Posts tonen met het label TTIP. Alle posts tonen
Posts tonen met het label TTIP. Alle posts tonen

zaterdag 26 november 2016

Trump, de handelsakkoorden en de hularokjes

    Donald Trump mag dan nog niet helemaal president zijn, toch komt hij voortdurend in het nieuws met verklaringen over zijn toekomstige beleid. Zijn eerste beleidsdaad zal zijn om het handelsakkoord met het Verre Oosten (TPP) en met Europa (TTIP) af te blazen. Ook het oude handelsakkoord met Canada en Mexico (Nafta) wil hij herbekijken. Trump gelooft in ‘deals’. Trump gelooft niet in vrije handel.
     Het voordeel daarvan is dat ik nu overal leuke stukjes lees vóór de vrije handel, want veel mensen zijn tegen Trump.

     Een maand geleden was dat even anders. Dat wil zeggen: veel mensen waren toen ook tegen Trump maar toen las ik overal stukken tegen de vrije handel. Het Ceta-akkoord was niets dan kommer en kwel. En het Nafta-akkoord, zo las ik, bracht bittere armoede voor de Mexicanen. Nu lees ik in een stuk van professor Schoors dat juist de afschaffing van het Nafta-akkoord in Mexico veel armoede zal brengen.
     Schoors begint zijn stuk met een meeslepende reeks scheldwoorden: ‘De volgende president van de Verenigde Staten is een vuil gebekte, seksistische, racistische, xenofobe, leugenachtige, frauduleuze, zelfzuchtige, narcistische, impulsieve en onwetende bullebak.’* Nou, nou. Je verwacht na zo’n inleiding eigenlijk niet dat er nog een argumentatie volgen zal. Maar zoals ik geleerd heb mijn bordje volledig leeg te eten, zo probeer ik ook stukken in de krant netjes tot het einde te lezen. En het stuk was dus een pleitrede voor meer vrijhandel.
     Dat vind ik fijn, want ik lees graag stukken die mij in mijn mening bevestigen.
     Toch begrijp ik ook waar Trump en de zijnen naartoe willen. Dat die arme Mexicanen erop vooruitgaan, is niet de zaak van de Amerikaanse president, vinden zij.  De opperste raadgever van Trump, Steve Bannon, zei in een interview: ‘Ik ben geen blanke nationalist. Ik ben een economische nationalist. De globalistische vrijhandelaars hebben de Amerikaanse werkende klasse uitgehold en een middenklasse geschapen in Azië. Het is nu zaak dat de Amerikanen zich niet meer laten naaien.’ Bannon gelooft dat internationale handel een spel is met winnaars en verliezers, en Amerika moet weer een winnaar worden. America First.
     Bannon heeft op één punt gelijk. De toestand van de Amerikaanse werkende klasse is inderdaad niet zo best. Vroeger had je reusachtige fabrieken waar goed verdienende arbeiders van vader op zoon staal goten of walsten, of auto’s aan de lopende band in elkaar draaiden met grote moersleutels, zoals Charlie Chaplin dat deed. Maar nu wordt dat staal gegoten en gewalst in China en worden die auto’s in elkaar gezet in Korea en Japan, waar de lonen lager zijn.
     Veel Amerikanen zijn bang dat die ontwikkeling zich zal doorzetten. Op de duur zou alle industrie uit de Verenigde Staten kunnen verdwijnen en alle productiejobs naar een laagloonland kunnen gaan, bijvoorbeeld naar China, dat naast elektronica, speelgoed en schoeisel ook alle auto’s, gasinbouwhaarden en koelkasten zou gaan produceren. De Amerikanen blijven dan zitten met een dienstensector. Joe de tuinman snoeit de haag van Jim de kapper en Jim de kapper knipt de haren van Joe de tuinman. Maar met dat snoeiafval en die afgeknipte haren kunnen ze bij de Chinezen geen auto’s en koelkasten kopen.
     Kan protectionisme hier een oplossing brengen? Ik denk het niet. Als je alle Chinese elektronica tegenhoudt door hoge invoerrechten, dan komt er misschien wel een goedverdienende baan voor Jack en Bob in een Amerikaanse elektronicafabriek, maar dan zijn die producten die daar gemaakt worden zo duur dat Joe de tuinman en Jim de kapper ze niet kunnen betalen. Wie weet zijn ze zelfs te duur voor Jack en Bob. Dan duurt het niet lang of die elektronicafabriek gaat weer dicht.
     Er zijn gelukkig goede redenen om aan te nemen dat nooit alle productiejobs naar lageloonlanden zullen verhuizen**.
     De eerste reden is gemakkelijk om te begrijpen. Als in zo’n laagloonland meer industrie komt, dan gaan de lonen in dat land stijgen, want die fabrieken willen allemaal de beste arbeiders aantrekken en wie kwaliteit wil moet kwaliteit betalen. Dan wordt zo’n land na enige tijd een hoogloonland. In Korea bijvoorbeeld zijn de lonen ondertussen al de helft van de Amerikaanse.
     De tweede reden valt ook nog te bevatten. Door de concurrentie met de lageloonlanden, gaan de lonen van de Amerikaanse arbeiders achterblijven. Dat is trouwens al enkele decennia aan de gang. ’t Is voor de arbeiders niet prettig, maar het hoeft ook geen drama te zijn als daardoor ook de prijzen achterblijven. Hoge lonen en hoge prijzen of lage lonen en lage prijzen, het maakt niet zoveel uit.
       De derde reden waarom nooit alle productiejobs van Amerika naar China zullen verhuizen  is veel ingewikkelder. Ik bladerde ooit in een geschiedenisboek van Jan en vond daar een stukje over de Engelse econoom David Ricardo (1772 – 1823) en zijn wet van het comparatieve voordeel. Dat is iets helemaal anders dan de veel eenvoudiger wet van het absolute voordeel, waar ik eerder al iets over schreef. Die wet had ik misschien zelf ook kunnen uitvinden en ik zou hem, geloof ik, aan een kleuter kunnen uitleggen als ik er mooie kleurplaatjes bij had. Je hebt het eiland Nihau en het eiland Oahu. Op de twee eilanden groeien grote grassoorten. Op Nihau zijn ze goed in het stoken van graswortelalcolhol en op Oahu in het bij elkaar rijgen van grassen rokjes. Dan moeten die van Nihau graswortelalcohol maken, en die van Oahu grassen rokjes. De helft van wat ze maken kunnen ze daarna onder elkaar verhandelen. Dat is de wet van het absolute wederzijdse voordeel.
     De wet van het comparatieve wederzijdse voordeel is subtieler. Die wet treedt in voege als de inwoners van Nihau beter zijn in alles – in het stoken van alcohol én in het maken van rokjes – en als die van Oahu in alles kneusjes zijn. Je zou op het eerste gezicht denken dat die van Nihau dan beter zowel hun eigen alcohol stoken als hun eigen rokjes aan elkaar rijgen. Maar dat is niet zo. Volgens de wet van het comparatieve voordeel is het zelfs dan nog voordelig als Nihau en Oahu zich specialiseren in alcohol of in rokjes en daarna handel drijven. Die van Nihau moeten daarvoor uitzoeken waar ze best in zijn, en die van Oahu moeten uitzoeken waar ze minder slecht in zijn. Een beetje zoals een hartchirurg die beter en sneller kookt dan een sterrenchef, vanuit economisch standpunt bekeken, zijn tijd toch best investeert in heelkundige ingrepen liever dan in kokkerellen. Met wat hij met zijn operaties verdient kan hij zich door eersterangskoks laten bedienen en dan op het einde van de maand nog genoeg overhouden om zijn golfabonnement te betalen***.

     Die redenering kun je ook toepassen op Amerika en China. China is door zijn lage lonen misschien in alle opzichten de beste prijs-kwaliteitskeuze voor investeerders. De Chinese bandwerkers, ingenieurs en designmensen mogen minder productief, inventief of creatief zijn dan hun Amerikaanse collega’s – zolang ze tien keer minder verdienen zijn de Amerikanen in het nadeel. Maar dat nadeel geldt niet voor elke productietak in dezelfde mate.
     De Chinezen slagen erin om –  zeg – winterkleren te maken aan héél lage prijzen, en de Amerikanen slagen erin om –  zeg – ketchup te maken aan redelijk lage prijzen. Dan is het voor de Chinezen voordelig om zich op die winterkleren te gooien en de ketchuproductie aan de Amerikanen over te laten.* De winterkleren verkopen dan zo goed dat de Chinese gezinnen genoeg geld hebben om zoveel Amerikaanse ketchup te kopen als ze op kunnen, ook al is die iets duurder. En de Amerikanen betalen zo weinig voor hun winterkleren dat ze genoeg geld overhouden om, naast hun eigen nationale ketchup, ook nog een voorraad in Amerika gemaakte vuurwapens in te slaan om hun gezin te verdedigen.
     Kort gezegd: China verzwakt zijn economie door alles zelf te willen maken en Amerika verzwakt zijn economie door te weigeren goedkope Chinese producten af te nemen.
      Je kunt je afvragen of Donald Trump door bovenstaande redenering kan worden overtuigd. Paul Krugman schreef ergens dat nog nooit één econoom erin geslaagd was om één politicus met die redenering over de brug te halen. Mocht zich onder de raadgevers van Trump een vrijhandelaar bevinden, hij is hierbij gewaarschuwd. Hij zal andere argumenten moeten gebruiken – argumenten waarin de Aziaten ‘genaaid’ worden en de Amerikanen ‘hun slag thuishalen’ ****. Mijn stukje mag hij vergeten.

 
* Schoors voegt eraan toe dat al zijn beledigende adjectieven ‘aantoonbaar juist’ zijn. Dat lijkt mij wat voortvarend. Begrippen als ‘seksisme’, ‘racisme’ en ‘xenofobie’ hebben een vage en wisselende betekenis en zijn daardoor juist erg moeilijk ‘aantoonbaar’, behalve in sommige zeldzame gevallen. Schoors had beter, zoals zijn voorzichtiger collega Krugman, gesproken over ‘impliciet racisme’ enzovoort. Want dat kun je van bijna iedereen zeggen dat hij het heeft.

 **Dat veel productiejobs in alle landen bedreigd worden door de versnelde automatisering is een ander verhaal.

 *** Of neem een vlotte loodgieter die tegelijk ook een vlotte amateurkok is. Daarnaast heb je een knullige kok die een nog veel knulliger thuisklusser is. De loodgieter is in alles de beste. Hij kookt een maaltijd in een half uur en installeert een gasketel in twee uur. De kok heeft dubbel zoveel tijd nodig om te koken en tien keer zoveel tijd om te installeren.
     Zou de loodgieter dan niet beter alles zelf doen?
     Veronderstel dat de loodgieter en de kok samen een vennootschap oprichten in een wereld waar een maaltijdbereiding 20 euro en gasketelinstallatie 100 euro kost, en waar de werkweken 40 uur bedragen. Als de loodgieter zijn tijd gelijk verdeelt over koken en installeren, dan installeert hij 10 gasketels en bereidt hij 40 maaltijden. De kok installeert in dezelfde week één gaskachel en bereidt 20 maaltijden. Samen hebben ze 2 300 euro verdiend. Als de twee zich nu toeleggen op waar ze vergelijkenderwijs het beste in zijn, dan installeert de loodgieter 20 gasketels en bereidt de kok 40 maaltijden. Samen hebben zij dan 2 800 euro verdiend, dus 500 euro meer dan in het eerste scenario. Hoe ze dat geld onder elkaar verdelen, daar wil ik mij niet mee moeien. Maar van mij mag de loodgieter iets meer krijgen.

****Die raadgever-vrijhandelaar kan ook hier zijn inspiratie halen.

zondag 23 oktober 2016

Noam Chomsky en CETA

     Toen ik voor de vijftiende keer op Facebook het clipje zag verschijnen met de boodschap ‘Noam Chomsky maakt in twee minuten CETA gelijk met de grond’ heb ik het toch maar eens bekeken (hier).
     Ik heb die Chomsky nog de hand geschud.
     Ik had over hem geleerd aan de universiteit. Hoe hij de taalkunde veranderd had door niet meer als een gek op zoek te gaan naar duizenden taalkundige feitjes en rare zinnetjes, en die dan in een min of meer samenhangende theorie onder te brengen. In de plaats daarvan stelde Chomsky eerst een geraffineerde theorie op, en ging dan zoeken welke zinnetjes er wel en niet mogelijk waren binnen die theorie. Die konden dan, ter controle, vergeleken worden met wat ons moedertaalgevoel ons ingaf en zo konden we zien of de theorie juist was of niet. Het leek een beetje op de werkwijze die Karl Popper aanbeval.
     Later las ik ook wat politieke boekjes van Chomsky, en daar ging hij anders te werk. Hij ging als een gek op zoek naar duizenden feitjes en rare persknipsels, die dan een erg grove theorie moesten ondersteunen – multinationals deugen niet, Amerika verknecht de wereld. Het leek een beetje op de werkwijze die Chomsky verweet aan de taalkundigen vóór hem. Ik vond die boekjes erg vermoeiende lectuur.
     Een aantal van die boekjes werd in het Nederlands vertaald en mijn vrouw verzorgde de promotie ervan. Zij haalde Chomsky naar België om te spreken op een conferentie aan de Brusselse universiteit. Ik ben toen gaan luisteren en dat viel best mee. De beroemde linguïst zag er erg vriendelijk uit. Terwijl de zaal zich vulde, maakte hij een praatje met de tolk en de concierge. En toen hij begon te spreken, liet hij zijn persknipsels in de map en hield een keurig toespraakje waarin hij zijn anarcho-syndicalistische kijk op de maatschappij ontvouwde. Hij had het daarbij vaak over Dzjân Lâk, waar hij erg tegen was, en het duurde even voor ik doorhad dat hij over de Engelse arts en filosoof John Locke (1632 – 1704) sprak.
    En na afloop heb ik Chomsky dus de hand geschud.
    Dan het clipje. Eigenlijk spreekt Chomsky daarin niet over het handelsakkoord tussen Europa en Canada (CETA) maar over dat tussen Europa en de Verenigde Staten (TTIP) en over dat tussen de Verenigde Staten, Canada en Mexico (NAFTA). Sommige argumenten zijn daardoor fout als ze worden toegepast op het Europees-Canadese akkoord. Die argumenten zijn dat het akkoord (1) niets met vrijhandel te maken heeft; (2) geheim gehouden wordt; (3) bedrijven toelaat om staten gerechtelijk te vervolgen als hun winst bedreigd wordt; en (4) staten het recht ontneemt om uitheemse bedrijven buiten beschermde natuurgebieden te houden.
     Dat klopt allemaal niet voor CETA, geloof ik.
     (1) Het akkoord dat nu moet worden goedgekeurd, heeft alles met vrijhandel te maken. Chomsky beweert dat vrijhandel bij de vermelde akkoorden maar een voorwendsel is omdat de handelstarieven nu al laag zijn. Maar ook een ‘laag’ tarief van 10 % betekent een ernstige rem op de handel. Men verwacht dat de Europees-Canadese handelsstroom door het afschaffen van de tarieven met een vijfde zou stijgen, dus met 12 miljard euro.
     (2) Het akkoord is niet geheim. Het is al twee jaar openbaar, namelijk sinds 26 september 2014. Dat de onderhandelingen daarvóór discreet verliepen, komt geloof ik niet omdat men ‘het volk’ niet wil inlichten. Vanaf 26 september 2014 kon ‘het volk’, en ook elke recalcitrante actiegroep, de tekst lezen. Ook Magnette had twee jaar de tijd om de tekst te lezen.
      (3) CETA staat niet toe dat bedrijven een staat vervolgen vanwege een winstbedreigende wetgeving (hier). Ik heb begrepen dat eenzijdige acties, zoals het van staatswege onteigenen van buitenlandse bedrijven, wel voor een arbitragehof kunnen worden gebracht. Maar als het eens op onteigenen aankomt, vrees ik dat arbitrage niet veel meer zal helpen.
     (4) Zoals ik het inzie, zullen de nationale staten nog altijd het recht hebben om uitheemse bedrijven buiten beschermde natuurzones te houden, zolang daarbij niet gediscrimineerd wordt en binnenlandse bedrijven daar ook niet binnen mogen. Dat beginsel geldt voor alles. Zo kan Frankrijk de Canadezen niet verplichten op hun sigaretten, Dunhill bijvoorbeeld, in vette zwarte letters de boodschap af te drukken ‘Fumer peut nuire à votre santé’, terwijl aan de andere kant de Franse Gitanes van die verplichting worden vrijgesteld, zelfs al zijn ze misschien nog veel schadelijker.
     Chomsky maakt ook een aantal algemene opmerkingen. (5) Dat het subsidiëren van de Amerikaanse landbouw strijdig is met de vrijhandelsgedachte. Dat ben ik helemaal met hem eens. (6) Dat intellectueel eigendomsrecht niet te rijmen valt met vrijhandel. Dat is een erg moeilijk probleem*. En (7) dat je geen gelijkheid kunt eisen in de behandeling van binnenlandse en buitenlandse bedrijven als je niet gelijk ook aan alle vreemdelingen die illegaal het land binnenkomen dezelfde rechten toekent als aan de eigen burgers.
     Dat is een erg verwarde vergelijking. Hoe kun je nu buitenlandse bedrijven met immigranten vergelijken? Dan moet je de motieven meerekenen waarom je die bedrijven of immigranten aantrekt of buitensluit. Een nationale staat laat buitenlandse bedrijven toe – trekt ze zelfs aan –, omdat hij hoopt dat daar voordeel van komt voor de eigen burgers, bijvoorbeeld in de vorm van tewerkstelling. Als een staat beslist om inwijkelingen aan te trekken, ongelimiteerd toe te laten, gecontroleerd toe te laten, of niet toe te laten, doet hij dat ook, hopelijk, met het welzijn van zijn burgers voor ogen. En het is bij die immigranten zeker niet a priori duidelijk welke van de vier handelswijzen het meeste voordeel oplevert. Terwijl zelfs de meeste tegenstanders van de multinationals die toch liever zien komen dan vertrekken, zoals ik uit de recente beroering rond Catterpillar heb geleerd.

* Uitvindingen en merknamen in eigen bezit houden en niet toelaten dat anderen die gebruiken, remt zeker de vrije handel af. Maar het lijkt redelijk de oorspronkelijke uitvinder of ondernemer toch een periode te gunnen waarin hij door zijn exclusieve winsten de investering terugwint die voor de uitvinding of voor de ontwikkeling van het merk noodzakelijk waren. Ook heb ik begrepen dat de bakkers van Geraardbergse mattentaarten hun streekproduct willen beschermen en dat die dus graag bepaalde vormen van intellectuele eigendom in de handelsakkoorden behouden willen zien.