Posts tonen met het label Andrew Delbanco. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Andrew Delbanco. Alle posts tonen

maandag 31 december 2018

Melville, Marx, Camus en Mary Poppins

     Laatst postte ik een cover van het beroemde boek Moby Dick. Facebookvriend Edgard Frederix, die ik soms in de schoolgangen zie rondlopen, reageerde dat hij dat boek gelezen had, maar dat het lezen ‘aanvoelde als een verplichting’. Ik herkende het gevoel. Professoren die er les over geven of geleerde stukken over schrijven prijzen het boek, en ook Marc Vanfraechem die daar geen cent voor ontvangt, maar zelf heb ik er weinig plezier aan beleefd. Ik las het aan een strandbar gezeten, terwijl vrouw en kind lagen te zonnen in het zand of zich vermaakten in de zee. Ik hou heel veel van zon, zand en zee, maar vanop een afstand.
     Wat ik indertijd wel met plezier heb gelezen, is Melvilles korte verhaal ‘Bartleby the Scrivener’. Een advocaat werft een nieuwe klerk aan om documenten te kopiëren, de brave, vreugdeloze Bartleby. Eerst kopieert die vlijtig de documenten die hij moet kopiëren, maar op zekere dag weigert hij een document na te kijken. ‘I would prefer not to,’ zegt hij beleefd. Voor de vertaling twijfel ik tussen ‘Liever niet’ en ‘Ik geef er de voorkeur aan om niet aan uw verzoek te voldoen.’ En na die eerste weigering zal hij altijd maar meer opdrachten weigeren met altijd hetzelfde zinnetje: ‘I would prefer not to.’ Op de duur doet hij niets meer dan voor zich uit te staren. Later ontdekt de advocaat dat Bartleby zich permanent in het kantoor heeft gevestigd en er ook overnacht. Als men hem vraagt te vertrekken, zegt hij:  ‘I would prefer not to.’ De advocaat verhuist ten slotte zelf maar naar een ander gebouw. Bartleby blijft achter, wordt door de nieuwe bewoners aangegeven bij de politie en sterft in de gevangenis van de honger. He preferred not to eat. Melville eindigt zijn verhaal met de uitroep: ‘Ah Bartleby! Ah humanity!’
     Het was een van de Amerikaanse verhalen die ik moest lezen voor het examen van professor Doyen, maar uiteindelijk werd ik ondervraagd over een andere verhaal, één van Washington Irving. De jongen vóór mij had de vraag over ‘Bartleby’. Terwijl ik mijn eigen antwoord aan het voorbereiden was, ving ik vlagen op van wat mijn voorganger vertelde ‘… the absurdity of existence … breakdown in communication … metaphysical rebellion … French existentialists … Albert Camus …’ Ik was onder de indruk, en professor Doyen nog meer: ‘very good … quite so … nice catch’, zei hij.
    Ik weet niet of Doyen die thema’s zelf in de les had aangebracht, want ik ben nooit naar die lessen geweest. Het kan. Ik reageer op een mondeling examen ook altijd enthousiast als een leerling precies hetzelfde vertelt als wat ik eerder in de klas heb verteld. Maar in elk geval is de gelijkenis tussen ‘Bartleby’ en de existentialistische en absurdistische verhalen van honderd jaar later niet erg vergezocht. Ik verwachtte dus dat Melvilles biograaf Delbanco het ook in die richting zou zoeken als hij aan dat verhaal gekomen was. Of misschien iets psycho-analytisch, dat kon ook.
     Maar het werd iets anders. Nadat Delbanco eerst Moby Dick in verband had gebracht met Kubrick en Benda (zie hier), besteedde hij nu meerdere pagina’s om ‘Bartleby’ in verband te brengen met ... de proletarisering van de klerkenstand, de marxistische vervreemdingstheorie van de arbeid, de ontoereikendheid van de American Dream, het laissez-faire kapitalisme,  en de noodzaak om met een sociaal-zekerheidssysteem de klassenjustitie te doorbreken*.
     Ik kan mij daar een beetje over opwinden. Dat je die onderwerpen ter sprake brengt bij de arme klerken van Charles Dickens – Nemo in Bleak House, Cratchit in Christmas Carol – à la bonheure. Daar past dat bij. Maar toch niet bij ‘Bartleby’. Het is alsof je Mary Poppins – de film, de eerste – aangrijpt om uit te weiden over de verderfelijke rol van het bankwezen in onze samenleving. Aan de andere kant, Mary Poppins … nu ik erover nadenk, heb ik die film vroeger wel eens aangegrepen om over die banken uit te weiden.



* ‘It is a medidation … on how to define collective responsibility at a time when the old ad hoc welfare system of churches and charities could no longer cope with the growing number of workers and families left destitute by the boom-and-bust cycle of the industrial economy. As casualties mounted, the scope of corporate responsibility was being narrowed in the courts by business-friendly judges who routinely ruled against plaintiffs in cases of workplace injury and property loss.’

woensdag 26 december 2018

Eruditie als trucje

     Ik wil je hier geen trucje aan de hand doen,  beste lezer, om de indruk van eruditie te wekken. Zulke trucjes zijn door anderen al beschreven. Ze komen er geloof ik op neer om dat je, als je spreekt of schrijft, af een toe de naam laat vallen van een schrijver of geleerde waar iedereen al eens van gehoord heeft, of gehoord zou moeten hebben, en dat je daarbij een gezicht opzet alsof je écht iets van die schrijver of geleerde hebt gelezen – gelezen dans le texte, zoals de Fransen zeggen. Maar waarom zou je zoiets doen? Je maakt je er niet populair mee op feestjes.
     Neen, mij gaat het om iets anders.
     Veronderstel dat je een stuk hebt gelezen over ‘de eigenschappen van de roman’. Een stuk van Herman Servotte van Leuven bijvoorbeeld. Dat stuk maakt van alles bij je los, want je hebt zelf ook al eens een roman gelezen, je hebt een mening over de eigenschappen ervan en je wil er zelf ook iets over schrijven. Dan kun je in je stuk gaan samenvatten wat Servotte schrijft, en daarnaast nog eens wat je zelf over de zaak denkt. Mijn leerlingen raad ik aan om nog een stap verder te gaan. Ze kunnen best ook een ánder stuk lezen over die eigenschappen van de roman. Een stuk van Liebert Vander Kerken van Antwerpen bijvoorbeeld. En die Vander Kerken, zeg ik dan, moet je óók ter sprake brengen, en je wijst er dan fijntjes op dat die toch iets helemaal anders, of misschien wel precies hetzelfde, beweert als Servotte.
     ‘t Is een oude truc van literaire essayisten. Jean Weisgerber bespreekt in zijn Formes et domaines du roman flamand* dertien boeken van Vlaamse auteurs. Hij moet daarbij voortdurend aan andere auteurs denken die hij ook gelezen heeft. Over Herman Teirlinck schrijft hij dat ‘tout cela appartient à Quevedo, à Calderon et à Gracián. Surtout à Gracián.’ Van Maurice Roelants zegt hij dat zijn helderheid en logica ‘rappellent Mme de la Fayette et surtout Benjamin Constant’. En van Het dwaallicht van Elsschot schrijft hij dat je het ‘au fond’ moet zien als ‘le livre sur rien dont rêvait Flaubert.’ Die zijsprongen van de ene auteur naar de andere zijn verhelderend voor de essayist zelf geloof ik en mogelijk ook voor zijn lezer. En die lezer leert nieuwe namen kennen. Ik kwam bij Weisgerber voor het eerst de naam van Gracián tegen. Toen ik die naam later weer tegenkwam, wilde ik wel eens weten wat die Gracián nu zo speciaal maakte.
     De zijsprongen mogen ook niet té gek zijn. Ik las laatst een biografie van Herman Melville, de schrijver van Moby Dick. Over het leven van Melville wist de biograaf niet zo veel, omdat de auteur niet erg bekend was tijdens zijn leven en omdat er weinig brieven van hem bewaard zijn. Melville is een paar jaar matroos geweest en heeft enige tijd op een Polynesisch eiland gewoond, maar wat hij daarover in zijn boeken schreef is, vermoedt men, grotendeels gelogen. Misschien was Melville homoseksueel, maar misschien ook niet. Misschien was hij alcoholist, maar ’t is niet zeker. Misschien sloeg hij zijn vrouw … wie zal het zeggen? Toen zijn zoon zelfmoord pleegde was hij verdrietig, daar zijn de Melville-kenners het over eens. Hij was een boeiende spreker voor een kleine kring van bekenden en een slechte spreker voor een groot publiek. Hij maakte veel spelfouten. En hij wisselde niet vaak van ondergoed. ‘He was a little heterodox in the matter of clean linnen,’ schreef zijn vriend Nathaniel Hawthorne.
     Dan maar de erudiete kant op, moet biograaf Andrew Delbanco gedacht hebben en hij brengt zijn held Melville in verband met een hele reeks beroemde namen als Thucydides, Vergilius, Seneca, Dante, Montaigne, Shakespeare, Milton, Gibbon, Defoe, Coleridge, Schiller, Dickens, Thackeray, Dostojevski, Tocqueville, Adolf Hitler en Gore Vidal. Als Melville het verval van het Midden-Oosten beschrijft, vergelijkt de biograaf hem met Camus. Kapitein Ahab die Moby Dick achtervolgt wordt vergeleken met Mary Shelley’s Dr. Frankenstein die zijn monster achternazit. En omdat Billy Bud een mooie jongeman is, al stottert hij, wordt hij vergeleken met Tadzio in Thomas Manns Dood in Venetië, wiens ‘uitdrukking van zoete en goddelijke ernst de herinnering oproept aan de Griekse beeldhouwkunst in haar edelste periode.’
     Daar is allemaal niets op aan te merken. Maar je mag het ook niet te gek maken. In Moby Dick komt een jongetje voor, Pip, die bij de walvisjacht vaak in paniek raakt en overboord springt. Zijn makkers worden het beu en zekere keer roeien ze gewoon door om hun walvis verder te achtervolgen. Pip blijft achter in open zee. Biograaf Delbanco vergelijkt de scène met die in Stanley Kubricks statige ruimte-epos waarin een astronaut wordt achtergelaten en wegzweeft in het zwarte heelal. ‘2001: A Space Odysey,’ schrijft de biograaf, ‘is a very Melvillian film.’ Dat vind ik niet. De ingehouden teneur en de gestileerde vertelling van Kubrick staan mijlenver van de wilde pathos en de barokke schrijftrant van Melville.
     Nog gekker wordt het als de beroemde redevoering van Ahab op het achterdek ter sprake komt, waarin de kapitein zijn mannen opzweept voor de jacht. Daarbij moet onze biograaf denken aan … de Franse polemist Julien Benda. Had Benda immers niet geanalyseerd dat de kern van het reactionaire nationalisme bestond uit xenofobie en dat die xenofobe volksmenners, net zoals Ahab, de massa’s opzweepten tot collectieve destructieve emoties?  ‘Grote delen van La trahison des clercs,’ schrijft onze biograaf, ‘kun je lezen als een commentaar bij de redevoering op het achterdek.’ Grote delen nog wel! Schoorvoetend geeft de biograaf toe dat er ‘geen bewijzen zijn dat Benda heeft bijgedragen aan de Melville-revival van de jaren twintig’. Nee, ik dacht ook niet dat die bewijzen er waren.
     Kijk, het is natuurlijk flink dat zo’n Amerikaanse professor als Delbanco La trahison des clercs gelezen heeft – de bibliografie achteraan vermeldt The Treason of the Intellectuals. Misschien heeft hij dat boek ooit besproken met zijn studenten. En misschien gebeurde dat terwijl hij ook aan zijn Melville-biografie aan het schrijven was. Op zo’n moment in je leven zie je gemakkelijk overal verbanden met je onderwerp. Dan is het genoeg dat Benda politieke passies analyseert, en Ahab door passies gedreven wordt, om een gelijkenis te zien waar de gewone Moby Dick- en Benda-lezer het hoofd om schudt.
     Als ík iets erudiets wilde doen met Ahabs demagogie, dan zweeg ik over Benda. Ik zou misschien iets zeggen over Aristoteles, Polybius, Quintillanus, Shakespeare, Robert Warren Penn en Eric Hoffer. Sommige van die heren heb ik zelfs dans le texte gelezen.

* Ik las dat boek in het middelbaar, want onze schoolbibliotheek had er een Nederlandse vertaling van. Later kocht ik het in het Frans in een tweedehandswinkeltje. De boekhandelaar vroeg achterdochtig: Vous n’en êtes pas l'auteur par hazard? Dat was ik niet. Je moet niet te snel denken dat je iemand herkent, dacht ik toen.