Posts tonen met het label Rik Torfs. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Rik Torfs. Alle posts tonen

vrijdag 4 september 2020

Was ik een goede leraar?

 


     In mijn stukjes breng ik vaak mijn leraarschap ter sprake. Ik gebruik dan listige zinnetjes als ‘Tegen mijn leerlingen zei ik …’ en dan volgt iets min of meer belangwekkends. Daardoor denkt de weinig kritische lezer al gauw dat al mijn lessen van begin tot eind erg belangwekkend moeten zijn geweest. Dan kun je net zo goed geloven dat al die Facebook- en Instragram-mensen een verschrikkelijk boeiend leven leiden.
     Een goed jaar geleden schreef een leerling – Toon S. heette hij – mij een afscheidsbrief met de ontnuchterende zin: ‘Laat ons eerlijk zijn, de lessen waren geen groot succes. U begreep mij niet; ik begreep u niet.’ Hij sprak verder de hoop uit dat zich achter mijn lerarenfaçade een veel boeiender persoonlijkheid schuil hield die zich in de privésfeer openbaarde. Mijn vrouw dacht ongeveer het tegenovergestelde.
     Natuurlijk waren er ook wel eens leerlingen die een les wél interessant vonden. En zelf vond ik ze ook niet slecht, maar mijn eigen gunstige mening is als maatstaf misschien wat onbetrouwbaar. Terloops zij opgemerkt dat die gunstige mening van mijzelf over mijzelf alleen dit terrein betreft. Ze strekt zich niet uit over andere gebieden. Als echtgenoot, als vader, als zoon, als vriend heb ik wel een en ander op mijzelf aan te merken. Ook was ik een slechte Amada-militant, een slechte lasser en een slechte paracommando. Als ik piano speel, moet ik er eerst heel zeker van zijn dat er niemand in huis is. Maar voor de klas stond, geloof ik, niet de slechtste versie van mijzelf. Ik herinner mij nog hoe ik mij voelde op mijn eerste lesdag. Ik was het klaslokaal gaan verkennen voor de leerlingen arriveerden: bord, lessenaar, banken, grote ramen … het leek alsof ik thuisgekomen was.
    Maar ook dat thuiskomen is wellicht niet de beste maatstaf. In Het Nieuwsblad van 9 mei las ik een groot stuk met klachten van directies die slechte leerkrachten – ‘rotte appels voor de klas’*– gemakkelijker willen kunnen ontslaan. Ik ben het daar in beginsel mee eens en ik heb het altijd onrechtvaardig gevonden dat mijn eerste directie, waar ik veel meningsverschillen mee had, mij niet aan de deur kon zetten. Ik heb daarom de klachten in Het Nieuwsblad eens van naderbij bekeken. Je weet niet wat je leest. Een leerkracht had uit verstrooidheid eens lesmateriaal voor het verkeerde vak naar de klas meegenomen, een andere had slechte punten gegeven aan leerlingen die het ‘eigenlijk’ goed hadden gedaan, nog een andere had fouten op het bord geschreven, weer een andere had ‘cassante uitspraken’ gedaan, en ten slotte was er een die het niet meer wilde ‘opbrengen om aan de nieuwste kwaliteitseisen te voldoen of om mee te gaan met de technologische vernieuwing.’ Aan al die dingen heb ik mij ook schuldig gemaakt.
     Nog erger wordt het als ik naar de maatstaven kijk van inspecteur-generaal Lieven Viaene en onderwijsexpert Martin Valcke (De Standaard, 11 juni 2020). Twee op de drie scholen presteren volgens die specialisten ondermaats, alhoewel Viaene er onmiddellijk bij zegt dat het zeker niet ligt aan het enthousiasme van de leerkrachten. Maar dan. ‘In de lessen Nederlands wordt weinig ingezet op de evaluatie van spreek- en luistervaardigheid.’ Oei. Het is meer dan eens gebeurd dat ik in het vijfde jaar maar één spreekopdracht gaf. En de leerlingen moesten wel veel luisteren naar wat ik vertelde, maar ik vrees dat zoiets niet onder de evaluatie van 
luistervaardigheid valt. ‘Vragen die te makkelijk of te moeilijk zijn.’ Ja, die stelde ik allebei. ‘Examens die niet de juiste inhoud toetsen’. Bij mij moesten de leerlingen de portretten herkennen van allerlei beroemde auteurs. Ik vraag mij af of daarmee wel de ‘juiste inhoud’ werd getoetst.
     De grote fout is volgens Valcke dat de ‘individuele leerkracht’ gewoon zijn eigen gang gaat, in plaats van meer af te spreken in vakgroepen en zich af te stemmen op een ‘schoolbreed’ evaluatiebeleid. De goede leraar moet zijn inspiratie opdoen op bijscholingen, zijn lessen strak spannen rond de stenen tafelen van de eindtermen, en zich ‘op sleeptouw laten nemen’ door een pedagogisch directeur.
     Als ik met die lat word gemeten, heb ik erg korte beentjes. Ik ging graag mijn eigen gang, hield niet van dwingende afspraken op vakgroepen, had een hekel aan het woord ‘schoolbreed’, heb op bijscholingen nooit iets gehoord dat ik later ook in de klas heb gebruikt, als ik een pedagogisch directeur in de verte ontwaarde, sloeg ik snel een andere gang in, en over de eindtermen voor mijn vak deel ik de mening van Rik Torfs: ‘Het is niet omdat ze weinig humor uitstralen dat we er niet mee mogen lachen.’
     Vandaar, beste lezer, de titel van dit stukje. Ik heb de laatste 14 jaar geen inspecteur meer over de vloer gehad, en dat was een groot geluk. De directie vermoedde wellicht waar ik mee bezig was, maar besefte dat je een ouwe aap net voor zijn pensioen geen nieuwe kunstjes kunt leren. En mijn leerlingen waren vaak minder streng dan Toon S., de nieuwe pedagogen en de onderwijsexperts (hier). Waarvoor dank.

Rotte appels voor de klas ... Zo stond het in de oorspronkelijke kop boven het stuk. Hoe moet ik mij dat voorstellen? Stáán die ‘rotte appels’ voor of naast de lessenaar? Líggen ze erop? 

dinsdag 2 augustus 2016

Bart De Wever over Xenofon

In De Morgen van 30 juli vertelt Bart De Wever een spannend verhaal van 400 jaar voor Christus (hier).  Een leger van tienduizend Griekse soldaten zit ingesloten, diep in het Perzische rijk, honderden dagreizen verwijderd van thuis. Hun veldheren worden tijdens onderhandelingen vermoord. De soldaten weten amper waar ze zich bevinden. Vijanden zijn alom. Is de situatie dan hopeloos? Dan ken je die oude Grieken nog niet. Zo’n oude Griek, dat was geen lulletje rozenwater. Je kon er bij wijze van spreken mee naar de oorlog. De soldaten blijven dus niet bij de pakken zitten, ze roepen een vergadering bij elkaar, kiezen een paar nieuwe veldheren, en vechten en plunderen zich een weg naar de Zwarte Zee. Onder die nieuw verkozen veldheren was een zekere Xenofon, die een meeslepend verslag schreef van die avontuurlijke tocht.
     Als je dat verslag leest, krijg je een levendig beeld van het Griekse leger. Een stelletje ongeregeld, huurlingen, slaven, vrouwen, schandknapen. Vóór alles willen ze op tijd en stond te eten krijgen. Verder hebben ze over alles een mening en hebben ze op alles kritiek. Ze vergaderen graag, maken ruzie, konkelen achter elkaars rug, doen mooie beloftes. Ze kiezen zelf hun veldheren en zetten ze daarna weer aan de kant. De Wever omschrijft de bende als een ‘marcherende democratie’ en dat is nog niet zo slecht samengevat. Hij ziet in tocht van de onsterfelijke tienduizend een heel vage schijn van wat later de Europese democratie wordt. (1)
     Ik dacht – dat komt nooit goed. Hier moet één van onze Vlaamse intellectuelen toch iets tegen in te brengen hebben. Wat precies, dat wist ik niet, maar dat zou die intellectueel ons wel vertellen. Ik heb niet lang moeten wachten. De dag na het stuk van De Wever verscheen een antwoord van oudheidkundige Koert Debeuf  (hier) (2).
     Het eerste zinnetje van de oudheidkundige begreep ik al niet goed. ‘Ik verslikte mij in mijn koffie,’ schrijft hij. Weet de goede professor dan nog altijd niet hoe gevaarlijk het is om gelijktijdig een kopje koffie te drinken en een stuk van De Wever te lezen? Hopelijk heeft hij nu zijn lesje geleerd. Maar voor de rest vertelt Debeuf erg interessante dingen over de oudheid: dat Xenophon geen democraat was, en dat hij een biografie schreef over de Perzische koning Cyrus, dat die Cyrus de godsdienstvrijheid in zijn land invoerde, dat de oude Grieken heel wat geleerd hebben van de Perzen, dat de Perzen ook heel wat geleerd hebben van de Grieken. Ik denk dat dat allemaal heel erg waar is, want zo leerden we het ook op school. Alleen, De Wever had nooit het tegendeel beweerd. Om het met de woorden van mijn Facebookvriend Michel Berger te zeggen: ‘BDW heeft nergens de lof gezongen van Xenofon, maar van het Griekse systeem dat flexibel met een crisis omsprong en nieuwe leiders koos toen de oude geliquideerd werden. En zo overleefde. De hele argumentatie is bijgevolg naast de kwestie.’
     Trouwens, als De Wever de lof van Xenofon niet gezongen heeft, wil ik het wel in zijn plaats doen. Die Xenofon was een kranige kerel! Ziedaar, ik heb het gezegd! Hij was van het goede hout gesneden! Hij was een generaal die geloofde in leidinggeven door voorbeeld! Wie ooit zijn tent heeft opgeslagen op de ijsvlakten van Elsenborn, of in het Schotse laagland bij zware regenval, die zal het volgende verhaal naar waarde schatten. Het speelt zich af in Armenië, tijdens de barre winter van 401. –  Xenofon, zoals Caesar, spreekt over zichzelf in de derde persoon.
     ‘Tijdens de nacht was  er een groot pak sneeuw gevallen, dat de wapens, de lastdieren en de op de grond liggende mannen bedekte. ’s Ochtends hadden de soldaten dan ook helemaal geen zin om op te staan, want de sneeuwlaag hield hen lekker warm. Maar Xenofon vermande zich en stond in zijn blootje op (gymnos anastas) om hout te hakken. Toen kwam er algauw een ander overeind om hem dat werk uit handen te nemen. Toen volgden er meer. Ze staken een vuur aan (pyr ekaion) en wreven zich in met zalf, die ze daar in grote hoeveelheid hadden gevonden. Ze was vervaardigd van zwijnenvet, sesam (sèsaminon), bittere amandelen (amygdalinon) en terpentijn (terminthinon).’
     Zo, nu konden ze er weer tegenaan. Maar eerst een stukje eten natuurlijk.

______

(1) De Wever zijn stuk past in het nva-pleidooi voor een krachtiger optreden tegen moslimextremisme. Ernstige bedenkingen daarbij zijn geformuleerd door onder andere Rik Torfs (hier), Etienne Vermeersch (hier), Walter Pauli (hier) en Lode Cosaer (hier). Bryce De Ruyver en Mark Elchardus dragen argumenten aan vóór dat ‘gewapend bestuur’ (hier).
 
(2) De dag na Debeuf reageerde ook politicoloog Jonathan Holslag (hier). Holslag sleurt er allerlei zaken bij die naar mijn smaak weinig met het onderwerp te maken hebben: de Pokémonrage, halalvlees, zijn doctoraat, de robotisering, de goedkope import uit Azië, het glazen plafond op de arbeidsmarkt, de druk op het gezinsleven en John F. Kennedy. Ik denk dat de politicoloog wat opgenaaid was die dag.