Posts tonen met het label Nico Dijkshoorn. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Nico Dijkshoorn. Alle posts tonen

dinsdag 22 november 2022

Qatar: voor of tegen?


      Ik was eigenlijk blij met de verklaring van Fifa-baas Infantino. Je zag meteen dat het een clown was, maar zijn verklaring ‘Today I feel Qatari. Today I feel Arab. I feel African today. I feel gay today,’ was mij in zijn dubbelhartigheid niet geheel onsympathiek. Vooral dat laatste vond ik mooi meegenomen. Het was alsof bij de opening van de Berlijnse Olympische Spelen van 1936 iemand op een persconferentie had gezegd: ‘Heute bin ich Deutscher. Heute bin ich Jude.’ Infantino verdedigde verder het gastarbeidersbeleid van Qatar door te verwijzen naar de lonen die voor de gastarbeiders tien keer hoger lagen dan in hun landen van herkomst. Dat cijfer zal wel niet ver bezijden de waarheid liggen. En dan zei Infantino nog iets over de schandelijke daden die het Westen nu al drieduizend jaar aan het plegen was. Dan schoot ik weer in de lach. Over wie had hij het? Over de Myceners? Over de Kelten?  Ik zei het al: het is een clown.
     Maar ik was toch blij dat iemand de moed had het voor Qatar op te nemen, zelfs mocht achteraf blijken dat die moed aangewakkerd is geweest door een dikke, bruine enveloppe. Iederéén is tegen Qatar. Groenen zijn tégen vanwege de fossiele brandstoffen, socialisten zijn tégen vanwege de sociale ongelijkheid, klassiek-liberalen zijn tégen vanwege de rentenierseconomie, feministen zijn tégen vanwege de vrouwenrechten, liberaal-democraten zijn tégen vanwege de LBTQ-discriminatie en de politieke alleenheerschappij, racisten zijn tégen vanwege de zedenfeiten met kamelen, secularisten zijn tégen vanwege de theocratie, orthodoxe moslims zijn tégen vanwege het wahabisme, en ik haast mij eraan toe te voegen dat ik ook tégen ben vanwege enkele van de hierboven vermelde redenen.
     Ik voel mij echter altijd wat ongemakkelijk als ik de argumenten van de tegenpartij niet goed ken. Er gaat mij niets makkelijker af dan tekeer te gaan tegen het marxisme of de progressieve pedagogie. Ik ken redelijk goed de argumenten van de marxisten en de pedagogen. Maar over Qatar hoor ik alleen de argumenten tégen en sommige daarvan vertrouw ik niet helemaal. Bijvoorbeeld: dat bij de bouw van de acht voetbalstadia 6500 arbeiders zijn verongelukt. Ik zie dat cijfer vaak in memes. 6500! Dat is 812 per stadion. Qatar heeft zich tegen de beschuldiging verdedigd. Er zouden maar 37 doden gevallen zijn bij de bouw van de stadions, en de sterftecijfers onder de gastarbeiders zouden demografisch normaal zijn. 
     Enig opzoekingswerk leert waar het getal van 6500 vandaan komt. The Guardian heeft de sterfte onder de gastarbeiders proberen te berekenen door bij de ambassades van de uitzendlanden de sterftecijfers op te vragen. Die 6500 slaat dus op álle sterftecijfers van álle gastarbeiders – van bouwvakkers tot kantoorbedienden en poetsvrouwen – die in Qatar werkzaam waren de laatste tien jaar, hetzij in verband met de bouw van stadions, van hotels, van wegen, of van gelijk welke andere economische activiteit. Qatar heeft ongeveer twee miljoen gastarbeiders en The Guardian heeft cijfers verkregen van ongeveer de helft, dus één miljoen, en heeft in die groep een mortaliteit vastgesteld van 0,65 procent of jaarlijks 0,065 procent. In België is de jaarlijkse mortaliteit ongeveer 1 procent, dat wil zeggen twintig keer hoger.
    Nu mag je de gastarbeiders van Qatar niet vergelijken met de vergrijsde bevolking van ons land. Het gaat in Qatar voornamelijk om jonge mannen die bovendien in goede gezondheid verkeerden, want voor ze een contract kregen, moesten ze een een medisch onderzoek ondergaan. Als we daarmee rekening houden, bevat het sterftecijfer van 6500 bijna zeker een flink deel aan ‘oversterfte’*, en die kan in direct verband worden gebracht met de werkomstandigheden. Het harde werk in hitte en stof, met blootstelling aan zonnestraling en hoge vochtigheid, veroorzaakt veel gezondheidsproblemen, zoals hartkwalen en nierinsufficiëntie, met dodelijke afloop. Weliswaar wordt er reglementair niet gewerkt tussen 11.30 en 15 uur. Maar dat is als maatregel onvoldoende, er zou minstens een strikt regime van frequente pauzes moeten zijn. Bovendien is aangetoond dat reglementen in Qatar vaak niet worden nageleefd. 
     Bon. Ik heb ondertussen dus een hekel gekregen aan dat cijfer van 6500. Het is alsof men Stalin beschuldigt van het vergassen van 15 miljoen Oekraïense boeren, of Hitler van het verhongeren van 20 miljoen Joden, of Pinochet van het vermoorden van 30 000 politieke tegenstanders. Ik kan daar moeilijk tegen, tegen die onnauwkeurigheid en die overdrijvingen. Maar de boodschap achter het cijfer bevat dan weer méér dan een kern van waarheid:  de vermijdbare oversterfte is een humanitair schandaal, ook al omdat Qatar rijk genoeg is om zich betere werkomstandigheden en betere gezondheidszorg voor zijn gastarbeiders te veroorloven. Neem ik, naar de gewoonte van factcheckers, de meme van 6500 doden als uitgangspunt, dan concludeer ik: ONWAAR! Neem ik de verdediging van Qatarese overheid als uitgangspunt, met 37 doden en verder demografisch normale sterftecijfers, dan concludeer ik alweer: ONWAAR!
    Zijn er nog redenen ingeroepen om het WK in Qatar te verdedigen? Ik heb er een aantal gevonden in een artikel van Jef van Baelen in Knack waarin hij Midden-Oostenkenner James Dorsey aan het woord laat. Dorsey ziet in het WK vooral een investering van Qatar in de nationale veiligheid. Met het WK wil het land zich ‘op een positieve manier verankeren in het Westerse bewustzijn.’ Het land wordt door het WK, om die uitdrukking maar eens te gebruiken, ‘op de kaart gezet.’ Dat is geen overbodige luxe voor iemand zoals ik die niet weet of Dubai een stad of een land is, en of de Verenigde Arabische Emiraten iets zijn als de Europese Gemeenschap dan wel als de Verenigde Staten. Maar nu weet ik ten minste dit: Qatar is een soeverein land, en Iran en Saoedi-Arabië moeten er niet aan denken om het te annexeren.* Als ze dat wel doen, zal ik minstens stilletjes protesteren. Niet dat zo’n annexatie veel verschil zou maken voor de twee miljoen gastarbeiders, maar grenzen zijn grenzen; die laat men beter gerust, al was het maar om het goede voorbeeld te geven. Dorsey heeft mij hier overtuigd.
     Veel van de redenen die Dorsey verder opgeeft overtuigen mij minder, omdat ze een te groot fellow traveller-gehalte hebben. Dat het Westen óók boter op zijn hoofd heeft, dat het met de mensenrechten in Saoedi-Arabië nog slechter gesteld is dan in Qatar, dat we ons toch ook niet gaan moeien met het ‘harde’ Deense immigratiebeleid, dat er in Qatar geen vakbonden zijn maar wel worker’s councils,  dat Qatar vrouwenrechten steunt in ándere landen zoals Afghanistan, dat Qatar Airways de beste luchtvaartmaatschappij ter wereld is, en natuurlijk, dat er veel vooroordelen over Qatar bestaan bij mensen die er nooit geweest zijn en die het land niet kennen.
     Nu we het toch over vooroordelen hebben, hoe zit dat eigenlijk met de situatie van de homoseksuelen in Qatar? Want daar hebben de Westerse voetbalploegen het toch moeilijk mee, had ik begrepen. Dorsey meldt daar het volgende over: ‘ Net zoals in de meeste moslimlanden staat de overgrote meerderheid van de Qatarezen blijkens opiniepeilingen uiterst negatief tegenover de lgbtq-gemeenschap. Zelfs al zou je lgbtq-rechten wettelijk verankeren, in de praktijk zou het weinig veranderen.’ Dat is magertjes. In Qatar gaat het immers niet om discriminatie van homoseksuelen bij adoptie van kinderen of iets van die strekking. In Qatar wordt homoseksualiteit bestraft met deportatie voor gastarbeiders, met zeven jaar gevangenisstraf voor niet-moslim Qatarezen, en met de doodstraf voor moslim-Qatarezen. Die doodstraf geldt eigenlijk voor alle buitenechtelijk seksueel verkeer van moslims, heteroseksueel of homoseksueel. Homoseksuele paren zouden de doodstraf op twee manieren kunnen ontlopen: door met elkaar te trouwen of door zich bij de groep van niet-moslims aan te sluiten. Helaas doet zich een catch 22 voor: het homohuwelijk is verboden, en op geloofsafval staat eveneens de doodstraf. Wie dat allemaal weet, zal het zinnetje ‘zelfs al zou je lgbtq-rechten wettelijk verankeren’ een beetje wrang vinden.
     En Dorsey had nog een zinnetje dat mij niet beviel. Hij bespreekt de moeilijke relatie tussen Qatar en enkele andere Arabische landen. ‘De Verenigde Arabische Emiraten zijn doodsbenauwd, zegt Dorsey, voor de politieke islam en de Moslimbroederschap. Ze eisten dat Qatar zijn relatie met de Broederschap opgaf, wat van het land een politieke vazalstaat zou maken.’ Dat laatste slaat natuurlijk nergens op. Natuurlijk kan Qatar soeverein beslissen om de Broederschap te steunen of niet te steunen. En natuurlijk kunnen de Verenigde Arabische Emiraten druk uitoefenen om die steun stop te zetten. Maar als Qatar die steun stopzet, met of zonder druk van buitenaf, dan is het daarom bijlange na nog geen vazalstaat***.
     Noch Infantino, noch Dorsey zijn erin geslaagd om mij te overtuigen. Bij mij is de ‘positieve verankering’ van het Qatar-WK mislukt. Ik kijk trouwens zo al niet naar het WK, want ik ben geen voetballiefhebber. Was ik dat wel, dan keek ik, zonder mij zoals Nico Dijkshoorn in duizend grappige bochten te wringen. En mopperde ik, zoals mijn zoon, dat ze het WK moeten houden in een écht voetballand, en in de zomer. 

     

 

* Die oversterfte kan ook worden vastgesteld door de sterfte onder de gastarbeiders in Qatar te vergelijken met die van Qatarezen van dezelfde leeftijd. De verschillen waren significant. Je kunt nog verdergaan en de mortaliteit onder de gastarbeiders vergelijken met die van een vergelijkbare groep in het land van herkomst.
** De militaire macht van Qatar is vooral zwak door de kleine bevolking (300 000 Qatarese burgers). Je kunt nu eenmaal geen oorlog winnen zonder kanonnenvoer. Wellicht is het ook daarom dat Qatar de mogelijkheid overweegt om een deel van de gastarbeiders de Qatarese nationaliteit toe te kennen.

*** Je kunt de eis van de VAE niet vergelijken met Moskous eis dat Oekraïne zich buiten de Navo moet houden. Toegeven aan die eis zou van Oekraïne niet meteen een vazalstaat hebben gemaakt. Maar dat dát het uiteindelijke doel van Moskous eis was, is voor mij ondertussen duidelijk geworden. 

zondag 7 augustus 2022

Kortjes

Caroline Pauwels. Ik heb ooit horen vertellen over iemand die Alexander Decroo een goed mens vond. ‘Je ziet dat gewoon als hij op televisie komt,’ had die man gezegd. Zelf beschik ik over te weinig mensenkennis om zulke uitspraken te doen. Maar toen ik gisteren op televisie een paar flarden interview met Caroline Pauwels zag, maakte ik spontaan een uitzondering. Dat moet toch een goed mens geweest zijn, dacht ik. En ik was de enige niet. Zelfs zo’n ruwe man als Pieter Auwaerts schreef op Facebook dat Pauwels ‘een vrouw was waar de goedheid van afdroop.’ Die indruk had ik dus ook. Maar ik heb, zoals gezegd, weinig mensenkennis. Die van Pieter vertrouw ik meer.

Opwarming van de aarde. De aarde warmt ongetwijfeld op, maar op sommige plaatsen warmt ze meer dan op andere. Op de parkeerplaats van onze Proxy Delhaize is het altijd twee graden warmer dan ergens anders. Als we het wat koud hebben, gaan we gewoon even boodschappen doen.

Wales. Mijn zoon is met enkele vrienden vertrokken naar Wales voor een wandelvakantie. Dat roept voor mij meteen enkele literaire reminiscenties op. Captain Fluellen in Henry V. The Old Devils van Kingsley Amis. Maar vooral, vooral, A Man for Alle Seasons: ‘Why Richard, it profits a man nothing to give his soul for the whole world … but for Wales!’ ‘t Is even geestig als Elsschots dodelijke zinnetje. ‘Was het nog een mof of een Rus, maar een Pool!’ Probeer daarna Wales, of de Polen, maar eens ernstig te nemen. 

Plaisure-pain ratio. Als het goed is, moeten we het ook zeggen. Thuis studeer ik piano op een Yamaha B3 en in Oostende op een digitale Casio Celviano AP-470. Als ik enkele dagen op de Celviano gespeeld heb en dan weer overschakel op de Yamaha, ervaar ik een genotsgevoel, op gang gebracht door de vollere klanken en de natuurlijker respons van de toetsen. Als ik omgekeerd na enkele dagen Yamaha overschakel op de Celviano voel ik een ontgoocheling. Maar – nu komt het – het genot van de ene overschakeling is intenser en duurt langer dan de ontgoocheling en pijn van de andere. Mag ik daar metafysische conclusies uit trekken, of bewijst het alleen nog maar eens dat ik van nature een zonnetje in huis ben?

Taiwan. Columnist Nico Dijkshoorn maakte zich van de week vrolijk over mensen die nu plots een mening over Taiwan hebben. Ik heb daar al langer een mening over. Ik geloof niet dat China, zoals Japan indertijd, héél Zuid-Oost-Azië militair wil inpalmen, maar ze willen, moeten en zullen wel minstens Taiwan inpalmen. ’t Is vreselijk voor de Taiwanezen die, neem ik aan, in grote meerderheid gehecht zijn aan hun kapitalisme en hun democratie. Wat de Amerikaanse bondgenoot van Taiwan in deze kan doen, weet ik niet goed. Afwisselend dreigen en sussen? De hele zaak op de lange baan helpen schuiven? Een gunstiger overgang bedingen? Ik zou als Amerikaanse president voor die kwestie zeker geen oorlog voeren. Zeker niet. Omgekeerd, mocht die oorlog er toch komen, dan duim ik voor de Amerikanen en de Taiwanezen.

Hiernamaals. De meeste westerlingen  van vandaag geloven dat ze na hun dood in het niets verdwijnen, wat geen prettige gedachte is, maar wel een geruststellende. De anderen, een minderheid, geloven dat ze in de hemel komen als ze niet te veel medemensen hebben vermoord. Maar het is ooit anders geweest. Het hiernamaals voor de Christenen is eeuwenlang een te vrezen toekomst geweest. De kans was groot op een eeuwige foltering in de hel, of minstens enkele honderdduizenden jaren foltering in het vagevuur. Je moest daarvoor niemand vermoord hebben. Als je in staat was geweest om iemand te vermoorden was dat genoeg. Dat je niemand vermoord hebt, is misschien een kwestie van geluk, of van ‘the Grace of God’, zoals John Tyndale meende. Velen van mijn generatie en de generatie ervoor vragen zich af waartoe ze in staat zouden zijn geweest mochten ze door omstandigheden in een Einsatzgruppe terechtgekomen zijn.

Bertrand Russell. Het toneelstuk De paradox van Russell, dat ik gezien heb met Theater aan zee, gaat niet over de manier waarop Russell zijn logisch systeem sluitend wilde maken, noch over de manier waarop Gödel die poging ondermijnd heeft. Het gaat over het conflict tussen rede en gevoel, ratio en emotie, logos en pathos. Ik had, voor één keer, de indruk dat ik een toneelstuk helemaal begreep, wat een plezierig gevoel is. Maar iets anders zat mij dwars. Ik heb twee jaar geleden het boek Intellectuals van Paul Johnson gelezen. Stond daar nu wel of niet een hoofdstuk over Russell in, vroeg ik mij af. Het kon bijna niet anders. Maar zeker wist ik het niet. Thuisgekomen controleerde ik het even: jawel hoor: 28 bladzijden over Russell. Nu ik erover nadenk weet ik ook weer wat het zwaartepunt van Johnsons betoog was: de overgang van Russells oorlogstaal in de periode 1945-1953 naar zijn pacifisme in de jaren erna. Johnson ziet daar geen grote tegenstelling tussen: de twee standpunten zijn vergelijkbaar door hun extremisme. Ik herinnerde mij die passages over Russells oorlogstaal, geloof ik, omdat ik van veel vroeger al van die oorlogstaal afwist, van lang voor ik Johnson gelezen had. Als ik dingen lees die ik vroeger ook al wist, herinner ik mij ze veel beter. 

Bertrand Russell 2. Russell was eigenaardig genoeg zelf een groot tegenstander van extremisme. Ook daar was hij extreem in. ‘Geen enkele mening moet met vuur verdedigd worden. Niemand beweert met vuur dat zeven maal acht zesenvijftig is, omdat we weten dat dat het geval is. Een vurige uiteenzetting is alleen nodig als de verdedigde mening twijfelachtig is, of aantoonbaar vals.’ En lord Russell heeft veel vurige uiteenzettingen gehouden.

Liberaal-ironisch. In het toneelstuk De nieuwe man maakt de rechtse Natali een eigenaardig verwijt aan het adres van haar linkse ex-minnaar Peter. Die zou er een ‘liberaal-ironisch’ wereldbeeld op nahouden. Daar moest ik even over nadenken. Maar enkele dagen later woonde ik, alweer in het kader van ‘Theater aan zee’, een lezig bij van Hendrik Vos over ‘Europa na Oekraïne’. Nu weet ik precies wat liberaal-ironisch betekent.

donderdag 19 november 2020

Ergernis

       Als je een beetje je best doet kun je je aan alles ergeren. Ik erger mij aan mensen met een mondmasker ónder de neus, of opgeschoten jongens met een petje achterstevoren op hun hoofd (zie hier en hier). Die ergernis is goed voor de gezondheid, geloof ik. En voor wie stukjes schrijft is het een goudmijn. Alleen erger ik mij ook nogal snel  aan mensen die zich ergeren.
      Vandaag schrijft Nico Dijkshoorn in Het Nieuwsblad iets over mensen die piano spelen in de publieke ruimte, niet van hun beroep, maar omdat er ergens in een station of een lobby een piano staat opgesteld waar iedereen op mag spelen.
      Het zijn aanstellers, vindt Nico, ze willen gezien worden. Omdat ze vier noten tegelijk kunnen indrukken, denken ze dat ze recht hebben op een publiek. Ze bewegen hun hoofd, op de beweging van de muziek, naar en van de toetsen weg. Ze stralen iets uit van rijk en welgesteld, maar ze zijn niet beter dan het plebs dat op de sociale media aan ‘influencen’ doet. Ze spelen Satie terwijl je dat van Nico alleen mag doen in je kamer, als er een naakte vrouw in je bed ligt. En ondertussen luisteren ze, nog volgens Nico, of iemand van de omstanders soms zegt: ‘Wat moet het heerlijk zijn om zo piano te kunnen spelen!’
     Dat laatste, ik zég het soms, maar ik dénk het altijd.

dinsdag 21 augustus 2018

Handjes kappen

     Voor één keer wil ik verontwaardigd zijn, al kost het me, bij gebrek aan oefening, wat moeite. Bij die racistische vulgariteiten op Pukkelpop lijkt enige verontwaardiging mij op haar plaats, al blijft het uitkijken want het is, geloof ik, ook allemaal met verontwaardiging begonnen. Een of meer opgeschoten jongens waren, nu ja, verontwaardigd, dat twee zwarte meisjes en een jongen zich op een nogal hardhandige manier tot bij het podium probeerden te wurmen. Zelfs als het waar is van dat wurmen – en in zulke gevallen bestaan meestal twee versies; Het Laatste Nieuws geeft ze  alletwee –, dus, zelfs als dat waar is, moet je in zo’n geval niet beginnen te schreeuwen, en al zeker geen racistische vernederingen*.
     ‘Handjes kappen / de Congo is van ons’ is, naast vulgair, krenkend en provocatief, ook een goed in het gehoor liggend gedicht. Het tweede vers heeft alles: ritme, branie, kolder. Dat verzin je niet in een zatte bui op een festival. Waar komt zoiets vandaan? De jongerenorganisatie Schild en Vriend schrijft dat het om een studentenlied gaat dat ‘op bijna elk feestje wordt gezongen’. Is dat zo? Er waren in elk geval heel wat mensen die er tot gisteren nog nooit van hadden gehoord. Jan zegt dat het iets uit de jeugdbeweging is. Dat weet hij van vrienden.**
      De jeugdbeweging – dat kan. Er zullen zeker hier en daar wel afdelingen bestaan met een traditie van platte, vulgaire en ook racistische liedjes. Ze worden op gezellige avonden gezongen, en wie daar niet bij is, heeft er geen last van. Het is een goedkope manier om heel erg stout en onvolwassen te zijn, zonder dat je iets breekt en zonder dat het iets kost. Maar het gevaar bestaat altijd dat de in besloten kring ingeoefende vulgariteiten ooit wel eens op een festival of op een voetbalwedstrijd opduiken.
     Wat kunnen we daaraan doen? Columnist Dijkshoorn stelt voor om de ‘onnozelen van Pukkelpop’ naar Congo te sturen, waar ze hun territoriale eisen aan de plaatselijke bevolking mogen verduidelijken. Dat lijkt mij een zware straf. Staatsscretaris Demir benadert de zaken eerder opvoedkundig: ‘Die jongens moeten een keer het Afrikamuseum bezoeken. Daar gaan ze zien wat zich tijdens ons koloniale verleden heeft afgespeeld. Daar zijn gruweldaden verricht.’
     Dat voorstel van Demir is wat zonderling. Het is juist omdát die zatte jongens weet hadden van de koloniale gruweldaden, dat ze zongen van ‘Handjes kappen’, want dat handjes-kappen wás één van die gruweldaden. In een column op vrtnws vertelt Tracy Bilbo-Tansia het volgende. In het vijfde middelbaar kreeg ze van de lerares Geschiedenis een ‘heldere uitleg’ over de ‘wandaden van Leopold II’. Er werd een stuk getoond uit de film White King, Red Rubber, Black Death, waarin heel wat verminkte ledematen te zien zijn. En het gevolg was dat tijdens de middagpauze een klasgenoot er flauwe grapjes over maakte. Als ze zich niet gedeisd hield, zei hij, zou hij háár hand wel eens afhakken … Zo’n verhaal verwondert mij niet. Het is nogal naïef om te denken dat historische kennis leidt naar morele vervolmaking. Het kan evengoed omgekeerd.
     Maar wát Demir en Dijkshoorn precies zeggen is voor één keer niet zo belangrijk. Wat telt is dat zulke vooraanstaande mensen hun afkeuring uitspreken. Daarmee wordt, zoals men dat noemt, een ‘signaal’ gegeven. Ik geloof meestal niet zo in signalen, maar misschien kan het voor één keer wel een en ander ten goede keren. Bij die jeugdbewegers bedekt de ruwe bolster van onvolwassen stoutigheid immers meestal een blanke pit van godvrezende en gezagsvriendelijke braafheid.
     Het zou zó kunnen gaan. De nationale leiders van Chiro of Scouts lezen in de krant wat Dijkshoorn en Demir hebben gezegd. Ze denken: we moeten iets doen. Er wordt een algemene bevraging rondgestuurd over de gebruikte liederenschat. Er wordt een dialoog aangegaan met de plaatselijke leiders. En die leiders op hun beurt beslissen om op de volgende gezellige avond, de vulgariteit meer in het seksuele dan in het raciale te zoeken.
     Dat kan een stap vooruit zijn.


 
* Ik zie hier en daar op Facebook een aantal erg onsympathieke tweets opduiken van een van de zwarte meisjes. Ook die zijn geen excuus voor racistisch gebral.

** En waar heeft de jeugdbeweging het vandaan? Jan dacht het iets heel oud moest zijn, misschien wel honderd jaar oud. Daar twijfelde ik aan. Het leek mij meer iets van na de onafhankelijkheid, als een soort balorig Belgisch protest ertegen. Maar toen stootte ik op onderstaande illustratie die mij weer doet twijfelen. Ondertussen kan ik niet uitmaken of die oorspronkelijke tekst nu een cynische verheerlijking ván of een scherpe aanklacht tégen het kolonialisme is. Of geen van de twee, zoals dat Elsschotgedicht dat begint met: ‘In Congo vindt men kokosnoten / en negers op hun blote poten.’