Er komen geen tabellen in voor, slechts zes grafieken, en ook met cijfers zijn de auteurs spaarzaam. Dat is prima. Ik heb indertijd gevraagd aan onze virologen om wekelijks zo’n column voor leken te schrijven waarin ze elke week iets anders zouden uitleggen over corona, in plaats van dagelijks hetzelfde te vertellen op televisie*. Boudry en de Ceulaer zijn geen virologen, maar ze hebben wel een boekje geschreven in de vorm die ik gevraagd had. Ik heb het dankbaar gelezen.
     Ik heb weer een en ander bijgeleerd. Nu weet ik dat die mist die ik bij vriesweer uitblaas eigenlijk mijn aerosolen zijn die voor één keer zichtbaar worden. En dat je de bevolkingsdichtheid van zo ongelijke landen als België en Zweden kunt vergelijken door het grondgebied te rasteren in stukjes van één vierkante kilometer, en dan alleen de vakjes mee te tellen waar mensen wonen.** En dat vleermuizen een kwart van alle zoogdieren op aarde uitmaken.
     Het boekje is anders geen neutrale samenvatting van de huidige kennis inzake corona, maar een verzameling van argumenten, redeneringen en principes die bruikbaar zijn om de kwestie te benaderen, en dan vooral om een heel streng anticoronabeleid te rechtvaardigen. Je hebt in heel grote lijnen drie kampen. Degenen die alleen de risicogroepen in de maatschappij willen afschermen van besmetting (‘omgekeerde lockdown’), degenen die de besmettingsgraad voldoende laag willen houden zodat de ziekenhuizen niet overbelast worden (‘flatten the curve’) en ten slotte degenen die de besmettingsgraad tot ongeveer nul willen terugbrengen zodat er niemand ziek wordt of overlijdt (‘crush the curve’). Als ik het goed heb, bevindt het treintje van onze televisievirologen zich ergens op de lijn tussen de tweede en de derde oplossing plaatsen, terwijl dat van Boudry en De Ceulaer al lang in station 3 staat.  
     Vanuit station 3, hebben ze veel kritiek op de blunders uit het verleden: de regering aarzelde te veel, kwam te laat met maatregelen en te vroeg met versoepelingen, de virologen susten, de communicatie was te geruststellend. Dat vat het zowat samen. Wie het daar allemaal niet mee eens is, zal door het boekje niet overtuigd worden. Iemand overtuigen is op zich al moeilijk en in kwesties waar pro en contra moeten worden afgewogen is het nog veel moeilijker. Laat ik het zo zeggen: de argumenten van Boudry en De Ceulaer zijn subtiel genoeg om de zwakke broertjes van het andere kamp te weerleggen, maar helaas kunnen die zwakke broertjes weinig aan met subtiliteit. En de sterke broertjes van het andere kamp hebben zelf ook subtiele argumenten.
      Zelf behoor ik in die materie tegen mijn gewoonte in tot geen enkel kamp. Maar als ik de beleidsblunders overloop die Boudry en De Ceulaer aanklagen, zijn er dat die ik ongetwijfeld ook allemaal zou hebben begaan, of andere die nog erger waren. Er is slechts één blunder die ik had vermeden omdat hij niet met mijn natuur strookt. Toen de gunstige berichten over de vaccinontwikkeling binnenkwamen zou ik niet te lang getreuzeld hebben en ik zou niet te scherp onderhandeld hebben over de prijs (zie ook hier). Ik zou daarentegen gulzige hoeveelheden van álle vaccins besteld hebben. Met die zekerheid van grote bestellingen, konden de farmaceutische firma’s grotere financiële middelen inzetten voor een massalere en snellere productie dan nu het geval is***. Als er uiteindelijk een of twee vaccins bij waren die niet werkten, dan kon ik ze nog altijd weggooien. En als ik met een overschot zat, zou ik die, na het inenten van de eigen bevolking, gratis verstuurd hebben naar de arme landen.
     Ik zou natuurlijk te veel hebben betaald, maar dat verlies stelt weinig voor vergeleken met de winst van een economie die één, twee of drie maand vroeger had kunnen opstarten. De winst en het verlies zouden, om het met de woorden van Boudry en De Ceulaer te zeggen, ‘asymmetrisch’ zijn geweest.  De EU is voor één keer te zuinig geweest, stel je voor. Alleen komt díe onbetwistbare blunder in het boekje niet ter sprake. Het moet grotendeels geschreven zijn toen de vaccinontwikkeling minder ver gevorderd was dan nu. Daardoor valt het voor mij nu wat onder de noemer  ‘achterafklap’, wat ook het trefwoord is waar de auteurs mee beginnen****.    

* Over het coronaboekje van Boudry en De Ceulaer heb ik hier al iets geschreven. Over mijn voorstel voor coronacolumns voor leken: zie hier. Over mijn vaccinatie-ongeduld: zie  hier.

** De bevolkingsdichtheid in België is vijftien keer hoger dan die in Zweden. Maar volgens de rastermethode is ze maar vijf keer hoger – wat nog altijd een groot verschil is.

*** Post scriptum. Het probleem blijkt niet te liggen, zoals ik bij het schrijven van dit stukje dacht, bij de karige dan wel gulzige bestelling. In Het Nieuwsblad van 5 maart lees ik dat Europa 3.600 miljoen vaccins bestelde voor 355 miljoen inwoners en de Verenigde Staten 700 miljoen voor 260 miljoen inwoners. Toch hebben Trump en Biden kunnen zorgen voor een snellere vaccinatie. Dat komt door het invoeren van een oorlogseconomie: de staat die rechtstreeks ingrijpt om de productie van vaccins op te drijven. 

**** De auteurs gebruiken het woord in de betekenis van ‘I told you so’. Ik gebruik het in de betekenis van ‘mosterd na de maaltijd’.

De wetenschappelijke consensus
      Voor ik hun boekje las, was ik bang dat Boudry en De Ceulaer* op elke bladzijde het argument van de ‘wetenschappelijke consensus’ zouden gebruiken . Dat is niet het geval. Dat komt vast omdat ze de beperkingen van dat argument inzien, maar ook omdat ze betreffende corona zelf wat buiten de consensus staan. Hun crash-the-curve is nog altijd controversieel, en mensen als Yaneer Bar-Yam en Nassim Nicholas Taleb waar zij zich achter scharen, geven niet de grondtoon aan binnen de epidemiologie. Die laatste is zelfs geen epidemioloog, en meestal heeft Boudry het niet graag als wetenschappers sterke uitspraken doen over een domein waar ze niet in gespecialiseerd zijn, vooral als die uitspraken hem niet zinnen. Ook is de consensus rond corona vaak fout geweest: over de mondkapjes, over de aërosolen, over de besmetting van de kinderen op school.
    In plaats dus van eenzijdig de wetenschappelijke consensus in te roepen, huldigen de auteurs een gezond scepticisme. Zo schrijven ze onder meer: ‘Toch kunnen kritische burgers [die geen specialisten zijn] helpen om het kaf van het koren te scheiden en om experts uit te dagen, op voorwaarde dat ze [de burgers] deugdelijk redeneren en zich zo goed mogelijk informeren over wetenschappelijke inzichten.’ Daar ben ik het grondig mee eens. En dat die burgers ook zelfkritisch moeten zijn, ook dáár ben ik het mee eens. Als leraar kreeg ik dikwijls richtlijnen van hogerhand dat ik mijn leerlingen ‘kritische zin’ moest bijbrengen. Ze moesten meningen ‘in vraag leren stellen’. Dat vond ik ook, maar dan toch zeker ook hun eigen meningen.
     Boudry geeft in het boek een verklaring waaróm geïnformeerde leken de zaken soms scherper zien dan de specialisten, namelijk omdat ze niet bezwaard zijn door oude kennis die niet van toepassing is op een nieuwe situatie. Er kan zelfs een woordje van lof af voor de sociale media: ‘Wie tijdens deze pandemie betrouwbare informatie over mondmaskers wilde, kon die haast makkelijker op sociale media vinden dan in de landelijke kranten of op de tv-zenders.’
     En zelfs die sociale media heb je niet altijd nodig. Helemaal bij het begin van de coronacrisis heeft een collega op school mij uitstekend voorgelicht. Dat covid geen griepje was. Dat de ‘collateral damage’ aanzienlijk kon zijn als men de gewone gezondheidszorg zou terugschroeven. En dat de grote besmettelijkheid van corona wees op mogelijke verspreiding door aërosolen. Dat was allemaal ongeveer het tegenovergestelde van wat de experts toen beweerden.  Hun bewering dat mondkapjes niet werkten, beantwoordde mijn collega met een krachtig: tarara! Verder wist ik ook zonder haar uitleg dat scholen wel degelijk een ‘hulpmotor’ bij virusverspreiding kunnen zijn. Ik heb wel eens op een schoolbus gezeten.
     Naast de ‘burden of knowledge’ zijn er nog veel meer redenen waarom wetenschappers zich kunnen vergissen. Ze kunnen uit de grote hoeveelheid feiten, cijfers en studies geneigd zijn om die te kiezen die hen het beste uitkomen. Misschien is de kwestie gepolitiseerd en speelt hun politieke overtuiging mee. Misschien beleven zij een ‘moment de gloire’ en gaan ze spreken als beleidsmensen in plaats van als wetenschappers. Misschien willen ze de aandacht trekken door een extreem standpunt in te nemen, of door iets anders te zeggen dan hun collega’s.
     Wat dat laatste betreft: ik geloof dat het omgekeerde vaker voorkomt en dat experts hun status proberen te verhogen door vooral hetzelfde zeggen als hun collega’s. De Ceulaer noemt dat ‘rally around the flag’. Hij bespreekt dat in verband met de pers, maar er is geen reden waarom het niet ook op wetenschappers van toepassing zou zijn. Het zou af en toe wel eens de verklaring kunnen zijn van een of andere ‘wetenschappelijke consensus’. Er is in de psychiatrie heel lang een consensus geweest over de waarde van Freuds dromentheorie. Kritiek kwam van buitenstaanders als Karel van het Reve en Vladimir Nabokov, die achteraf gelijk bleken te hebben.
     In hedendaagse polemieken lees je soms het woord ‘wetenschapsontkenner’. Dat lijkt mij, naast een scheldwoord, ook een veralgemening te zijn. Er zijn namelijk verschillende wetenschappen en ze hebben een verschillende graad van zekerheid. Die van wiskunde is groter dan die van sociologie. Zo interpreteer ik toch
 het liedje van Tom Lehrer, al moet eraan toe worden gevoegd dat Lehrer zelf een wiskundige was, en zich niet noodzakelijk objectief opstelde in de materie. Zo is er, geloof ik, ook een afnemende zekerheidsgraad als we van microbiologie, over virologie en epidemiologie, naar ‘algemene gezondheidswetenschappen’ afdalen.
     Als regel vermindert de zekerheidsgraad van een wetenschap naarmate ze afhankelijk is van statistische modellen met veel variabelen. Boudry geeft een goed voorbeeld van wat wetenschap met wél een hoge zekerheidsgraad vermag: ‘Binnen enkele weken na de uitbraak, op 10 januari 2020, kenden wetenschappers het volledige genoom van SARS-CoV-2, tot op de laatste letter. Niet meer dan vijf dagen later werd het eerste vaccinontwerp ontwikkeld.’ Dat kan de wetenschap dus wel, en er volgt niet veel ‘ontkenning’ op. Maar een jaar na de uitbraak, heeft men nog altijd de grootste moeite om de dodentol van België, Zweden en Noorwegen met elkaar te vergelijken. Hoeveel moeilijker moet het dan niet zijn om ook nog eens met enige mate van zekerheid uit te maken waarom die dodentol in die drie landen zo verschillend is?
     Boudry en De Ceulaer geven de ‘kritische burger’ een aantal adviezen om zich te oriënteren tegenover de schijn van wetenschappelijke consensus, en tegenover de werkelijkheid van wetenschappelijke onzekerheid. De auteurs formuleren vuistregels voor het deugdelijk denken. Zo moeten we een bepaalde coronamaatregel niet verwerpen omdat hij niet erg effectief is. Het is niet de maatregel op zich maar de combinatie van maatregelen die het hem doet. De auteurs noemen dat het Zwitserse Kaasmodel, omdat één plakje vol gaten zit en alles doorlaat, maar als je er een stapeltje van maakt worden de gaten van het ene plakje afgedekt door een volgend plakje met ándere gaten. Hoe dikker het stapeltje, hoe minder er wordt doorgelaten. Toegepast op corona: er kan altijd een extra maatregel bij, dan zal het nóg veiliger zijn. 

     Helaas is er een probleem met vuistregels. Als je wat zoekt, vind je er wel een andere, die ook meteen een ander resultaat oplevert. Neem bijvoorbeeld het beginsel van de afnemende meeropbrengst: volgens dat  beginsel zal elke extra maatregel minder extra veiligheid opleveren, zodat bij teveel maatregelen de kostenbaten verhouding uiteindelijk negatief wordt. Je kunt dus, met dat beginsel voor ogen, makkelijk verder met een of twee maatregelen minder, zonder dat je al te veel veiligheid verliest. Kort gezegd: als het om vuistregels en beginselen gaat, komt het erop aan ze goed te kiezen.
     En ook je experts moet je goed kiezen. Wat doe je bijvoorbeeld als de ‘officiële virologen en epidemiologen van een land een - naar je mening - te slappe aanpak van corona voorstaan. Dat is wat in België gebeurde volgens De Ceulaer. Dan moet je ze met ‘lastige vragen’ overvallen. Je moet de ‘overheid uitdagen, schijnbare vanzelfsprekendheid ter discussie stellen en het debat aanzwengelen. Niet met complotgekkies of wetenschapsontkenners. Wel met bonafide stemmen, vaak uit het buitenland, die met de plaatselijke experts van mening kunnen verschillen.’ Dat is mooi. Maar wanneer is iemand een ‘bona fide stem’? Ik denk: als die ongeveer hetzelfde zegt als De Ceulaer.  De Zweed Anders Tegnell is dat niet, maar Yaneer Bar-Yam en Nassim Nicholas Taleb zijn dat wel. De eerste is een wetenschappelijke ‘spookrijder’, en de andere twee rijden op hetzelfde baanvak als Boudry en De Ceulaer. Met wetenschappers doe je zoals je bij kersen doet: je begint met degene die er voor jou het best uitzien.
    Ik doe dat zelf ook natuurlijk. Ik had daar het voorbeeld van Boudry en De Ceulaer niet voor nodig. In de wetenschappen met lage zekerheidsgraad zijn er lui  die praatjes hebben die mij aanstaan, en anderen die praatjes hebben die mij niet aanstaan. De eerste probeer ik zo goed mogelijk te begrijpen, de tweede laat ik wat links liggen en ik probeer ze, uit beleefdheid, zo min mogelijk als ‘spookrijders’, ‘grote roergangers’ of ‘niet bona fide wetenschapsontkenners’ te omschrijven.

De cijfers zijn nooit hoog genoeg
     
Net zoals de maatregelen tegen corona voor Boudry en De Ceulaer nooit streng genoeg zijn, achten ze de cijfers van slachtoffers nooit hoog genoeg. Nochtans zijn de cijfers op zich al erg genoeg. Bij het begin van de coronacrisis hadden onze virologen veel lagere cijfers voorspeld. Ze kwamen toen nog niet dagelijks op de televisie, maar als ze af en toe de krant haalden,  spraken ze over enkele honderden, maximaal enkele duizenden doden. Het zijn er ondertussen 20 000. Je kunt dat cijfer wat naar beneden krijgen door  een onderscheid maken tussen ‘sterven aan corona’ en ‘sterven met corona’, maar dan kun je nog altijd niet om de ondubbelzinnig oversterfte heen in de categorie van de 65-plussers: meer dan 17 000.
     Ook kun je het cijfer proberen weg te zetten door te verwijzen naar de hoge leeftijd van veel van de slachtoffers.  Maar dan blijkt dat die doden gemiddeld ongeveer 13 levensjaren verloren hebben. Boudry en De Ceulaer geven geen uitleg bij dat hoge cijfer dat ingaat tegen onze intuïtie, en daarom doe ik het maar. We gaan er teveel van uit dat bij een gemiddelde levensverwachting van 80 jaar, een 75-jarige nog 5 jaar te leven heeft, en een 80-jarige nog 0 jaar. Dat is natuurlijk niet zo. De 75-jarige heeft gemiddeld nog 12 jaar te goed, en een 80-jarige nog 8,9 jaar. Als je toch zover geraakt bent, kunnen er best nog wat jaartjes bij.
     Die reële hoge cijfers – 20 000 doden, massale oversterfte, 13 verloren levensjaren – zijn voor Boudry en De Ceulaer echter onvoldoende. Ze dikken de coronaschade verder aan met hypothetische cijfers. Zo spreken ze vaak en uitgebreid over het aantal slachtoffers dat er zou geweest zijn zonder lockdown. Ze komen dan aandragen met uitdrukkingen als ‘vijf keer zoveel’ en ‘50 000 tot 100 000 doden’. Dat lijkt erg veel, maar als je goed zoekt en geduld hebt vind je nóg hogere cijfers. Op 6 februari, enkele dagen na de verschijning van het boek, citeert Boudry op zijn facebookpagina een studie van Nature die spreekt over 120 000 doden die er in België geweest hadden kunnen zijn tegen 4 mei 2020. Dat is ‘15 keer zoveel’, voegt Boudry er tevreden aan toe, als het aantal werkelijke doden op dat moment. Ik ben blij dat Boudry die studie van Nature nog niet kende toen hij zijn boek schreef. Of ze toch niet citeerde. Ik werd al zenuwachtig van die ‘5 keer zoveel’.
     Wat ik verder eigenaardig vind, is dat de neiging om maximale, pessimistische cijfers te kiezen voor de coronadodentol, dat die neiging zich ook uitbreidt naar andere domeinen. Zo spreken de auteurs van de 40 miljoen dodelijke slachtoffers van de Eerste Wereldoorlog. Wij leerden op school over 20 miljoen doden;  en.Wikipedia spreekt van 15 tot 22 miljoen (hier). Ook citeert Boudry de gevolgen van Corona voor de wereldarmoede. Hij geeft eerst de cijfers van de Wereldbank: 150 miljoen extra mensen in extreme armoede, wat best mogelijk is. Maar daarna citeert hij nogal onvoorzichtig de Verenigde Naties die vrezen dat covid ‘letterlijk decennia van vooruitgang zal wegvagen’. Hier heeft Boudry niet goed nagedacht. Wie zoals hij goed weet welke vooruitgang er op dat terrein gedurende de laatste decennia gebeurd is, kan moeilijk geloof hechten aan het ‘letterlijk’ wegvagen van die vooruitgang. Zo’n evolutie zou trouwens in tegenspraak met zijn voorspelling in de epiloog dat de wereld na corona vrij snel zou kunnen normaliseren.
     Het lijkt wel of de ene overdrijving de andere oproept en zelfs Boudry tot een inconsequentie verleidt.

De exponentiële curve als matraque
  
   Een maand geleden haalde Maarten Boudry zwaar uit naar minister Weyts. Er was in die tijd veel te doen rond de besmettingen in de scholen. Het Journaal en Het Nieuws openden ermee. Ben Weyts wees erop dat in slechts 50 van de 4000 scholen besmettingen waren vastgesteld. Toch nam de druk om de scholen te sluiten nam toe. Boudry schreef toen op zijn Facebookpagina: ‘Mijn inschatting: het is een kwestie van tijd tot de Belgische scholen dichtgaan. ALS dat klopt, dan beter vroeg dan laat. Nu nog even wachten tot de curve helemaal ontploft, is het summum van kortzichtigheid.’
     Op de laatste vijf woorden na, dacht ik toen ongeveer hetzelfde: dat de sluiting van de scholen, al was het dan om politieke redenen, onvermijdelijk was, en dat een snelle korte sluiting beter was dan een die later kwam en langer duurde. Uiteindelijk is de scholensluiting er niet gekomen en met de lente in het verschiet is het niet waarschijnlijk dat ze er nog komt. Het is te laat op het jaar. Boudry en ik hebben ons vergist. Boudry kan zich dit keer niet troosten met zijn theorie van de ‘zelfweerleggende voorspelling’*. Daarvoor moet een maatregel eerst genomen zijn om achteraf nutteloos te schijnen. Maar de maatregel, de sluiting van de scholen dus, ís niet genomen. En misschien is het maar beter ook, want het zou – om nogmaals Boudry’s woorden te gebruiken - geen ‘spijtloze maatregel’** geweest zijn.
     Hoewel ik dus indertijd dezelfde inschatting als Boudry maakte, was ik het niet zo eens met zijn argumentatie die berustte op de exponentiële groei van de besmetting. Hij schreef toen: ‘Stel dat je één balletje in je soep doet, Ben Weyts, en elke minuut verdubbelt het aantal. Hoeveel balletjes heb je dan als je een halfuurtje roert? Een miljard balletjes! … Het is hemeltergend om Weyts op het VRT-journaal te horen. De man heeft werkelijk géén idee van exponentiële groei.’
     Die vergelijking met soepballetjes klopt, geloof ik, niet helemaal. Leerlingen in scholen besmetten elkaar misschien als zich vermenigvuldigende soepballetjes, maar dat is niet noodzakelijk het geval met scholen onderling. Ik vermoed dat Weyts, zoals iedereen die middelbaar onderwijs gevolgd heeft, wél op de hoogte is van het begrip van exponentiële groei, een begrip dat in tegenstelling tot wat Boudry beweert, redelijk goed aansluit bij onze intuïtie en zeker bij de mijne***. Het probleem was niet dat Weyts rekening moest houden met een exponentiële groei – dat moest hij – maar dat hij ook moest afwegen hoe groot de kans was op zo’n groei. Boudry schrijft in zijn pandemieboek: ‘Een exponentiële curve kan eerst onschuldig lijken, een beetje zoals een lineaire curve, maar dan plots exploderen.’
     Ik heb het woordje ‘kan’ gecursiveerd omdat het ons brengt bij de kwestie van de proportionaliteit. De mogelijkheid van de explosie bestond, maatregelen waren nodig – maar welke maatregelen waren proportioneel? Moesten alle scholen dicht, of was het voldoende om de veiligheidsmaatregelen te verstrengen, meer testen in te voeren, en buitenschoolse activiteiten te verminderen, waardoor kinderen van de ene school minder gemakkelijk kinderen van een andere school zouden aansteken? Dat is geen eenvoudige afweging.
     Maar het hele begrip ‘proportionaliteit’ wordt door Boudry en De Ceulaer in vraag gesteld. ‘[H]oed u bij dreiging van een pandemie voor het woord proportionaliteit,’ schrijven ze. ‘Tegen een probleem dat exponentieel uit de hand kan lopen, moet je preventief harder optreden dan je in ‘normale’ – zeg maar: niet-exponentiële – omstandigheden zou kunnen verantwoorden.’****
     Het exponentiële karakter van de pandemie wordt hier naar mijn smaak teveel als troefkaart gebruikt. De auteurs vertellen de parabel van het schaakbord en de rijstkorrel. Als je op het eerste vakje van dat bord 1 korrel legt en dat bij de volgende vakjes telkens verdubbelt, heb je eerst 2 korrels, 4 korrels, 8 korrels en op vakje 64 niet minder dan 18.446.744.073.709.551.615 rijstkorrels, ‘[g]enoeg om heel het Indische continent onder een rijstlaag van een meter dik te bedelven.’ Dat is een mooi verhaal dat ik ken van de lagere school, maar die extreem hoge cijfers trekken niet alleen de aandacht, ze vertroebelen ook de blik.
     Als je in ons land het coronavirus ongehinderd laat razen, dan ga je geen 18,5 triljoen doden hebben, en ook geen 11 miljoen. De coronadodentol heeft geen exponentiële cúrve, maar een exponentiële fáse, zoals Boudry ergens anders terecht opmerkt. Je eindigt bij 30 000 doden, of 50 000 doden of 100 000 doden en die cijfers zijn niet meer dan veronderstellingen. En tegenover díe hypothetische cijfers weeg je de maatregelen af – niet tegenover een exponentiële abstractie die als een komeet door de ruimte schiet.
     De manier waarop Boudry over de exponentiële curve spreekt doet mij denken aan mijn jeugdjaren, zoals tegenwoordig alles mij doet denken aan mijn jeugdjaren. Een groot deel van die jaren was ik geëngageerd in de marxistische partij Amada, later PVDA, een organisatie die toen geleid werd door Ludo Martens. Die laatste was niet alleen een ideoloog, een pedagoog en een demagoog, maar ook, zoals veel politici, een intrigant. Het gebeurde meer dan eens dat hij basisgroepen ging opstoken tegen hun plaatselijke leiders. Die plaatselijke leiders gebruikten dan citaten van Marx en Lenin om zich tegen hun basisgroep te verdedigen. Waarop Martens antwoordde dat die leiders het marxisme gebruikten als matraque. En hij kon het weten, want hij deed het zelf wel eens.
    Hetzelfde denk ik nu bij Boudry: dat hij de exponentiële curve gebruikt als wapenstok, als matraque. Terwijl hij zou moeten weten dat het, naar het woord van Lenin, aankomt op de ‘concrete analyse van de concrete situatie’, en naar het woord van Karel van het Reve, op ‘moeilijk definieerbare zaken als gevoel voor proporties’. Een discussie over een scholensluiting los je niet op met soepballetjes en rijstkorrels maar met ‘concrete’ reproductiegetallen, ‘concrete’ besmettingskanalen en, jawel, proportionele ingrepen.

 * Ook ‘preventieparadox’ genoemd in het boek van Boudry en De Ceulaer: ‘Door slecht nieuws te voorspellen, zorg je ervoor dat mensen actie ondernemen, waardoor je eigen voorspelling niet uitkomt.’

 ** ‘Spijtloze maatregelen. Maatregelen die achteraf nutteloos of onnodig kunnen blijken, maar die nooit tot grote spijt zullen leiden. Winkelkarren ontsmetten is zo’n maatregel, mondmaskers afraden niet.’

 *** De enorme getallen die de curve uiteindelijk opleveren zijn wél anti-intuïtief.

**** De redenering doet mij denken aan de tipping points van de klimaatalarmisten die op dezelfde manier de proportionaliteitskaart overtroeven. Zie ook hier.


Het Chinese model
 
     Zijn coronaverstrengers zoals Boudry en De Ceulaer bovengemiddeld bang om ziek te worden en dood te gaan, en heeft dat invloed op hun mening terzake? Het eerste weet ik niet en het tweede heeft weinig belang, want een mening is juist of fout, onafhankelijk van de onverstoorbaarheid of vreesachtigheid van de meninghebber. Je moet iemand die bezwaren heeft tegen veel immigratie ook niet verwijten dat hij een ‘bange blanke man’ is, of iemand die kritisch is voor de islam verwijten dat hij aan een fobie lijdt.
     Zelf ben ik gemiddeld bang, geloof ik. Bij het begin van de pandemie heb ik eens snel wat berekeningen gemaakt. Daaruit bleek dat ik als 65-jarige ongeveer 1 procent kans had om binnen het jaar te overlijden. Door corona was dat 2 procent geworden, had ik begrepen. Ik ben toen een paar dagen ongerust geweest. Inkopen in de supermarkt probeerde ik te groeperen zodat ik er maar één keer in de week naar toe moest. Heel lang heeft dat echter niet geduurd, en ik fiets er nu weer dagelijks heen. Zo kom ik nog eens buiten. Mijn pianolessen stel ik uit tot na mijn vaccinatie, en verder hou ik mij aan de regels. Dat is het zowat. Als ik wakker lig, is het van andere dingen.
     Bij De Ceulaer is dat anders. In het Humo-interview van 9 februari is hij daar openhartig over. «Ik geef het toe: ik ben nu al bijna een jaar dag en nacht met dat virus bezig. Ik ga ermee slapen en ik sta ermee op. Ik heb er overdreven vaak over getweet, ik heb er overdreven veel over gelezen, en ik heb over bijna niks anders meer geschreven … Eigenlijk is dat niet gezond. Ik had meer afstand moeten nemen.» De Ceulaer heeft in de zomer één keer buitenshuis gegeten, zegt hij, toen dat mocht, en met inachtneming van de strengste voorschriften. Hij voelde zich daar toen niet goed bij. Ik van mijn kant heb in de zomer ook een paar keer buitenshuis gegeten en ik voelde mij daar uitstekend bij. Mensen zijn verschillend.
     Ook Boudry zegt dat hij met een ‘zwaar gevoel in zijn maag’ heeft rondgelopen toen de pandemie uitbrak en er geen maatregelen werden genomen. Toen die wel genomen waren, verdween dat gevoel. Dat lijkt erop te wijzen dat zijn malaise meer van intellectuele aard was. Hij krijgt een knoop in zijn maag als niet de juiste maatregelen worden genomen. Ik had dat vroeger bij personeelsvergaderingen op school als nieuwe pedagogische richtlijnen werden toegelicht.
     Boudry is gespecialiseerd in fallacies, drogredenen. Zijn eigen achterliggende redenering – het is een speculatie van mijn kant – komt het dichtst in de buurt van de nirwana fallacy, de drogreden van de volmaakte oplossing. Eigenlijk zou de mensheid, denkt hij, korte metten kunnen makken met deze pandemie. Het zou volstaan dat mensen overal ter wereld volmaakt rationele wezens waren, met een volmaakte afweging van hun korte en lange termijnbelang, en met een volmaakte burgerzin. Dan kwam gedurende een maand niemand zijn huis uit, niemand zeurde over tijdelijk inkomensverlies, iedereen gebruikte de tijd om leerzame boeken te lezen, droeg ook in bed een mondkapje, en niemand raakte besmet. Een volmaakt werkende overheid liet levensnoodzakelijke goederen zoals toiletpapier huis aan huis bezorgen door mannen en vrouwen in steriele pakken en volgde daarbij het beginsel ‘naar ieder volgens zijn behoeften’. Na een maand keerde de volledige vrijheid terug en werd alles weer zo gezellig als voorheen. Miljoenen mensenlevens waren gered. Wat nog overbleef aan besmetting zou door een perfect test- en traceringsprogramma in geen tijd uitgeroeid zijn.
     Natuurlijk werkt het niet zo en dat weet Boudry ook. Hij is geen nirwana-aanhanger, eerder iemand die, zoals ik het zie, worstelt met de nirwana-verleiding. We leven in een onvolmaakte wereld, met onvolmaakte wezens, met een onvolmaakte overheid. Wat dan bij zo’n coronapandemie overblijft aan keuzes, is een of ander pakket maatregelen dat zich situeert tussen het Zweedse model van Tegnell, met minder dwang en meer slachtoffers, en het Chinese model van Xi Jinping, met meer dwang en minder slachtoffers. En daar komt nog bij dat het moeilijk in te schatten is hoeveel slachtoffers er precies in dat laatste model vermeden worden, en hoe diep de dwangmaatregelen dreigen in te slijten in de mentaliteit van burgers en overheid.
     Wie met de nirwana-verleiding worstelt zal, geloof ik, iets meer in de richting van Xi Jinping loensen. In hun boek schrijven Boudry en De Ceulaer: ‘Xi Jinping - Chinese president die de crisis beter aanpakte dan Donald Trump.’ Het blijft bij loensen natuurlijk, maar toch.


Voorspellingen
     Vervelend voor de echte alarmist, scepticus, optimist of quietist is de korte tijdsschaal van de coronakwestie. Elke voorspelling kan binnen enkele weken of maanden gecontroleerd worden. Herman Goossens voorspelde dat ski-toerisme in Italië geen enkele besmetting zou meebrengen. De kans was ‘uiterst, uiterst klein’. Hij was fout. Van Ranst voorspelde dat de pandemie enkele honderden, hooguit enkele duizenden slachtoffer zou maken. Hij was ook fout. Mijn eigen voorspelling rond die tijd was voorzichtiger: ‘tussen 1 500 en 33 000’ (
hier) maar informeel verklaarde ik aan vrienden dat 20 000 ‘haalbaar’ moest zijn. De crisis is nog niet gedaan, maar het lijkt voorlopig dat ik toen vrij goed gegokt heb. Mijn meeste andere voorspellingen waren overigens fout. Zo dacht ik dat een vergelijking tussen de verschillende landen binnen enkele weken duidelijkheid zou brengen over de effectiviteit van de verschillende maatregelen.
     Voor wie vaak verkeerd voorspelt, heeft Maarten Boudry een uitweg voorzien: de preventieparadox.  Als de coronacijfers uiteindelijk beter meevallen dan je voorspelling aangaf, verwijs je naar het veel grotere aantal slachtoffers dat zou gevallen zijn zonder maatregelen. Je kunt de paradox op veel terreinen toepassen. Als het aantal terrorismeslachtoffers uiteindelijk meevalt, verwijs je naar het veel grotere aantal slachtoffers dat er zou vallen zonder antiterreurmaatregelen. Voor wie verkeerd gokt betreffende de verre toekomst, stelt het probleem zich niet. Als binnen dertig jaar de wereld niet in brand staat door de klimaatverandering, of heel Vlaanderen niet overstroomd is, dan zal ik er niet meer zijn om die valse profeten uit te lachen. En als ik er wel nog ben, is het lachen mij misschien vergaan om andere redenen.


donderdag 18 februari 2021

Boudry en De Ceulaer: achterafklap vanuit station 3


Achterafklap
     Het corona-boekje van Boudry en De Ceulaer* kun je best omschrijven als een reeks luchtige columns, opgebouwd rond een hondertal alfabetisch gerangschikte trefwoorden. Er komen geen tabellen in voor, slechts zes grafieken, en ook met cijfers zijn de auteurs spaarzaam. Dat is prima. Ik heb indertijd gevraagd aan onze virologen om wekelijks zo’n column voor leken te schrijven waarin ze elke week iets anders zouden uitleggen over corona, in plaats van dagelijks hetzelfde te vertellen op televisie*. Boudry en de Ceulaer zijn geen virologen, maar ze hebben wel een boekje geschreven in de vorm die ik gevraagd had. Ik heb het dankbaar gelezen.
     Ik heb weer een en ander bijgeleerd. Nu weet ik dat die mist die ik bij vriesweer uitblaas eigenlijk mijn aerosolen zijn die voor één keer zichtbaar worden. En dat je de bevolkingsdichtheid van zo ongelijke landen als België en Zweden kunt vergelijken door het grondgebied te rasteren in stukjes van één vierkante kilometer, en dan alleen de vakjes mee te tellen waar mensen wonen.** En dat vleermuizen een kwart van alle zoogdieren op aarde uitmaken.
     Het boekje is anders geen neutrale samenvatting van de huidige kennis inzake corona, maar een verzameling van argumenten, redeneringen en principes die bruikbaar zijn om de kwestie te benaderen, en dan vooral om een heel streng anticoronabeleid te rechtvaardigen. Je hebt in heel grote lijnen drie kampen. Degenen die alleen de risicogroepen in de maatschappij willen afschermen van besmetting (‘omgekeerde lockdown’), degenen die de besmettingsgraad voldoende laag willen houden zodat de ziekenhuizen niet overbelast worden (‘flatten the curve’) en ten slotte degenen die de besmettingsgraad tot ongeveer nul willen terugbrengen zodat er niemand ziek wordt of overlijdt (‘crush the curve’). Als ik het goed heb, bevindt het treintje van onze televisievirologen zich ergens op de lijn tussen de tweede en de derde oplossing plaatsen, terwijl dat van Boudry en De Ceulaer al lang in station 3 staat.  
     Vanuit station 3, hebben ze veel kritiek op de blunders uit het verleden: de regering aarzelde te veel, kwam te laat met maatregelen en te vroeg met versoepelingen, de virologen susten, de communicatie was te geruststellend. Dat vat het zowat samen. Wie het daar allemaal niet mee eens is, zal door het boekje niet overtuigd worden. Iemand overtuigen is op zich al moeilijk en in kwesties waar pro en contra moeten worden afgewogen is het nog veel moeilijker. Laat ik het zo zeggen: de argumenten van Boudry en De Ceulaer zijn subtiel genoeg om de zwakke broertjes van het andere kamp te weerleggen, maar helaas kunnen die zwakke broertjes weinig aan met subtiliteit. En de sterke broertjes van het andere kamp hebben zelf ook subtiele argumenten.
      Zelf behoor ik in die materie tegen mijn gewoonte in tot geen enkel kamp. Maar als ik de beleidsblunders overloop die Boudry en De Ceulaer aanklagen, zijn er dat die ik ongetwijfeld ook allemaal zou hebben begaan, of andere die nog erger waren. Er is slechts één blunder die ik had vermeden omdat hij niet met mijn natuur strookt. Toen de gunstige berichten over de vaccinontwikkeling binnenkwamen zou ik niet te lang getreuzeld hebben en ik zou niet te scherp onderhandeld hebben over de prijs (zie ook hier). Ik zou daarentegen gulzige hoeveelheden van álle vaccins besteld hebben. Met die zekerheid van grote bestellingen, konden de farmaceutische firma’s grotere financiële middelen inzetten voor een massalere en snellere productie dan nu het geval is***. Als er uiteindelijk een of twee vaccins bij waren die niet werkten, dan kon ik ze nog altijd weggooien. En als ik met een overschot zat, zou ik die, na het inenten van de eigen bevolking, gratis verstuurd hebben naar de arme landen.
     Ik zou natuurlijk te veel hebben betaald, maar dat verlies stelt weinig voor vergeleken met de winst van een economie die één, twee of drie maand vroeger had kunnen opstarten. De winst en het verlies zouden, om het met de woorden van Boudry en De Ceulaer te zeggen, ‘asymmetrisch’ zijn geweest.  De EU is voor één keer te zuinig geweest, stel je voor. Alleen komt díe onbetwistbare blunder in het boekje niet ter sprake. Het moet grotendeels geschreven zijn toen de vaccinontwikkeling minder ver gevorderd was dan nu. Daardoor valt het voor mij nu wat onder de noemer  ‘achterafklap’, wat ook het trefwoord is waar de auteurs mee beginnen****.    

 

* Over het coronaboekje van Boudry en De Ceulaer heb ik hier al iets geschreven. Over mijn voorstel voor coronacolumns voor leken: zie hier. Over mijn vaccinatie-ongeduld: zie  hier.

** De bevolkingsdichtheid in België is vijftien keer hoger dan die in Zweden. Maar volgens de rastermethode is ze maar vijf keer hoger – wat nog altijd een groot verschil is.

*** Post scriptum. Het probleem blijkt niet te liggen, zoals ik bij het schrijven van dit stukje dacht, bij de karige dan wel gulzige bestelling. In Het Nieuwsblad van 5 maart lees ik dat Europa 3.600 miljoen vaccins bestelde voor 355 miljoen inwoners en de Verenigde Staten 700 miljoen voor 260 miljoen inwoners. Toch hebben Trump en Biden kunnen zorgen voor een snellere vaccinatie. Dat komt door het invoeren van een oorlogseconomie: de staat die rechtstreeks ingrijpt om de productie van vaccins op te drijven. 

**** De auteurs gebruiken het woord in de betekenis van ‘I told you so’. Ik gebruik het in de betekenis van ‘mosterd na de maaltijd’.

 

dinsdag 23 juli 2019

Dankbaarheid

Moeten nieuwkomers ‘dankbaar’ zijn tegenover het land dat hun nieuwe thuis is geworden? ’t Is geen gemakkelijke vraag. Ik heb daar enkele maanden geleden een stuk over geschreven, dat vooral ging over de Amerikaanse politica Ilhan Omar. Nu heeft de Vlaamse politica Nadia Sminate (N-VA) iets gezegd waardoor ik mijn oude stukje weer eens bovenhaal.  ‘Mensen,’ zei Sminate, ‘ zoals meester Lahlali en ik, met buitenlandse roots, moeten dankbaar zijn voor de kansen die we gekregen hebben hier in Vlaanderen.’
    
     In zijn twitterbericht van vorige week week (juli 2019) zei Trump enkele onvriendelijke dingen over  niet nader genoemde ‘Congresswomen who originally came from countries whose governments are a complete and total catastrophe … and [who are] viciously telling the people of the United States, how our government is to be run.’ Dat Congresswomen is meervoud, maar het is eigenlijk het beste toepasbaar op één Congresswoman in het bijzonder, namelijk Ilhan Omar, die geboren is in Somalië en op twaalfjarige leeftijd als vluchtelinge met haar familie in de VS terechtkwam.
     Nu is Ilhan Omar sinds 2000 Amerikaans staatsburger en behoort ze dus zelf tot ‘the people of the United States’. Ze heeft dus, in weerwil van wat Trump suggereert, het recht om mee te bepalen hoe haar eigen ‘government is to be run’, zonder dat ze eerst even als ingangsexamen orde op zaken moet gaan stellen in haar geboorteland. Ze zou dat niet kunnen, geloof ik, maar ik zou het ook niet kunnen en Trump evenmin. Ilhan Omar heeft het recht, als elke Amerikaanse burger, om, zonder bijkomende voorwaarden, scherpe kritiek te hebben op haar nieuwe land, zijn leiders, zijn instellingen en zijn tradities. Geen vooruitgang zonder kritiek. Daarmee is alles gezegd.
     Of toch bijna.
     Als ik Omar bezig zie, of over haar lees, vormt zich bij mij onweerstaanbaar de gedachte: wat is er mis met een beetje dankbaarheid? Dat kind komt uit een van de armste en onveiligste landen van de wereld. Ze heeft vier jaar overleefd in een vluchtelingenkamp in Kenia. Als zo iemand aankomt in een van de rijkste landen ter wereld, dan waant die zich toch in een soort paradijs, zou je denken. Maar zo is het niet. Van bij haar aankomst loopt alles fout. De brief van George W. Bush waarmee hij de familie welkom heet, staat vol belachelijke formele taal en is wellicht niet eens door hemzelf geschreven. Het appartementsblok waar ze gaat wonen is vervallen, de straten zijn vuil, op school voelt ze zich gepest om haar hoofddoek, en overal waar ze om zich heen kijkt ziet ze extreem onrecht en racisme. En hoe ouder ze wordt, hoe meer onrecht en racisme ze ziet.
    Later gaat ze over dat onrecht vertellen op scholen. Ooit zag ze in een rechtszaal in Minneapolis een ‘lieve Afrikaans-Amerikaanse dame die in de cel terechtkwam omdat ze een brood had gestolen om haar vijf jaar oude kleindochter van de hongerdood te redden.’ Omar had zich in de rechtszaal niet kunnen bedwingen en had haar verontwaardiging luidkeels uitgeschreeuwd. Het is een verhaal dat zo uit een negentiende-eeuwse roman zou kunnen komen. Of beter: het verhaal kómt uit een negentiende-eeuwse roman. In Les misérables van Victor Hugo is het Jean Valjean die na het stelen van een brood in de gevangenis komt. De plotwending moet toen al een cliché  zijn geweest. Achteraf heeft Omar toegegeven dat ze zich sommige details misschien niet correct herinnerd had. De politie van Minneapolis, zo bleek, mag geen mensen arresteren voor  een winkeldiefstal waarbij geen geweld werd gebruikt, en de typische straf voor zo’n diefstal is het bijwonen van een cursus van drie uur. Ik neem aan dat in die cursus wordt uitgelegd hoe je in de VS legaal aan gratis voedsel kunt komen met food stamps.
     Op National Review las ik een lange discussie tussen Charles C.W. Cooke en David French over de dankbaarheid die immigranten en asielzoekers zouden moeten voelen. De twee heren hebben allebei goede redenen voor hun standpunt, maar na lang aarzelen, ga ik eerder akkoord met Cooke. Migranten zijn géén speciale dankbaarheid verschuldigd voor wat vorige generaties in hun nieuwe land met vallen en opstaan hebben opgebouwd. Dat soort dankbaarheid mag je verwachten van álle burgers, autochtoon of allochtoon.  Natuurlijk mogen die burgers ook kritiek hebben op wat hun voorgangers fout hebben gedaan en op de hedendaagse gevolgen ervan, maar het is zoveel gemakkelijker voor iedereen als die kritiek gematigd is, opbouwend, en de goede kanten niet uit het oog verliest. En als je toch een radicale verandering noodzakelijk acht, dan is het wenselijk om Friedrich Hayeks raad te volgen en dat radicalisme te beperken tot één welomschreven terrein. Zo deden de mensenrechtenactivisten dat bijvoorbeeld in de Sovjet-Unie.
     Het probleem van veel migranten, besef ik nu, is niet dat van de wenselijke dankbaarheid, maar dat van feitelijke ondankbaarheid. De dankbaarheid of loyaliteit tegenover de gemeenschap is bij een groot deel van de autochtone bevolking zo vanzelfsprekend dat ze niet eens wordt aangevoeld. Migranten moeten die dankbaarheid en loyaliteit verwerven in een strijd met zichzelf. Er is immers een werktuigelijke loyaliteit met het land van herkomst die de nieuwe loyaliteit bemoeilijkt.
     Die dubbele loyaliteit moet natuurlijk niet altijd tot problemen leiden. Als het gaat om een beschaafd uitgedrukte sympathie voor een vreemde voetbalploeg die het tegen ónze jongens opneemt, ach, vooruit dan maar. Amerikanen van Duitse afkomst hadden rond de voorlaatste eeuwwisseling in hun huis wel ergens een boek liggen met fraaie illustraties over ‘Germany’s Iron Chancellor’. Ik heb dat boek ook, uitgegeven in Akron, Ohio, 1897. Amerikanen van Italiaanse afkomst hadden een klein borstbeeldje van Mussolini op hun bureau. Zoiets moest niet noodzakelijk tot grote moeilijkheden leiden.
     Het wordt allemaal wat ingewikkelder als het land van herkomst volgens bepaalde maatstaven inferieur is aan het nieuwe gastland. Zoiets geef je niet graag toe. In de alleraardigste komedie Ninotchka (Lubitsch, 1939) komt een Russische communiste, gespeeld door Greta Garbo, in het mondaine leven van Parijs terecht. Het duurt even, maar na enige tijd valt ze voor de decadente charme van het kapitalisme. Als ze dan op een feest verschijnt in een dure baljurk wordt ze daar door een aartshertogin op aangesproken. ‘Madame Yakushova,’ zegt de aartshertogin, ‘Is that what they’re wearing in Moscow this year?’ – ‘No, last year, Madame,’ luidt het antwoord. Dat is heel leuk gezegd, maar het is ook een leugen, en uit die leugen blijkt dat onze communiste, zelfs na haar bekering, de achterstand van haar land van oorsprong moeilijk kan toegeven.*
     Bij de hedendaagse derde-wereld-immigratie speelt nog een andere kwestie.** Die derde-wereldlanden zijn gewezen kolonies. Hun inwoners hebben zich vernederd gevoeld door buitenlandse superieuren. Ze hadden gehoopt dat met de nieuwe onafhankelijkheid alles anders zou worden. Zonder koloniale uitbuiting zou de welvaart toenemen, de cultuur bloeien, en iedereen zou gelukkig zijn. Toen dat niet gebeurde was de verleiding groot om de moeilijke zoektocht naar oplossingen op te geven en op zoek te gaan naar wie nu eigenlijk schuld had aan het debacle. En die schuldigen waren snel gevonden: dat waren de vroegere koloniserende landen. De tijd heelt alle wonden zegt men, maar na de dekolonisatie gebeurde het tegenovergestelde. De begrijpelijke rancune tegenover het Westen werd in veel landen niet stilletjes aan minder en minder maar werd juist groter en groter. Het Westen kreeg de schuld voor alle problemen van het verleden, het heden en de toekomst. En in het Westen stonden geleerden en activisten klaar, mensen als Jean-Paul Sartre en Ludo Martens, om die rancune te prijzen.
     Het is die anti-Westerse rancune die veel derde-wereldimmigranten, zoals Ilhan Omar, meebrengen naar hun nieuwe gastland waar ze de gedaante aanneemt van slachtofferdenken – slachtofferdenken dat dan mooi past bij het autochtone politiek correcte discours op campussen, in kranten en op televisiezenders. Zo’n rancune kan in sommige gevallen leiden tot terechte kritiek op de Westerse samenlevingen maar evengoed tot overdrijvingen, verdraaiingen en leugens. Bovendien, en daar is het mij hier om te doen, staat ze een natuurlijk gevoel van dankbaarheid en loyaliteit tegenover het nieuwe land in de weg.
     Nu, ondankbaar of niet, enig politiek talent kun je Ilhan Omar ondertussen niet ontzeggen. Ze leert bij. Indertijd noemde ze de aanslag op de Twin Towers ‘something some people did’. Trump heeft die uitspraak tegen haar gebruikt en ik geloof niet dat ze dat ongelukkige eufemisme in de toekomst nog zal gebruiken. Ze heeft ooit de Amerikaanse Israël-politiek afgedaan als een zaak van corrupte Joodse financiers. ‘It’s all about the benjamins,’ had ze geschreven, daarmee verwijzend naar briefjes van honderd dollar met het portret van Benjamin Franklin. Ze heeft geleerd dat zoiets ook in linkse kringen slecht aankomt, en ze spreekt nu, gemeend of niet, kwaad van het antisemitisme. Ze heeft in 2016 acties ondersteund om mildere, alternatieve straffen te krijgen voor jihadisten die op het punt stonden naar Syrië te vertrekken. Sindsdien houdt ze zich ver van dat soort acties. Ze heeft geleerd dat ze nog het meeste succes behaalt als ze haar aanhangers gewoon vertelt dat Trump elke niet-blanke uit de VS wil deporteren. Er is altijd een publiek dat zoiets wil geloven, in de VS en in Europa.
     Eén raad zou ik Omar nog willen geven, en die betreft haar kledij. Je ziet haar op foto’s zowel met een traditionele moslimse hijab als met een gestileerde afro tulband. Ik zou haar aanraden om resoluut voor dat laatste te kiezen. Theologisch zal het niet veel verschil maken, want de haren zijn in de twee gevallen bedekt, maar de afro tulband doet minder denken aan islamitisch fundamentalisme en meer aan seculier zwart activisme à la Maya Angelou. Veel linkse kiezers in de VS zullen nog altijd dat laatste verkiezen boven dat eerste.




* Een soortgelijke scène komt voor in de prachtige Poolse film Zimna wojna (Cold War). Een arrogante Parisienne vraagt aan de Poolse emigrante Zula of ze niet onder de indruk is van de luxueuze Franse winkels. Dat is Zula helemaal niet. De winkels in Polen zijn veel luxueuzer, vindt ze. 

** En nog veel andere kwesties. Ik ga in dit stukje niet in op het onvermijdelijke ongemak die immigranten in hun nieuwe land meemaken: vreemde taal, vreemde omgeving, racisme. Een speciaal probleem is de vaak optredende declassering. Omars vader was in Somalië docent aan een instituut voor lerarenopleiding. In de VS moest hij aan de kost komen als taxichauffeur en later als postbeambte. Misschien verdiende hij in de laatste betrekkingen wel meer dan vroeger als docent, maar zo’n daling in sociale status moet bijna zeker een bittere smaak in de mond nalaten.