Posts tonen met het label Ben Weyts. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Ben Weyts. Alle posts tonen

woensdag 18 januari 2023

Ben Weyts en het Nederlands van de kleuters


   Ben Weyts heeft in wezen gelijk over de ouderlijke verantwoordelijkheid bij de taalontwikkeling van hun kinderen. In mijn lessen over taalontwikkeling stelde ik mijn leerlingen gerust: ze konden niet veel fout doen. Als ze babytaal spraken tegen hun kinderen, zoals moeders vaak doen, dan was dat goed; spraken ze volwassenentaal, zoals vaders vaak doen, dan was dat ook goed. Spraken ze weinig, dan was dat genoeg; spraken ze veel, dan was dat nog beter. Alleen moesten ze ervoor zorgen dat de radio en televisie niet de hele dag aanstonden, zodat de baby’s en peuters woorden en zinnen konden horen zonder andere stemmen als chaotisch achtergrondgeluid.
     Maar Weyts verwees natuurlijk naar de bijzondere situatie van migrantenkinderen die, na de schooluren, geen Nederlands meer te horen krijgen. Mijn Facebookvriend Simon Gelten vat het zo samen:

 ‘Veel leerlingen waarover het nu gaat, groeien op in een gezin waarvan de ouders nauwelijks Nederlands spreken, ongeletterd zijn, en in veel gevallen ook nog een taal spreken (Tamazight/Berbers) die slechts beperkt op schrift is gezet. Ze groeien dus op in een linguïstische chaos, thuis Berbers en op school Nederlands, terwijl het Arabisch via de satelietzenders binnenkomt. Op straat wordt vaak onderling een soort mengtaaltje gehanteerd. Dat die situatie verre van ideaal is, zal wel duidelijk zijn. Ik begrijp dat men daar vanuit de politiek iets aan wil doen.’

      De vraag is alleen: wát kan de politiek hieraan doen? Mijn antwoord is: weinig. Het voorstel van Weyts om met financiële sancties te dreigen is geloof ik geen oplossing om veel redenen: politieke onhaalbaarheid, praktische onuitvoerbaarheid, bedenkelijke ethiek en voorspelbare ondoeltreffendheid. Ik had daar oorspronkelijk nog willen aan toevoegen: juridische onmogelijkheid, maar dat klopt niet helemaal. 
    Het ballonnetje van Weyts wordt vaak voorgesteld als een voorstel om te snoeien in het ‘groeipakket’, het vroegere kindergeld, en dat is inderdaad juridisch bijna onmogelijk. Het groeipakket is een onvoorwaardelijk recht voor elk kind dat voor minstens 3 maanden verblijfsrecht heeft in ons land. Maar het gaat in het voorstel van Weyts om iets anders: de schooltoeslag. Dat is een soort studiebeurs voor kleuters en kinderen uit gezinnen met lage inkomens. Die toeslag bedraagt 108 euro voor de kleuterschool en tussen 125 en 253 euro voor de lagere school. Daar zijn echter wél voorwaarden aan verbonden, zoals een pedagogisch engagement van de ouders. Een kind dat vaak afwezig is, verliest het recht op schooltoeslag voor het daaropvolgende jaar. Juridisch moet het mogelijk zijn om door nieuwe wetgeving strengere voorwaarden op te leggen.
     Maar mijn andere bezwaren tegen het voorstel-Weyts blijven. De politieke onhaalbaarheid is het makkelijkst om vast te stellen. CD&V, Open-Vld, Vooruit en Groen hebben zich onmiddellijk tegen het voorstel uitgesproken, en echt veel instemming van N-VA-kant heb ik nog niet gezien. 

     Bij de praktische onuitvoerbaarheid denk ik aan het lijstje dat Koen Daniëls, partijgenoot van Ben Weyts, opgesteld heeft –  een lijstje met voorstellen hoe ouders hun kind kunnen helpen met de taalontwikkeling van het kind. De ouders kunnen 

  •       interesse tonen in het Nederlands*
  •       met hun kind Nederlands oefenen 
  •       ingaan op schoolinitiatieven om het Nederlands te verbeteren
  •       Ketnet opzetten op tv 
  •       hun kind naar een Nederlandstalige sportclub, jeugdbeweging of jeugdhuis sturen 
  •       hun kind meenemen naar de bibliotheek 
  •       hun kind inschrijven in zomerscholen.
     Ik vind dat één voor één prachtige voorstellen, maar ik zie niet in hoe men op een redelijke manier kan controleren en evalueren of ouders dat nu doen of niet. Daniëls maakt daarbij de typische fout dat hij het probleem eerst erg groot voorstelt en daarna weer onderschat als het op oplossingen aankomt. Eerst schrijft hij dat in sommige grootsteden 1 op 3 kleuters onvoldoende Nederlands kent om lager onderwijs te volgen. Maar wat verder schrijft hij: ‘Helaas is er een beperkte groep ouders die niet aan de zijde van leerkrachten en school het Nederlands mee stimuleert.’ Kijk, als het echt om een beperkte groep ging, dan zouden er geen problemen zijn met 1 op 3 kleuters in de grootsteden. In werkelijkheid gaat het om tienduizenden gezinnen waar geen van de hierboven vermelde voorstellen in de praktijk worden gebracht. Gaan we bij die tienduizenden gezinnen één voor één gaan controleren of Ketnet opstaat, dan een mondelinge waarschuwing geven, dan een schriftelijke, enzovoort? En hoeveel kinderen zullen dáárdoor beter Nederlands praten?
     Ethisch is het voorstel van Weyts te kaderen in het verhaal van rechten en plichten, en in dit geval van speciale rechten en speciale plichten. Ik weet dat dat een ethische formule is die voor velen aanvaardbaar is. Paul Collier, die ik in migratiemateries heel hoog inschat, redeneert ook binnen dat kader. De redenering gaat zo. Nieuwkomers en de kinderen van nieuwkomers hebben speciale noden, bijvoorbeeld taalontwikkeling. Die speciale noden creëren speciale rechten, namelijk dat de staat, langs de scholen, extra geld vrij maakt voor taalontwikkeling. Het nieuwkomerskind met taalproblemen wordt daardoor meer gesubsidieerd dan een ‘oudkomers’-kind zonder taalproblemen. Maar die speciale rechten, zo gaat de redenering verder, doen speciale plichten ontstaan. Een ‘oudkomer’ zoals ik kan zelf beslissen of hij zijn kind naar de jeugdbeweging stuurt, of naar de Simpsons laat kijken, of ermee op vakantie gaat naar New-York; de nieuwkomer daarentegen heeft de plicht zijn kind bij een jeugdbeweging in te schrijven, naar Ketnet te laten kijken, en naar een zomerschool sturen – waardoor de jaarlijkse vakantie naar Marokko niet kan doorgaan.
     De hierboven geschetste speciale rechten en plichten zijn op zichzelf, als een soort vrijwillige afspraken, als louter morele rechten en plichten dus, heel redelijk. Maar als ze een dwingend karakter, krijgen verliezen ze die redelijkheid**. Ik vind niet dat het migrantenkind een dwingend recht heeft op meer subsidie en speciale taallessen; ik zie wel het maatschappelijk nut van zo’n subsidie: hoe sneller de integratie via taal verloopt, hoe beter voor iedereen, en dus ook voor mij. Ik ben vóór die subsidie, niet omdat ze een afdwingbaar recht is, maar uit welbegrepen eigenbelang. 
     Omgekeerd heeft het weinig zin om tegenover een recht dat geen recht is een plicht te stellen die geen plicht is. Zijn de migrantenouders eigenlijk wel vragende partij voor de extra demarches die de school doet voor taal? Of worden die aan hen opgedrongen zonder dat ze erom gevraagd hebben? Als ze echt het recht op extra taalonderwijs opeisten, dan zou dat betekenen dat ze inzien dat die in hun eigen belang is en in dat van hun kind, en dan zouden ze niet op de voorstellen van Weyts en Daniels wachten om zelf, naar godsvrucht en vermogen, iets aan de taalontwikkeling van hun kinderen te doen. Maar dat inzicht ontbreekt, en dat probeert men op te vangen met een discours over plichten, dat dan ondersteund moet worden met sancties, zoals ‘rechten’ ondersteund worden met geld***. 
     Ik zou het ook zo kunnen zeggen: in deze materie zal dwang niet werken en preken niet helpen. De automatismen die aansluiten bij welbegrepen eigenbelang zullen langzaam, heel langzaam, moeten groeien. Ik voerde ooit een emaildiscussie met Sam Van Rooy van Vlaams Belang. Op een bepaald moment reed Sam mij klem met de vraag: ‘Geloof jij dan zo sterk in social engineering?’ Daar had hij mij goed te pakken. Nee, als ik eerlijk moet zijn, social engineering werkt niet, zeker niet op korte termijn, en al helemaal zeker niet als er een diepgaande culturele mentaliteitswijziging voor nodig is. Initiatieven als OKAN – onthaalklassen voor anderstalige nieuwkomers – werken goed als de integratiementaliteit op voorhand al aanwezig is bij ouders en kinderen, wat vaak het geval is. Maar in gezinnen waar men na drie generaties nog steeds de taal van het land van oorsprong spreekt, daar zit inzichtelijk en emotioneel iets fout dat niet snel zal veranderen. Daar ontbreekt het inzicht dat integratie noodzakelijk en wenselijk is. En die noodzaak en wenselijkheid worden des te minder aangevoeld als immigratiegemeenschappen omvangrijk en expansief zijn. Waarom je integreren in de Vlaamse gemeenschap als je al geïntegreerd bent in je eigen grote gemeenschap? Waarom Nederlands leren als je dat niet nodig hebt in je gezin, bij je vrienden, op straat, en in een uitgestrekt gebied van wijken die bijna je hele leefwereld omvatten? 
    ’t Zou voor onze bestuurders een goede reden moeten zijn om de immigratiegemeenschappen niet verder te laten groeien en om nieuwe vluchtelingen- en gezinsherenigingsimmigratie veel, veel strenger te beperken. De demografische groei van de migrantengemeenschappen zal nog wel even verder gaan, waardoor het taalprobleem eerst nog zal toenemen voordat het kan afnemen. En daarna moeten we hopen dat de tijd zijn werk zal doen. Heeft het zin om nog meer geld investeren in Nederlands in de kleuterklas, in OKAN, in taalklassen enzovoort? Zeker, alle beetjes helpen. En heeft het zin om de migrantenouders te ‘sensibiliseren’ voor het probleem? Ach, het kan geen kwaad. Het gebaar telt ook.

 

* Het is niet voor iedereen weggelegd, maar ze zouden ‘interesse voor het Nederlands’ kunnen laten zien door zelf die taal zo goed en zo kwaad als het kan te leren. Linguïstisch zou dat voor de kinderen niet veel voordeel opleveren, maar wel emotioneel. Iedere leraar die Frans onderwijst, en a fortiori Duits, weet dat het vaak emotionele barrières zijn die leerlingen tegenhouden om zich op die talen toe te leggen.

** Er zijn veel minder problemen als het om gelijke (en niet: speciale) dwingende rechten en plichten gaat. Zie volgende voetnoot.

*** Er is een andere versie van het rechten-plichtendiscours mogelijk. Die zou inhouden dat de schooltoeslag een recht is dat slechts toegekend wordt na een examen zoals vroeger gebeurde met het Fonds van de Meestbegaafden. Alle kinderen uit lage-inkomensgezinnen zouden dan in dit geval een taalexamen moeten afleggen. Wie niet slaagt, krijgt de toeslag slechts op voorwaarden van een af te spreken parcours. Mijn ethisch bezwaar valt dan weg; mijn andere bezwaren blijven.  

zondag 21 februari 2021

De exponentiële curve als ‘matraque’

 


De exponentiële curve als matraque
  
   Een maand geleden haalde Maarten Boudry zwaar uit naar minister Weyts. Er was in die tijd veel te doen rond de besmettingen in de scholen. Het Journaal en Het Nieuws openden ermee. Ben Weyts wees erop dat in slechts 50 van de 4000 scholen besmettingen waren vastgesteld. Toch nam de druk om de scholen te sluiten nam toe. Boudry schreef toen op zijn Facebookpagina: ‘Mijn inschatting: het is een kwestie van tijd tot de Belgische scholen dichtgaan. ALS dat klopt, dan beter vroeg dan laat. Nu nog even wachten tot de curve helemaal ontploft, is het summum van kortzichtigheid.’
     Op de laatste vijf woorden na, dacht ik toen ongeveer hetzelfde: dat de sluiting van de scholen, al was het dan om politieke redenen, onvermijdelijk was, en dat een snelle korte sluiting beter was dan een die later kwam en langer duurde. Uiteindelijk is de scholensluiting er niet gekomen en met de lente in het verschiet is het niet waarschijnlijk dat ze er nog komt. Het is te laat op het jaar. Boudry en ik hebben ons vergist. Boudry kan zich dit keer niet troosten met zijn theorie van de ‘zelfweerleggende voorspelling’*. Daarvoor moet een maatregel eerst genomen zijn om achteraf nutteloos te schijnen. Maar de maatregel, de sluiting van de scholen dus, ís niet genomen. En misschien is het maar beter ook, want het zou – om nogmaals Boudry’s woorden te gebruiken - geen ‘spijtloze maatregel’** geweest zijn.
     Hoewel ik dus indertijd dezelfde inschatting als Boudry maakte, was ik het niet zo eens met zijn argumentatie die berustte op de exponentiële groei van de besmetting. Hij schreef toen: ‘Stel dat je één balletje in je soep doet, Ben Weyts, en elke minuut verdubbelt het aantal. Hoeveel balletjes heb je dan als je een halfuurtje roert? Een miljard balletjes! … Het is hemeltergend om Weyts op het VRT-journaal te horen. De man heeft werkelijk géén idee van exponentiële groei.’
     Die vergelijking met soepballetjes klopt, geloof ik, niet helemaal. Leerlingen in scholen besmetten elkaar misschien als zich vermenigvuldigende soepballetjes, maar dat is niet noodzakelijk het geval met scholen onderling. Ik vermoed dat Weyts, zoals iedereen die middelbaar onderwijs gevolgd heeft, wél op de hoogte is van het begrip van exponentiële groei, een begrip dat in tegenstelling tot wat Boudry beweert, redelijk goed aansluit bij onze intuïtie en zeker bij de mijne***. Het probleem was niet dat Weyts rekening moest houden met een exponentiële groei – dat moest hij – maar dat hij ook moest afwegen hoe groot de kans was op zo’n groei. Boudry schrijft in zijn pandemieboek: ‘Een exponentiële curve kan eerst onschuldig lijken, een beetje zoals een lineaire curve, maar dan plots exploderen.’
     Ik heb het woordje ‘kan’ gecursiveerd omdat het ons brengt bij de kwestie van de proportionaliteit. De mogelijkheid van de explosie bestond, maatregelen waren nodig – maar welke maatregelen waren proportioneel? Moesten alle scholen dicht, of was het voldoende om de veiligheidsmaatregelen te verstrengen, meer testen in te voeren, en buitenschoolse activiteiten te verminderen, waardoor kinderen van de ene school minder gemakkelijk kinderen van een andere school zouden aansteken? Dat is geen eenvoudige afweging.
     Maar het hele begrip ‘proportionaliteit’ wordt door Boudry en De Ceulaer in vraag gesteld. ‘[H]oed u bij dreiging van een pandemie voor het woord proportionaliteit,’ schrijven ze. ‘Tegen een probleem dat exponentieel uit de hand kan lopen, moet je preventief harder optreden dan je in ‘normale’ – zeg maar: niet-exponentiële – omstandigheden zou kunnen verantwoorden.’****
     Het exponentiële karakter van de pandemie wordt hier naar mijn smaak teveel als troefkaart gebruikt. De auteurs vertellen de parabel van het schaakbord en de rijstkorrel. Als je op het eerste vakje van dat bord 1 korrel legt en dat bij de volgende vakjes telkens verdubbelt, heb je eerst 2 korrels, 4 korrels, 8 korrels en op vakje 64 niet minder dan 18.446.744.073.709.551.615 rijstkorrels, ‘[g]enoeg om heel het Indische continent onder een rijstlaag van een meter dik te bedelven.’ Dat is een mooi verhaal dat ik ken van de lagere school, maar die extreem hoge cijfers trekken niet alleen de aandacht, ze vertroebelen ook de blik.
     Als je in ons land het coronavirus ongehinderd laat razen, dan ga je geen 18,5 triljoen doden hebben, en ook geen 11 miljoen. De coronadodentol heeft geen exponentiële cúrve, maar een exponentiële fáse, zoals Boudry ergens anders terecht opmerkt. Je eindigt bij 30 000 doden, of 50 000 doden of 100 000 doden en die cijfers zijn niet meer dan veronderstellingen. En tegenover díe hypothetische cijfers weeg je de maatregelen af – niet tegenover een exponentiële abstractie die als een komeet door de ruimte schiet.
     De manier waarop Boudry over de exponentiële curve spreekt doet mij denken aan mijn jeugdjaren, zoals tegenwoordig alles mij doet denken aan mijn jeugdjaren. Een groot deel van die jaren was ik geëngageerd in de marxistische partij Amada, later PVDA, een organisatie die toen geleid werd door Ludo Martens. Die laatste was niet alleen een ideoloog, een pedagoog en een demagoog, maar ook, zoals veel politici, een intrigant. Het gebeurde meer dan eens dat hij basisgroepen ging opstoken tegen hun plaatselijke leiders. Die plaatselijke leiders gebruikten dan citaten van Marx en Lenin om zich tegen hun basisgroep te verdedigen. Waarop Martens antwoordde dat die leiders het marxisme gebruikten als matraque. En hij kon het weten, want hij deed het zelf wel eens.
    Hetzelfde denk ik nu bij Boudry: dat hij de exponentiële curve gebruikt als wapenstok, als matraque. Terwijl hij zou moeten weten dat het, naar het woord van Lenin, aankomt op de ‘concrete analyse van de concrete situatie’, en naar het woord van Karel van het Reve, op ‘moeilijk definieerbare zaken als gevoel voor proporties’. Een discussie over een scholensluiting los je niet op met soepballetjes en rijstkorrels maar met ‘concrete’ reproductiegetallen, ‘concrete’ besmettingskanalen en, jawel, proportionele ingrepen.


 * Ook ‘preventieparadox’ genoemd in het boek van Boudry en De Ceulaer: ‘Door slecht nieuws te voorspellen, zorg je ervoor dat mensen actie ondernemen, waardoor je eigen voorspelling niet uitkomt.’

 ** ‘Spijtloze maatregelen. Maatregelen die achteraf nutteloos of onnodig kunnen blijken, maar die nooit tot grote spijt zullen leiden. Winkelkarren ontsmetten is zo’n maatregel, mondmaskers afraden niet.’

 *** De enorme getallen die de curve uiteindelijk opleveren zijn wél anti-intuïtief.

**** De redenering doet mij denken aan de tipping points van de klimaatalarmisten die op dezelfde manier de proportionaliteitskaart overtroeven. Zie ook hier.

woensdag 14 september 2016

De veiligheid van onze fietsertjes



     Uit onderzoek is nu weer gebleken dat Vlamingen de verkeersregels voor fietsers onvoldoende beheersen. Ze kennen het verschil niet tussen een geschilderde fietsstrook en een fietssuggestiestrook. Ze denken dat een fietser voorrang heeft aan een fietsoversteekplaats. Ze weten niet eens wanneer je naast elkaar mag fietsen (bebouwde kom) en wanneer je áchter elkaar moet rijden (buiten de bebouwde kom). Ik weet dat allemaal wel, want het stond in Het Nieuwsblad van 13 september, in een stuk dat over het onderzoek berichtte. Ook in dat stuk stond dat minister Ben Weyts ervoor zou zorgen dat in het onderwijs meer ruimte kwam voor verkeerseducatie. Dat moest worden opgenomen in de eindtermen*.
      Met die verkeerseducatie kun je verschillende richtingen uit. Onze meester in het derde leerjaar heeft ons grondig de regels voor parkeren uitgelegd, hoewel niemand van ons kon autorijden. Er bestond een geheimzinnig verkeersbord dat links de cijfers 1-15 en rechts de cijfer 16-31 bevatte. Dat betekende dat je van de eerste tot de vijftiende van de maand – tot acht uur ’s avonds – moest parkeren langs de kant van de gebouwen met onpare nummers, en van de zestiende tot het einde van de maand langs de kant van de pare nummers. Of omgekeerd, want het is al lang geleden. Op de vijftiende van de maand, vertelde meester Bernard, zag je om acht uur ’s avonds alle bezitters van een auto in hun pyjama op straat komen om die auto nog snel te verplaatsen. Meester Bernard maakte graag grapjes.

      Zelf vind ik dat de kinderen op school vooral de belangrijke fietsregels moeten leren, dat wil zeggen de regels die de veiligheid echt bevorderen: dat je rechts moet houden, en dat je links moet inhalen. Ik heb mijn fietsvriendje Dirk D. eens pijnlijk ten val gebracht op de Lage Weg toen ik hem rechts wou inhalen. Ik kende die regel niet, of was die vergeten. Dirk D. heeft me die toen in herinnering gebracht, en wel in zulke bewoordingen dat ik hem na bijna vijftig jaar nog altijd ken en toepas**.
       Nog niet zo lang geleden vond ik die regel eigenlijk niet zo belangrijk. Ik haalde nooit iemand in. Het was net omgekeerd. Ik wérd voortdurend ingehaald, door kwieke gepensioneerden die hun komst aankondigden met
stevig belgerinkel. Ik week dan mooi uit naar rechts en de bejaarde raasde mij daarna ter linkerzijde voorbij op zijn racefiets. Zelf kon ik mijn fietsbel bijna nooit gebruiken. Ik was, om met King Lear te spreken, ‘a man more rung against than ringing’. Maar sinds ik elektrisch fiets, is daar verandering in gekomen. Sommige kwieke bejaarden op een racefiets kan ik nog altijd niet voorbijkomen, maar een slome scholier kan ik wel de baas en dan laat ik mijn bel rinkelen om hem duidelijk te maken dat ik eraan kom en dat hij moet stoppen met zwalpen.
     De uitkomst van mijn belgerinkel is echter niet helemaal bevredigend. De helft van de fietsertjes wijkt uit naar rechts, en de andere helft naar links. Wij kunnen dus vermoeden dat de helft van die kinderen de regel wél kent, en de andere helft niet. Maar dat is niet de enige mogelijkheid. Het is ook denkbaar dat geen enkele van die fietsertjes de regel kent, waarna de helft gokt op rechts, en de andere helft zijn geld op de links inzet. Ook is het mogelijk dat álle kinderen de regel kennen, maar dat de helft er uit balorigheid geen gevolg wenst aan te geven.
     Ben Weyts zou dat eens moeten laten uitzoeken vóór hij de eindtermen laat aanpassen. In het eerste geval moet hij de verkeerseducatie kaderen in een gedifferentieerde kennisoverdracht. De achterlijke helft van de klas leert de regel van rechts-rijden-links-inhalen terwijl de voorlijke helft aan een verdiepende opdracht werkt rond de voorrang van rechts. In het tweede geval – niemand kent de regels en men doet maar wat – is eveneens kennisoverdracht geboden, maar de differentiatie kan achterwege blijven. Wel moeten de kinderen dan worden gewezen op de gevaren van gokken en gokverslaving in het algemeen. In het derde geval – balorigheid – moet worden ingezet op attitudeonderwijs**. Dat zullen de eindtermenfabrikanten graag horen.
     Verder ben ik van mening – ceterum censeo – dat het fietsreglement de verplichting moet voorzien om een inhaalmaneuver aan te kondigen met een belsignaal. Neem daar maar nota van: Clericks Weblog bepleit de invoering van een nieuwe verplichting. Zie ook hier.

_________________

* Weyts beweert in Het Nieuwsblad: ‘Verkeerseducatie maakt nu geen deel uit van de eindtermen in het middelbaar onderwijs.’ De laatste keer dat ik dat gecontroleerd heb, stond in de vakoverschrijdende eindtermen, context 1, eindterm 13: ‘De leerlingen passen het verkeersreglement toe.’ Maar misschien is dat ondertussen veranderd. Dat gebeurt wel eens in het onderwijs, dat ze iets veranderen. Mijn zoon heeft in elk geval wél jaarlijks een aantal activiteiten meegemaakt in het kader van een ‘verkeersweek’ of ‘veiligheidsweek’ of ‘fietscontroleweek’, en dat vanaf de derde kleuterklas tot het laatste jaar middelbaar. 

** Ik houd niet altijd rechts op het fietspad. Soms is de rechterkant van het fietspad in een slechtere staat dan de linkerkant, en dan hou ik links. Maar als ik word ingehaald, wat dus niet vaak meer gebeurt, wijk ik natuurlijk wél uit naar rechts.

*** En ik spreek me hier helemaal niet uit – want ik hou me in – over de vraag of attitudeonderwijs wel de goede manier is om attitudes van leerlingen te veranderen.