Posts tonen met het label Willem Elsschot. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Willem Elsschot. Alle posts tonen

zondag 7 augustus 2022

Kortjes

Caroline Pauwels. Ik heb ooit horen vertellen over iemand die Alexander Decroo een goed mens vond. ‘Je ziet dat gewoon als hij op televisie komt,’ had die man gezegd. Zelf beschik ik over te weinig mensenkennis om zulke uitspraken te doen. Maar toen ik gisteren op televisie een paar flarden interview met Caroline Pauwels zag, maakte ik spontaan een uitzondering. Dat moet toch een goed mens geweest zijn, dacht ik. En ik was de enige niet. Zelfs zo’n ruwe man als Pieter Auwaerts schreef op Facebook dat Pauwels ‘een vrouw was waar de goedheid van afdroop.’ Die indruk had ik dus ook. Maar ik heb, zoals gezegd, weinig mensenkennis. Die van Pieter vertrouw ik meer.

Opwarming van de aarde. De aarde warmt ongetwijfeld op, maar op sommige plaatsen warmt ze meer dan op andere. Op de parkeerplaats van onze Proxy Delhaize is het altijd twee graden warmer dan ergens anders. Als we het wat koud hebben, gaan we gewoon even boodschappen doen.

Wales. Mijn zoon is met enkele vrienden vertrokken naar Wales voor een wandelvakantie. Dat roept voor mij meteen enkele literaire reminiscenties op. Captain Fluellen in Henry V. The Old Devils van Kingsley Amis. Maar vooral, vooral, A Man for Alle Seasons: ‘Why Richard, it profits a man nothing to give his soul for the whole world … but for Wales!’ ‘t Is even geestig als Elsschots dodelijke zinnetje. ‘Was het nog een mof of een Rus, maar een Pool!’ Probeer daarna Wales, of de Polen, maar eens ernstig te nemen. 

Plaisure-pain ratio. Als het goed is, moeten we het ook zeggen. Thuis studeer ik piano op een Yamaha B3 en in Oostende op een digitale Casio Celviano AP-470. Als ik enkele dagen op de Celviano gespeeld heb en dan weer overschakel op de Yamaha, ervaar ik een genotsgevoel, op gang gebracht door de vollere klanken en de natuurlijker respons van de toetsen. Als ik omgekeerd na enkele dagen Yamaha overschakel op de Celviano voel ik een ontgoocheling. Maar – nu komt het – het genot van de ene overschakeling is intenser en duurt langer dan de ontgoocheling en pijn van de andere. Mag ik daar metafysische conclusies uit trekken, of bewijst het alleen nog maar eens dat ik van nature een zonnetje in huis ben?

Taiwan. Columnist Nico Dijkshoorn maakte zich van de week vrolijk over mensen die nu plots een mening over Taiwan hebben. Ik heb daar al langer een mening over. Ik geloof niet dat China, zoals Japan indertijd, héél Zuid-Oost-Azië militair wil inpalmen, maar ze willen, moeten en zullen wel minstens Taiwan inpalmen. ’t Is vreselijk voor de Taiwanezen die, neem ik aan, in grote meerderheid gehecht zijn aan hun kapitalisme en hun democratie. Wat de Amerikaanse bondgenoot van Taiwan in deze kan doen, weet ik niet goed. Afwisselend dreigen en sussen? De hele zaak op de lange baan helpen schuiven? Een gunstiger overgang bedingen? Ik zou als Amerikaanse president voor die kwestie zeker geen oorlog voeren. Zeker niet. Omgekeerd, mocht die oorlog er toch komen, dan duim ik voor de Amerikanen en de Taiwanezen.

Hiernamaals. De meeste westerlingen  van vandaag geloven dat ze na hun dood in het niets verdwijnen, wat geen prettige gedachte is, maar wel een geruststellende. De anderen, een minderheid, geloven dat ze in de hemel komen als ze niet te veel medemensen hebben vermoord. Maar het is ooit anders geweest. Het hiernamaals voor de Christenen is eeuwenlang een te vrezen toekomst geweest. De kans was groot op een eeuwige foltering in de hel, of minstens enkele honderdduizenden jaren foltering in het vagevuur. Je moest daarvoor niemand vermoord hebben. Als je in staat was geweest om iemand te vermoorden was dat genoeg. Dat je niemand vermoord hebt, is misschien een kwestie van geluk, of van ‘the Grace of God’, zoals John Tyndale meende. Velen van mijn generatie en de generatie ervoor vragen zich af waartoe ze in staat zouden zijn geweest mochten ze door omstandigheden in een Einsatzgruppe terechtgekomen zijn.

Bertrand Russell. Het toneelstuk De paradox van Russell, dat ik gezien heb met Theater aan zee, gaat niet over de manier waarop Russell zijn logisch systeem sluitend wilde maken, noch over de manier waarop Gödel die poging ondermijnd heeft. Het gaat over het conflict tussen rede en gevoel, ratio en emotie, logos en pathos. Ik had, voor één keer, de indruk dat ik een toneelstuk helemaal begreep, wat een plezierig gevoel is. Maar iets anders zat mij dwars. Ik heb twee jaar geleden het boek Intellectuals van Paul Johnson gelezen. Stond daar nu wel of niet een hoofdstuk over Russell in, vroeg ik mij af. Het kon bijna niet anders. Maar zeker wist ik het niet. Thuisgekomen controleerde ik het even: jawel hoor: 28 bladzijden over Russell. Nu ik erover nadenk weet ik ook weer wat het zwaartepunt van Johnsons betoog was: de overgang van Russells oorlogstaal in de periode 1945-1953 naar zijn pacifisme in de jaren erna. Johnson ziet daar geen grote tegenstelling tussen: de twee standpunten zijn vergelijkbaar door hun extremisme. Ik herinnerde mij die passages over Russells oorlogstaal, geloof ik, omdat ik van veel vroeger al van die oorlogstaal afwist, van lang voor ik Johnson gelezen had. Als ik dingen lees die ik vroeger ook al wist, herinner ik mij ze veel beter. 

Bertrand Russell 2. Russell was eigenaardig genoeg zelf een groot tegenstander van extremisme. Ook daar was hij extreem in. ‘Geen enkele mening moet met vuur verdedigd worden. Niemand beweert met vuur dat zeven maal acht zesenvijftig is, omdat we weten dat dat het geval is. Een vurige uiteenzetting is alleen nodig als de verdedigde mening twijfelachtig is, of aantoonbaar vals.’ En lord Russell heeft veel vurige uiteenzettingen gehouden.

Liberaal-ironisch. In het toneelstuk De nieuwe man maakt de rechtse Natali een eigenaardig verwijt aan het adres van haar linkse ex-minnaar Peter. Die zou er een ‘liberaal-ironisch’ wereldbeeld op nahouden. Daar moest ik even over nadenken. Maar enkele dagen later woonde ik, alweer in het kader van ‘Theater aan zee’, een lezig bij van Hendrik Vos over ‘Europa na Oekraïne’. Nu weet ik precies wat liberaal-ironisch betekent.

woensdag 17 maart 2021

Niet akkoord met Ivo Michiels

 


     In het prachtboek van Jo Komkommer Dinsdagen in November* staat een prachtstuk over Ivo Michiels. Jo heeft Ivo redelijk goed gekend, want de beroemde auteur was een goede vriend van zijn vader. Hij was een man met veel innemende eigenschappen: gevoel voor humor, een uitbundige lach, gebrek aan rancune, een mooie vrouw. Hij had met verbeten ijver het schrijverschap nagestreefd om te ontsnappen aan het grauwe bestaan van fabrieksarbeider bij Agfa-Gevaert. Hij had in zijn repertoire een machtige mop die hij zowel vertelde als uitbeeldde. Die begon als volgt. Fidel Castro houdt vanop zijn balkon een redevoering die eindigt met de beklemmende oproep ‘Trabajo si! Samba no!’. Kan iemand van mijn lezers raden hoe de mop eindigt? Het helpt als je de vorige zin luidop leest en je je het enthousiaste Cubaanse publiek voorstelt.
     Zelf heb ik Ivo Michiels niet gekend. Ik heb er wel les over gekregen van Marcel Janssens. We moesten voor Nederlandse Literatuur een aantal auteurs lezen waaronder Elsschot en Michiels, en op het examen had ik de Michiels-vraag. Van het Boek Alfa herinnerde ik mij bitter weinig maar daar liet ik mij niet door van de wijs brengen. Ik situeerde de schrijver binnen de groep van modernisten zoals (even diep ademhalen): ‘Harry Mulish, Paul de Wispelaere, Willy Roggeman, Bert Schierbeek, Sybren Polet, Hugo Raes en in het buiteland, Marcel Proust, James Joyce, Virginia Woolf, Hermann Broch (wie?), Robert Musil en William Faulkner.’ Janssens knikte goedkeurend, want zo stond het in zijn cursus, en ik had geen enkele naam vergeten.
     Tijdens het academiejaar had Janssens de auteur ook uitgenodigd om een gastcollege te geven. Naast de keurige professor, was de auteur een bonte verschijning. Hij droeg een Hawaïhemd met open kraag, een lichtbruine leren jas, en met die broek was ook iets fout, maar ik weet niet meer wat. Tijdens zijn uitleg maakte hij wilde gebaren. Hij tekende twee ladders op het bord, waarmee hij twee verschillende gedachtestromen weergaf die hij volgde tijdens het schrijven. Die ladders werden dan de benen van een personage, en waar ze bij elkaar kwamen was de geslachtsdrift gelokaliseerd. Die geslachtsdrift was heel belangrijk, wist Michiels nog.
     Het college ging over hoe schrijven eigenlijk in zijn werk gaat. Dat moet iets heel persoonlijks zijn, waar ik overigens niets vanaf wist. Toch slaagde ik erin het met Michiels oneens te zijn. En ik was de enige niet. Een paar stoelen verder zat Erik Spinoy die herhaaldelijk en nadrukkelijk ‘nee’ schudde met zijn hoofd.
     Waar Spinoy en ik het niet eens mee waren, weet ik natuurlijk niet meer. Maar dankzij Jo heb ik nu toch íets in handen om met Michiels van mening te verschillen, al gaat het om een nuance, een peulenschil, een akkefietje. Net zoals Jo de beroemde auteur Ivo Michiels heeft gekend, had Ivo Michiels de beroemde auteur Willem Elsschot gekend. Hij waardeerde hem ten zeerste, ‘maar hij vond het tegelijkertijd zo jammer dat deze altijd zo laatdunkend over zijn eigen oeuvre en over zijn schrijverschap deed. Elsschot kon of wilde zich niet aan zijn Antwerpse wortels onttrekken.’
     Dat is inderdaad de indruk die Elsschot soms gaf. Toen Walschap hem voorstelde lid van de Academie der Vlaamse Letteren te worden, zei Elsschot: ‘Ik ben geen letterkundige. Ik ken die mensen niet.’ Toen men hem in Ten Huize Van vroeg of hij tevreden was met de uitgave van zijn Verzameld Werk antwoordde hij aarzelend. ‘Ja … natuurlijk. Het heeft vooral dit voordeel dat een deel van mijn werk gered is, in deze zin dat al die kleine boekjes waarin het verschenen is, daarvan zullen waarschijnlijk enkele in de loop van de jaren totaal verdwijnen, misschien alleen nog aanwezig zijn in de bibliotheek van een paar literaire liefhebbers. Nu zitten ze bij elkaar.’ Die ‘kleine boekjes’, dat klinkt inderdaad wat laatdunkend.
     Maar als Elsschot in hetzelfde programma de vraag wordt gesteld of hij nu door die nieuwe uitgave zichzelf herlezen heeft, is de toon van het antwoord anders. ‘Sinds ik die boeken geschreven heb, heb ik ze nooit meer herlezen. Nu pas, drie weken terug, heb ik de hele geschiedenis nog eens doorgenomen. Dat is me zéér meegevallen, tot mijn eigen verwondering. Ik heb de indruk gekregen dat ik dat onmogelijk nog zou kunnen schrijven.’
     Ik liet dat vraaggesprek altijd aan mijn leerlingen zien, en vroeg achteraf of Elsschot zijn eigen werk nu wel of niet hoog inschatte. De meningen in de klas waren dan verdeeld, maar er was toch altijd een meerderheid die vond van wel. Ik hoorde bij die meerderheid. De bewondering van Elsschot voor zijn eigen werk, vind ik ontroerend. De auteur die voor het mysterie staat van zijn eigen talent – dat hij ooit zoiets heeft kunnen schrijven! Elsschot móet geweten hebben hoe goed hij was, net zoals Horatius, Dante, Shakespeare, Goethe en Heine dat vóór hem ook wisten. En hij moet daar zó van overtuigd zijn geweest, dat hij het vernederend vond om reclame voor zichzelf te maken – wij weten hoezeer hij het reclameberoep verfoeide. Zijn soms geringschattende uitlatingen over zijn eigen werk, zijn een gevolg van zelfzekerheid. Bij andere schrijvers, die heel hardnekkig hun reputatie verdedigen, vraag je je vaak of of ze hun onzekerheid niet proberen te overschreeuwen.
     Het volstaat overigens om de Inleiding bij Kaas en het Nawoord bij Tsjip te lezen om te weten dat Elsschot heel goed wist waar hij literair mee bezig was. Het laatste waar je Elsschot van wil beschuldigen, is dat hij een poseur was. Maar als hij wat laatdunkend spreekt over zijn ‘boekjes’ neemt hij wel degelijk een pose aan.

* Als alle exemplaren nog niet uitverkocht zijn, kun je het nog altijd bestellen op de Facebookpagina van de auteur. Zie ook hier en hier.

zondag 1 juli 2018

De snor van Hitler en het hemd van Tolstoj

 Karel van het Reve beschrijft ergens hoe een modeverschijnsel dat verdwijnt, daarna soms voort blijft leven als één ondeelbaar beeld in ons collectief geheugen. Karel noemde dat verschijnsel: de baard van Tolstoj en gebruikte de 19de-eeuwse dichter Hendrik Tollens als voorbeeld. ‘We lezen Tollens niet meer,’ schrijft Karel, ‘en zijn vergeten dat hij een baard droeg. We lezen Tolstoj, zien dat hij een baard droeg en zien in die baard iets dat typerend is voor Tolstoj – terwijl in zijn tijd zoveel mannen die baard droegen.’
     Wij kunnen hierbij opmerken dat Tollens (1780-1856) nauwelijks een tijdgenoot van Tolstoj (1828-1920) was, dat hij nog altijd een beetje gelezen wordt door bijvoorbeeld mijn leerlingen*, en dat hij bij mijn weten … geen baard droeg. Karel moet dat achteraf ook beseft hebben, want wanneer hij in een ander stuk het door hem ontdekte en benoemde verschijnsel opnieuw ter sprake bent, met hetzelfde voorbeeld, voegt hij er achteloos aan toe: ‘Misschien droeg Tollens wel geen baard, maar laat hem omwille van de duidelijkheid een baard hebben gedragen.’
     Als je begint te zoeken, vind je veel voorbeelden van ‘de baard van Tolstoj’. De haarsnit van Caesar, de gehoornde helm van de Vikings – misschien hadden de Vikings wel geen gehoornde helmen –, de eindeloos hoge hoed van Lincoln, de tweekantige steek van Napoleon, de bloksnor van Hitler. Die beelden zijn zo sterk dat ze andere beelden met hetzelfde modeverschijnsel verdringen. Mijn grootvader heeft heel zijn leven zo’n bloksnor als Hitler gedragen, en ik heb dat nooit ‘gezien’. Ik moet in mijn jeugd tientallen oudere heren met een bloksnor gezien hebben, maar die zijn mij nooit opgevallen. Ik blader in een geïllustreerde

literatuurgeschiedenis en vind er een op de bovenlip van Urbain van de Voorde en een op die van Raymond Brulez. Willem Elsschot had er een toen hij een jaar of veertig was, en in Lijmen legt Boormans aan Laarmans uit hoe een zakenman zich scheert: ‘Je baard helemaal weg, maar van je snor kon je in ‘t midden wel iets laten staan.’ Maar al die bloksnorren, van Van de Voorde, van Brulez, van Elsschot, van Laarmans en van mijn grootvader worden onzichtbaar door die ene snor van Hitler. Als ik niet zo bang was van ongepaste metaforen, schreef ik dat die andere bloksnorren in de schaduw staan van die van Hitler.
     Laatst kwam ik de baard van Tolstoj nog eens tegen, en wel bij Tolstoj zelf. De oude Tolstoj, moet je weten, droeg niet alleen een baard maar ook een boerenhemd. Om met Karel van het Reve te spreken: ‘We zien in dat hemd iets dat typerend is voor Tolstoj.’ De oude Tolstoj wou de wereld bekeren tot een nieuwe godsdienst, waarin iedereen zijn eigen schoenen maakte en iedereen voelde en leefde als de boeren. Dat boerenhemd past daarbij. Maar we vergeten dat Tolstoj ook vóór hij met zijn godsdienst bezig was, wel eens een boerenhemd droeg. Sterker nog, dat de andere Russische landheren van die tijd zich ook vaak op zijn boers kleden. ‘De Russische landheer,’ schreef een Engelse reiziger aan het eind van de 18de eeuw, ‘loopt de hele dag rond met blote nek, lange baard en gehuld in schapenvacht. Hij eet ongekookte rapen, drinkt kvas, slaapt de ene helft van de dag en gromt de andere helft naar vrouw en kinderen. De edelman kent dezelfde gevoelens, dezelfde noden, dezelfde wensen en dezelfde genoegens als de boer.’
     Dezelfde gevoelens als de boer … Die edelman van eind de 18de eeuw droeg dus niet alleen een baard en een hemd als Tolstoj. Als hij ook nog eens ‘dezelfde gevoelens als de boer kende’, dan had hij zich dus ook, al lang vóór de wijze van Jasnaja Poljana begon te zedenmeesteren, de belangrijkste beginselen van diens nieuwe geloof eigen gemaakt.


*De eerste 24 verzen van De overwintering van de Hollanders op Nova Zembla. Vroeger las ik wel eens een ander gedicht voor zoals Op de eersten tand van mijn jongstgeboren zoon of ’t Kruipend rupsje, moe gekropen.

woensdag 17 januari 2018

De grootste intellectueel van Vlaanderen

    Een vraag die ik mij vaak stel is deze: wie is nu eigenlijk de grootste intellectueel van Vlaanderen? Dat is geen gemakkelijke vraag, vooral omdat ik niet alle Vlaamse intellectuelen ken, en degenen die ik ken, ken ik meestal alleen van naam. Nur dem Namen nach, zoals de Duitsers zeggen. En hoe kun je nu de grootste van een verzameling aanwijzen als je de hele verzameling niet zo goed kent?
     Nu heb ik vorige week hulp gekregen van Joël De Ceulaer. Joël stelde zich ook de vraag wie de grootste intellectueel van Vlaanderen was, en hij wist het antwoord blijkbaar al evenmin als ikzelf. Maar Joël was slimmer dan ik. Als je het antwoord niet weet, dacht Joël, vraag het dan aan iemand anders. En hij heeft het gevraagd aan honderd prominente Vlamingen, van Abou Jahjah tot Raymonda Verdyck en van Orban Agirdag tot Els Witte. De lijst van honderd prominenten is evenwel niet helemaal in balans. Joël is journalist bij De Morgen en hij nam niet minder dan zeven journalisten van die krant in zijn prominentenlijst op, hemzelf inbegrepen – hij wist het antwoord dus toch.
     Uit die prominentenbevraging zijn tien namen naar voren gekomen: een activiste (Rachida Lamrabet), een iman (Khalid Benhaddou), een rector (Caroline Pauwels), een schrijver (David Van Reybrouck), een politicoloog (Jonathan Holslag), een econoom (Geert Noels), drie vrijzinnige filosofen (Etienne Vermeersch, Maarten Boudry en Patrick Loobuyck) en één politicus (Bart De Wever), die het lijstje trouwens aanvoert.
     Bart De Wever de grootste of althans de invloedrijkste intellectueel van Vlaanderen? En dan nog benoemd door een panel dat grotendeels uit zijn tegenstanders bestaat? Ik weet het nog zo niet.
     Neem nu die jaarlijkse intellectuele proef die al zoveel politici hebben moeten ondergaan: de Elsschotlezing. De Wever hield ze in 2016. En wat wist De Wever te vertellen over Elsschot? Goed. Hij had die boekjes gelezen, dat merkte je wel, en hij was erdoor gegrepen, dat merkte je ook. Maar toch week hij zo snel mogelijk uit naar zijn eigen terrein. Via een brugje over Elsschots kleindochter en het gezin Elsschot ging het al vlug over normen en waarden, en dat we traditionele instellingen als het huwelijk niet te snel moesten afschrijven. Tobback had het hem voorgedaan: van Elsschot via een brugje over zaken waar hij wél iets van af wist – Boccaccio, Camus –naar de dringende noodzaak van meer links politiek engagement. Je krijgt bijna de indruk dat De Wever en Tobback hun rede zelf hadden geschreven.
     Nee – geef mij dan maar iemand van formaat, iemand als … euh … Kris Peeters. Dát was nog eens een Elsschotrede. Het begon nochtans slecht. Peeters gaf toe dat hij op school de boekjes van Elsschot maar niks vond. Ze waren te dun, de taal was te doorzichtig, de personages te doordeweeks. Die bekentenis maakte op mij een slechte indruk want zelf vond ik die boekjes ook op school al geweldig. Peeters dus niet. Pas later, veel later, begreep hij de grootheid van Elsschot. Maar Peeters weet ook hoe het komt dat hij zich zo laat tot het Elsschotgeloof bekeerde. Het was de schuld van de schrijver zelf, die zijn taalmeesterschap immers slechts ‘toonde in wat het verborg’. Het was niet Peeters zijn schuld.
     Dan komt Peeters op dreef. We worden ondergedompeld in Latijnse zegswijzen, Franse citaten en Engelse wijsheden – horresco referens –  ars est celare artem – le style c’est l’homme – steal from the best.* En niet alleen létterlijke zegswijzen en citaten. Peeters kan die ook naar zijn hand zetten als het moet: la vanité c’est les autres – fiat pecunia, pereat mundus.** En boven alles is hij een meester in het citeren van Elsschot zelf: lange citaten, korte citaten, verborgen citaten, pastiches, zowel uit de bekende werken als Kaas, Dwaallicht en Lijmen, als uit de minder bekende als De verlossing, Tankschip en Pensioen. Overal vindt Peeters wel enkele woorden, soms slechts één woord, dat naadloos past in zijn betoog. Zoiets kan alleen iemand die innig vertrouwd is met het werk van de schrijver, of die zich weken aan een stuk, onder verwaarlozing van zijn politieke taken, met het Verzameld Werk heeft beziggehouden.

     En Peeters kan meer dan citeren, want jij en ik, beste lezer, kunnen dat ook - als we ons best doen en over een onderzoeksmedewerker beschikken. Maar kunnen we zinnen bedenken als deze: ‘In het venster dat [Elsschot] ons biedt op de wereld trachten we vergeefs de spiegeling van ons eigen gelaat te ontwijken.’ Zo’n zin zou ik nooit kunnen schrijven. Hier is een ware filosoof aan het woord.
     Vroeger liet Peeters zich af en toe ontvallen dat hij járenlang Schopenhauer op zijn nachtkastje liggen had. Nu heeft Schopenhauer niet zo veel geschreven (multum, non multa), maar als je hem in het Duits leest, en je wil alles begrijpen, ook de Vierfache Wurzel des Satzes vom zureichenden Grunde, dan ben je daar inderdaad wel even mee zoet. Later werd Schopenhauer op Peeters zijn nachtkastje opgevolgd door een andere filosoof, maar hier lopen de bronnen uiteen. Volgens de enen was die filosoof Kant (De Standaard, 31 december 2004), volgens anderen was het Hegel (De Standaard, 4 augustus 2014). Ik gok op Kant, want nogal wat lezers wagen zich na Schopenhauer aan Kant, wat dan niet meevalt. Aan Hegel beginnen ze niet want dat is immers die kerel met zijn ‘Bierwirthsphysiognomie … auf dessen Gesicht die Natur mit leserlichster Handschrift “Alltagsmensch” geschrieben hatte.’***

     Het is bekend dat Peeters graag burgemeester van Antwerpen wil worden. Mocht dat niet lukken, kan hij proberen aan een onzer universiteiten de filosofie van Kant, Hegel en Schopenhauer te doceren. En als ook dat niet lukt, kan hij nog altijd een goede leraar Nederlands worden. Zijn Elsschotlezing heeft mij overtuigd. Hopelijk worden tegen die tijd nog altijd échte literatuurlessen voorzien in de eindtermen en de leerplannen.

 

* Ik huiver als ik eraan denk – de kunst bestaat erin de kunst te verbergen – de mens zelf is de stijl – steel van de besten.

** ‘IJdelheid, dat zijn de anderen’ – variatie op ‘de hel, dat zijn de anderen’ en ‘de wereld mag vergaan, als er maar geld verdiend wordt’ – variatie op ‘de wereld mag vergaan, als er maar recht geschiedt.’

*** ‘… kerel met zijn kroegbaasfysionomie, op wiens gezicht de natuur in haar duidelijkste handschrift “banale mens” geschreven had.’

 

donderdag 30 november 2017

Klasgemiddeldes op het rapport

Deze school - mijn school - behoort niet tot het GO!
     Soms wind ik mij op over niets.
     In Het Nieuwsblad van vandaag las ik dat het GO! zijn scholen aanraadt om geen gemiddeldes of medianen meer op het rapport te vermelden. Leerlingen zouden zich slechter voelen als ze zich met elkaar vergeleken, zei een woordvoerster. Ik begreep waar ze naartoe wou. Als een leerling vaststelt dat zijn punten onder het mediaan liggen, en die kans is bijna vijftig procent, dan komt zijn ‘welbevinden’ in het gedrang.
     Nu dat weer, dacht ik. Gelukkig heb ik met dat GO! niets te maken.
     ’s Avonds kwam het item op het Nieuws van vtm. En wie zie ik daar op het scherm verschijnen? Mijn eigen directeur – van het Sint-Ursula-Instituut. Dat die gemiddeldes in zijn instituut al lang waren afgeschaft, zei hij, al was het dan een nonnenschool. Zo’n mediaan zei niets over de individuele prestatie van de leerling.
     Dus – die medianen wáren bij ons al afgeschaft, en ik had er niets van gemerkt. Plots leek het allemaal zo erg niet meer.


                ‘De aarde was niet uit haar baan gedreven
                 en ’t huis was overeind gebleven’.

      ’t Systeem zonder gemiddeldes heeft trouwens ook zijn goede kant. Leerlingen met slechte resultaten moeten niet meer komen aanzetten met het excuus van een laag klasgemiddelde. De toets was veel te moeilijk meneer. Kunnen we geen hertoets krijgen? Of iedereen twee punten extra? Die krijgen zij nu niet meer.

woensdag 10 mei 2017

Is het nu 'blank' of 'wit'?

     Waar ik vandaan kom spraken we van blanken, negers, indianen en Chinezen. In de jeugdboeken van P. en J. Nowee werden die indianen ook ‘roodhuiden’ genoemd, maar met dat kleurwoord kon je in een normaal gesprek niets aanvangen. Voor afzonderlijke Chinezen bestond zelfs helemaal geen kleuraanduiding, al kon je gebeurlijk wel spreken van het ‘gele ras’.
     Dat is nu allemaal anders en dat komt door de Amerikanen. Die gingen in de jaren zestig de benaming indianen vervangen door ‘native Americans’, wat een beter woord was omdat Amerika en Indië heel verschillende continenten zijn. Aan de andere kant was ‘native American’ evenmin ondubbelzinnig omdat veel blanke Amerikanen ook in Amerika geboren zijn. Zo komen we er natuurlijk nooit. Want als je ook ‘native Americans’ gaat vervangen, spreek je voor je het weet van ‘American Indians’, en dan zit je weer met dat Indië opgescheept en met die vreselijke kolonialist Christoffel Columbus.  
     Met die negers was ook iets mis. Je had in het Amerikaans ofwel het ruwe ‘nigger’ ofwel het wat chiquere ‘negro’. Dat ‘negro’ had in de loop der jaren een neerbuigende bijklank gekregen en ‘nigger’ kon natuurlijk helemaal niet, waardoor de noodzaak van een andere benaming zich opdrong. Veel mogelijkheden lagen open en werden uitgeprobeerd: blacks, Afro-Americans, African Americans en ten slotte weer blacks. Daar konden wij in onze taal ook iets mee doen, en onze eigen onderdanige neger werd een trotse zwarte.
     Dat waren allemaal pogingen, geloof ik, om de gevoelens van de betrokken rassen niet te kwetsen. ’t Is misschien een beetje belachelijk, want je kunt best wel van ‘zwarten’ spreken en toch een ontzettende racist blijven en omgekeerd kun je je zwarte medemens van harte het beste toewensen terwijl je hem naar oude gewoonte een ‘neger’ noemt. De bedoeling van de naamverandering was evenwel goed.
     Maar hoe zit dat met de recente mode om het woord ‘blank’ door ‘wit’ te vervangen? ‘Rectoren willen minder witte aula’s,’ las ik in het Nieuwsblad. Waarom niet ‘blanke aula’s’? De woorden ‘wit’ en ‘blank’ betekenen toch precies hetzelfde? Is dat nu ook een poging om het betrokken ras niet te kwetsen?
     De nieuwlichterij met ‘wit’ heeft in elk geval velerlei nadelen. ‘Wit’ toegepast op mensen heeft immers al een betekenis. Waar ik vandaan kom, was ‘een witte’ geen exemplaar van een bepaald ras, maar iemand die tijdens de tweede wereldoorlog bezwaren had tegen de Duitse regering en haar leger. Terwijl de zwarten hoopten dat de Duitse troepen Sebastopol zouden veroveren, hoopten de witten – tevergeefs –  dat dat niet gebeuren zou. Nog jaren na de oorlog was het erg uitzonderlijk dat een meisje uit een witte familie trouwde met een jongen uit een zwarte familie, en dat had met de huidskleur weinig te maken.
     Een verder nadeel betreft de literatuur. Gerard Reve schreef over onze ‘roomblanke’ dochters. Moeten dat nu onze ‘roomwitte’ dochters worden? Elsschot schreef over zijn Poolse schoonzoon en meneer Van Schoonbeke die ‘zo gemoedelijk praten als twee blanken die elkander onverwacht in Congo ontmoet hebben’. Wordt dat nu ‘als twee witten die elkander onverwacht in Congo ontmoet hebben’. En laten we vooral het bekende lied van Willem Vermandere niet vergeten waar hij in de laatste verzen de ‘bange Blankeman’ oproept om open te doen voor de bonte menigte die op zijn ‘deure’ klopt. Met ‘bange Witteman’ in plaats van 'bange Blankeman' verliezen we tegelijk de alliteratie, de assonantie en de consonantie. Dat is wat veel, vind ik.
     Het belangrijkste nadeel van de vervanging van ‘blank’ door ‘wit’ wordt echter aangedragen door Ming Li Foo, in de strip  Het twintigste cavalerie.  De ijverige wasserijuitbater wijst er geheel terecht op dat de huid van het melanine-arme ras noch blank, noch wit is, maar roze. Lucky Luke vraagt hem of het woord ‘bleekgezicht’ dan niet geschikt is. ‘Niet voor hen wier delicate tint aan oud ivoor herinnert,’ zegt Ming. ‘Niet voor ons.’

zaterdag 21 januari 2017

Toevallig?

Marcel Pagnol, geboren op 28 februari 1895
    Soms hangt iets in de lucht. In 2012 verschenen er twee films over het leven van Hitchock. Enkele jaren daarvoor verschenen op ongeveer hetzelfde ogenblik twee films over Truman Capote. En nog een paar jaar daarvoor kwamen kort na elkaar twee verfilmingen uit van de roman Les liaisons dangereuses*. Moeten we werkelijk geloven dat dat allemaal toevallig is?
     Een mooie samenloop vind ik ook deze: in 1928 werd op Broadway The Front Page van Hecht en MacArthur opgevoerd, terwijl in Parijs het stuk Topaze van Pagnol in première ging. De twee stukken gingen over dezelfde materie – de wereld van de zwendel en de oplichterij – waar onze eigen Elsschot vijf jaar daarvoor zijn grote werk Lijmen aan had gewijd.
     In de drie verhalen wordt dezelfde truc van het komisch duo gebruikt -  Walter Burns en Hildy Johnson, Castel Bénac en Topaze, Boorman en Laarmans. De eerste is de meester, de tweede is de leerling. Die leerling had ook een jonge vrouw kunnen zijn. Howard Hawks gebruikt in zijn klassieke verfilming van The Front Page een vrouwelijke Hildy, en Elsschot begon zijn oorspronkelijke versie met Boormans nichtje Mies in plaats van Laarmans.
     Vooral enkele gelijklopende bijzonderheden in Lijmen en Topaze zijn opmerkelijk. Sommige stukjes proza kun je gewoon naast elkaar leggen.

Dat Boorman zijn tijd bij ’t lood woog, bleek uit spreuken die de wand versierden, als daar waren: ‘Bondigheid in zaken, is zeker niet te laken.’

Aux murs, des placards sévères portant des inscriptions cagégoriques: ‘Soyez brefs’, ‘Le temps, c’est de l’argent’, ‘Parlez de chiffres’. 

Laarmans haalde een zilveren koker uit zijn zak en bood mij een ‘gold tipped’ sigaret aan.

Topaze a tiré de sa poche un étui d’argent. ‘Cigarette’?

 
     In de twee verhalen proberen de oplichters indruk te maken door met eretekens te pronken.

In zijn knoopsgat zat een decoratie … een kleurige rozet.

Elle prend le petit ruban violet  [les palmes d’honneurs], et les attache à sa boutonnière.

 
     En in de twee verhalen laten de ‘leerlingen’ hun ouderwetse baard afscheren zodat ze er als moderne zakenmannen uitzien.

‘Je ziet er goed uit,’ verklaarde Boorman. Ik heb gevreesd dat je baard het zou winnen.

 

‘Tu l’as coupé!’ Il montre le menton de Topaze.

 
     De les die wordt doorgegeven van meester aan leerling is dezelfde cynische boodschap:

‘Laarmans … de mensen zijn slecht.

Tamise, les hommes ne sont pas bons.

     Aardig is ten slotte dat de vorm van Boormans reclamezin** eveneens in in Topaze opduikt.

De tous les matériaux de l’architecture, le marbre est certes celui qui offre etc.

De toutes les canailleries que cette vieille fripouille a montées, l’affaire des balayeuses est celle qui présente etc.

     Nu zou je kunnen aanvoeren dat er nogal een verschil is tussen reclame voor marmer en een uitval tegen smeerlapperijen. Maar dat is niet wat Boorman er zelf van vindt. ‘Het doet er niet toe wat je er tussen in last,’ zegt hij, ‘marmer, cement, papier of maarschalk Foch. Probeer het maar eens: “de tous les maréchaux de la grande guerre, le Maréchal Foch est certes celui qui etc.’
     Zou het niet fijn zijn als we de vorm van die zin ook terugvonden in The Front Page? Het is even zoeken, maar jawel hoor. In het laatste bedrijf vaart Hildy uit tegen zijn leermeester Walter Burns : ‘Of all the lowdown, stinking …’ begint Hildy, en hij maakt de zin helaas niet af. De kijker kan zelf naar believen verder gaan met  ‘frauds’, ‘outrages’, ‘depravities’ of ‘abominations’. Het doet er niet toe wat je er tussen in last.


* Hitchcock (2012), The Girl (2012), Capote (2005), Infamous (2006), Les liaisons dangereuses (1988), Valmont (1989)

** Over die zin schreef ik eerder al een stukje (hier).

maandag 8 augustus 2016

Stijladvies voor antiracisten

     Waardoor krijg je nu het meeste racisme in een samenleving? Door een genereus beleid dat migranten makkelijk binnenlaat en gul toegang verleent tot sociale rechten? Dat is mogelijk. De inboorlingen kunnen dan gaan redeneren: méér voor hen, is mínder voor ons. En dan krijg je racisme.
     Het omgekeerde kan natuurlijk ook. Door als overheid moeilijk te doen tegen migranten, voed je de gedachte dat die migranten zelf moeilijke mensen zijn en dat ze voor problemen gaan zorgen. En dan krijg je weer racisme.
    Wat is het nu?
    Twee sociologen van de KU Leuven, Bart Meuleman en Marie-Sophie Callens, hebben aan die vraag een studie gewijd (hier).  Ze hebben vastgesteld dat er minder racisme is in landen met een genereus beleid. Ze hebben dat onderzocht in 27 landen.
    Ik geloof die sociologen op hun woord. Zij zouden daar niet om liegen. En zij geven ook eerlijk toe dat ze niet weten wat wàt veroorzaakt. Is dat mindere racisme het gevolg van het genereuze beleid, of is het genereuze beleid het gevolg van dat mindere racisme? Ze weten het niet. Daarna volgt een ingewikkelde uitleg over cirkelvormige relaties.
    Zelf behoren de sociologen tot het genereuze-beleidkamp. Ze betuigen dat in fraaie zinnen met veel bijvoeglijke naamwoorden. “Een genereus en inclusief integratiebeleid, dat duidelijk te kennen geeft dat nieuwkomers integraal deel uitmaken van onze samenleving, kan een belangrijke bijdrage leveren aan het terugdringen van antimigratie-attitudes en racistische opvattingen.”* Verduiveld, die zin ken ik ergens van – die ritmische opeenvolging van genereus, inclusief, duidelijk, integraal, belangrijk’. Waar, waar, waar?
    Toen had ik het. Lijmen-Het been! Van Willem Elsschot! Geprezen zij zijn naam en zijn taal! ‘De tous les matériaux de l’architecture, le marbre est certes celui qui offre les plus admirables ressources au prodigieux et inépuisable thème de la décoration.’ Jawel hoor, een van de mooiste zinnen van de Nederlandse letterkunde is in het Frans. Een soort ‘objet trouvé’.
    Elsschots held Boorman, die de zin veelvuldig in zijn reclameblaadje gebruikt, geeft het geheim ervan prijs: “De opeenvolging van onze tous, certes, prodigieux, inépuisable en admirable, slaat in als de bliksem. Het doet er niet toe wat je ertussen inlast: marmer, cement, papier, of maarschalk Foch. Probeer maar eens: ‘de tous les maréchaux de la grande guerre, le maréchal Foch est certes celui qui etc. ’”
     Veel stijladvies kan ik aan onze sociologen dus niet geven – ze doen het daarzonder ook al buitengewoon goed, als ze tenminste niet teveel over cirkelvormige relaties praten. Maar mochten ze ooit wat afwisseling willen – varietas delectat – dan kunnen ze de orthodoxe Elsschot-volgorde een keer op het publiek loslaten: “Van alle bouwstenen die een bijdrage kunnen betekenen tot het terugdringen van antimigratie-attitudes en racistische opvattingen, is een genereus integratiebeleid datgene wat het duidelijkst laat zien dat nieuwkomers een integraal deel uitmaken van onze inclusieve samenleving.”
     Nu staan de gunstige woordjes – genereus, integratie, duidelijk, nieuwkomers, integraal, inclusief en samenleving – mooi samen aan het einde van de zin. Dan krijgen ze meer gewicht, beweren stijladviseurs.

*Met dank aan Simon Gelten die dit pareltje onder mijn aandacht bracht.

dinsdag 15 maart 2016

Willem Elsschot, Bart De Wever en ‘ons Ida’

Alfons De Ridder, pseudoniem Willem Elsschot
    Wij, Elsschot-liefhebbers, moeten eens smakelijk lachen als we horen dat er weer een Elsschot-benefietdiner heeft plaatsgevonden. Dat komt: er wordt op zo’n diner dan een tafelrede gehouden door een Belangrijk Persoon. In 2006 was die Belangrijke Persoon zekere Steve Stevaert. ‘Elsschot was een socialiss. Wie anders dan een socialiss laat zich op dezelfde dag als zijn vrouw cremeren.’ Enzovoort.
     Maar dit jaar was de Belangrijke Persoon zekere Bart De Wever, en dan wil ik wel eens luisteren. Aangezien ik op het diner zelf niet aanwezig kon zijn – ik was die dag met mijn hele staf naar Rijsel voor de internationale conferentie – heb ik de schriftelijke neerslag van de tafelrede moeten lezen in De Standaard. (hier)
     Over de stijl van Bart kunnen we kort zijn: hij is geen Elsschot.  Hij heeft het over het ‘sombere soortgelijk gewicht’ van een gedicht.  Maar je krijgt wel de indruk dat Bart af en toe door Elsschot gegrepen werd. Hij citeert de regels ‘Weet nu dan dat uw stem door niemand wordt aanhoord, zolang gij stamelend bidt, en bedelt bij de poort.’ En hij voegt er trots aan toe dat hij nog nooit beschuldigd werd van stamelend bidden en bedelen aan de poort. Nee, zo ziet hij er niet uit. Bart schrijft dat weinig grootouders ‘het droog houden’ bij het lezen van Tsjip. Ik voeg er graag aan toe dat je daarvoor geen grootouder moet zijn. Er is een passage in Tsjip waar ik het, geen grootouder zijnde, ook altijd moeilijk krijg, zeker als ik ze hardop moet lezen voor de klas. Kenners van het boek zullen weten welke passage ik bedoel.
     Over één punt verschil ik van mening. Bart beweert dat Elsschot ‘zo vaak wordt vertaald’. Ja, ik ken ze, die vertalingen –  Fromage, Soft Soap, Il fuoco fatuo, Tancowiec …  Die kleine boekjes staan bij mij in de kast. Maar zó zullen we de wereld niet veroveren. Het Verzameld Werk verdomd – daar moeten we die Fransen, Amerikanen, Italianen en Polen om de oren mee slaan. Ook bij ons is Elsschots werk immers pas beginnen lopen met de uitgave van het Verzameld Werk door Van Kampen.  Het Verzameld Werk, het hele Verzameld Werk en niets dan het Verzameld Werk! Maar ik moet me niet zo opwinden.
     Bart heeft natuurlijk gesproken als beleidsman. En als beleidsman vindt Bart dat er vandaag te veel echtscheidingen zijn. Dat bezorgt de samenleving een ‘materiële en immateriële factuur’. Dat vindt de Amerikaanse geleerde Charles Murray ook, die boek na boek statistieken aansleept om zijn stelling te staven dat wankele gezinssituaties leiden tot verarming en ontreddering, iets waar vooral de laagste klassen en hun kinderen het slachtoffer van zijn. Bart en Murray vinden dat het vroeger beter was. Goede gezinnen bleven bij elkaar omdat ze het goed hadden, redelijk goede gezinnen bleven bij elkaar omdat ze het redelijk goed hadden, en slechte gezinnen bleven bij elkaar uit plichtsbesef, gemakzucht, angst voor het onbekende, schaamte en hypocrisie.
     Van dat laatste, vindt Bart, was het gezin Elsschot – of beter het gezin De Ridder – een treffend voorbeeld. Alfons De Ridder was een ‘norse, zwijgende, afwezige vader’ die teveel dronk en aan veelwijverij deed. Een lafaard ook die bang was dat zijn vrouw iets van zijn escapades zou merken. Vrouw Fine droeg de hele last van het gezin. Meneer De Ridder zelf zorgde enkel voor het inkomen. Maar toch bleven die twee bij elkaar, en groeiden zij, op het einde van hun leven, weer naar elkaar toe.
     Op de tafelrede van Bart is een weerwoord gekomen (hier) van een kleindochter van Elsschot, Ida Dequeecker –  ‘ons Ida’ zoals ze vertederd werd genoemd door een beroemd cineast. Ida neemt aanstoot aan Barts ‘gedateerde’ opvattingen over het gezin. Dat vind ik prima. Ida hangt radicaal linkse ideeën aan en is daarbij radicaal feministisch georiënteerd. Zulke mensen moeten er ook zijn. Bovendien geeft ze uit de eerste hand verdere toelichtingen bij de gezinsverhoudingen in de Lemméstraat. De drie zoons werden door de moeder behandeld als prinsen, de drie dochters als slavinnen. Dat wist ik niet, of anders was ik het vergeten.
    Maar de eerste vier alinea’s van haar artikel zijn schandelijk. Ze geven een volstrekt verkeerd beeld van wat Bart werkelijk gezegd heeft2. Dat mag je nooit doen, ook niet in een polemisch geschrift. Ze schrijft dat Bart ‘een jubelzang [bedacht] op de voorbeeldig duurzame gezinsordening ten huize Alfons De Ridder.’ Nu kun je van Barts toespraak veel zeggen, maar een ‘jubelzang’ op het gezin De Ridder was het zéker niet.


 
1 Bart weet hoe gemakkelijk je verkeerd begrepen wordt. Voor alle zekerheid zei hij in zijn rede dus ook dat hij ‘absoluut niet pleit voor het terugsschroeven van de bestaande wetgeving die mensen toelaat uit elkaar te gaan.’

2 De ergste vertekening gebeurt in de inleiding op het stuk. ‘Het is Bart De Wever blijkbaar ontgaan dat het vooral Elsschots vrouw Fine was die hun gezin bijeenhield’.  Nee hoor. Het was Bart niet ontgaan. Dat Fine het gezin bijeenhield is precies wat Bart in zijn rede onderstreept. Maar wellicht is voor die inleidende alinea niet ‘ons Ida’ maar de eindredactie verantwoordelijk.