Posts tonen met het label Schopenhauer. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Schopenhauer. Alle posts tonen

donderdag 28 juli 2022

Kortjes

 ** FC De kampioenen. ‘Is dat commentaar op FC De kampioenen nog bezig, of zijn ’t al herhalingen?’ vraagt Stany Crets zich af op Twitter. Tom Nagels op Facebook vindt dat ‘een goeie’. Hij heeft gelijk. Het twitterberichtje maakte mij aan het lachen. Maar ik zou geloof ik harder gelachen hebben als ik de woke zelfcensuur van de vrt niet erg vond. 

** Aanklagers. De geestigheid van Stany Crets bevat trouwens een diepe waarheid, waar Oscar Wilde al op wees: mensen die wantoestanden aanklagen zijn meestal zeuren.  Denk aan al die aanklagers van antisemitisme, godsdienstige verdwazing, nivellering in het onderwijs, discriminatie van zwarten,  bureaucratie, belastingontwijking, belastingtransfers, klimaatverandering, vleeseterij … ’t Is geen excuus natuurlijk, maar we moeten het toegeven: de zeuren hebben soms gelijk.

** Martin Niemöller. Van herhalingen gesproken. Waarom halen we het hellend vlak van Martin Niemöller er niet bij? ‘Het begint met de jodenvervolging ... en dan ... en dan ... en het eindigt met …’ In dit geval: het begint met censuur op FC De kampioenen ... en dan ... en dan ... en het eindigt met censuur op de Simpsons. Maar zover zijn we nog niet. Of wacht …

** De Geschiedenis. Het is niet meer dan een indruk, maar plaatst Alexander de Croo zich met zijn neo-belgicisme niet aan de verkeerde kant van de Geschiedenis?

** Fysieke en psychische pijn. Er bestaat een korte hevige fysieke pijn die snel weer wegebt. Je trapt met je blote voet op een rondslingerend lego-blokje. Of je stoot je kleine teen aan de rand van het bed. Bij psychische pijn bestaat iets soortgelijks. Je stoot een glas om en wordt heel even pijnlijk herinnerd aan je onhandigheid. Bovendien moet je de glasscherven en -splinters oprapen en de vloer dweilen. Het ergste is als je een lekkere overschotel uit je handen laat vallen. De grond is dan heel smerig en de scherven talrijk. En die lekkere lasagne moet je weggooien. Maar tien minuten later eet je een boterham met smeerkaas en is het leed geleden.

** Afwezigheid van pijn. Schopenhauer bouwde zijn filosofie op de gedachte dat je de aanwezigheid van pijn kunt voelen, maar de afwezigheid ervan niet. Wat je in elk geval wel kunt voelen is verlichting. Maar wat is verlichting? Neem het voorbeeld van urineren. (‘Ah messieurs! Si j’étais riche, je pisserais tout le temps’). Bij urineren voel je een geleidelijke vermindering van de pijnlijke druk en dat is aangenaam gevoel. Zodra de pijnlijke druk echter helemaal weg is, verdwijnt ook het aangename gevoel. Ik heb zoiets met mijn schouders. Enkele jaren geleden had ik last van een pijnlijke schouder. Ik voel daar nu niets meer van. Maar als ik fiets voel ik het een heel klein beetje. Dat heel klein beetje pijn herinnert mij aan de grotere pijn die ik enkele jaren geleden had. Dat is een aangenaam gevoel. 

** Rationaliteit. Ik zag onlangs een mooie strip over rationaliteit en vooroordelen. Een man zegt dat hij best bereid is om  zijn mening opnieuw te bekijken als je hem zes recente longitudinale studies voorlegt met minstens 10 000 participanten. Om zijn mening dieper in zijn ziel te verankeren daarentegen volstaat een cartoon waarin zijn tegenstanders als varkens met slagtanden staan afgebeeld. Ik heb veel sympathie voor die man. Iemand die bereid is zijn mening eens opnieuw te bekijken alleen maar omdat er recent zes longitudinale studies verschenen zijn die hem tegenspreken, die kom je geloof ik niet elke dag tegen. 



zaterdag 15 mei 2021

Wetenschappelijk geschiedenisonderwijs


        Geschiedenisleraar Benjamin Verdru* vindt dat het geschiedenisonderwijs nu beter of minstens ‘uitdagender’ is dan dat van vroeger. De geschiedenisleraar van vroeger kon boeiend vertellen maar ‘delen van het verhaal klopten niet.’  Er werd te veel aandacht besteed aan ‘leuke anekdotes over deze of gene historische figuur’ met verwaarlozing van ‘het verhaal van degenen die het moesten ondergaan’. Er werd ‘een half schooljaar doorgeëmmerd over het rurale West-Europa tijdens de vroegste middeleeuwen’. Maar nu is dat anders, weet Verdru. ‘Feitenkennis moet wijken’ voor het ‘de- en reconstrueren’ van de geschiedenis. De leerlingen leren dat ‘iedereen door een eigen bril naar het verleden kijkt,’  dat die bril ‘gekleurd is door … de sociaaleconomische situatie’, en dat ze ‘kritisch moeten zijn voor de historische bronnen’. Verdru vat het nog eens kernachtig samen: ‘De romantische verhalenverteller heeft in veel scholen plaatsgemaakt voor de wetenschapper’. En hij voegt eraan toe dat dat niets met ‘pretpedagogie’ te maken heeft.
     Op één punt heeft Verdru gelijk. Het was vroeger niet allemaal perfect. Er zijn altijd leerlingen geweest die zich voor geen enkele vorm van geschiedenisonderwijs interesseerden. En er zijn altijd geschiedenisleraren geweest die konden dooremmeren, bijvoorbeeld over de vroegste middeleeuwen. Omgekeerd zijn er vandaag ook leraren die kunnen dooremmeren over de ‘gekleurde bril’, de ‘sociaaleconomische situatie’ en de ‘de- en reconstructie van de geschiedenis’. Je weet niet wat erger is. Ik zal hier in elk geval geen lans breken, of een handschoen opnemen, – uitdrukkingen uit ons ridderverleden - voor de emmeraar, maar voor de romantische verhalenverteller.
     Op nog een ander punt heeft Verdru gelijk. Delen van het verhaal klopten niet. Het geschiedenisonderzoek is ondertussen vooruitgegaan, en we weten nu dingen die onze leraren vroeger niet wisten, of anders hadden geleerd. Ikzelf leerde van meester Bernard dat Karel de Grote in Verden duizenden Saksen had laten onthoofden. Nu blijkt dat dat helemaal niet zo zeker is. De bronnen spreken van ‘decollabat’ (= onthoofden) maar misschien – leren we van de herstellingskritiek – was dat een schrijffout en werd bedoeld ‘delocabat’ (=deporteren). Ik leerde dat de Kruistochten een beweging was van sociale promotie – ridders die zich rijk roofden en lijfeigenen die de vrijheid verkregen. Ik las pas achteraf over de aflatenobsessie van de middeleeuwers die met hun oorlog een voorrangsticket wilden bemachtigen voor de hemel, een beetje zoals onze moslimterroristen hun 72 maagden voor ogen hebben als ze zichzelf opblazen. Verdru denkt dat veel mensen ‘kwaad worden’ als ze merken dat het verhaal dat ze in de klas hoorden niet klopt, dat ze zich ‘bedrogen’ voelgen. Bij mij is het níet zo. Ik vind het juist fijn om zulke fouten te ontdekken. Ik weet nu meer dan meester Bernard, met al zijn geleerdheid.
    En ook op een derde punt geef ik Verdru gelijk. Het nieuwe geschiedenisonderwijs is geen ‘pretpedagogie’. Pret is net datgene wat nogal eens ontbreekt. De de-en reconstructie, de sociaaleconomische bril, de toetsen, opdrachten en taken bij het vak*, het kritisch lezen van bronnen, het waren allemaal zaken die amper bestonden in mijn tijd, zodat er meer tijd was voor de ‘leuke anekdotes’. Met enige overdrijving kun je zeggen dat juist het vroegere geschiedenisonderwijs, op voorwaarde dat het door een ‘romantische verteller’ werd gebracht, een vorm van ‘pretpedagogie’ was. Al moesten we wel wat namen en data uit het hoofd leren, de lessen zelf waren vaak erg prettig.
     Verdru vindt dat het huidige geschiedenisonderwijs ‘wetenschappelijker’ is. Ik zou daarop met een boutade kunnen antwoorden dat geschiedenis niet moet worden gedoceerd als fysica, en fysica niet als geschiedenis. Of ik zou, in plaats van mijn eigen boutades te verzinnen, er een van Schopenhauer kunnen lenen: ‘Die Geschichte ist zwar ein Wissen, jedoch keine Wisschenshaft.’ Maar met boutades krijg je alleen applaus van gelijkgezinden. Ik verklaar mij daarom nader.
     Wat bedoelen mensen als Verdru eigenlijk als ze spreken van wetenschappelijke geschiedenis? Verschillende zaken, vermoed ik. Dat feiten uit het verleden moeten worden achterhaald door systematisch bronnenonderzoek, de fameuze ‘historische methode’. Dat de ideologische kleur van de vroegere geschiedschrijving  kritisch moet worden ontleed. Dat de nodige aandacht moet gaan naar de sociaaleconomische situatie. Dat cijfers en statistiek een rol moeten spelen. Dat geschiedenis meer is dan het lukraak verzamelen en doorgeven van feiten, maar dat gezocht moet worden naar een verklaring van die feiten. Dat de geschiedenis volgens bepaalde wetten verloopt.
     Wat van dat alles écht onder de noemer ‘wetenschap’ thuishoort, is een vraag die ik aan anderen overlaat. Zeker is dat die kwesties, wetenschappelijk of niet, allemaal aan bod moeten komen in de universitaire opleiding van historici. Zeker is dat sommige van die kwesties mij wél, en andere mij niet interesseren. Maar zeker is ook, voor mij althans, dat ik daar leerlingen in het middelbaar niet al te veel mee zou vermoeien. Gibbon heeft tientallen jaren ‘bronnenonderzoek’ gedaan vooraleer hij begon te schrijven, duizenden Latijnse en Griekse teksten gelezen, maar in zijn meeslepende geschiedenis valt hij de lezers daar niet mee lastig, behalve soms in een amusante voetnoot. De lezers krijgen het lekkere gerecht opgediend, en moeten niet mee in de keuken de groenten snijden.
     Ja, Gibbon geeft enkele ‘verklaringen’ voor de neergang van het Romeinse rijk. Die verklaringen kregen wij in de geschiedenisles van 50 jaar geleden ook, en daar mogen de leerlingen van nu ook wel iets over vernemen. Maar zulke ‘verklaringen’ tot een vorm van wetenschap verheffen, dat gaat mij wat ver. Om te beginnen: hoeveel van die verklaringen zijn er eigenlijk? Met de googlezoekmachine vind je al gauw een stuk met als titel: ‘5 Reasons Why the Roman Empire Collapsed’. Je vindt er ook met ongeveer dezelfde titel die 4 redenen geven, of 8, of 10, of 14. Mijn voorkeur gaat uit naar eentje met de titel: ‘210 Reasons for the Decline of the Roman Empire.’ De auteur had ook kunnen spreken van ‘210 scientific reasons’. Je vindt altijd mensen die daar onder de indruk van zijn.

 * Wij hadden, als ik mij goed herinner, alleen examens, en dat gold voor veel van de kleinere vakken.

zaterdag 10 april 2021

Corona: vrijheid, veiligheid en privileges



 ** Verschillende mensen hechten een verschillend belang aan veiligheid en vrijheid. Een eenvoudig gedachte-experiment kan dat verduidelijken. Veronderstel dat een ongehinderde verspreiding van het coronavirus in ons land zou leiden tot 75 000 doden, gelijkelijk verspreid over de verschillende leeftijden. Iedereen loopt dan een kans van 0,75 procent om te overlijden. Wie zou een jaar lockdown aanvaarden, samen met de 0,75 procent kans op overlijden (en een heel wat hogere kans op een onprettig ziekteverloop) ? En twee jaar? En drie jaar? Een deel van de bevolking zou het risico aanvaarden en een ander deel niet. Hoe groot die delen zijn, weet ik niet. Maar het verschil in basisattitude speelt ongetwijfeld een rol in elke coronadiscussie. Hoe groot die rol is, weet ik niet.

** De situatie is in werkelijkheid veel complexer. De kansen zíjn niet gelijkelijk verdeeld op de bevolking. Die 0,75 procent is een plausibele schatting, maar het blijft een schatting. Het effect van een lockdown op de sterftecijfers is moeilijk te berekenen. En door te kiezen voor vrijheid of veiligheid maak je niet alleen een keuze voor jezelf maar ook voor de anderen.

** Ik schreef hierboven losjes uit de pols over één jaar, twee jaar, drie jaar lockdown. Maar het ene jaar is het andere niet. Jo Komkommer beschrijft in zijn laatste boek onder andere een jaar dat hij doorbracht in een halve commune in San Francisco (zie hier). Veronderstel eens dat hij juist dát jaar uit zijn had moeten missen. 

** Filosofische discussies rond het begrijp ‘vrijheid’ hebben mij nooit erg geïnteresseerd. Voor mij betekende vrijheid altijd: lekker doen waar je zin in hebt en bereid zijn de gevolgen van je gedrag te aanvaarden. Zoals P.J. O’Rourke het uitdrukt: ‘There is only one basic human right, the right to do as you damn well please.’ Daar staat tegenover dat je je medemens met je gedrag geen schade mag toebrengen. Het ‘neminem laede’ van Schopenhauer en het Non Agression Principle van de libertariërs.

** Alleen, wat is ‘agressie’? Moeten we de micro-agressions van de snowflakes erbij tellen? De beledigingen aan het adres van de Profeet of van de Moeder-Maagd? Het geven van een slecht voorbeeld door alcohol te drinken in een family restaurant? Die discussie kunnen we oplossen door alleen fysieke agressie mee te tellen. ‘Bricks and stones will break my bones, but words can’t hurt me.’

**Van heel veel gedrag kan worden beweerd dat het indirect fysieke (of financiële) schade toebrengt. Roken in gezelschap, autorijden waar geen fietspaden zijn,  een haardvuur aansteken … het is allemaal op een of andere manier schadelijk voor je medemens. Kinderen verwekken is slecht voor het milieu. Geen kinderen verwekken is slecht voor het pensioenstelsel. Zonder brommerhelm rondsnorren is slecht voor de budgetten van volksgezondheid. En uitademen als er een kans bestaat dat je aerosolen virusmateriaal meedragen is op zijn manier ook een vorm van mogelijke schade toebrengen. Het is het soort discussie dat eindigt met de wanhopige vraag: ‘Waar trek je de grens?’

** Omdat die waar-trek-je-de-grens-discussie zo moeilijk is, zoekt men een uitvlucht in feitelijke argumenten. Men gaat de cijfers maximaliseren of minimaliseren, men gaat causale verbanden in twijfel trekken of verabsoluteren, men haalt er de economie bij en het psychisch welzijn. Men wijst op de slechte aanpak van de contact tracing. Dat is allemaal interessant, maar of díe discussies zoveel makkelijker zijn dan de waar-trek-je-de-grens-discussie, daar ben in nog zo zeker niet van.

** Ik stel mij, zoals ik elders al een paar keer geschreven heb, neutraal op tussen de versoepelbrigade en de lockdownbrigade. In de praktijk sloot ik mij dus aan bij de laatste, want wie zwijgt stemt toe. Maar daar kan verandering in komen. Ik twijfel amper aan een verregaande versoepeling in de zomer. Maar als men in het najaar weer de lockdowmodus bovenhaalt, is het voor mij genoeg geweest. Vandenbroucke is bij deze gewaarschuwd: dan loop ik over naar het kamp van Tegnell. Die voorspelde bij het begin dat de pandemie jaren zou aanslepen, waardoor een strenge lockdown geen adequaat lange-termijn antwoord kon zijn. Ik ga er voorlopig nog van uit dat de vaccinatie voldoende zal zijn om op vrij korte termijn de schade toegebracht door corona terug te brengen tot ongeveer die van een griepepidemie. Dan is vrijheidsbeperking niet meer nodig en kan de discussie stoppen.

** Bij de lockdownbrigadisten hoort Erika Vlieghe met haar T-shirt ‘nie neute, nie pleuje’. Dat is een mooie slagzin en een goede raad. Zoals Elly Nieman indertijd zong: ‘Kind, zet je eroverheen, heus want klagen klagen hellept er geen een’.

**Achter het niet-klagen argument schuilt echter een ander argument, namelijk dat het ‘allemaal zó erg niet is.’ Mensen die de oorlog hebben meegemaakt, dàt was erg. Nu behoort het, vind ik, tot de gewetensvrijheid van elk mens om zélf te beslissen wat hij zélf erg vindt. Hoe erg is het om in de supermarkt geen menselijke gezichten te zien, compleet met mond en neus? Hoe erg is het om op een regenachtige dag niet te kunnen schuilen in een café en daar een koffie met pannenkoek te bestellen? Hoe erg is het om geen film te kunnen zien op groot scherm? Hoe erg is het om geen opera te kunnen bezoeken? Hoe erg is het om geen vrienden of familie te kunnen uitnodigen aan een met fijn linnen gedekte feesttafel? Hoe erg is het om maanden niet uit dansen te gaan? Hoe erg is het om een weekje zon te missen op Gran Canaria? Hoe erg is het om ’s nachts niet met je hond te kunnen gaan wandelen? Hoe erg is het om om je eerste festival te missen? Hoe erg is het om niet te kunnen feesten in Ter Kamerenbos? Hoe erg is het om niet elke dag gewoon les te kunnen krijgen of geven? Hoe erg is het om een jaar niet te voetballen of te zwemmen? Hoe erg is het om je collegas op anderhalve meter afstand te houden? Hoe erg is het om er met een verwaarloosd of ongeverfd kapsel bij te lopen? Ik zou het niet prettig vinden als ik dat voor iemand anders moest beslissen. En ik zou het nog minder prettig vinden als een regering dat voor mij zou beslissen. Zelfs Frank Vandenbroucke beseft dat want hij beweert met een brede lach dat hij het ook allemaal heel erg vindt en dat hijzelf ook graag met zijn vrienden een pintje zou willen drinken, wat niemand gelooft. 

** Alles wat hierboven is opgesomd, van de nachtelijke wandeling met hond tot het operabezoek en de reis naar Gran Canaria, zijn eenvoudige basisvrijheden. De Grondwet beschermt ons tegen een regering die zulke vrijheden wil beperken. Elke beperking, als die dan toch noodzakelijk is, moet begrensd zijn in de tijd, proportioneel, gemotiveerd en onderworpen aan gerechtelijke en democratische controle. Wat Frank Vandenbroucke zei over de corona-uitspraak van een Brusselse rechtbank was daarom erg ongepast. Hij moet van mij niet met die rechtbank akkoord gaan. Hij mag van mij zeggen dat hij van één rechtbank ‘niet direct onder de indruk is’. Maar als hij zegt: ‘We moeten die maatregelen handhaven, punt aan de lijn,’ dan is de grens overschreden (1). ‘Punt aan de lijn’ wil zeggen: ‘wat ook de uiteindelijke gerechtelijke uitspraak is’. Zo’n mentaliteit is een bedreiging van onze vrijheid op langere termijn.

** Natuurlijk moet een afweging worden gemaakt tussen efficiëntie, legale procedure en democratische controle. Toen ons land af te rekenen kreeg met terroristische aanslagen, heb ik niet geprotesteerd tegen para’s op straat, fouillages in de vliegvelden en razzia’s in Molenbeek. Ik heb die maatregelen zelfs een paar keer onderschreven op mijn blog (2). Misschien doe ik dat de volgende keer weer. Maar ik zal toch iets voorzichtiger zijn.



**Verder wordt de vrijheid bedreigd als meningsverschillen rond corona niet rustig en openbaar kunnen worden uitgediscussieerd. Zou het waar zijn dat Sam Brokken zijn betrekking van onderzoekshoofd Gezondheidswetenschappen aan de PXL Hogeschool kwijtraakte vanwege zijn kritische vragen bij het lockdown- en vaccinatiebeleid? Ik volg in elk geval de argumentatie van enkele artsen en wetenschappers die pleiten voor een vrij, publiek debat rond de coronakwestie. Zie hier.

** Ik hoor somsdat een steeds groter deel van de burgers zich niet meer aan de regels houdt. Ook dat is niet goed voor de de vrijheid. Vrijheid gedijt best als de meeste mensen zich vrijwillig onderwerpen aan redelijke regels. Als een van de elementen ontbreekt – meeste mensen, vrijwillig, redelijke regels – wordt het gevaarlijk.

** Sinds een deel van de bevolking gevaccineerd is, lees ik verontwaardigde stukken over ‘privileges’ die zouden worden toegekend aan gevaccineerden. Bejaarden die gevaccineerd zijn zouden bijvoorbeeld, zonder mondkapje op, kunnen samenkomen om een glas wijn te drinken of een stuk taart te eten, terwijl jongeren dat niet mogen. Ik zou daar geen bezwaar tegen hebben. Dat is om te beginnen geen privilege maar een elementaire vrijheid die wordt hersteld, zij het voor de ene wat sneller dan voor de andere. En ten tweede ondervinden de jongeren daar geen extra nadeel van. Met of zonder die bejaarden mogen ze hoe dan ook niet mogen samenkomen om wijn te drinken of taart te eten, wegens gevaar van virusverspreiding. Die jongeren hebben dat niet gevraagd, zul je zeggen, om later gevaccineerd te worden. Dat is waar, maar de bejaarden hebben het niet gevraagd om bejaard en kwetsbaar te zijn. (3)

** Als je het woord ‘privilege’ wilt misbruiken, zou je dat ook kunnen doen bij de discussie over de ‘omgekeerde lockdown’. Je zou dan kunnen zeggen dat jongeren in zon geval het ‘privilege’ hebben om vrij rond te lopen terwijl bejaarden worden ‘opgesloten’. Maar ook dat zou niet terecht zijn vanwege bovenstaande redenen. En daar komt nog een reden bij. Een ‘omgekeerde lockdown’ zou grotendeels een vrijwillige lockdown zijn van kwetsbare mensen die zichzelf beschermen. Doorbreken van zo’n lockdown zou niet bestraft worden met geldboetes, maar met verhoogd risico op besmetting, ziekte en dood (4).

 

(1) Men heeft de woorden van Frank Vandenbroucke vergeleken met die van Theo Francken en Bart De Wever die respectievelijk spraken van ‘wereldvreemde’ en ‘activistische’ rechters. Dat ‘wereldvreemde’ zou hier inderdaad ook van toepassing kunnen zijn, dat ‘activistische’ allerminst – eerder het tegenovergestelde. Maar daar gaat het niet om. Noch Theo Francken, noch Bart De Wever hebben toen gezegd: ‘Wij gaan die asielzoekers uitwijzen, punt aan de lijn.’ Zie mijn vorig stukje daarover hier.

(2) Een van mijn stukjes over anti-terreurmaatregelen vind je hier.

(2) Natuurlijk kunnen er ándere redenen zijn waarom de vrijheden van de gevaccineerden pas later kunnen hersteld worden, bijvoorbeeld als ze door hun gedrag zouden bijdragen aan de algemene verspreiding van het virus.

(3) Of zo’n omgekeerde lockdown in de praktijk haalbaar is en voldoende bescherming oplevert, dat is weer iets anders.

vrijdag 9 april 2021

Kortjes over kortjes*

Een van de oudste literaire genres is dat van de kortjes: aforismen, spreuken, bon mots, puntdichten, anekdotes, karakterschetsen: van Prediker tot Cioran, van Heraclitus tot Dorothy Parker, van Seneca tot Nietzsche.

 Godfried Bomans onderbreekt in Buitelingen zijn cursiefjes door af en toe een bladzijde ‘Invallen’ tussen te voegen. Elke bundel van Karel van het Reve eindigt met een reeks ‘Fragmenten’. Joe Brainard heeft zijn boekje I Remember, Jo Komkommer heeft zijn blogrubriek ‘Ik herinner mij’ en Padgett Powell heeft zijn eindeloze reeks vragen in The Interrogative Mood.

 Dan dan had je de 17de,  18de en 19de eeuw met Pascal, La Rochefoucauld, Vauvenargues, La Bruyère, Lichtenberg, Schopenhauer, Chamfort, Bloy. Soms lijkt het of de Faust van Goethe alleen geschreven is om de krachtige aforismen een plaats te geven**.

 En vandaag doet iederéén mee, dankzij Twitter en Facebook.

 Die kortjes hebben het voordeel dat je een leuke inval niet homeopathisch moet verdunnen zoals Addison deed in zijn Spectator***. Maar dat aanlengen met water is niet altijd zinloos. Je moet dan wel goed schudden. Karel van het Reve had ooit een kortje geschreven over de evolutieleer van Darwin. Later schreef hij een langer stuk, dat ongeveer hetzelfde zei, maar dat ik toch niet zou willen missen. Het voordeel van een langer stuk is dat de ene inval de andere meebrengt.

 Een ander voordeel van kortjes zal vooral de luie medemens aanspreken. Ik ben zo’n medemens. Nu noteer ik vaak een inval, met het vaste voornemen om die later uit te werken. En dan komt het er niet van.

 Enkele voorbeelden?

 Al heel mijn leven ken ik de Lettres van Mme de Sévigné. Het boek nam een opvallende plaats in in de boekenkast van van mijn vader. Pas onlangs heb ik een deel van die correspondentie gelezen****. – Al heel mijn leven weet ik dat Camus omgekomen is bij een auto-ongeluk. Pas sinds eergisteren weet ik dat hij bij dat ongeluk niet aan het stuur zat, en dat zijn uitgever bij hetzelfde ongeluk de dood vond. – Al heel mijn leven ken ik de muziek van Les parapluies de Cherbourg. Pas gisteren heb ik de film gezien. –  – Wat valt daaraan uit te werken?

 Of kijk. Ik heb geen zin om een recensie te schrijven over Les parapluies, maar ik wil toch graag iets kwijt over de interieurs. Wat was me dat allemaal? Die meubels? Dat behang? Die kleuren? Hebben die echt bestaan? Mensen die zo woonden, na hoeveel maanden werden ze opgenomen in een instelling? Wij hebben laatst bijna een appartement aan zee gekocht, en de slaapkamer was precies in dezelfde ‘style bonbonnière’ ingericht als in de film. ‘Alles gaat eruit,’ zei mijn vrouw.

 En tussen haakjes. Catherine Deneuve was 21 in die film. Julie Christie was 22 in The Fast Lady. Zouden er nog veel vrouwen zijn die na die leeftijd móóier worden?

 

* Ik herinner mij een ruzie met een professor in de taalkunde over de morfologische mogelijkheid van het Nederlands om verkleinwoorden te maken van bijvoeglijke naamwoorden. Ik had ongelijk.

**  Over de Maximes van La Rochefoucauld: zie ook hier.  Voorbeelden van kortjes bij Chamfort vind je hier, hier en hier. Van Dorothy Parker: hier. Over die aforismen in Faust: zie ook hier. Over Schopenhauer en Nietzsche, zie ook hier, met name ook over het gebruik van aforisme door die laatste. 

*** Een ander voordeel is dat je niet hoeft te argumenteren, zie ook hier.

**** Over Madame de Sévigné: zie ook hier.


woensdag 20 januari 2021

Technieken van de humor


      In het vierde middelbaar gaf ik een aantal lessen over ‘technieken van de humor’. Dat was een mooie gelegenheid om de leerlingen tekstjes te laten lezen van Godfried Bomans, Simon Carmiggelt, Kees van Kooten, Koen Meulenaere, Annie Schmidt, de twee broers Van het Reve en nog enkele anderen.
     Ik heb toen zelf ook enkele geleerde teksten gelezen óver humor, van Schopenhauer, Bergson, Daninos en nog enkele anderen. Een van die teksten was een heus doctoraat van Hans van den Bergh: Konstanten in de komedie. Een onderzoek naar komische werking en ervaring. De doctorandus had daarvoor een aantal komedies bijgewoond en had genoteerd wanneer het publiek lachte. Hij had dat ook gedaan met enkele op grammofoonplaat of op band opgenomen voorstellingen. Zo kwam hij uiteindelijk aan een lijst van  3611 ‘Komische momenten’, die hij in zijn proefschrift afkortte tot ‘K.M’ in het enkelvoud en ‘K.M.M.’ in het meervoud. Wat hebben die literatuurwetenschappers een boeiend leven.
     Je begrijpt ongeveer welke technieken van de humor ik besprak: ironie, parodie, contrast, paradox, taboedoorbreking, dubbele bodem, overdrijving, understatement, te veel of te weinig woorden gebruiken, ‘stating the obvious’ enzoverder. Het kwam erop aan om leuke voorbeelden te zoeken of te verzinnen.
     Twee dingen zijn mij door die lessen te geven duidelijk geworden. Die zogenaamde technieken werken niet altijd. Je moet er minstens een paar combineren voor een echt K.M. optreedt.* Neem de eerste de beste bekende witz. ‘Het ziet er slecht uit. Diego Maradona dood, Paolo Rossi dood, Robbie Rensenbrink dood, en ik voel mij de laatste tijd ook niet zo lekker.’ Je hebt hier een reeks ‘technieken’ tegelijk: een aperte onwaarheid (ik heb nooit gevoetbald), een heterogene opsomming (ik hoor niet in het rijtje), impliciete uitdrukking (dat ik binnenkort zou kunnen doodgaan) naast nog eens een taboedoorbrekend prijzen van mijzelf. Haal enkele van de bestanddelen weg, en veel van het effect verdwijnt. ‘Ik kan even goed voetballen als Maradonna’, is bijzonder flauw. Net als: ‘Straks kan ik ook overlijden.’
     En dan is mij nog iets opgevallen. Alle, of laat ons zeggen de meeste, technieken lijken ook als ‘gewone’ stijlfiguur gebruikt te worden, zonder op het eerste gezicht een komisch effect na te streven. Denk aan het rijtje hierboven: overdrijving, taboedoorbreking, paradox … Stentor van Homerus kon even luid schreeuwen als 50 mannen. Dat is een flinke overdrijving, maar is het grappig? ‘Alles zoop en naaide, heel Europa was één groot matras’, schreef Campert. Dat was niet alleen een overdrijving; voor oudere dichters was in die tijd, geloof ik, zelfs het woord ‘matras’ een taboe. Maar heeft iemand gelachen met het gedicht? Dickens begint A Tale of Two Cities met een reeks paradoxen waarvan de eerste de bekendste is. ‘It was the best of times, it was the worst of times.’ Maar wordt A Tale niet als een van zijn minst humoristische boeken beschouwd? 
     Mijn mening is dat die Stentor met zijn luide stem, die matras waarop ‘alles’ zuipt en naait, en ten slotte die tijden die tegelijk goed en slecht zijn, op hun manier een héél, héél klein beetje grappig zijn. In die zin is literatuur, ook op haar somberste bladzijden, altijd een heel klein beetje grappig, zoals muziek, ook in haar vrolijkste notenrijtjes, dat nooit is, of nooit zou mogen zijn**.

  

* Van den Bergh noemt dat de ‘meerwaardigheid van de K.M.M.’, maar hij gelooft niet dat zo’n meerwaardigheid het publiek harder aan het lachen brengt.

 ** Alhoewel ik soms in de lach schiet bij de prelude van BWV 855 als het K.M. eraan komt, na ongeveer anderhalve minuut voorpret. Zie hier.

zaterdag 29 augustus 2020

De meeste mensen deugen (6)



      La Rochefoucauld wou indertijd in zijn ‘Maximes’ dolgraag laten zien dat de mensen dóór een dóór egoïstisch en slecht waren. ‘Onze deugden zijn meestal vermomde gebreken,’ schreef hij. ‘Vriendelijkheid is het gevolg van ijdelheid, luiheid of angst. Eerlijkheid is een list om het vertrouwen van anderen te winnen.’ Het is briljant geformuleerd, er zit bittere waarheid in, maar het is allemaal erg eenzijdig. Iemand die geld geeft aan een bedelaar, doet dat om geprezen te worden, of om er een goed gevoel aan over te houden, uit egoïsme dus. Tja,  akkoord. Iemand die een bedelaar vermoordt om met het vet van het nog warme lijk zijn laarzen in te smeren, doet dat om warme voeten te hebben, eveneens uit egoïsme dus*. Ook akkoord. Toch is er een aanmerkelijk ethisch verschil tussen de twee handelswijzen.
     Bregman** doet iets soortgelijks als hij het Milgram-experiment bespreekt. Iemand die weigert elektrische schokken toe te dienen doet dat uit empathie met het slachtoffer, iemand die die schokken wél toedient doet het uit empathie met de bevelvoerder. In de twee scenario’s is hij een ‘supersamenwerker’, zoals Dirk van Duppen dat noemde. Met dat ‘samenwerken’ kan dan elke slechte daad worden verantwoord. Zo geeft Bregman toe dat er in New Orleans, in de crisissituatie veroorzaakt door de orkaan Katrina, wel degelijk een en ander misliep. ‘Er was veel geplunderd’, schrijft hij, ‘maar vooral door groepen die samenwerkten.’ (blz. 26, mijn cursivering) Is dat nu een verzachtende of verzwarende omstandigheid, vraag ik mij af?
     Het is anders niet verwonderlijk dat mensen als Bregman en Van Duppen de bereidheid tot samenwerken zo hoog op hun waardenhiërachie plaatsen.  Hun vijand is de ‘neoliberale’ maatschappij en die werkt naar hun mening uitsluitend volgens het tegenovergestelde principe: dat van competitie. Die moet weg. En dan zijn er twee mogelijkheden: ofwel geloof je in de ‘maakbare mens’, waarvan je het egoïsme, individualisme, en competitieve streven door chirurgie, pillen of opvoeding kunt verwijderen, ofwel geloof je dat dat egoïsme een laagje vernis is dat door de 1 procent machthebbers over de overige 99 procent wordt gespoten. In dat geval volstaat het om de machthebbers onschadelijk te maken om het vernis spuiten te stoppen.
     Een maatschappelijk ideaal dat eenzijdig uitgaat van een álgoede of álslechte mens is onrealistisch en alleen daarom al gevaarlijk. Als de mens slecht is, moet de verdorven meerderheid worden onderdrukt door een deugdzame elite (waar gaat men die vinden?) en als hij fundamenteel goed is, moet een kleine slechte minderheid worden onderdrukt (door wie?) zodat de goedheid van velen kan opbloeien. Lukt het met dat opbloeien niet zo goed, dan moet de zoektocht naar de vijanden van het Goede worden uitgebreid van 1 procent naar 2 procent en zó verder, en raak je op de duur opgescheept met Robespierre, Stalin en Mao. 
     Is onze huidige samenleving gebaseerd op een álslecht mensbeeld, op de egoïstische homo economicus, zoals Bregman beweert? Dat geloof ik niet. Een groot deel van het maatschappelijk verkeer – liefdesleven, vriendenkring, betrekkingen tussen ouders en kinderen – hebben weinig met de goede of slechte, maar alles met de complexe mens te maken. En de economie zelf, die we ‘kapitalistisch’ noemen – een term uitgevonden door haar vijanden – drijft tegelijk op doelbewust teamwerk binnen één bedrijf, competitie tussen vergelijkbare bedrijven, en nog het meest op win-winrelaties tussen complementaire bedrijven, en tussen verkopers en klanten.  Sommige van die win-winrelaties, zoals die in een supermarkt, zijn onpersoonlijk en spelen zich af tussen mensen die onverschillig staan tegenover elkaar. Het zij zo. Ook dát ligt in de menselijke aard, en het was iets wat Rousseau bijvoorbeeld heel goed wist.
     En dan: zijn samenwerken in teamverband wel het summum bonum, en individualisme en competitie het summum malum die Bregman ervan maakt? In het onderwijs vond ik dat er wel eens te véél werd samengewerkt, in vakgroepen en zo, met overbodige ruzie als gevolg. Anderzijds zou ik niet álle samenwerking door competitie willen vervangen. Dat lijkt mij vermoeiend. Toch heb ik met die competitie niet zon groot probleem mee als Bregman. Die wordt al zenuwachtig van een titel als ‘The Selfish Gene’ terwijl die zich hoogstens aan een doorzichtig antropomorfisme bezondigt. Bregman is heel gelukkig als Dawkins later toegeeft dat ‘The Cooperative Gene’ een even goede titel was geweest. Maar wat doet dat er allemaal toe? Bregman moet toch ooit gehoord hebben van de drogreden van compositie, waarbij eigenschappen van onderdelen met eigenschappen van het geheel worden verward. Wat kan het mij schelen of spermatozoïden al concurrerend of samenwerkend naar de eicel zwemmen. Zelf ben ik nooit een goede zwemmer geweest.
     De eenvoudige waarheid is dat competitie een aardige manier is om de menselijke luiheid te compenseren.*** Misschien hebben we die luiheid wel van onze voorvader de jager-verzamelaar geërfd. Ik moet in elk geval noch de jager-verzamelaar, noch de hedendaagse Homo Sapiens grondig bestuderen om die luiheid geïllustreerd te zien. Ik moet er niet eens mijn geliefde sofa voor verlaten. Maar Bregman denkt een andere oplossing te hebben om de menselijke luiheid te omzeilen: de intrinsieke motivatie. Die zou sterker doorwegen dan financiële afwegingen en er zelfs omgekeerd evenredig aan zijn.  Hij citeert bekende psychologische experimenten die laten zien dat stoppen met roken slechter werkt als me ervoor betaald wordt, of dat men zich minder houdt aan de afgesproken uren van de crèche als men daar een boete voor betaalt. 
     Maar er bestaan ook psychologische experimenten die aantonen dat een combinatie van extrinsieke en intrinsieke motivatie de beste resultaten geeft. Die sluiten goed aan bij wat we om ons heen zien. Veel wielrenners zouden ook zonder bolletjestrui of prijzengeld met gehijg en gesteun de Tourmalet, de Mont Ventoux of de Alpe d’Huez oprijden. Dat doen wielertoeristen ten slotte ook. Maar dromen van prijzengeld en gele, groene en bolletjestruien helpt in elk geval om het daar in Frankrijk 20 etappes lang vol te houden, ondanks de soms felle zon.
     Extrinsieke motivatie, materiële beloning, winstprikkel, concurrentie en competitie wérken. Ongetwijfeld krioelt het bij Apple en Microsoft van gedreven programmeurs en technici die ook in hun vrije tijd niets liever doen dan programmeren en ontwerpen, en wordt het bedrijf geleid door ceo’s die los van mogelijke bonussen een zo goed mogelijk product willen maken. Maar als er ter wereld maar één computerbedrijf bestond, met mooi afgesproken loonschalen volgens anciënniteit, dan zouden onze computers nu trager, groter, lelijker en duurder zijn dan in een systeem mét concurrentie. Het zouden Sovjetcomputers zijn.
     De mooie, snelle computer waar ik dit stukje op heb getypt, is het gevolg van samenwerking én competitie, van en tussen mensen met goede en slechte eigenschappen, en die gedreven zijn door idealisme, intrinsieke motivatie, inhaligheid en eerzucht.  Ik ben hen dankbaar.


* Het beeld komt van Arthur Schopenhauer.
** Mijn andere Bregman-stukjes vind je hierhierhier en hier en hier
*** Luiheid, gedefinieerd als aversie van onaangename maar nuttige activiteiten. De econoom Galbraith schreef ooit dat het meeste werk repetitief, vervelend, pijnlijk vermoeiend en mentaal uitputtend’ is. Mensen met een leuk werk, zoals leraren of kunstenaars, hebben daar minder last van en hebben bijgevolg een grotere intrinsieke motivatie. Hopelijk zorgt de technologie ervoor dat de onaangenaamste soorten werk stilletjes aan verdwijnen.  


woensdag 13 november 2019

Losse bedenkingen bij de cultuursubsidies

** In mijn ideale maatschappij zijn er geen subsidies voor de kunsten. Operatickets zijn er duur, maar de liefhebbers van opera betalen ze graag, want ze houden hartstochtelijk van opera. Ook moet de operabezoeker niet besparen op brood, melk, vlees of groenten, want hij bespaart geld op andere manieren. Zo moet hij in mijn ideale maatschappij niet meebetalen aan subsidies voor een televisiezender waar hij nooit op afstemt, sportwedstrijden die hij nooit bijwoont of dansvoorstellingen die hem niet boeien.
                           
** Ik ben overigens niet zeker of ik in mijn ideale maatschappij zou willen leven. Ik moet even denken aan de fellow travelers die je ook met geen stokslagen naar Rusland kreeg,  of toch niet om er te gaan wonen.

** Ik ben een voorstander van ‘grote’ cijfers. Ik heb tientallen keren iets gehoord en gelezen over een subsidiedaling van 60 procent en ook enkele keren iets van een daling van 6 procent. Dat ene cijfer gaat geloof ik over de ‘eenmalige projectsubsidies’ en het andere over ‘werksubsidies’. Maar de ‘grote’ cijfers zijn deze. Het Vlaamse cultuurbudget bedroeg vorig jaar 518 miljoen en dit jaar 508 miljoen. Dat is een daling van 2 procent. 2 % en geen 60 %. Nu ja, ’t is een daling.

**  Andreas Thirez heeft onlangs nog eens herhaald wat we al wisten van Yes Minister: cultuursubsidies komen grotendeels ten goede aan een culturele elite die vaak tegelijk een financiële elite is. Helemaal rechtvaardig is dat niet, al betaalt die financiële elite natuurlijk meer belastingen dan de andere burgers.

** Er is in elke maatschappij een elite die haar stempel zet: uitvinders, ondernemers, politici, topambtenaren, professoren, architecten, journalisten, psychiaters … Als de andere omstandigheden gelijk zijn, heb ik liever dat die elite uit kunstlievende mensen bestaat die klassieke auteurs lezen, viool of piano spelen en een Rembrandt van een Vermeer kunnen onderscheiden. Nu ja, Heydrich speelde viool, Hitler was aardig thuis in ‘Die Welt als Wille und Vorstellung’, Lenin citeerde met gemak de grote Russische auteurs, en Mao koesterde in zijn privé-woningen de Chinese klassieken die hij in het openbaar door zijn handlangers liet vernietigen. Maar, zoals ik al zei, de andere omstandigheden moeten gelijk zijn.

** Ook is het fijn in een tijd te leven waarin de smaak van de elite en die van de volksmens niet te ver uit elkaar liggen. Dat moet zo geweest zijn bij het Griekse theater, en in de tijd van Shakespeare en Lope de Vega. Het is echter, vrees ik, niet in zo’n tijd dat we leven. Vandaag gaapt er een kloof tussen de twee soorten publiek. Films en vooral televisieseries – we leven in ‘the Golden Age of Television’ zegt men – lijken een uitzondering te vormen. Daar kunnen elitaire en populaire smaak soms nog samenvallen.

** Sanctorum heeft tegen de moderne gesubsidieerde kunst twee bezwaren ingebracht: de beoefenaren ervan zijn links en de producten ervan zijn decadent. Hij geeft daarvan enkele sprekende voorbeelden. Maar het hóeft niet zo te zijn, en zulke beoordelingen zijn nogal persoonlijk. Het stuk waar ik dit jaar met mijn leerlingen naar toe geweest ben, was er een van Tom Lanoye: ‘Wie is bang’. Die auteur mogen we, vermoedelijk met zijn welnemen, ‘links’ noemen. Maar de voorstelling vond ik daarom niet decadent. Het stuk was een herwerking van de klassieker ‘Who’s Afraid of Virginia Woolf’. Ook dat stuk zou ik niet decadent noemen. Maar Barbara Branden vond dat indertijd wel, terwijl ze verder ongeveer even ‘rechts’ was als ik nu.

** De voorstelling die wij hebben bijgewoond – een NTG-productie – moet op één of andere manier gesubsidieerd zijn geweest, want mijn leerlingen betaalden slechts 10 euro.  Wij hebben een van de vorige jaren ooit een niet-gesubsidieerde voorstelling van een klein gezelschap bijgewoond en toen betaalden we 30 euro.

** Het stuk van Lanoye ging overigens over subsidies aan theater. De boodschap was, als ik het goed heb, dat theatermakers zulke subsidies vernederend vinden. Ik zou het ook vernederend vinden. Een eenmalig projectvoorstel uitschrijven en indienen bij een commissie. Met twee woorden spreken. Pet in de hand houden. Rekening houden met het stokpaard van commissielid A en het idee-fixe van commissielid B. Bang afwachten of de subsidie er nu komt of niet. Dan had ik nog liever het mecenaat. Een glas gaan drinken met een excentrieke miljonair, en als die niet toehapt, een andere miljonair opzoeken. Ik geloof dat die miljonairs geen uitgeschreven projectvoorstellen vragen en in elk geval geen tijd hebben om ze te lezen.

** Een paar keer las ik de bewering dat je kunst niet kunt overlaten aan de vrije markt. Misschien niet helemaal, dat weet ik niet. Ik ben voor commerciële boekhandels, maar ook voor openbare bibliotheken. Toch heeft de vrije markt iets moois. Je zou het misschien beter de ‘vrijwillige markt’ noemen. De schrijver schrijft vrijwillig een boek en de lezer leest vrijwillig een boek, en betaalt ervoor, ook vrijwillig. En tussen de vrijwillige schrijver en de vrijwillige lezer staat de uitgever. Die probeert te raden wat de lezer vrijwillig wil lezen. Vaak raadt hij juist, en dan maakt hij winst, dan weer raadt hij fout, en maakt hij verlies. Er is echter een schaduwkant. In die omstandigheden gebeurt het namelijk al te vaak dat een prachtig boek onuitgegeven blijft. Een collega van mij heeft een korte graphic novel gemaakt, waarvan het moeilijk is om uit te maken is of nu de teksten erin dan wel de tekeningen het mooiste zijn. Hij krijgt het boek echter niet uitgegeven. Is er een gebrek aan verfijnde lezers voor zo’n werk of schatten de uitgevers hun lezers verkeerd in? De fout ligt in een van de twee kampen: de lezers of de uitgevers; de fout ligt in elk geval niet bij ‘de markt’. Een markt kan geen fouten maken. 

** Op de televisie hoorde ik een mevrouw die het ‘economisch argument’ hanteerde. Cultuur zorgt voor tewerkstelling, zei ze, en die tewerkgestelden betalen belastingen. Daar kwamen nog eens de ‘indirecte’ gevolgen bij. Mensen gingen naar het theater en bezochten daarna een café. Dat lijkt mij een foute redenering. Als we belastingen betalen om het toneel te ondersteunen, en als de mensen daarna een glas drinken op café, is dat allemaal geld dat ze niet kunnen gebruiken om op Zalando een paar nieuwe schoenen te bestellen. Op die manier vermindert de tewerkstelling in de schoenenindustrie en bij Zalando. Het is de oude parabel van het gebroken venster. Nu kun je het fijner vinden om in een maatschappij te leven waar we meer belang hechten aan cultuur, dan aan schoenen.  Maar dát is een heel andere zaak. 

** Tot slot. Geert van Oorschot heeft het Verzameld Werk van Multatuli uitgegeven zonder één gulden subsidie. Zijn zoon Wouter van Oorschot heeft het Verzameld Werk van Karel van het Reve uitgegeven, eveneens zonder één euro subsidie. Hoe die uitgevers dat geflikt hebben, moeten mijn leerlingen weten voor het examen Nederlands

maandag 28 oktober 2019

De rolkraag en het existentialisme

     Soms moet ik aan mijn leerlingen dingen uitleggen die ik zelf niet begrijp. Het existentialisme bijvoorbeeld. Toen ik zestien was probeerde ik een Aula-pocketje te lezen dat ‘Inleiding tot de existentiële fenomenologie’ heette. Ik begreep er niets van.  Existentie komt vóór essentie, zei Sartre. Wat kon hij dáármee bedoelen?*
     Ik zou om die reden in mijn lessen kunnen zwijgen over dat hele existentialisme. Of het alleen maar hebben over Parijs na de oorlog, la rive gauche, jazzmuziek, amfetamines, vrije liefde, Juliette Gréco, zwarte truien met rolkraag, filosofen die scheel kijken, en droevige liedjes als  Les feuilles mortes se ramassent à la pelle. Ik zou mij daar niet voor schamen. Maar mijn leerlingen moeten auteurs bespreken als Melville, Dostojevski, Conrad, Kafka, en dan moeten ze toch íets van het échte existentialisme kennen, want al die auteurs gaan door als de voorlopers ervan. Als ik erg mijn best doe, zou ik toch íets moeten kunnen uitleggen van, laat ons zeggen, ‘de zinloosheid van het leven’. 
    Ik probeer het dan langs de omweg van Nietzsche. In de 18de eeuw, zeg ik dan, kwam men – dat wil zeggen, een deel van de denkende elite – tot het besluit dat God niet bestond. De zogenaamde ‘filosofen’ – vriend en vijand noemden hen zo –hadden uitgevonden dat we na onze dood … jawel … dood waren.  Ze dachten daar verder niets bij. ‘Le monde va comme il va,’ zei Voltaire. Het was ‘business as usual’, ook zonder God. 
     Maar aan het einde van de 18de eeuw kwam de romantiek, en de mensen die daarbij betrokken waren namen de zaken persoonlijk. ‘Als God bestaat, dan wil ik zijn vriendje zijn,’ dacht de romanticus, of: ‘Als God bestaat, dan is het een grote schurk’. De twee mogelijkheden stonden open. Maar wat als God en het hiernamaals helemaal niet bestonden? Ja, wat dan? Dan had het allemaal geen zin, vond de romanticus. Wat voor zin heeft het met veel toewijding een zandtekening te maken, die onmiddellijk na voltooiing weer vernietigd wordt. En is het zo heel anders als die vernietiging pas veertig jaar later plaats vindt? Kun je je niet beter meteen ophangen in plaats van veertig jaar te wachten? 
     Daarmee hadden sommige romantici, wat mijn collega’s van Godsdienst noemen, de ‘zinsvraag’ gesteld. Robinson Crusoe op zijn eiland stelde zich die vraag niet. Hij stelde zich vragen als: Hoe zal ik mij beschermen tegen zon en regen? Waar zal ik morgen mijn voedsel vinden? Hoe gevaarlijk is het wezen dat hier een voetafdruk heeft achtergelaten? Al die vragen waren van belang voor zijn overleven. Maar dan was er die andere vraag die níet gesteld werd: waarom dat overleven zelf zo geweldig belangrijk was. Vroeg of laat moest Robinson toch dood, in zijn hut op het eiland of in zijn huis in Engeland. Wat maakten nu die tien, twintig of dertig jaar verschil? Maar dat was geen vraag voor een calvinist als Robinson. Het was geen vraag van 1719, maar eerder een vraag van vijftig jaar later.
     Zoals ik het uitleg, ligt de kiem van het existentialisme binnen de romantische beweging, meer bepaald bij jonge dwepers die de abstracte filosofie van Hume, Voltaire en Helvétius trouwhartig vertaalden naar hun gevoelsleven. En als het gevoelsleven erbij betrokken wordt, kunnen er ongelukken gebeuren.
     In december 1773 was in Parijs heel wat te doen rond een dubbele zelfmoord. Twee jonge soldaten, Bourdeaux en Humain, hadden zichzelf in een herberg in Saint-Denis een kogel door het hoofd gejaagd. Wat vooral indruk maakte was dat het hier niet ging om een ongelukkige liefde, of om speelschulden, of om een ondraaglijk pijnlijke ziekte. Bourdeaux had een brief achtergelaten waarin hij zijn zelfmoord en die van zijn vriend verklaarde. Daaruit bleek dat hij de ‘filosofen’ goed – of te goed – gelezen had. ‘Er is geen dringende reden die ons verplicht er een einde aan te maken, behalve het pijnlijke besef dat we één ogenblik moeten leven om daarna een eeuwigheid niet meer te bestaan … Het doek is voor ons gevallen, en we laten onze rollen graag over aan degenen die zwak genoeg zijn om nog enkele uren door te willen gaan.’ De sluwe redenen die de existentialistische filosofen later zouden verzinnen om een eindig en zinloos bestaan tóch verder te zetten, kende Bourdeaux niet. De arme soldaat was tweehonderd jaar te vroeg geboren.
     In zijn afscheidsbrief schreef Bourdeaux nog dat de wetenschap vrijelijk over zijn lichaam mocht beschikken.  Hij noemde dat lichaam ‘een bewegende vleesmassa’. ’t Is een treffende woordkeuze. Sartre zou in zijn filosofentaaltje misschien gesproken hebben van een ‘en-soi’, dat we zeker niet mogen verwarren met een ‘pour-soi’, maar ik vind dat dat ‘masse de chair mouvante’ beter de ‘walging’ uitdrukt waar de filosoof zelf zo de mond vol van had.
     Camus zei ooit dat zelfmoord het enige probleem van de filosofie was, waarmee hij zijn eigen min of meer existentialistische filosofie bedoelde. De zelfmoord van Bourdeaux en Humain in 1773 zou je in die zin een existentialistische zelfmoord kunnen noemen. De halsbedekking die toen in de mode was, had ook wel iets van een existentialistische rolkraag.
 


* Later las ik bij Schopenhauer: ‘Jede Existentia setzt eine Essentia vouraus. Dat begreep ik onmiddellijk.


zondag 28 april 2019

En, Peter, had Marx altíjd gelijk?

      ‘Als de mens geen klimaatactie onderneemt, is de Apocalyps dan onvermijdelijk?’ vroeg de journalist van De Zondag aan Peter Mertens (PVDA). ‘Ja’, antwoordde Peter resoluut. ‘Marx was daar trouwens ook al mee bezig.’
    
Marx bezig met het klimaat? De lezer is geneigd bij zo’n mededeling even te glimlachen. Waarom zou een Duitse filosoof-econoom uit de negentiende eeuw zich zorgen hebben gemaakt over een klimaatopwarming die men pas op het einde van de twintigste eeuw zou ontdekken? Dat is niet erg waarschijnlijk. Wellicht, denkt de lezer, haalt Mertens hier twee zaken door elkaar: de nieuwe kwestie van het klimaat dat opwarmt, en de oude kwestie van de mooie landschappen, de zuivere lucht, het heldere water en de fluitende vogels die door een verstedelijkte beschaving worden bedreigd. Marx, denkt de lezer dan, kan moeilijk een klimaatactivist geweest zijn zoals Anuna Dewever, maar misschien was hij wel een groene jongen avant la lettre, iemand die de natuur wou beschermen tegen de ‘oprukkende industrialisering’.
     Zulke groene jongens avant la lettre hebben bestaan. De Russissche schrijver Tsjechov bijvoorbeeld was op zijn landgoed in Melikhovo druk in de weer met het planten van bomen. In een van zijn toneelstukken komt een mooie lofzang op de natuur. ‘Bossen zijn een sieraad voor de aarde,’ zegt Astrov, of was het Sonja.  ‘Bossen leren de mens het schone te begrijpen. Ze verzachten een ruw klimaat en door een zacht klimaat worden de mensen milder en mooier en leniger en inniger van aard. Hun taal klinkt sierlijk, ze bewegen zich gracieus, hun wereldbeschouwing is niet somber, hun gedrag tegen vrouwen is hoffelijk.’ Je weet bij Tsjechov nooit of wat hij dénkt samenvalt met wat hij zégt, of wat hij zijn personages laat zeggen, maar het is duidelijk dat de schrijver op zijn manier ‘bezig was’ met natuurbehoud en zelfs met klimaat – of althans met wat we vandaag ‘microklimaat’ zouden noemen.
     Marx van zijn kant was daar helemaal niet mee bezig.  Om dat na te trekken hoeft de lezer niet eens de veertig delen van de Marx-Engels-Gesamtausgave door te nemen. Het volstaat vandaag om op Google de zoekterm ‘Marx and the Environment’ in te tikken. Zeker, je krijgt 2.560.000 resultaten op je zoekopdracht, maar je moet maar enkele van die resultaten aanklikken om te zien dat het allemaal artikels zijn over datzelfde ene zinnetje uit Het Kapitaal.  Marx zegt daarin dat de grond uitgeput raakt door de ‘kapitalistische landbouw’. Die uitputting van de grond was inderdaad een erg actuele kwestie in de 19de eeuw, maar heeft ondertussen veel aan actualiteit ingeboet door de ontdekking van kunstmest, verbeterde gewassen en genetische manipulatie. De groene revolutie heeft hier meer goeds gedaan dan de rode.
     Met je zoekterm op Google vind je ook artikels die gaan over de zogenaamde ‘Jonge Marx’ en wat die schreef over de Verhouding tussen Mens en Natuur. Een gepensioneerde sociologieprofessor is dan heel enthousiast over het diepe inzicht van Marx dat ‘de Mens zelf deel uitmaakt van de Natuur’. Maar hoe die professor ook trekt en wringt aan een of andere duistere passages, je hebt al snel door dat Marx bij het begrip ‘Natuur’ niet dacht aan mooie landschappen, zuivere lucht, helder water of zingende vogels die bedreigd worden door kernafval, maar aan de materiële wereld in zijn geheel, waar de mens dus deel van uitmaakte. Jawel, de mens was ook een brok materie. Dat wist Lucretius al, over wie Marx zijn doctoraatsthesis had geschreven.
     Communisten hadden vroeger de rare gewoonte om bij gelijk welke discussie enkele uitspraken van Marx aan te halen. Ze zochten in alle hoeken en kanten en vonden zo’n uitspraken over gelijk welk onderwerp. Ze stelden er zelfs brochures over samen: ‘Marx over het onderwijs’, ‘Marx over de klassieke oudheid’, ‘Marx over China’, ‘Marx over de geestelijke muziek’, ‘Marx over het seksuele vraagstuk’. In mijn opleiding germanistiek moest ik een opstel lezen van zekere Georg Lukacs. ‘Inleiding tot de esthetische werken van Marx en Engels’ heette het stuk. In de tweede zin moet die Lukács al toegeven dat Marx en Engels eigenlijk ‘nooit een samenhangend boek en nauwelijks een studie’ over esthetische problemen hadden geschreven*. En op dat niet-bestaande boek en die nauwelijks-bestaande studies had hij dan toch maar een flinke inleiding geschreven.
     Ook was er niet alleen Marx die je kon aanhalen. Als je zocht vond je wat je nodig evengoed had bij de andere ‘grondleggers’: bij Engels over goedkoop wonen,  bij Lenin over alcoholisme, bij Stalin over taalkunde en bij Mao over journalistieke stijl. Ook daar werden brochures van gemaakt. En in al die brochures ging men ervan uit dat die Marx enzovoort over onderwijs, goedkoop wonen, alcoholisme, taalkunde en journalistieke stijl altijd gelijk hadden gehad, dat was ze schreven altijd waar was.
     Voor dat dogmatische geloof zijn de communisten vaak uitgelachen. ’t Is ook is iets eigenaardigs. Zelf heb ik in een bepaalde periode van mijn leven veel gelezen van Schopenhauer, Popper en George Orwell. Die schreven ook over van alles en nog wat, en ik vond, na de taaie marxistische geschriften van mijn jeugd, alles wat die auteurs schreven bijzonder boeiend. Maar de gedachte kwam niet meer bij mij op dat dat allemaal ook waar was. Schopenhauer schreef bijvoorbeeld dat mannenlichamen mooier zijn dan vrouwenlichamen, en dat alleen de geslachtsdrift ervoor zorgt dat we dat anders zien. Ik vond dat een boeiende opmerking, maar was ze ook waar? Een vriendin wees mij erop dat de meeste vrouwen op een rustig moment ook de voorkeur geven aan een schilderij met een naakte vrouw erop boven dat met een naakte man.
     De uitspraak van Peter Mertens over Marx die ‘bezig was met het klimaat’ is, geloof ik, een restant van de communistische traditie. Meer is het niet. Ik zie de PVDA geen brochures meer uitgeven over ‘Marx en de transgenders’ of ‘Marx en de digitale maatschappij’. ‘Niet alles wat Marx neerschreef,’ zegt Peter, ‘is vandaag nog toepasbaar.’ Daarmee heeft Peter niet gezegd dat Marx zich over welke kwestie ook vergist zou kunnen hebben, maar de toegeving dat zijn ideeën niet allemaal meer ‘toepasbaar’ zijn, is een grote vooruitgang vergeleken met de PVDA die ik gekend heb.
    
* Dat opstel stond in de bundel Tekstboek algemene literatuurwetenschap van Bronzwaer, Fokkema en Ibsch. Daar kwam ook een opstel in voor van Karl Popper ‘De logica van de sociale wetenschappen’. Ik had van die Popper nog nooit gehoord, maar zijn stuk vond ik, toen nog marxist zijnde, veel interessanter dan het gejengel van Lukács.

dinsdag 27 november 2018

Filosofie als kinderspeelgoed

 Schopenhauer had er weinig vertrouwen in dat zijn Wereld als wil en voorstelling een onmiddellijk succes zou worden. Zijn boek was geen romannetje, zoals zijn moeder er schreef. In het voorwoord legt hij uit dat hij weliswaar het raadsel van het bestaan ontcijferd heeft, maar dat de lezer die ontcijfering pas zal kunnen begrijpen als hij eerst de doctoraatsthesis leest die eraan voorafgaat, daarna de hele filosofie van Kant nog eens doorneemt, en dáárna het boek zelf twéé keer leest.
     Als de lezer door dat voorwoord de moed verliest, en het goede geld betreurt dat hij eraan heeft uitgegeven, staat de filosoof klaar met een troostend woord. Je kunt zoveel méér doen met een boek dan het alleen maar te lezen, schrijft hij. Je kunt het mooi laten inbinden, in je boekenkast plaatsen, en het er af en toe eens uitnemen. Of je kunt het achteloos neerleggen op de theetafel van een geleerde vriendin. Of wat misschien nog het beste is, en dus ten zeerste aangeraden, je kunt er een recensie over schrijven.
     Ik vraag mij af wat de bewoner van Haus Schöne Aussicht 16 te Frankfurt am Main zou hebben gedacht van volgende jeugdherinnering. Aan het woord is Frances Cuthbert Thomas (1883-1980), de kleindochter van Herman Melville. ‘Ik mocht in de studeerkamer van mijn grootvader met alles spelen waar ik zin in had. Soms bouwde ik met de boeken huisjes op de vloer. Mijn voorkeur ging uit naar de deeltjes Schopenhauer. Ze waren niet te zwaar en ze hadden een mooie, bleekblauwe kleur.’
     Als ik straks mijn deeltjes Schopenhauer inbind – ik ga binnen achttien maanden op pensioen – neem ik daarvoor soepel Marokkaans leer van een lichtblauwe kleur. Voor als de kleinkinderen op bezoek komen.

Schopenhauer als kinderspeelgoed

     Schopenhauer had er weinig vertrouwen in dat zijn Wereld als wil en voorstelling een onmiddellijk succes zou worden. Zijn boek was geen romannetje, zoals zijn moeder er schreef. In het voorwoord legt hij uit dat hij weliswaar het raadsel van het bestaan ontcijferd heeft, maar dat de lezer die ontcijfering pas zal kunnen begrijpen als hij eerst de doctoraatsthesis leest die eraan voorafgaat, daarna de hele filosofie van Kant nog eens doorneemt, en dáárna het boek zelf twéé keer leest.
     Als de lezer door dat voorwoord de moed verliest, en het goede geld betreurt dat hij eraan heeft uitgegeven, staat de filosoof klaar met een troostend woord. Je kunt zoveel méér doen met een boek dan het alleen maar te lezen, schrijft hij. Je kunt het mooi laten inbinden, in je boekenkast plaatsen, en het er af en toe eens uitnemen. Of je kunt het achteloos neerleggen op de theetafel van een geleerde vriendin. Of wat misschien nog het beste is, en dus ten zeerste aangeraden, je kunt er een recensie over schrijven.
     Ik vraag mij af wat de bewoner van Haus Schöne Aussicht 16 te Frankfurt am Main zou hebben gedacht van volgende jeugdherinnering. Aan het woord is Frances Cuthbert Thomas (1883-1980), de kleindochter van Herman Melville. ‘Ik mocht in de studeerkamer van mijn grootvader met alles spelen waar ik zin in had. Soms bouwde ik met de boeken huisjes op de vloer. Mijn voorkeur ging uit naar de deeltjes Schopenhauer. Ze waren niet te zwaar en ze hadden een mooie, bleekblauwe kleur.’
     Als ik straks mijn deeltjes Schopenhauer inbind – ik ga binnen achttien maanden op pensioen – neem ik daarvoor soepel Marokkaans leer van lichtblauwe kleur. Voor als de kleinkinderen op bezoek komen.

woensdag 30 mei 2018

Dostojevski en het Stockholmsyndroom

     In het laatste jaar van zijn leven, toen hij al een poos aan maagkanker leed en wist dat hij een volgende operatie niet zou overleven (‘I think I don’t have the stomach for it,’ zei hij) heeft de Amerikaanse filosoof Nozick nog een jaar college gegeven over Dostojevski. Ik zou wel eens willen weten wat hij op die colleges vertelde, want Dostojevski had zonderlinge opvattingen over velerlei onderwerpen: over de Joden, over de noodzaak van het lijden, over de enige échte reden waarom je je medemens niet met een bijl mocht doodslaan, over de hoge zending van Rusland, dat aan het hoofd van de Slavische volkeren de wereld bevrijden moest van democratie en materialisme …
     Dostojevski was zijn carrière begonnen als een ‘linkse’ schrijver, een soort groen-linkse jongen, een adept van de volksverheffing, een aanhanger van het humanitair christelijk socialisme. Voor die opvattingen werd hij eerst ter dood veroordeeld, werd hem enkele minuten voor de terechtstelling gratie verleend, en verbleef hij vier jaar in een Siberisch strafkamp. Vier jaar droeg hij ketenen aan handen en voeten en was hij meestentijds met heel veel anderen opgesloten in een houten barak waarin je ’s zomers stikte en ’s winters bevroor. Slapen deed je er op een houten plank, gehuld in je overjas en zonder deken. De sadistische kampoverste had verordend dat de gevangenen op hun linkerzij moesten slapen, ‘zoals Jezus’. Wie bij het slapen betrapt werd op zijn rechterzij, werd gegeseld.
     Tot de euvelen van de strafkolonie, schrijft Schopenhauer, behoort ook het gezelschap dat men daar aantreft. Dat was ook zo bij Dostojevski. De nerveuze schrijver was omringd door ruwe moordenaars uit de boerenklasse. Ze bestalen elkaar, dronken zich laveloos, zongen obscene liederen, vochten met messen en sloegen in groep, als het zo uitkwam, één of andere medegevangene bewusteloos. Bovenal koesterden ze een diepe haat tegen de ‘politieken’ zoals Dostojevski, omdat die uit de bevoorrechte klasse kwamen en niemand vermoord of bestolen hadden. Die haat had de schrijver niet verwacht en hij leed er de erg onder.
     Bij de ‘politieken’ waren ook een aantal Poolse nationalisten die hun land wilden afscheiden van Rusland. Ze namen Dostojevski liefdevol op in hun midden en gedroegen zich verder beleefd maar afstandelijk tegen het geboefte. ‘Je hais ces brigands,’ zei een van hen tegen Dostojevski. Dat zette de schrijver aan het denken. Typisch Pools vond hij dat. Die mensen zagen niet dat onder de obsceniteiten, de dronkenschap, de dieverij en het geweld van het geboefte een Schone Russische Ziel stak, zoals je die alleen bij de Volksmens aantrof. Zeker, die Volksmens roofde, maar met het geroofde geld kocht hij, naast drank, ook kaarsjes om in de kerk te branden. Jawel, de Volksmens pleegde moorden, maar was Jezus niet gekruisigd naast een Goede Moordenaar?
     Dostojevski’s aanvankelijke afkeer van zijn medegevangenen was omgeslagen in bewondering. ’t Waren kranige kerels, vond hij nu, en hoe meer ze op zijn kop zaten, hoe kraniger hij ze vond. En als er soms een met Kerstmis of met Pasen wat vriendelijker tegen hem was dan anders, dan was het laatste bewijs geleverd dat de redding van Rusland en van de wereld van dat soort mensen afhing, en van het orthodoxe geloof natuurlijk. Dat ze hun geld niet opspaarden maar verdeden aan drank en dobbelspel bewees dat ze niet materialistisch waren. Hun rancune tegen de hogere klasse bewees hoezeer ze de deugd van nederigheid op prijs stelden. En hun kinderlijk geloof in de Tsaar bewees het bestaan van een mystieke eenheid tussen vorst en volk. Niet het volk moest worden verheven door de bollebozen van de stad; het waren de bollebozen van de stad die moesten worden verheven door het wijze volk.
     Die ideeën waren niet zo vreselijk rationeel. Maar met rationaliteit kwam je niet ver in een strafkamp, had Dostojevski ondervonden. Als je tot levenslang veroordeeld was, kon je maar beter geloven dat je ooit op wonderlijke wijze weer vrijkwam. En als je omringd was door een stelletje boeven kon je maar beter geloven dat die boeven geen boeven waren, maar edele lieden.
     Dostojevski was in gevangenschap gekomen door zijn ‘linkse’ ideeën. Maar door diezelfde gevangenschap  ontwikkelde hij zich tot een gezagsgetrouwe ‘rechtse’ schrijver. Het oude geloof moest worden hersteld. De waarheid ontsprong niet in het moderne westen, maar op het Russische platteland. Alle heil kwam van de Tsaar die als een vader voor zijn volk zou zorgen. En die Poolse nationalisten moest men op tijd en stond een lesje leren, ook al waren ze nog zo liefdevol of beleefd.